De gedachte – Over autisme

Vrijdag 2 april was Wereld Autisme Dag. Door de jaren heen leerde ik heel wat jongeren met autisme kennen in de klas. Elk schooljaar heb ik per klasgroep gemiddeld 1 of 2 leerlingen met autisme. Sommige van hen gedijden erg goed in een grote groep leeftijdsgenoten en ervaarden geen grote problemen binnen de schoolcontext, bij andere leek de schoolse loopbaan bezaaid te zijn met obstakels. Stuk voor stuk lieten die leerlingen wel een indruk na. Elk van hen leerde me weer iets anders over autisme en hoe het is om daarmee te leven.

Iemand heeft een autismespectrumstoornis (ASS) of kortweg autisme, maar je noemt iemand geen autist omdat je die persoon dan een (beladen) label opplakt op basis van slechts één eigenschap. Veelal goedbedoelde uitspraken als de autist in mij kan er niet tegen als het volume een oneven getal is zijn heel nietszeggend over hoe het is om te leven met autisme. Ik kan stress ervaren als ik voor een groep onbekende mensen moet spreken of ik kan geen zin hebben om uit bed te komen, maar dat maakt me nog niet faalangstig of depressief omdat mijn dagelijks functioneren er niet door beïnvloed wordt. Autisme bestaat bovendien in heel uiteenlopende verschijningsvormen (vandaar ook het spectrum in de benaming ASS). Dé Autist bestaat met andere woorden niet en doet afbreuk aan de persoon die erachter schuilt.

Mensen met autisme kunnen moeilijk onderscheid maken tussen details, hoofd- en bijzaken. Dat is lastig als ze iets leren op school (wat is nu eigenlijk het belangrijkste?), maar ook in een veel bredere context. Tijdens een bijscholing over ASS werd ons gevraagd naar een prent te kijken om te benoemen welke ruimte in huis dit was. We konden echter niet naar het totale plaatje kijken, maar moesten dat doen via een heel klein kijkgaatje dat over de afbeelding schoof, waardoor de details herkenbaarder waren dan het geheel en je een badkamer niet van een woonkamer kon onderscheiden. Als je vanuit die gedachte naar de supermarkt gaat of de was moet doen, dan heeft dat heel wat meer voeten in de aarde. Een supermarkt is sowieso een plek die als behoorlijk overweldigend ervaren kan worden door mensen met autisme door de overdaad aan prikkels die ongefilterd binnenkomen.

Mensen met autisme hebben net zo goed emoties, ze kunnen die alleen minder goed aanvoelen en interpreteren. Leerlingen met autisme kunnen heel direct uit de hoek komen omdat ze de dingen zeggen zoals ze zijn. Om tactvol te zijn moet je iemands gevoeligheden kunnen inschatten. Ook humor kan om die reden een struikelblok zijn. Vaak detecteren leerlingen met autisme wel dat iets als een grap bedoeld is, maar ze kunnen die niet interpreteren omdat de talige boodschap afwijkt van de intentie. Het kan enerzijds een voordeel zijn dat een leerling het niet ongemakkelijk vindt om alleen te zitten op de speelplaats, anderzijds worstelen ze wel vaak met een emotioneel beladen begrip als vriendschap. Wanneer kan je iemand immers als een vriend beschouwen?

Een autismevriendelijke omgeving is gunstig voor alle leerlingen, je moet als leerkracht dus niet iets anders of extra’s doen enkel voor leerlingen met autisme, maar wel proberen om je lessen zo autismevriendelijk in te richten. Elke leerling is gebaat bij een duidelijke lesstructuur, eenduidige instructies en een heldere vraagstelling die bij voorkeur ook schriftelijk meegedeeld worden. Het is in een klasgroep pubers niet altijd gemakkelijk om gepast te reageren op een vreemde uitspraak of opmerking van een leerling met autisme. Duidelijk communiceren is de boodschap. Je kan dus gerust zeggen dat iets onbeleefd of ongepast is als je dat niet met een boze of ironische ondertoon doet, want dan wordt je boodschap onduidelijk en multi-interpretabel.

Er worden meer jongens dan meisjes gediagnosticeerd met autisme, al zou er bij meisjes wel sprake zijn van onderdiagnose omdat het sociale aspect bij hen doorgaans beter ontwikkeld is. ASS zou vier keer zo vaak voorkomen bij jongens. Dit komt ook overeen met mijn ervaringen. Meisjes lijken hun autisme beter te kunnen camoufleren omdat ze van jongs af aan beter geoefend worden in het emotionele aspect. Helaas lijkt er bij meisjes ook een groter taboe rond autisme te hangen. Ze schamen zich er vaker over. In de klas kunnen jongens met autisme trouwens zelden goed samenwerken omdat ze tegen elkaars rigiditeit oplopen en vooral de ander heel raar vinden.

De vraag waar de grens ligt tussen iemands persoonlijkheid en diens autisme is irrelevant omdat ieders persoonlijkheid beïnvloed wordt door diverse factoren. ASS kan je helpen om bepaald gedrag te kaderen en om te begrijpen waar het vandaan komt. Bij een puberende leerling met autisme die de clown uithangt omdat dat een rol is die hem een identiteit geeft binnen de groep, heeft het geen zin om je af te vragen of de puberteit dan wel het autisme hiervan de oorzaak is. Beide aspecten zijn immers continu met elkaar in interactie en je moet dus ook met beide rekening houden als je dit gedrag bespreekbaar wil maken. Hoe ouder je wordt, hoe meer je persoonlijkheid ook vervlochten raakt met de dingen die je doet. Zo stel ik vast dat er geen harde grens meer te trekken is tussen mezelf en mijn beroep. De leerkracht in mij is ook buiten de klas aanwezig net zoals dat mijn persoonlijkheid ook tot uiting komt als ik mijn beroep uitoefen.

De gedachte – 10 x over spelling

Beroepsmatig kruist er heel wat mijn pad, zo ook spelfouten, spellingfouten of spellingsfouten: zo u wil. De Nederlandse taal en cultuur zijn mijn vak, spelling is daar een deel van. In mijn omgeving blijkt dit tot gevolg te hebben dat iemand die mij – professioneel of privé- schriftelijk contacteert een verhoogde waakzaamheid heeft wat betreft bovengenoemde fouten. Nochtans heb ik niet de neiging om elke spelfoutje dat mijn blik kruist met een belerend vingertje te corrigeren. Ik beschouw mezelf niet als rechercheur van de taalpolitie. Ik veroordeel ook oprecht niemand op basis van spellingsfouten. Echt. Niet. Anderzijds is het wel een keihard feit dat ik elke spellingsfout zie. Door mijn werk als leerkracht Nederlands ben ik daar simpelweg in getraind. Het is dus echt sterker dan mezelf dat ik op elk briefje dat uithangt of in elke folder die ik krijg toegeschoven automatisch fouten zie, ook als ik niet aan het werk ben. Leuk, maar je redt er geen levens mee. Mijn kinesist vertelde eens dat zij hetzelfde heeft met looppatronen: als ze iemand ziet lopen, kan ze niet anders dan in een oogwenk diens voetzetting analyseren. De fouten die ik als leerkracht het vaakst zie, zijn werkwoordsfouten, in de volksmond dt-fouten genoemd. Zulke fouten doen soms echt pijn aan mijn ogen. Ik heb een arsenaal aan flauwe grappen om dit in de klas kenbaar te maken (dat ik dit weekend een overdosis heb gekregen… aan spelfouten). 10 lesjes over spelling dus, omdat spelling niet ergerlijk is, maar om van te houden!

