Het moment – Terug naar school

Jawel, jawel: het is zo ver, een kakelvers schooljaar staat voor de deur! De onvermijdelijke zenuwen gieren door mijn lijf. Vannacht deed ik geen oog dicht door de adrenaline. Ik heb de neiging om elke zin af te sluiten met een uitroepteken. Ik moet mezelf zowel oppeppen als intomen. Yes, deze leerkracht is er klaar voor (doe rustig, geen uitroepteken). Tijdens de lockdown vertelde ik al waarom ik school miste. Als ik dat lees besef ik weer hoe erg het was om afgesneden te zijn van mijn leerlingen. Elk voor zich thuis zitten en dan maar proberen de klassfeer erin te houden. Ik kijk er reikhalzend naar uit om weer neuzen, monden en kinnen te zien in de klas. Om ’s middags te sporten met leerlingen en collega’s. Om samen aan die boekenkast te staan. In schooljaar 2021-2022 moet de klastijd weer zegevieren.

De aftrap van een nieuw schooljaar genereert een stroom aan meningen. Het onderwijs is namelijk gemeengoed: iedereen mag en moet er een mening over hebben. Of dat nu gaat over de lengte van de schoolvakantie (te lang), de jeugd van tegenwoordig (te soft) of de loopbaan van een leraar (te vlak). Laten we het positief opvatten en concluderen dat we met z’n allen bekommerd zijn om ons onderwijs. Terecht, de ene uitdaging na de andere wordt op het onderwijsbastion afgevuurd en dat lerarentekort lost zichzelf niet op. Laat je niks wijsmaken, eigenlijk is het heel simpel. Je wordt leraar omdat je heel graag voor een klas wil staan om jongeren iets bij te leren, hen te coachen en te inspireren. Je wordt een goede leraar als je de kans krijgt om jezelf daarin te ontwikkelen dankzij een positief werkklimaat en een school waar je er niet alleen voor staat. Voilà.

Ik wens jullie allemaal een waanzinnige 1e september!

Als ik een boek was…

De examenperiode is in volle gang. Het is 30 graden en ik zweet me een ongeluk. Ik denk na over het afgelopen schooljaar. Wederom een ander schooljaar, weer een raar jaar. Een schooljaar waarin we uitblonken in improviseren, waarin gewoon in de klas zijn bijzonder werd, waarin we allemaal veel te veel achter een scherm moesten zitten. Het afgelopen jaar viel ook mij met momenten zwaar. Ik miste veel en probeerde blij te zijn met wat er wel was. Ik slaagde daar behoorlijk in. Voor jongeren daarentegen was het gebrek aan echt sociaal contact veel meer een ernstige inbreuk op hun levensstijl. 65% van de jongeren had het mentaal moeilijk tijdens de eerste coronagolf. Niet omdat het een gepamperde generatie is, niet omdat het watjes zijn, maar omdat alleen zijn indruist tegen het DNA van een jongere. Het is een cijfer om stil van te worden. Ik hoorde veel leerlingen klagen en zuchten. Ik zag hen vooral ook kei hard hun best doen. 

Waar ik gelukkig van word zijn leerlingen die hun leeservaringen delen. Een leerling die een boek graag gelezen heeft (soms tegen alle verwachtingen in), maakt van mij een tevreden leraar. Mijn leerlingen van het vierde jaar (15 à 16 jaar) vulden nog enkele vragen in over hun leesjaar. Ik vroeg hen ook om de zin Als ik een boek was aan te vullen. Het mooie aan vierdejaars is dat ze dat geen rare vraag vinden. Vlot formuleerden ze een antwoord, gaande van licht en luchtig tot overpeinzend en filosofisch. Hier volgt een bloemlezing met poëtische allures.

ALS IK EEN BOEK WAS…
zou ik geen cover hebben
zou ik een open boek zijn
zou ik gesloten blijven
zou ik veel prijzen winnen
zou ik stoffig worden in de kast
zou ik in de spiegel kijken om mezelf beter te leren kennen
zou ik zo dik mogelijk willen zijn om veel te kunnen vertellen
zou ik een strip zijn waarin weinig wordt gezegd, maar veel gebeurt
zou ik fantasy zijn die achteraan in de kast stof staat te vergaren
zou ik een roman zijn met een sterk verhaal en een vleugje magie
zou ik gelezen willen worden door mensen die ik zelf ook zou lezen
zou je met elke omgeslagen pagina verliefder worden op het leven
zou je me vaker moeten lezen om me te begrijpen
zou ik mensen inspireren met mijn levensverhaal
zou ik mijn pagina’s sluiten en me niet laten lezen
zou iedereen klagen omdat ze de afloop al kenden
zou niemand begrijpen waar het verhaal over gaat
zouden mijn ouders dit boek niet mogen lezen
zou mijn moeder een boom zijn

IMG_5250b

Loperspraat – 46 kilometer functioneel loopplezier

Het is nog steeds dik aan tussen de steenweg en mij. Die twee uur per werkdag dat ik op mijn fiets zit, zijn helemaal van mij. Of toch van mij en de steenweg. Als loper stond het echter al lang op mijn wensenlijstje om eens naar of van mijn werk te lopen. Het huidige deeltijdse lessysteem biedt ook meer mogelijkheden om al lopend woonwerkverkeer af te haspelen. Ik moet elke dag op school zijn, maar heb wel meer tijd om me van en naar het werk te begeven en daar, desgewenst, van te recupereren. Zo gebeurde het dat ik vorige week in twee etappes 46,12 kilometer liep binnen een tijdspanne van 25 uur. Woensdag fietste ik naar school en liep ik naar huis, donderdag maakte ik de omgekeerde beweging: twee functionele en bijzonder plezierige duurlopen.