Ik ken niet alle spellingregels, maar ik draag juist schrijven wel heel hoog in het vaandel. Bij de geringste twijfel zoek ik een woord op. Spelling is een onderdeel van mijn vak dat ik meer dan behoorlijk onder de knie heb. Als ik vroeger thuis mee schreef met het Groot Dictee der Nederlandse Taal dan maakte ik steevast minder fouten dan het gemiddelde. Het Groene Boekje kampeert echter niet op mijn nachtkastje.

De spellingregels wijzigen niet jaarlijks, al is het een excuus dat vaak wordt aangehaald om niet juist te spellen. Het eerste Groene Boekje werd gepubliceerd in 1954. De grootste Nederlandse spellinghervorming vond plaats in 1995. Hiermee verdween de voorkeursspelling en werd een insekt onherroepelijk een insect en de pannekoek een volwaardige pannenkoek. In 2005 volgden er nog enkele correcties op die hervorming en ontstond uit protest daarop het Witte Boekje. Het is nu al geruime tijd rustig in spellingland.

Er bestaan sympathieke spelfouten, die doen zich veelal voor in een context waarin spelling geen prioriteit is, maar waar ik het idee krijg dat er juist wel is nagedacht over de juiste schrijfwijze. In de frituur vind ik een kaaskrokket bijvoorbeeld krokanter klinken dan een simpele kaaskroket.

Zonder spellingregels zouden we elkaar minder goed begrijpen, spelling heeft dus wel degelijk een communicatief nut. Een wereld zonder spellingregels klinkt misschien aanlokkelijk, maar als één woord tientallen schrijfwijzen heeft, komt dat de leesbaarheid en ook verstaanbaarheid van een tekst absoluut niet ten goede. Taal als communicatiemiddel en ach ja, dat we elkaar begrijpen is toch het belangrijkste, vraagt juist om eenduidige spellingregels. 

Een spelfout in een sollicitatiebrief is echt gênant, niet omdat het je minder intelligent zou maken, wel omdat het nonchalant overkomt en dat is nu net niet de eerste indruk die je wil maken. Je wil bij een sollicitatiegesprek niet binnen komen in een keurige outfit terwijl je rits openstaat en je onderbroek naar buiten gulpt.

Lezers en latinisten hebben een beter ontwikkeld taalgevoel wat hen ook betere spellers maakt. Wie lezer en latinist is, heeft dus dubbel prijs. Omdat lezers meer teksten en woorden zien, prenten ze meer woordbeelden in hun geheugen. Latinisten zijn zowel sterker in woord- als zinsleer en dat maakt hen kundiger om spellingregels correct toe te passen. Het is natuurlijk geen voorwaarde om juist te kunnen spellen.

Schrijf eigennamen altijd juist én met een hoofdletter omdat het iedereen meteen opvalt als haar of zijn naam verkeerd geschreven wordt. Recent was er een leerling in de klas die er mij in een spellingsoefening op wees dat ik Marieke verkeerd had geschreven als Marike. Tot ik haar vertelde dat mijn zus Marike heette (en de voorbeeldzin zich dus binnen een niet-fictieve context afspeelde, mijn familieleden treden vaak op als figuranten in spellingsoefeningen).

Werkwoorden juist spellen is een kwestie van consequent zijn, je moet mij dan ook niet vertellen dat de dt-regel (die dus helemaal niet bestaat, maar een gevolg is van de algemene werkwoordspelling) verwarrend is. Werkwoorden juist spellen is niet vergelijkbaar met à la carte eten in een restaurant. Bij wiskunde loopt het ook grandioos mis als je x en + vrolijk door elkaar gebruikt. 

Engelse woorden hebben vaak een aantrekkelijkere spelwijze, wij hebben wel sexy, maar geen sex. We hebben geen barbeque (bbq), maar een barbecue (bbc?). En toegegeven, een exotische q of x geeft taal wat pit. Bovendien ziet gebrainwashed er gevoelsmatig normaler uit dan gebrainwasht. Spelling is echter consequent zijn, ook met invloeden van buitenaf.

Stijl is doorslaggevender dan spelling, zo vind ik een overdreven formeel bericht in een context waarbij dat helemaal niet nodig is ergerlijker dan een schattig spelfoutje binnen een gepaste stijl. Ook op een blog val ik voor stijl (en hoe die past bij een persoon) en niet voor spelling. Het lot van spelling is dat het niet opvalt als het juist is. Stijl die past en spreekt: dat is het charisma van de taal.  

De hierboven afgebeelde Atlas van de Nederlandse taal (uitgegeven bij Lannoo) is een echte aanrader voor iedereen die houdt van taalweetjes die zoveel verder gaan dan spelling.

 

Het moment – Schrijftalent gespot in de klas #2

De Poëzieweek van 2021 was me het weekje wel. Ik zat in quarantaine met Gedichtendag, testte gelukkig twee keer negatief en kon dus blij als een kind maandag weer aan het werk. Het voelde aan als een “terug naar school” van heel lang weggeweest, zo eentje waarbij de nacht overbodig lijkt en je stuiterend van de adrenaline om 5u30 uit je bed springt. Of hoe een mens in deze tijden al dolgelukkig is als ie gewoon naar z’n werk mag om het leven in al z’n normaalheid te omarmen. Gewoon is nu al heel wat. Wat later dan verwacht kon ik dus op school de laureaten van de zes-woorden-verhaal-wedstrijd in de bloemetjes zetten. Tradities zijn er namelijk om in ere te houden en ook dit schooljaar ging ik weer op zoek naar de Ernest Hemingway onder mijn leerlingen van het vijfde jaar.