Waarom zou je nu 23 kilometer van je werk naar huis lopen en de dag nadien nog eens hetzelfde in de andere richting? Om te beginnen omdat het een uitdaging is. Een kans om in deze bizarre periode nog eens positieve spanning te ervaren, ergens naartoe te leven en uit het normale alledaagse te breken zonder jezelf of anderen in gevaar te brengen. Om nog eens iets zots te doen dat ergens ook nuttig is en waar helemaal niemand last van heeft. Ik zweer al jaren bij zondag duurloopdag, maar ik besefte dat duurlopen tijdens de week ook zo gek niet is. Je werkt een hele week, dat is vermoeiend, en als je dan in het weekend kan uitrusten ga je op zondagvoormiddag een paar uur lopen, dat is ook vermoeiend. Er valt dus iets voor te zeggen om tijdens de week kilometers te maken en rust te nemen in het weekend. In mijn hoofd was deze onderneming kortom pure logica.

IMG_4596b

IMG_4599b

Duurlopen als volwaardig vervoermiddel vergt echter wel wat voorbereidingen. Ik moest bijvoorbeeld een route bedenken. Toegegeven, het heeft door mijn hoofd geflitst om simpelweg over de steenweg te lopen (“slechts” 20 kilometer en bekend terrein). Als eenzaam lopertje zou ik me wel erg kwetsbaar voelen en de kans onbenut laten om het onbekende terrein achter de steenweg te verkennen. Na een uitgebreide studie van de omgeving in kaartvorm, kwam ik tot de conclusie dat ik de spoorweg, die parallel loopt met de steenweg, als oriëntatiepunt kon gebruiken. Ook bagage-gewijs moest ik goed nadenken wat ik woensdagochtend op de fiets meenam en op school zou achterlaten én wat ik zeker in mijn looprugzak mee naar huis moest nemen. De juiste sleutels waren vooral onontbeerlijk: woensdag moest ik in mijn huis kunnen en donderdag op school in de douche om presentabel voor de klas te kunnen staan. 

Over de beleving van mijn woonwerkloopverkeer kan ik kort zijn: mannekes, wat was het mooi en wat heb ik er intens van genoten! Wonder boven wonder verliep ook mijn improvisoire oriëntatie zonder enig probleem. Ik keek mijn ogen uit en liep over charmante kasseistroken, zomerse zandweggetjes en holle wegen. Ik kwam in dat niemandsland amper mensen tegen en juist daarom leek het onwezenlijk dat dit woonwerkverkeer was. Meermaals zei ik tegen mezelf (hardop, zo ben ik wel) dat ik echt een gelukzak was dat ik dit mocht en kon doen. Daarmee wil ik niet zeggen dat mijn looptocht moeiteloos verliep. De eerste etappe was het behoorlijk warm en dat voelde ik toen ik thuis aankwam. Dorst, dorst, dorst. De tweede etappe viel nog beter mee dan ik had durven hopen. Ik bespeurde amper stijfheid in mijn benen en ik liep zelfs wat sneller dan de dag voordien. Omdat het toch wel even geleden was dat ik nog 20 kilometer liep, had ik niet durven hopen dat ik twee keer na elkaar vlotjes 23 kilometer ruim binnen de 2 uur kon afwerken. Nog maar eens een bevestiging dat de duurloopmodus een soort van tweede natuur geworden is. 

De vermoeidheid die ik op school amper leek te voelen, sloeg wel dubbel en dik toe op de terugweg donderdag met de fiets. Het leek alsof elke meter voorbij kroop. Ik voelde me een slak die in plaats van een huisje een zware fiets moest meesleuren. Al zuchtend, droomde ik van vrij en blij door velden te lopen en hoe ik dan veel sneller thuis zou zijn. Ik wierp vol verlangen een blik op mijn geheime wereld, waar ik zo nu en dan een glimp van kon opvangen, achter de steenweg. Ik fiets graag, echt graag, maar lopen dat is het pure geluk.  

IMG_4592b

De gedachte – Over autisme

Vrijdag 2 april was Wereld Autisme Dag. Door de jaren heen leerde ik heel wat jongeren met autisme kennen in de klas. Elk schooljaar heb ik per klasgroep gemiddeld 1 of 2 leerlingen met autisme. Sommige van hen gedijden erg goed in een grote groep leeftijdsgenoten en ervaarden geen grote problemen binnen de schoolcontext, bij andere leek de schoolse loopbaan bezaaid te zijn met obstakels. Stuk voor stuk lieten die leerlingen wel een indruk na. Elk van hen leerde me weer iets anders over autisme en hoe het is om daarmee te leven.

Iemand heeft een autismespectrumstoornis (ASS) of kortweg autisme, maar je noemt iemand geen autist omdat je die persoon dan een (beladen) label opplakt op basis van slechts één eigenschap. Veelal goedbedoelde uitspraken als de autist in mij kan er niet tegen als het volume een oneven getal is zijn heel nietszeggend over hoe het is om te leven met autisme. Ik kan stress ervaren als ik voor een groep onbekende mensen moet spreken of ik kan geen zin hebben om uit bed te komen, maar dat maakt me nog niet faalangstig of depressief omdat mijn dagelijks functioneren er niet door beïnvloed wordt. Autisme bestaat bovendien in heel uiteenlopende verschijningsvormen (vandaar ook het spectrum in de benaming ASS). Dé Autist bestaat met andere woorden niet en doet afbreuk aan de persoon die erachter schuilt.