De opdracht was wederom simpel, doch uitdagend: schrijf een six word story, een verhaal dus in amper zes woorden. Alle leerlingen van het vijfde konden nadien stemmen, alsook hun leerkrachten en al mijn collega’s Nederlands. Ik moet zeggen dat het dit jaar nog moeilijker was om te kiezen tussen al dat moois. Het wemelde namelijk van de originele vondsten. Ik kon niet anders dan concluderen dat mijn leerlingen barsten van het literaire talent. Toch was er ook een collega die me bezorgd en ook wel lichtjes verwijtend vroeg waarom ik zo’n donker en depressief thema had gekozen voor de verhalen. Euh? Ze ging er namelijk van uit dat ik de leerlingen doelbewust in de richting van het drama had geduwd en dat de meeste zes-woorden-verhalen daarom zo beladen waren. Nee dus, maar het blijkt nu eenmaal aantrekkelijker te zijn om met weinig woorden een dramatische gebeurtenis op te wekken.

IMG_4185b

Ook onder de leerlingen ontstond er wat onenigheid. Sommigen vonden dat je een onderscheid moest maken tussen een poëtische en een verhalende zin en dat sommige verhalen om die reden geen verhaal waren. Toen er van mij een pasklaar antwoord op die vraag werd verwacht, gniffelde ik wat onnozel. Ik kon in deze kwestie niet voor opheldering zorgen. De discussie an sich vond ik prachtig. Leerlingen die praten over de grens tussen poëzie en proza, wat kan ik me meer wensen? Genoeg gepraat. Tijd om te lezen!

Dit is de top 10:

Tranen vloeiden, het was mijn schuld – Lien
Haar stappen dansten mijn schaduw na – Fleur
Ik zag NIETS in dit alles – Louise
Eén brug, twee ogen, drie tellen – Nelson
Vrijdagen waren van ons, beloofde je – Marieke
Onbekenden overdag, verliefden in de nacht – Ella
Die dag werd de stilte oorverdovend – Nel
Witte jurk vervangen door een zwarte – Kaat
Wij zijn hier maar te gast – Marit
De zoete verslaving van de ellende – Matteo

De origineelste inzending kwam ongetwijfeld van Timi die Domov můj, zničen navždy kvůli ně schreef, wat Tsjechisch is voor Mijn huis voor altijd verwoest door hen.

De gedachte – Over 10 jaar voor de klas

Ik had deze week een jubileum te vieren. Maandag 3 januari 2011 was namelijk mijn eerste schooldag als leerkracht. Ik sta dus welgeteld 10 jaar voor de klas. Toen ik afstudeerde als literatuurwetenschapper, werkte ik eerst in een restaurant en vervolgens in de boekensector. Mijn ouders gaven hun leerkrachtengenen echter aan hun eerstgeborene mee en het was dus onvermijdelijk dat ik leerkracht zou worden. In december 2010 ging ik solliciteren op mijn oude, vertrouwde middelbare school: Atheneum De Ring in Leuven. Tot op heden nog steeds de plaats waar mijn onderwijshart sneller gaat slaan. Mijn eerste lesopdracht bestond uit Engels in het vierde en Nederlands in het vijfde jaar. Die klas in het vierde jaar bezorgde me meteen ernstige kopzorgen en twijfels. Ik leerde veel, laten we het daarop houden. Mijn leerkrachtendroom bleef gelukkig overeind. Van mijn eerste schooldagen en -weken als leerkracht herinner ik me vooral hoe herkenbaar de sfeer en dynamiek in een klas was. Ik werd terug gekatapulteerd naar mijn eigen puberjaren en alle worstelingen die daarbij horen. Niet alleen mijn lesopdracht veranderde door de jaren heen (ik gaf les in alle leerjaren), ook het onderwijslandschap doorstond het één en ander. Ter ere van mijn jubileum ontkracht ik met plezier 10 hardnekkige mythes rond onderwijs. Niet omdat ik de wijsheid in pacht heb, wel omdat ik nu eenmaal graag over mijn week vertel.

Leerkrachten zijn niet lui, integendeel: het merendeel van mijn collega’s beschouw ik als hardwerkend, ijverig en doelgericht. Ik kwam op een school terecht met een gedreven lerarenteam dat me wegwijs maakte én inspireerde. Collega’s die een luisterend oor boden en me ook m’n eigen ding lieten doen. Ik kreeg er vrienden voor het leven bij. Natuurlijk zijn er ook leerkrachten die niet vanuit dezelfde overtuiging voor de klas staan, die liever lui dan moe zijn. Zulke werknemers vind je in elke sector. Nee, wij zijn dus niet lui omdat we op woensdagnamiddag “vrij” hebben en we “slechts” 20 à 21 uur lesgeven. Onze lesvrije momenten besteden we aan allerhande voorbereidend werk, evaluaties en administratie. Als je een leerkracht ’s avonds opbelt, dan is de kans groot dat ie aan het werk is, alleen ziet niemand dat.

IMG_4464b
Op jaarlijkse schooluitstap naar Parijs met de vierdejaars!

Leerlingen zijn niet ongeïnteresseerd, op hun leeftijd is het gewoonweg niet makkelijk om openlijk interesse te tonen. Soms liggen de aanknopingspunten bij hun leefwereld voor het grijpen, soms zal je wat meer moeite moeten doen om ze mee te krijgen. Als je geen respons krijgt, betekent dat niet per se dat je ze niet bereikt. Je mag je vooral niet laten tegenhouden door het gebrek aan enthousiasme dat sommige leerlingen uitstralen. Er sijpelt mogelijk meer binnen dan je aanvankelijk denkt.

Achter elk (lastig) gedrag schuilt een persoonlijkheid die je niet uit het oog mag verliezen. Gedrag is de buitenste – zichtbare – schil van een leerling. Het is een misvatting dat de meeste pubers gruwelijk irritant en dwars zijn. Leerlingen die de grenzen aftasten vind je in elke klas, maar dat betekent niet dat ze je het bloed van onder de nagels halen. In mijn carrière is er slechts een handvol leerlingen dat mij uit mijn lood kon slaan, die me een écht onbehaaglijk gevoel bezorgden waardoor ik niet wist hoe ze te benaderen.

IMG_1091
Ik ben het er niet mee eens. Vallen van Anne provoost is echt geen k*tboek.

Leerlingen zijn bang van teksten, waardoor een boek lezen gelijk staat aan een marathon lopen. Sociale media hebben er ongetwijfeld aan bijgedragen dat leerlingen steeds minder geconfronteerd worden met grotere teksthoeveelheden. Een smartphone is een constante bron van afleiding die een wereld creëert waarin alles snel gaat en dus kort moet zijn. Al is het ook flauw om te pretenderen dat voor de opkomst van de smartphone elke jongere wél boeken las. In elke klas zijn er nog steeds boekenjongens en -meisjes te vinden die boeken verslinden en bibliotheken uitlezen. Je mag de hoop voor een lezende jeugd nooit opgeven.

Elke leeftijd heeft zijn voor- en nadelen, de kunst is om je te focussen op het positieve. Na mijn eerste negatieve ervaring met een vierde jaar bleef het lang aan mij plakken dat ik geen les kon geven in dat jaar. Inmiddels vind ik net die leeftijd (15 à 16 jaar) de bijzonderste, mooiste en uitdagendste. Jongeren balanceren daar op een dunne koord tussen kind-zijn en de volwassenwereld. Bovendien heeft onderzoek aangetoond dat het welzijn van leerlingen een dip bereikt in het vierde jaar en de schoolmotivatie een dieptepunt bereikt. Neem daarbij de impulsiviteit die eigen is aan die leeftijd en je krijgt een explosieve cocktail die al eens een verhitte discussie of een uit de hand gelopen spelletje oplevert. Daarnaast staat een heel grote puurheid die prachtige wijsheden en inzichten voortbrengt. Het ene moment noemt een leerling je per ongeluk mama, een tel later roept iemand iets onbeleefd door de klas. Lesgeven is nooit saai.

IMG_1524b

Alles begint met een goed gesprek, of je nu lesgeeft of een conflict moet oplossen. Je moet onbevangen kunnen luisteren en openstaan voor andere invalshoeken. Als je wil dat leerlingen interesse tonen voor jou en je vak, dan moet je je ook interesseren voor hun bezigheden en leefwereld.

Je moet je eigen vak het allerbelangrijkste vinden, maar dit ook altijd kunnen relativeren. Ik geef elk leerstofonderdeel van mijn vak graag. Zo kan ik op 15 verschillende manieren uitleggen hoe de vervoeging van werkwoorden in elkaar zit (en dat dat eigenlijk best logisch is), desgewenst nog een 16e keer omdat iemand niet oplette. Ik kan met evenveel enthousiasme vertellen over passieve zinnen als over poëzie. Als het over boeken gaat, barst ik echt los. Het is fijn als leerlingen affiniteit hebben met de leerstof, maar ook geen ramp als dat niet zo is. Je kan iedereen iets leren, al leer je niet iedereen evenveel.

Je hebt niet 100% de aandacht omdat je vooraan in de klas staat, je bent slechts een deel van het geheel. Lesgeven aan jongeren is in niets te vergelijken met een presentatie geven. De aandacht krijgen en vasthouden is één van de moeilijkste dingen om te leren omdat er geen hapklaar succesrecept is. Het is altijd weer zoeken naar manieren om iedereen te betrekken bij de les. Ik heb vooral geleerd om te durven overdrijven en me niet in te houden om een grapje te maken, ook als niemand het echt grappig vindt. De allerbeste manier om de aandacht te krijgen, is trouwens iets over jezelf te vertellen.

IMG_3440b

Je moet streng zijn, maar tegelijkertijd ook vriendelijk, behulpzaam en geduldig. Streng zijn betekent niet dat je op elk moment je autoriteit uitspeelt door te straffen en te roepen. Streng zijn betekent dat je het klasgebeuren in goede banen leidt en dat je kordaat optreedt als dat nodig is. Wat ik tijdens mijn opleiding leerde over pedagogiek en didactiek hielp me om bepaalde mechanismen te gebruiken en te doorzien, maar elke situatie en ook elke leerkracht is anders. Je mag geen rol spelen die te ver van jezelf ligt. Het is goed dat elke leerkracht anders is. Je moet ook niet “leuk” willen zijn. Je bent begaan met je leerlingen, maar het zijn geen vrienden. Een leuke leerkracht word je door een veilige leeromgeving te creëren, een plaats waar het fijn is om te zijn.  

Leerkrachten hebben een zwaar onderschat beroep. Daar heb ik verder niets aan toe te voegen.

Over de quotes in mijn klaslokaal gaf ik hier tekst en uitleg.

De gedachte – Bravo, dappere leerkracht!

Het is vandaag Dag van de Leerkracht. Exact een jaar geleden zag ik weinig reden tot feest, laat staan blijdschap. Ik schreef toen iets wat ik nu zonder meer een noodkreet durf te noemen. Het was eventjes helemaal op bij mij. September hakte er in, alles kwam op me af en ik leek de grip te verliezen. Ik stelde mezelf de vraag waarom ik leerkracht was geworden. In oktober liep ik dan wel een goede marathon als haas van Roos, maar ik was moe. Heel moe. Ja, ik stond nog graag in mijn klas, maar het kostte me meer energie dan anders. Ik had het idee dat ik mijn leven niet meer georganiseerd kreeg en dat de schoolstress alles overheerste. Dat ging zo verder tot in december 2019. Ik vond mijn esprit echter helemaal terug aan het begin van 2020. Tijdens de lockdown begin maart wist ik me prima bezig te houden, maar ik miste mijn klas en de leerlingen vrijwel meteen. Ik beschouwde dat als een uitermate positief teken.

De twijfel over mijn beroepskeuze is intussen als sneeuw voor de zon verdwenen. De hemel is opgeklaard. Ik zit soms weer eens op mijn roze wolk. Voor alle duidelijkheid: dat komt niet omdat de druk op leerkrachten is afgenomen, omdat we betere ondersteuning krijgen of omdat er anders naar onderwijs tout court gekeken wordt. De verwachtingen en de druk zijn nog steeds torenhoog. Als er iets is dat de corona-onderbreking van het afgelopen schooljaar aantoonde, dan is het wel dat leerkrachten uitblinken in flexibiliteit en improvisatievermogen. Hoe gek en bevreemdend die periode ook was, we deden met z’n allen verder en we deden dat best goed. We blijven doorgaan, niet omdat Ramses Shaffy dat zegt, maar omdat wij hardnekkig blijven geloven in ons onderwijs. Geen OESO-rapport dat daar tegenop kan.

Omdat het vandaag onze dag is, schuif ik mijn bescheiden aard aan de kant en prijs ik alle leerkrachten de hemel in. Een leerkracht is een circusartiest die elke dag letterlijk en figuurlijk op hoog niveau over een koord moet lopen. Alle blikken zijn op haar gericht. Ze kan in de diepte storten of perfect balanceren. Lesgeven dat is namelijk elke dag weer een evenwicht zoeken tussen inspireren, coachen, streng en behulpzaam zijn, aanmoedigen, geduldig zijn, corrigeren, zelf bijleren en blijven functioneren. Om het beste in je leerlingen naar boven te halen, moet je ook het beste in jezelf kunnen aanboren. Dat lukt de ene dag al beter dan de andere. Soms lijkt er nauwelijks spanning op onze koord te staan, dan val je en moet je vertrouwen op het vangnet van de school. Soms loop je schijnbaar moeiteloos over dat touw. Dan maak je al jonglerend met vijf ballen een pirouette of een dubbele axel. Dan lach je daar nog heel spontaan bij en vertel je en passant een goeie grap. Je wordt geen leerkracht voor dat unieke momentum dat je soms creëert. Je wordt leerkracht omdat je elke dag weer graag iets over je vak vertelt aan jongeren.