Mensen met autisme kunnen moeilijk onderscheid maken tussen details, hoofd- en bijzaken. Dat is lastig als ze iets leren op school (wat is nu eigenlijk het belangrijkste?), maar ook in een veel bredere context. Tijdens een bijscholing over ASS werd ons gevraagd naar een prent te kijken om te benoemen welke ruimte in huis dit was. We konden echter niet naar het totale plaatje kijken, maar moesten dat doen via een heel klein kijkgaatje dat over de afbeelding schoof, waardoor de details herkenbaarder waren dan het geheel en je een badkamer niet van een woonkamer kon onderscheiden. Als je vanuit die gedachte naar de supermarkt gaat of de was moet doen, dan heeft dat heel wat meer voeten in de aarde. Een supermarkt is sowieso een plek die als behoorlijk overweldigend ervaren kan worden door mensen met autisme door de overdaad aan prikkels die ongefilterd binnenkomen.

Mensen met autisme hebben net zo goed emoties, ze kunnen die alleen minder goed aanvoelen en interpreteren. Leerlingen met autisme kunnen heel direct uit de hoek komen omdat ze de dingen zeggen zoals ze zijn. Om tactvol te zijn moet je iemands gevoeligheden kunnen inschatten. Ook humor kan om die reden een struikelblok zijn. Vaak detecteren leerlingen met autisme wel dat iets als een grap bedoeld is, maar ze kunnen die niet interpreteren omdat de talige boodschap afwijkt van de intentie. Het kan enerzijds een voordeel zijn dat een leerling het niet ongemakkelijk vindt om alleen te zitten op de speelplaats, anderzijds worstelen ze wel vaak met een emotioneel beladen begrip als vriendschap. Wanneer kan je iemand immers als een vriend beschouwen?

Een autismevriendelijke omgeving is gunstig voor alle leerlingen, je moet als leerkracht dus niet iets anders of extra’s doen enkel voor leerlingen met autisme, maar wel proberen om je lessen zo autismevriendelijk in te richten. Elke leerling is gebaat bij een duidelijke lesstructuur, eenduidige instructies en een heldere vraagstelling die bij voorkeur ook schriftelijk meegedeeld worden. Het is in een klasgroep pubers niet altijd gemakkelijk om gepast te reageren op een vreemde uitspraak of opmerking van een leerling met autisme. Duidelijk communiceren is de boodschap. Je kan dus gerust zeggen dat iets onbeleefd of ongepast is als je dat niet met een boze of ironische ondertoon doet, want dan wordt je boodschap onduidelijk en multi-interpretabel.

Er worden meer jongens dan meisjes gediagnosticeerd met autisme, al zou er bij meisjes wel sprake zijn van onderdiagnose omdat het sociale aspect bij hen doorgaans beter ontwikkeld is. ASS zou vier keer zo vaak voorkomen bij jongens. Dit komt ook overeen met mijn ervaringen. Meisjes lijken hun autisme beter te kunnen camoufleren omdat ze van jongs af aan beter geoefend worden in het emotionele aspect. Helaas lijkt er bij meisjes ook een groter taboe rond autisme te hangen. Ze schamen zich er vaker over. In de klas kunnen jongens met autisme trouwens zelden goed samenwerken omdat ze tegen elkaars rigiditeit oplopen en vooral de ander heel raar vinden.

De vraag waar de grens ligt tussen iemands persoonlijkheid en diens autisme is irrelevant omdat ieders persoonlijkheid beïnvloed wordt door diverse factoren. ASS kan je helpen om bepaald gedrag te kaderen en om te begrijpen waar het vandaan komt. Bij een puberende leerling met autisme die de clown uithangt omdat dat een rol is die hem een identiteit geeft binnen de groep, heeft het geen zin om je af te vragen of de puberteit dan wel het autisme hiervan de oorzaak is. Beide aspecten zijn immers continu met elkaar in interactie en je moet dus ook met beide rekening houden als je dit gedrag bespreekbaar wil maken. Hoe ouder je wordt, hoe meer je persoonlijkheid ook vervlochten raakt met de dingen die je doet. Zo stel ik vast dat er geen harde grens meer te trekken is tussen mezelf en mijn beroep. De leerkracht in mij is ook buiten de klas aanwezig net zoals dat mijn persoonlijkheid ook tot uiting komt als ik mijn beroep uitoefen.

De gedachte – 10 x over spelling

Beroepsmatig kruist er heel wat mijn pad, zo ook spelfouten, spellingfouten of spellingsfouten: zo u wil. De Nederlandse taal en cultuur zijn mijn vak, spelling is daar een deel van. In mijn omgeving blijkt dit tot gevolg te hebben dat iemand die mij – professioneel of privé- schriftelijk contacteert een verhoogde waakzaamheid heeft wat betreft bovengenoemde fouten. Nochtans heb ik niet de neiging om elke spelfoutje dat mijn blik kruist met een belerend vingertje te corrigeren. Ik beschouw mezelf niet als rechercheur van de taalpolitie. Ik veroordeel ook oprecht niemand op basis van spellingsfouten. Echt. Niet. Anderzijds is het wel een keihard feit dat ik elke spellingsfout zie. Door mijn werk als leerkracht Nederlands ben ik daar simpelweg in getraind. Het is dus echt sterker dan mezelf dat ik op elk briefje dat uithangt of in elke folder die ik krijg toegeschoven automatisch fouten zie, ook als ik niet aan het werk ben. Leuk, maar je redt er geen levens mee. Mijn kinesist vertelde eens dat zij hetzelfde heeft met looppatronen: als ze iemand ziet lopen, kan ze niet anders dan in een oogwenk diens voetzetting analyseren. De fouten die ik als leerkracht het vaakst zie, zijn werkwoordsfouten, in de volksmond dt-fouten genoemd. Zulke fouten doen soms echt pijn aan mijn ogen. Ik heb een arsenaal aan flauwe grappen om dit in de klas kenbaar te maken (dat ik dit weekend een overdosis heb gekregen… aan spelfouten). 10 lesjes over spelling dus, omdat spelling niet ergerlijk is, maar om van te houden!