Ik ben weerbaar en flexibel omdat ik deel uitmaak van een fantastisch schoolteam dat wordt aangevoerd door een ijzersterke directie. Zonder mijn lieftallige collega’s zou ik vandaag maar half de leerkracht zijn die ik met 10 jaar ervaring geworden ben. Een speciale vermelding gaat naar An, Ellen, Kirsten, Murielle, Bart, Gunter, Pieter-Jan, Stijn en Zefir. Stuk voor stuk topleerkrachten die bevlogen en ambitieus, doch realistisch zijn. Zij geven les met de voeten op de grond, maar wel recht uit het hart. Zij zijn mijn rotsen in de branding telkens als ik denk dat we weer eens recht op de klippen afvaren. Met hen aan mijn zijde durf ik gerust nog 30 jaar voor de klas te staan. Natuurlijk gaat mijn appreciatie ook naar mijn beide ouders die leerkracht zijn. Zij hebben me niet alleen opgevoed tot het flinke meisje dat ik nu (meestal) ben, ze gaven ook al hun leerkrachtengenen (en dat zijn er heel wat) mee aan hun oudste kind. Mijn eeuwige dank daarvoor.

Als je vandaag een leerkracht ziet: bekijk haar of hem eens goed. Je gelooft het misschien niet, maar dit is echt een mens.

Het moment – Terug naar school!

Op 1 september ging ik dus terug naar school. Zoals altijd met kloppend hart. Dit mag dan mijn elfde schooljaar zijn, zo’n vers schooljaar maakt mij altijd weer een beetje zenuwachtig. Stel je eens voor dat samen met de zomer mijn leerkrachten-skills verdwenen zijn?! Elk jaar denk ik dus: zal ik dat nog wel kunnen, zo voor een klas staan? Er is ook elk jaar weer de opwinding van het “nieuwe” en de ochtendroutine (die nog geen routine is) die daar bij komt kijken. Er gaat niets boven ’s ochtends je schoolspullen verzamelen en op de fiets stappen. Met kloppend hart. Ik voel me dan altijd weer een beetje bijna 12 en denk met weemoed terug aan maandag 1 september 1997: de dag dat ik zelf naar de middelbare school ging, de grote school, zoals wij thuis zeiden. Die gebeurtenis is voor mij dan weer onlosmakelijk verbonden met de dood van Lady Diana, die de dag ervoor om het leven kwam in Parijs. Om maar te zeggen: een eerste schooldag maakt behoorlijk wat los bij mij. Nog steeds.

Eenmaal op school maakt de spanning heel snel plaats voor herkenning. Er zijn de onzekere eerstejaars op de speelplaats, het blije weerzien tussen klasgenoten, de niet aflatende cool die sommigen uitstralen, er is heel veel gebabbel, wat geroep en uitgelaten gelach in de gangen. Er is ook wat gelatenheid en blikken die niets aan de verbeelding over laten: daar gaan we weer. Vanaf de eerste minuut dat ik weer in een klaslokaal sta met een groep leerlingen voor mijn neus, is er de opluchting: ah ja, zo gaat dat in de klas. Ook met mondmaskers. Daar wordt volop aan gefrunnikt en af en toe wat over gezeurd, maar ze fungeren gelukkig niet als demper van het enthousiasme en de impulsiviteit. Ik prijs me elk jaar gelukkig met de vierde- en vijfdejaars die ik als mijn leerlingen mag beschouwen.

Na anderhalve schoolweek is ook mijn kennis weer op peil. Zo werden de seizoensfinale en recentste ontwikkelingen in Thuis uitvoerig uit de doeken gedaan. Ik kreeg te horen dat ik met mijn bijna 35 jaar echt nog heel jong ben, want onze ouders zijn in de veertig, dat is pas oud! Ik leerde kung fu van taekwondo onderscheiden. Ik kreeg tekst en uitleg over de voor- én nadelen van de Snapchat-update. Ik kwam te weten dat er zoiets als BookTok bestaat: influencers die boeken promoten op TikTok. We praatten veel over boeken en dat varieerde van een leerling wiens lievelingsboek het aartsmoeilijke Tongkat van Peter Verhelst was tot een bijzonder overtuigende Ik haaaa-aaaat lezen. Kortom: ik ben weer helemaal mee met de wereld.

Mensen, wat is het fijn om terug op school te zijn. Daar kan geen circulatieplan of laag-risico-contact iets aan veranderen.

De gedachte – Hoe zou het zijn met?

Aan hoofdrolspelers was er geen gebrek tijdens de coronacrisis. Er zijn de zorgverleners, de winkelbediendes, de postbezorgers, de vuilnisophalers en het onderhoudspersoneel dat ettelijke malen – geheel terecht – in de bloemetjes werd gezet. De witte lakens en lieve berichten aan tal van woningen zijn daar nog steeds stille getuigen van. De crisis leverde ook figuranten aan die via sluikse weg hun stempel op de afgelopen periode konden drukken. Of juist niet. Hoe zou het hen eigenlijk vergaan?

Hoe zou het zijn met de hamsteraars?
Zijn ze nog steeds overtuigd van hun grote gelijk? Denken ze met weemoed terug aan de Slag om de Supermarkt die ze bevochten begin maart? Checken ze dagelijks hun geheime voorraad alcoholgel en handzeep in de hoop die aan woekerprijzen te kunnen verkopen? Of eten ze nu dagelijks erwten, wortelen en boontjes uit blik met het schaamrood op de wangen? Decoreren ze hun woning met zelfgemaakte mozaïekjes van gedroogde spliterwten en linzen? Zijn ze al maandenlang creatief in de keuken met spirelli en farfalle? Vullen ze hun zwembad niet met kraanwater, maar met de flessen bronwater die ze aansleepten?

Hoe zou het zijn met Eliud Kipchoge?
Zat hij de afgelopen maanden eenzaam op z’n berg in Kenia op anderhalve meter afstand van zijn collega-lopers? Hoe reageert het competitiebeest in hem op de gedwongen wedstrijdloze periode die hij nu doormaakt? Liet hij zich echt geen welgemeende f*ck ontvallen toen de London Marathon werd afgelast? Bleef hij spartaans kalm toen hij hoorde dat het rechtstreekse duel met Kenenisa Bekele, die in september op amper twee seconden van Kipchoges wereldrecord op de marathon strandde, niet zou plaatsvinden? Eet hij zijn ugali nog steeds met evenveel smaak, niet wetende wanneer hij zijn volgende marathon zal lopen? Of is De Filosoof stiekem blij dat hij nu eindelijk tijd heeft om boeken te lezen en zijn uitgebreide schoenenkast op te ruimen?

Hoe zou het zijn met alle enthousiastelingen die tijdens de quarantaine halsoverkop begonnen te sporten?
Blikken ze louter nostalgisch terug op al die quarantaine-kilometers? Zijn ze geveld door blessures en blijft hun lichaamsbeweging beperkt tot de verplaatsing naar de kinesitherapeut? Liggen de loopschoenen ergens achterin een kast (die sinds april ook niet meer werd opgeruimd) te verpieteren? Staat hun racefiets inmiddels te koop? Of zijn ze nu volledig verknocht aan hun nieuwe tijdverdrijf? Beseffen ze hoe heerlijk het is om op de fiets te stappen en er eventjes helemaal tussenuit te zijn? Nemen ze niet langer de auto om naar de bakker twee kilometer verderop te gaan? Hebben ze de smaak echt te pakken en dromen ze van 10 Miles, 20 kilometers van Brussel en volledige marathons? Hebben ze echt geproefd van wat sportgeluk betekent?

Hoe zou het zijn met de Arc de Triomphe en mijn andere stenen vrienden in Parijs?
Wie waren de bezoekers die op 15 juni voor het eerst terug de Arc de Triomphe mochten beklimmen? Hoe zag de iconische, en vooral chaotische, rotonde Etoile eruit toen je je slechts op straat mocht begeven met het juiste papier en de vereiste stempel? Werd er pro forma nog geclaxonneerd? Gebruiken chauffeurs nu wel hun richtingaanwijzers? Hebben de wonden die de gilets jaunes achterlieten kunnen helen? Was er tijd om noodzakelijke klusjes op te knappen? Hoe dicht of ver staan de terrasstoelen echt van elkaar op de smalle Parijse stoepen?

Hoe zou het zijn met Miguel Wiels?
Is hij er nog steeds echt van overtuigd dat leerkrachten klagers en luilakken zijn omdat ze tijdens lesvrije weken zogenaamd nauwelijks moesten werken? Kent Miguel Wiels, naast de genoemde hardwerkende zelfstandigen, überhaupt leerkrachten? Weet hij hoe mentaal belastend een schooljaar kan zijn? Beseft hij hoeveel maatschappelijke druk er op de leerkracht is komen te staan en dat zijn bijdrage daar een prachtig voorbeeld van is? Is hij zich ervan bewust dat hij met zijn uitspraken vooral zijn eigen kortzichtigheid in de kijker zet? #foei

 

 

 

Het boek – Voorleestips voor jong en oud #2

Naar aanleiding van de De Nationale Voorleesdagen las ik in januari een verhaal van Remco Campert voor in mijn klassen. In De beestjes verveelden zich is een hoofdrol weggelegd voor een praatgraag lieveheersbeestje dat alles kinderlijk leuk lijkt te vinden. Kinderachtig, oud en ongeschikt voor puberende jongeren zou je denken, maar mijn leerlingen wisten het verhaal echt te appreciëren. Er volgde een gesprek over hoe verveling hoort bij kind zijn. Behalve in één klas: daar proestten enkele jongens het meteen uit bij de zin De leeuw sliep in zijn hol. Er gebeurden nog onschuldige dingen in dat hol. Toen er ook nog een poes bij dat hol kwam, was het hek helemaal van de dam. Het voorleesmoment verliep wat minder sereen, maar was daardoor niet minder waardevol. Mijn collega en goede vriendin An kan beamen dat onze leerlingen nog intens kunnen genieten van voorleesmomenten. An is expert in de voorleesmaterie omdat ze in 2003 haar eindwerk schreef over de voordelen van voorlezen. Bovendien heeft ze ook heel wat in-huis-voorleeservaring dankzij haar 10-jarige tweeling Lieselore en Reinout.

an3b

An vertelde me dat dit gedicht van Bart Moeyaert de aanzet gaf om haar eindwerk over voorlezen te schrijven:

Voorlezen doet lezen

Wens jezelf een vader die voorleest wat hij mooi vindt.
Voorlezen is verhalen doorgeven.
Wens jezelf een moeder die zo hard lacht als jij.
Voorlezen is plezier voor twee.
Wens jezelf een broer die alles eerlijk deelt.
Voorlezen doe je samen, met vier ogen en vier oren.
Wens jezelf een zus die zelfs in het donker ziet.
Voorlezen kun je overal en altijd.

Wens jezelf een tante die de puntjes op de i wil.
Voorlezen is een kunst die je kunt leren.
Wens jezelf een oom die klok kan kijken.
Regelmatig voorlezen is beter dan af en toe.
Wens jezelf een oma die iederéén wil hebben.
Horen voorlezen doet zelf voorlezen.
Wens jezelf een opa die vaak omkijkt.
Voorlezen is geschiedenis doorgeven.
Wens jezelf een boek.
Voorlezen doet zelf lezen.

Later voegde hij er nog deze regels aan toe:

Wens jezelf leraren die vaak voorlezen
Want horen voorlezen doet zelf lezen.

Een wijsheid die wij als Bart Moeyaert fans én gepassioneerde leerkrachten ter harte nemen. In haar eindwerk behandelde An onder andere de kenmerken van een goede voorlezer. Een flinke dosis enthousiasme en durf zijn daarbij van groot belang. Voorlezen is meer dan luidop tekst lezen. Je moet je lichaam durven gebruiken. Lezen met stemmetjes is geen noodzaak, een gevarieerde en aangepaste intonatie is dat wel. Precies dat herinnert An zich van de voorleesmomenten met haar broer. Toen ze zelf een jaar of 10 was, genoot ze heel erg van de verhalen die haar oudere broer Tom voorlas. Ze kent die verhaaltjes nog steeds mét Toms intonatie erbij. Als student hield ze dan weer van de voorleesmomenten met Wim (inmiddels haar man) die voorlas uit Stad der blinden van José Saramago.

lenr2b

An vertelde me ook dat ze al voorlas toen ze zwanger was van haar tweeling. Het is immers aangetoond dat baby’s hier ook in de buik rustig van worden. Toen Lieselore en Reinout geboren waren, werd het borstvoedingsmoment ook een voorleesmoment. Zelfs heel kleine baby’s kunnen al kleurcontrasten waarnemen in een prentenboek. Vanaf 4 maanden is een boek een stuk speelgoed waar ze naar kunnen grijpen en al hun zintuigen op loslaten. Knisperboekjes zijn dan erg geliefd. Vanaf 6 maanden kunnen baby’s even scherp zien als volwassenen. Hierdoor kunnen ze bijvoorbeeld gezichten herkennen op een prent. Om die emoties te beoordelen, zullen ze eerst kijken naar de reactie van de voorlezer op de prent. Baby’s kunnen vanaf 8 maanden voorwerpen of dieren aanwijzen in boekjes. Rond hun eerste verjaardag zullen ze beginnen brabbelen, prenten willen begrijpen en pagina’s zelf omslaan. Een half jaar later zullen ze ook complexe prenten begrijpen en details zien op afbeeldingen. Op 2-jarige leeftijd slaagt een peuter erin om een verhaallijn te begrijpen en mee te leven met personages. Vanaf dan krijgen ze ook favoriete boekjes die ze door en door kennen.