Ik ken niet alle spellingregels, maar ik draag juist schrijven wel heel hoog in het vaandel. Bij de geringste twijfel zoek ik een woord op. Spelling is een onderdeel van mijn vak dat ik meer dan behoorlijk onder de knie heb. Als ik vroeger thuis mee schreef met het Groot Dictee der Nederlandse Taal dan maakte ik steevast minder fouten dan het gemiddelde. Het Groene Boekje kampeert echter niet op mijn nachtkastje.

De spellingregels wijzigen niet jaarlijks, al is het een excuus dat vaak wordt aangehaald om niet juist te spellen. Het eerste Groene Boekje werd gepubliceerd in 1954. De grootste Nederlandse spellinghervorming vond plaats in 1995. Hiermee verdween de voorkeursspelling en werd een insekt onherroepelijk een insect en de pannekoek een volwaardige pannenkoek. In 2005 volgden er nog enkele correcties op die hervorming en ontstond uit protest daarop het Witte Boekje. Het is nu al geruime tijd rustig in spellingland.

Er bestaan sympathieke spelfouten, die doen zich veelal voor in een context waarin spelling geen prioriteit is, maar waar ik het idee krijg dat er juist wel is nagedacht over de juiste schrijfwijze. In de frituur vind ik een kaaskrokket bijvoorbeeld krokanter klinken dan een simpele kaaskroket.

Zonder spellingregels zouden we elkaar minder goed begrijpen, spelling heeft dus wel degelijk een communicatief nut. Een wereld zonder spellingregels klinkt misschien aanlokkelijk, maar als één woord tientallen schrijfwijzen heeft, komt dat de leesbaarheid en ook verstaanbaarheid van een tekst absoluut niet ten goede. Taal als communicatiemiddel en ach ja, dat we elkaar begrijpen is toch het belangrijkste, vraagt juist om eenduidige spellingregels. 

Een spelfout in een sollicitatiebrief is echt gênant, niet omdat het je minder intelligent zou maken, wel omdat het nonchalant overkomt en dat is nu net niet de eerste indruk die je wil maken. Je wil bij een sollicitatiegesprek niet binnen komen in een keurige outfit terwijl je rits openstaat en je onderbroek naar buiten gulpt.

Lezers en latinisten hebben een beter ontwikkeld taalgevoel wat hen ook betere spellers maakt. Wie lezer en latinist is, heeft dus dubbel prijs. Omdat lezers meer teksten en woorden zien, prenten ze meer woordbeelden in hun geheugen. Latinisten zijn zowel sterker in woord- als zinsleer en dat maakt hen kundiger om spellingregels correct toe te passen. Het is natuurlijk geen voorwaarde om juist te kunnen spellen.

Schrijf eigennamen altijd juist én met een hoofdletter omdat het iedereen meteen opvalt als haar of zijn naam verkeerd geschreven wordt. Recent was er een leerling in de klas die er mij in een spellingsoefening op wees dat ik Marieke verkeerd had geschreven als Marike. Tot ik haar vertelde dat mijn zus Marike heette (en de voorbeeldzin zich dus binnen een niet-fictieve context afspeelde, mijn familieleden treden vaak op als figuranten in spellingsoefeningen).

Werkwoorden juist spellen is een kwestie van consequent zijn, je moet mij dan ook niet vertellen dat de dt-regel (die dus helemaal niet bestaat, maar een gevolg is van de algemene werkwoordspelling) verwarrend is. Werkwoorden juist spellen is niet vergelijkbaar met à la carte eten in een restaurant. Bij wiskunde loopt het ook grandioos mis als je x en + vrolijk door elkaar gebruikt. 

Engelse woorden hebben vaak een aantrekkelijkere spelwijze, wij hebben wel sexy, maar geen sex. We hebben geen barbeque (bbq), maar een barbecue (bbc?). En toegegeven, een exotische q of x geeft taal wat pit. Bovendien ziet gebrainwashed er gevoelsmatig normaler uit dan gebrainwasht. Spelling is echter consequent zijn, ook met invloeden van buitenaf.

Stijl is doorslaggevender dan spelling, zo vind ik een overdreven formeel bericht in een context waarbij dat helemaal niet nodig is ergerlijker dan een schattig spelfoutje binnen een gepaste stijl. Ook op een blog val ik voor stijl (en hoe die past bij een persoon) en niet voor spelling. Het lot van spelling is dat het niet opvalt als het juist is. Stijl die past en spreekt: dat is het charisma van de taal.  

De hierboven afgebeelde Atlas van de Nederlandse taal (uitgegeven bij Lannoo) is een echte aanrader voor iedereen die houdt van taalweetjes die zoveel verder gaan dan spelling.

 

Het moment – Schrijftalent gespot in de klas #2

De Poëzieweek van 2021 was me het weekje wel. Ik zat in quarantaine met Gedichtendag, testte gelukkig twee keer negatief en kon dus blij als een kind maandag weer aan het werk. Het voelde aan als een “terug naar school” van heel lang weggeweest, zo eentje waarbij de nacht overbodig lijkt en je stuiterend van de adrenaline om 5u30 uit je bed springt. Of hoe een mens in deze tijden al dolgelukkig is als ie gewoon naar z’n werk mag om het leven in al z’n normaalheid te omarmen. Gewoon is nu al heel wat. Wat later dan verwacht kon ik dus op school de laureaten van de zes-woorden-verhaal-wedstrijd in de bloemetjes zetten. Tradities zijn er namelijk om in ere te houden en ook dit schooljaar ging ik weer op zoek naar de Ernest Hemingway onder mijn leerlingen van het vijfde jaar.

De opdracht was wederom simpel, doch uitdagend: schrijf een six word story, een verhaal dus in amper zes woorden. Alle leerlingen van het vijfde konden nadien stemmen, alsook hun leerkrachten en al mijn collega’s Nederlands. Ik moet zeggen dat het dit jaar nog moeilijker was om te kiezen tussen al dat moois. Het wemelde namelijk van de originele vondsten. Ik kon niet anders dan concluderen dat mijn leerlingen barsten van het literaire talent. Toch was er ook een collega die me bezorgd en ook wel lichtjes verwijtend vroeg waarom ik zo’n donker en depressief thema had gekozen voor de verhalen. Euh? Ze ging er namelijk van uit dat ik de leerlingen doelbewust in de richting van het drama had geduwd en dat de meeste zes-woorden-verhalen daarom zo beladen waren. Nee dus, maar het blijkt nu eenmaal aantrekkelijker te zijn om met weinig woorden een dramatische gebeurtenis op te wekken.

IMG_4185b

Ook onder de leerlingen ontstond er wat onenigheid. Sommigen vonden dat je een onderscheid moest maken tussen een poëtische en een verhalende zin en dat sommige verhalen om die reden geen verhaal waren. Toen er van mij een pasklaar antwoord op die vraag werd verwacht, gniffelde ik wat onnozel. Ik kon in deze kwestie niet voor opheldering zorgen. De discussie an sich vond ik prachtig. Leerlingen die praten over de grens tussen poëzie en proza, wat kan ik me meer wensen? Genoeg gepraat. Tijd om te lezen!

Dit is de top 10:

Tranen vloeiden, het was mijn schuld – Lien
Haar stappen dansten mijn schaduw na – Fleur
Ik zag NIETS in dit alles – Louise
Eén brug, twee ogen, drie tellen – Nelson
Vrijdagen waren van ons, beloofde je – Marieke
Onbekenden overdag, verliefden in de nacht – Ella
Die dag werd de stilte oorverdovend – Nel
Witte jurk vervangen door een zwarte – Kaat
Wij zijn hier maar te gast – Marit
De zoete verslaving van de ellende – Matteo

De origineelste inzending kwam ongetwijfeld van Timi die Domov můj, zničen navždy kvůli ně schreef, wat Tsjechisch is voor Mijn huis voor altijd verwoest door hen.

De gedachte – Over 10 jaar voor de klas

Ik had deze week een jubileum te vieren. Maandag 3 januari 2011 was namelijk mijn eerste schooldag als leerkracht. Ik sta dus welgeteld 10 jaar voor de klas. Toen ik afstudeerde als literatuurwetenschapper, werkte ik eerst in een restaurant en vervolgens in de boekensector. Mijn ouders gaven hun leerkrachtengenen echter aan hun eerstgeborene mee en het was dus onvermijdelijk dat ik leerkracht zou worden. In december 2010 ging ik solliciteren op mijn oude, vertrouwde middelbare school: Atheneum De Ring in Leuven. Tot op heden nog steeds de plaats waar mijn onderwijshart sneller gaat slaan. Mijn eerste lesopdracht bestond uit Engels in het vierde en Nederlands in het vijfde jaar. Die klas in het vierde jaar bezorgde me meteen ernstige kopzorgen en twijfels. Ik leerde veel, laten we het daarop houden. Mijn leerkrachtendroom bleef gelukkig overeind. Van mijn eerste schooldagen en -weken als leerkracht herinner ik me vooral hoe herkenbaar de sfeer en dynamiek in een klas was. Ik werd terug gekatapulteerd naar mijn eigen puberjaren en alle worstelingen die daarbij horen. Niet alleen mijn lesopdracht veranderde door de jaren heen (ik gaf les in alle leerjaren), ook het onderwijslandschap doorstond het één en ander. Ter ere van mijn jubileum ontkracht ik met plezier 10 hardnekkige mythes rond onderwijs. Niet omdat ik de wijsheid in pacht heb, wel omdat ik nu eenmaal graag over mijn week vertel.

Leerkrachten zijn niet lui, integendeel: het merendeel van mijn collega’s beschouw ik als hardwerkend, ijverig en doelgericht. Ik kwam op een school terecht met een gedreven lerarenteam dat me wegwijs maakte én inspireerde. Collega’s die een luisterend oor boden en me ook m’n eigen ding lieten doen. Ik kreeg er vrienden voor het leven bij. Natuurlijk zijn er ook leerkrachten die niet vanuit dezelfde overtuiging voor de klas staan, die liever lui dan moe zijn. Zulke werknemers vind je in elke sector. Nee, wij zijn dus niet lui omdat we op woensdagnamiddag “vrij” hebben en we “slechts” 20 à 21 uur lesgeven. Onze lesvrije momenten besteden we aan allerhande voorbereidend werk, evaluaties en administratie. Als je een leerkracht ’s avonds opbelt, dan is de kans groot dat ie aan het werk is, alleen ziet niemand dat.

IMG_4464b
Op jaarlijkse schooluitstap naar Parijs met de vierdejaars!

Leerlingen zijn niet ongeïnteresseerd, op hun leeftijd is het gewoonweg niet makkelijk om openlijk interesse te tonen. Soms liggen de aanknopingspunten bij hun leefwereld voor het grijpen, soms zal je wat meer moeite moeten doen om ze mee te krijgen. Als je geen respons krijgt, betekent dat niet per se dat je ze niet bereikt. Je mag je vooral niet laten tegenhouden door het gebrek aan enthousiasme dat sommige leerlingen uitstralen. Er sijpelt mogelijk meer binnen dan je aanvankelijk denkt.