lenr3b

De kids hebben heel wat favoriete voorleesboeken. Ze zijn heel erg fan van klassiekers als Annie M.G. Schmidt en Roald Dahl. Vooral de humor in die verhalen scoort erg goed. Pluk van de Petteflet was het eerste langere verhaal dat ik aan hen voorlas. Ze leefden echt mee! Jip en Janneke vinden ze ook nog altijd leuk. Mijn kinderen houden er echt van als ik stemmetjes doe. Bij de boeken van De gruffalo was dit ook altijd een groot succes, ook dit is weer een grappig boek. Nu Lieselore en Reinout wat ouder zijn, ben ik weer meer boeken gaan voorlezen. De eigenzinnige stijl van Roald Dahl blijft het goed doen en ook Oma Boef is een schot in de roos. Het land van de grote woordfabriek vinden we hier allemaal een geweldig boek, zowel de illustraties als de inhoud. Hart doet het ook goed. Dit is een grappig boek met een schitterende vormgeving over gevoelige onderwerpen zoals echtscheidingen. Lieselores favoriete prentenboek blijft De mooiste vis van de zee.

Ik heb ook luisterboeken mogen inlezen voor de Vlaamse Luister- en Braillebibliotheek. Het is natuurlijk heel anders om een tekst in te lezen dan om hem voor te lezen aan een publiek, maar dat maakte het ook een boeiende ervaring. Veel luisteraars hebben een favoriete inlezer die gecontacteerd kan worden met de vraag om een bepaald boek in te lezen. Hoewel ik de voorkeur geef aan het directe voorleescontact, is dit een schitterend initiatief omdat je op die manier tal van luisteraars kan bereiken die geen toegang hebben tot boeken of zelf niet goed kunnen lezen. Luisterboeken zijn bij ons thuis trouwens ook heel populair. Wim zet ze vaak op in de auto als hij ver moet rijden voor zijn werk. Als we trips maken met het gezin zijn de cd’s van Het Geluidshuis een vaste waarde en de cd van Oma boef wordt standaard beluisterd als we op vakantie gaan met de auto.

an2b

De voorleeslijst #2
Pluk van de Petteflet, Floddertje, Jip en Janneke & Ik wil alles wat niet mag – Annie M.G. Schmidt, Fiep Westendorp en Harry Geelen
Mathilda, Joris en de geheimzinnige toverdrank – Roald Dahl
De gruffalo – Julia Donaldson en Axel Scheffler
Oma boef – David Walliams
Het land van de grote woordfabriek – Agnès de Lestrade en Valeria Docampo
Hart – Eef Rombaut en Emma Thyssen
De mooiste vis van de zee – Marcus Pfister

Dankjewel An, Lieselore, Reinout en Wim om jullie ervaringen en foto’s te delen!

De gedachte – Waarom ik school mis

Drie lesvrije weken hebben we er inmiddels op zitten. Ik kan concluderen dat uitleg en instructies geven achter een scherm mijn ding niet is. Ik mis het samenzijn in de klas met mijn leerlingen. Ik mis de interactie. Ik mis de unieke en altijd wisselende klasdynamiek waardoor elk lesuur anders is. Waar ik op drukke lesdagen soms snakte naar een rustmoment, verlang ik nu naar de drukte van het klasgebeuren. Ik ben zelfs zo ver dat ik mijn schoolse leven door een roze en ernstig geromantiseerde bril bekijk. Daarom dit lijstje met wat ik zoal mis.

  • Heel enthousiast met verschillende klemtonen en intonaties goedemorgen! zeggen als mijn leerlingen de klas binnen strompelen.
  • De zo mogelijk nog enthousiastere en welgemeende goedemorgen mevrouw! die daar meestal op volgt.
  • De dramatische manier waarop sommige leerlingen me-vrooooouuuuuw uitspreken: als een mix van hulpeloosheid, radeloosheid en verveling.
  • Leerlingen die me per ongeluk aanspreken met meneer (gênant voor mij) of mama (gênant voor hen).
  • Een attente hoe was uw weekend, mevrouw? en de stille hoop dat ik dan vertrokken ben met een spannend, persoonlijk en liefst ook lang verhaal.
  • De persoonlijke vragen, zoals: neemt u liever een bad of een douche? Ze dachten dat ik eerder een badtype was.
  • Leerlingen die na de les nog even blijven hangen om wat te babbelen en een momentje met mij te hebben.
  • De spitsvondigheden, droge opmerkingen en het gevoel voor humor en dramatiek van mijn leerlingen.
  • Samen aan de boekenkast staan, leesadvies geven en dan zien dat je tips ter harte worden genomen.
  • Samen aan de boekenkast staan, leesadvies geven en dan zien dat vooral het aantal pagina’s van het boek er echt toe doet.
  • Het spervuur van vragen dat soms op mij wordt afgevuurd om duidelijk te maken dat een opdracht echt wel veel te moeilijk is.
  • Het niet bepaald subtiele gegiechel als iets blijkbaar dubbelzinnig geïnterpreteerd kan worden.
  • Op 13 februari, de dag van de minnares, uitleggen wat een minnares is.
  • Het geblader en geritsel van kranten of woordenboeken.
  • Leerlingen die na 10 minuten door hebben dat ze met een woordenboek Nederlands-Engels geen Nederlandse verklaringen kunnen opzoeken.
  • Beschrijvingen van woorden die meestal nog onduidelijker zijn dan het opgezochte woord zelf.
  • De Humo’s in mijn lokaal die altijd toevallig openvallen op pikante tekeningen of mopjes.
  • Het geroezemoes van leerlingen die aanvankelijk ijverig aan het werk zijn, na verloop van tijd zichzelf verliezen in een persoonlijk verhaal, waardoor ongemerkt ook hun volume toeneemt en ze zich een bult verschieten als ik plots inpik.
  • Het gemor dat al eens kan opstijgen als ik zeg neem nu allemaal een blad om te noteren. Soms volgt hier ook blinde paniek op, want het was toch geen toets???!!!
  • Het werk en de tijd die leerlingen hebben gestoken in een presentatie of creatieve opdracht.
  • De trots op hun gezicht als je hen daarvoor de hemel in prijst.
  • De worsteling die sommige leerlingen ervaren als ze hun façade van lui en ongeïnteresseerd niet mogen laten vallen als iets hen echt boeit.
  • De geconcentreerde blik op mijn outfit die grondig bestudeerd wordt en veel interessanter is dan wat ik aan het vertellen ben.
  • Tijdens je uitleg een hand de lucht in zien gaan, denken dat er een goede inhoudelijke vraag gesteld zal worden en dan: mag ik naar de wc gaan?
  • Gemiddeld 5x per dag uitleggen waarom je het is gebeurd met een d schrijft en het gebeurt met een t.
  • De overtuigde nu begrijp ik het! die daar dan steevast op volgt.
  • Gemiddeld 5x per dag vriendelijk vragen zet je je kap af?
  • Gemiddeld 5x per dag vriendelijk vragen heb jij een kauwgom in je mond?
  • De gordijnen die dagelijks een keer of 125 open en weer dicht moeten gaan omdat de zon te hard of helemaal niet schijnt.
  • De temperatuur in mijn klas die ofwel eerder aansluit bij een Siberisch klimaat ofwel eerder tropisch te noemen is. Beide klimaattypes worden uitgebreid van commentaar voorzien.
  • De babbels met mijn collega’s, in het bijzonder die met An, Gunter, Murielle en Pieter-Jan.
  • De veel te straffe koffie in de leraarskamer die soms toch dat noodzakelijke cafeïneshot kan geven.
  • De nog steeds inspirerende quotes in mijn klaslokaal.
  • De oprechte daaaa-haaaag mevrouw als leerlingen de klas verlaten.