Achter elk (lastig) gedrag schuilt een persoonlijkheid die je niet uit het oog mag verliezen. Gedrag is de buitenste – zichtbare – schil van een leerling. Het is een misvatting dat de meeste pubers gruwelijk irritant en dwars zijn. Leerlingen die de grenzen aftasten vind je in elke klas, maar dat betekent niet dat ze je het bloed van onder de nagels halen. In mijn carrière is er slechts een handvol leerlingen dat mij uit mijn lood kon slaan, die me een écht onbehaaglijk gevoel bezorgden waardoor ik niet wist hoe ze te benaderen.

IMG_1091
Ik ben het er niet mee eens. Vallen van Anne provoost is echt geen k*tboek.

Leerlingen zijn bang van teksten, waardoor een boek lezen gelijk staat aan een marathon lopen. Sociale media hebben er ongetwijfeld aan bijgedragen dat leerlingen steeds minder geconfronteerd worden met grotere teksthoeveelheden. Een smartphone is een constante bron van afleiding die een wereld creëert waarin alles snel gaat en dus kort moet zijn. Al is het ook flauw om te pretenderen dat voor de opkomst van de smartphone elke jongere wél boeken las. In elke klas zijn er nog steeds boekenjongens en -meisjes te vinden die boeken verslinden en bibliotheken uitlezen. Je mag de hoop voor een lezende jeugd nooit opgeven.

Elke leeftijd heeft zijn voor- en nadelen, de kunst is om je te focussen op het positieve. Na mijn eerste negatieve ervaring met een vierde jaar bleef het lang aan mij plakken dat ik geen les kon geven in dat jaar. Inmiddels vind ik net die leeftijd (15 à 16 jaar) de bijzonderste, mooiste en uitdagendste. Jongeren balanceren daar op een dunne koord tussen kind-zijn en de volwassenwereld. Bovendien heeft onderzoek aangetoond dat het welzijn van leerlingen een dip bereikt in het vierde jaar en de schoolmotivatie een dieptepunt bereikt. Neem daarbij de impulsiviteit die eigen is aan die leeftijd en je krijgt een explosieve cocktail die al eens een verhitte discussie of een uit de hand gelopen spelletje oplevert. Daarnaast staat een heel grote puurheid die prachtige wijsheden en inzichten voortbrengt. Het ene moment noemt een leerling je per ongeluk mama, een tel later roept iemand iets onbeleefd door de klas. Lesgeven is nooit saai.

IMG_1524b

Alles begint met een goed gesprek, of je nu lesgeeft of een conflict moet oplossen. Je moet onbevangen kunnen luisteren en openstaan voor andere invalshoeken. Als je wil dat leerlingen interesse tonen voor jou en je vak, dan moet je je ook interesseren voor hun bezigheden en leefwereld.

Je moet je eigen vak het allerbelangrijkste vinden, maar dit ook altijd kunnen relativeren. Ik geef elk leerstofonderdeel van mijn vak graag. Zo kan ik op 15 verschillende manieren uitleggen hoe de vervoeging van werkwoorden in elkaar zit (en dat dat eigenlijk best logisch is), desgewenst nog een 16e keer omdat iemand niet oplette. Ik kan met evenveel enthousiasme vertellen over passieve zinnen als over poëzie. Als het over boeken gaat, barst ik echt los. Het is fijn als leerlingen affiniteit hebben met de leerstof, maar ook geen ramp als dat niet zo is. Je kan iedereen iets leren, al leer je niet iedereen evenveel.

Je hebt niet 100% de aandacht omdat je vooraan in de klas staat, je bent slechts een deel van het geheel. Lesgeven aan jongeren is in niets te vergelijken met een presentatie geven. De aandacht krijgen en vasthouden is één van de moeilijkste dingen om te leren omdat er geen hapklaar succesrecept is. Het is altijd weer zoeken naar manieren om iedereen te betrekken bij de les. Ik heb vooral geleerd om te durven overdrijven en me niet in te houden om een grapje te maken, ook als niemand het echt grappig vindt. De allerbeste manier om de aandacht te krijgen, is trouwens iets over jezelf te vertellen.

IMG_3440b

Je moet streng zijn, maar tegelijkertijd ook vriendelijk, behulpzaam en geduldig. Streng zijn betekent niet dat je op elk moment je autoriteit uitspeelt door te straffen en te roepen. Streng zijn betekent dat je het klasgebeuren in goede banen leidt en dat je kordaat optreedt als dat nodig is. Wat ik tijdens mijn opleiding leerde over pedagogiek en didactiek hielp me om bepaalde mechanismen te gebruiken en te doorzien, maar elke situatie en ook elke leerkracht is anders. Je mag geen rol spelen die te ver van jezelf ligt. Het is goed dat elke leerkracht anders is. Je moet ook niet “leuk” willen zijn. Je bent begaan met je leerlingen, maar het zijn geen vrienden. Een leuke leerkracht word je door een veilige leeromgeving te creëren, een plaats waar het fijn is om te zijn.  

Leerkrachten hebben een zwaar onderschat beroep. Daar heb ik verder niets aan toe te voegen.

Over de quotes in mijn klaslokaal gaf ik hier tekst en uitleg.

De gedachte – Bravo, dappere leerkracht!

Het is vandaag Dag van de Leerkracht. Exact een jaar geleden zag ik weinig reden tot feest, laat staan blijdschap. Ik schreef toen iets wat ik nu zonder meer een noodkreet durf te noemen. Het was eventjes helemaal op bij mij. September hakte er in, alles kwam op me af en ik leek de grip te verliezen. Ik stelde mezelf de vraag waarom ik leerkracht was geworden. In oktober liep ik dan wel een goede marathon als haas van Roos, maar ik was moe. Heel moe. Ja, ik stond nog graag in mijn klas, maar het kostte me meer energie dan anders. Ik had het idee dat ik mijn leven niet meer georganiseerd kreeg en dat de schoolstress alles overheerste. Dat ging zo verder tot in december 2019. Ik vond mijn esprit echter helemaal terug aan het begin van 2020. Tijdens de lockdown begin maart wist ik me prima bezig te houden, maar ik miste mijn klas en de leerlingen vrijwel meteen. Ik beschouwde dat als een uitermate positief teken.

De twijfel over mijn beroepskeuze is intussen als sneeuw voor de zon verdwenen. De hemel is opgeklaard. Ik zit soms weer eens op mijn roze wolk. Voor alle duidelijkheid: dat komt niet omdat de druk op leerkrachten is afgenomen, omdat we betere ondersteuning krijgen of omdat er anders naar onderwijs tout court gekeken wordt. De verwachtingen en de druk zijn nog steeds torenhoog. Als er iets is dat de corona-onderbreking van het afgelopen schooljaar aantoonde, dan is het wel dat leerkrachten uitblinken in flexibiliteit en improvisatievermogen. Hoe gek en bevreemdend die periode ook was, we deden met z’n allen verder en we deden dat best goed. We blijven doorgaan, niet omdat Ramses Shaffy dat zegt, maar omdat wij hardnekkig blijven geloven in ons onderwijs. Geen OESO-rapport dat daar tegenop kan.

Omdat het vandaag onze dag is, schuif ik mijn bescheiden aard aan de kant en prijs ik alle leerkrachten de hemel in. Een leerkracht is een circusartiest die elke dag letterlijk en figuurlijk op hoog niveau over een koord moet lopen. Alle blikken zijn op haar gericht. Ze kan in de diepte storten of perfect balanceren. Lesgeven dat is namelijk elke dag weer een evenwicht zoeken tussen inspireren, coachen, streng en behulpzaam zijn, aanmoedigen, geduldig zijn, corrigeren, zelf bijleren en blijven functioneren. Om het beste in je leerlingen naar boven te halen, moet je ook het beste in jezelf kunnen aanboren. Dat lukt de ene dag al beter dan de andere. Soms lijkt er nauwelijks spanning op onze koord te staan, dan val je en moet je vertrouwen op het vangnet van de school. Soms loop je schijnbaar moeiteloos over dat touw. Dan maak je al jonglerend met vijf ballen een pirouette of een dubbele axel. Dan lach je daar nog heel spontaan bij en vertel je en passant een goeie grap. Je wordt geen leerkracht voor dat unieke momentum dat je soms creëert. Je wordt leerkracht omdat je elke dag weer graag iets over je vak vertelt aan jongeren.

Ik ben weerbaar en flexibel omdat ik deel uitmaak van een fantastisch schoolteam dat wordt aangevoerd door een ijzersterke directie. Zonder mijn lieftallige collega’s zou ik vandaag maar half de leerkracht zijn die ik met 10 jaar ervaring geworden ben. Een speciale vermelding gaat naar An, Ellen, Kirsten, Murielle, Bart, Gunter, Pieter-Jan, Stijn en Zefir. Stuk voor stuk topleerkrachten die bevlogen en ambitieus, doch realistisch zijn. Zij geven les met de voeten op de grond, maar wel recht uit het hart. Zij zijn mijn rotsen in de branding telkens als ik denk dat we weer eens recht op de klippen afvaren. Met hen aan mijn zijde durf ik gerust nog 30 jaar voor de klas te staan. Natuurlijk gaat mijn appreciatie ook naar mijn beide ouders die leerkracht zijn. Zij hebben me niet alleen opgevoed tot het flinke meisje dat ik nu (meestal) ben, ze gaven ook al hun leerkrachtengenen (en dat zijn er heel wat) mee aan hun oudste kind. Mijn eeuwige dank daarvoor.

Als je vandaag een leerkracht ziet: bekijk haar of hem eens goed. Je gelooft het misschien niet, maar dit is echt een mens.

Het moment – Terug naar school!

Op 1 september ging ik dus terug naar school. Zoals altijd met kloppend hart. Dit mag dan mijn elfde schooljaar zijn, zo’n vers schooljaar maakt mij altijd weer een beetje zenuwachtig. Stel je eens voor dat samen met de zomer mijn leerkrachten-skills verdwenen zijn?! Elk jaar denk ik dus: zal ik dat nog wel kunnen, zo voor een klas staan? Er is ook elk jaar weer de opwinding van het “nieuwe” en de ochtendroutine (die nog geen routine is) die daar bij komt kijken. Er gaat niets boven ’s ochtends je schoolspullen verzamelen en op de fiets stappen. Met kloppend hart. Ik voel me dan altijd weer een beetje bijna 12 en denk met weemoed terug aan maandag 1 september 1997: de dag dat ik zelf naar de middelbare school ging, de grote school, zoals wij thuis zeiden. Die gebeurtenis is voor mij dan weer onlosmakelijk verbonden met de dood van Lady Diana, die de dag ervoor om het leven kwam in Parijs. Om maar te zeggen: een eerste schooldag maakt behoorlijk wat los bij mij. Nog steeds.

Eenmaal op school maakt de spanning heel snel plaats voor herkenning. Er zijn de onzekere eerstejaars op de speelplaats, het blije weerzien tussen klasgenoten, de niet aflatende cool die sommigen uitstralen, er is heel veel gebabbel, wat geroep en uitgelaten gelach in de gangen. Er is ook wat gelatenheid en blikken die niets aan de verbeelding over laten: daar gaan we weer. Vanaf de eerste minuut dat ik weer in een klaslokaal sta met een groep leerlingen voor mijn neus, is er de opluchting: ah ja, zo gaat dat in de klas. Ook met mondmaskers. Daar wordt volop aan gefrunnikt en af en toe wat over gezeurd, maar ze fungeren gelukkig niet als demper van het enthousiasme en de impulsiviteit. Ik prijs me elk jaar gelukkig met de vierde- en vijfdejaars die ik als mijn leerlingen mag beschouwen.