 

 

 

Het boek – Toppers volgens mijn leerlingen #3

Het schooljaar is halverwege. Dat betekent dat mijn leerlingen al twee boeken lazen en er nog twee te goed hebben. Ik vertelde al eens wat mijn leerlingen van het vierde jaar zoal weten te waarderen op literair vlak. In het vijfde jaar kiezen leerlingen van een uitgebreide lijst die ruimte biedt aan de volledige wereldliteratuur. Vertalingen uit het Engels en Frans worden echter niet toegelaten. Jaarlijks komen er nieuwe titels bij waarvan ik denk dat ze iets teweeg kunnen brengen bij mijn lezerspubliek. Ik merk dat leerlingen in het vijfde jaar minder klagen over moeten lezen. Vaak ontwikkelen ze hun eigen smaak en ontdekken ze een schrijver wiens stijl ze waarderen. Ze geven elkaar ook vaak tips over wat het lezen waard is. Ik licht er graag drie titels uit die steevast positief onthaald worden.

De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween van de Zweedse auteur Jonas Jonasson wordt steeds weer op gejuich onthaald. Jonassons debuutroman verscheen in 2009 en werd meteen een wereldwijde bestseller. Om jongeren meer dan 300 pagina’s te kunnen boeien, moet een boek wel echt overtuigend zijn. Zeker voor jongens is deze roman telkens weer een schot in de roos. Het absurde levensverhaal en het ontsnappingsverhaal van het honderdjarige hoofdpersonage Allan, die op zijn verjaardag uit het rusthuis ontsnapt, worden in de eerste plaats gewaardeerd omdat heel wat gebeurtenissen uit de wereldgeschiedenis de revue passeren, zoals de Wereldoorlogen dichtbij huis, maar ook minder bekende gebeurtenissen in de Sovjet-Unie en China. Mij kon dit verhaal geenszins overtuigen. Ik stoorde me aan de ongeloofwaardige Allan die een voorliefde heeft voor bommen en explosies en bovendien bij werkelijk elke bepalende gebeurtenis in de wereldgeschiedenis een rol van betekenis heeft gespeeld. Mijn leerlingen zijn het daar duidelijk niet mee eens. Ze prijzen keer op keer de humor en originaliteit van het boek de hemel in. Een jongen zei eens: “Mevrouw, er zal echt nooit een boek zijn dat ook maar in de buurt komt van dit.” De pretlichtjes en gelukzalige glimlach op zijn gezicht zal ik niet snel vergeten.

Uit eigen land scoort Griet Op de Beecks Vele hemels boven de zevende erg goed. Ze krijgt vaak het neerbuigende etiket vrouwenliteratuur opgeplakt. Ik vind dat jammer: literatuur is niet te herleiden tot mannen- en vrouwenboeken, al zal ik niet ontkennen dat enkel meisjes dit boek kiezen en er laaiend enthousiast over zijn. Vooral de manier waarop de personages Eva, Lou en Elsie vorm krijgen. Ze worden beschouwd als bestaande personen, echte mensen van vlees en bloed die tot leven komen op papier. Iemand schreef dat ze het gevoel kreeg dat ze naar een toneelstuk aan het kijken was. De eenzaamheid en droevige gebeurtenissen waar de personages op hun zoektocht naar geluk mee geconfronteerd worden, raken duidelijk een gevoelige snaar bij mijn leerlingen. Daarenboven lees ik vaak dat ze door dit verhaal een ander, menselijker en genuanceerder, beeld hebben gekregen van onderwerpen als vreemdgaan en alcoholisme. Onderwerpen waar ze doorgaans een principiële mening over hebben. Vele hemels boven de zevende deed hen beseffen dat het begrijpelijk is dat mensen soms verkeerde beslissingen maken, dat je soms kiest voor zekerheid in plaats van voor geluk en dat het niet erg is om niet perfect te zijn.

De geniale vriendin van de mysterieuze Italiaanse schrijfster Elena Ferrante wordt sinds kort vaak en graag gelezen. Dit boek is het eerste deel van Ferrantes Napolitaanse romans, waarin we kennismaken met Lila en Elena die opgroeien in de harde realiteit van het grauwe Napels in de jaren 50, waar de klassenmaatschappij een feit is. De meisjes worden briljant en ontwapenend genoemd. Door hun kinderogen wordt intens meegeleefd met hun dromen: om een boek te schrijven en rijk te worden bijvoorbeeld. Naarmate de meisjes ouder worden, vervagen hun dromen en leer je hen steeds beter kennen. Je kan echter nooit volledig doorgronden waarom ze doen wat ze doen. Dat je hierdoor alle verwachtingspatronen loslaat en geen idee hebt waar het verhaal naartoe gaat, wordt als een groot pluspunt ervaren. Ik hoorde meermaals dat leerlingen meegesleurd en opgeslorpt werden door het hartverscheurende verhaal, ook al staat dat mijlenver van hun eigen leven. Naast wat Italiaanse geschiedenis leerden ze bovendien dat alles te relativeren valt en dat er niet zoiets bestaat als een absolute waarheid.

Met dank aan Bo, Dante, Lucas en Zacharias wiens inzichten over De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween ik in deze tekst verwerkte. De complimenten over Vele hemels boven de zevende haalde ik bij Josse, Limke, Mira, Robin en Ruth. Voor De geniale vriendin baseerde ik me op de ideeën van Elise, Hermelijn en Jits.