Na anderhalve schoolweek is ook mijn kennis weer op peil. Zo werden de seizoensfinale en recentste ontwikkelingen in Thuis uitvoerig uit de doeken gedaan. Ik kreeg te horen dat ik met mijn bijna 35 jaar echt nog heel jong ben, want onze ouders zijn in de veertig, dat is pas oud! Ik leerde kung fu van taekwondo onderscheiden. Ik kreeg tekst en uitleg over de voor- én nadelen van de Snapchat-update. Ik kwam te weten dat er zoiets als BookTok bestaat: influencers die boeken promoten op TikTok. We praatten veel over boeken en dat varieerde van een leerling wiens lievelingsboek het aartsmoeilijke Tongkat van Peter Verhelst was tot een bijzonder overtuigende Ik haaaa-aaaat lezen. Kortom: ik ben weer helemaal mee met de wereld.

Mensen, wat is het fijn om terug op school te zijn. Daar kan geen circulatieplan of laag-risico-contact iets aan veranderen.

De gedachte – Hoe zou het zijn met?

Aan hoofdrolspelers was er geen gebrek tijdens de coronacrisis. Er zijn de zorgverleners, de winkelbediendes, de postbezorgers, de vuilnisophalers en het onderhoudspersoneel dat ettelijke malen – geheel terecht – in de bloemetjes werd gezet. De witte lakens en lieve berichten aan tal van woningen zijn daar nog steeds stille getuigen van. De crisis leverde ook figuranten aan die via sluikse weg hun stempel op de afgelopen periode konden drukken. Of juist niet. Hoe zou het hen eigenlijk vergaan?

Hoe zou het zijn met de hamsteraars?
Zijn ze nog steeds overtuigd van hun grote gelijk? Denken ze met weemoed terug aan de Slag om de Supermarkt die ze bevochten begin maart? Checken ze dagelijks hun geheime voorraad alcoholgel en handzeep in de hoop die aan woekerprijzen te kunnen verkopen? Of eten ze nu dagelijks erwten, wortelen en boontjes uit blik met het schaamrood op de wangen? Decoreren ze hun woning met zelfgemaakte mozaïekjes van gedroogde spliterwten en linzen? Zijn ze al maandenlang creatief in de keuken met spirelli en farfalle? Vullen ze hun zwembad niet met kraanwater, maar met de flessen bronwater die ze aansleepten?

Hoe zou het zijn met Eliud Kipchoge?
Zat hij de afgelopen maanden eenzaam op z’n berg in Kenia op anderhalve meter afstand van zijn collega-lopers? Hoe reageert het competitiebeest in hem op de gedwongen wedstrijdloze periode die hij nu doormaakt? Liet hij zich echt geen welgemeende f*ck ontvallen toen de London Marathon werd afgelast? Bleef hij spartaans kalm toen hij hoorde dat het rechtstreekse duel met Kenenisa Bekele, die in september op amper twee seconden van Kipchoges wereldrecord op de marathon strandde, niet zou plaatsvinden? Eet hij zijn ugali nog steeds met evenveel smaak, niet wetende wanneer hij zijn volgende marathon zal lopen? Of is De Filosoof stiekem blij dat hij nu eindelijk tijd heeft om boeken te lezen en zijn uitgebreide schoenenkast op te ruimen?

Hoe zou het zijn met alle enthousiastelingen die tijdens de quarantaine halsoverkop begonnen te sporten?
Blikken ze louter nostalgisch terug op al die quarantaine-kilometers? Zijn ze geveld door blessures en blijft hun lichaamsbeweging beperkt tot de verplaatsing naar de kinesitherapeut? Liggen de loopschoenen ergens achterin een kast (die sinds april ook niet meer werd opgeruimd) te verpieteren? Staat hun racefiets inmiddels te koop? Of zijn ze nu volledig verknocht aan hun nieuwe tijdverdrijf? Beseffen ze hoe heerlijk het is om op de fiets te stappen en er eventjes helemaal tussenuit te zijn? Nemen ze niet langer de auto om naar de bakker twee kilometer verderop te gaan? Hebben ze de smaak echt te pakken en dromen ze van 10 Miles, 20 kilometers van Brussel en volledige marathons? Hebben ze echt geproefd van wat sportgeluk betekent?

Hoe zou het zijn met de Arc de Triomphe en mijn andere stenen vrienden in Parijs?
Wie waren de bezoekers die op 15 juni voor het eerst terug de Arc de Triomphe mochten beklimmen? Hoe zag de iconische, en vooral chaotische, rotonde Etoile eruit toen je je slechts op straat mocht begeven met het juiste papier en de vereiste stempel? Werd er pro forma nog geclaxonneerd? Gebruiken chauffeurs nu wel hun richtingaanwijzers? Hebben de wonden die de gilets jaunes achterlieten kunnen helen? Was er tijd om noodzakelijke klusjes op te knappen? Hoe dicht of ver staan de terrasstoelen echt van elkaar op de smalle Parijse stoepen?

Hoe zou het zijn met Miguel Wiels?
Is hij er nog steeds echt van overtuigd dat leerkrachten klagers en luilakken zijn omdat ze tijdens lesvrije weken zogenaamd nauwelijks moesten werken? Kent Miguel Wiels, naast de genoemde hardwerkende zelfstandigen, überhaupt leerkrachten? Weet hij hoe mentaal belastend een schooljaar kan zijn? Beseft hij hoeveel maatschappelijke druk er op de leerkracht is komen te staan en dat zijn bijdrage daar een prachtig voorbeeld van is? Is hij zich ervan bewust dat hij met zijn uitspraken vooral zijn eigen kortzichtigheid in de kijker zet? #foei