Loperspraat – Het verraderlijke hart

Ik vind het soms een akelige gedachte dat mijn hart non-stop aan het werk moet blijven en dat ik het quasi dagelijks vraag om een bijkomende inspanning te leveren. Het is daarvoor gemaakt, dat weet ik wel, maar toch vind ik het confronterend om stil te staan bij de kwetsbaarheid die uitgaat van dat ene orgaan. Gelukkig heb ik vooralsnog geen redenen om te denken dat mijn hart het gaat begeven. Twee jaar geleden werd ik medisch binnenste buiten gekeerd toen ik in het ziekenhuis belandde met een longembolie: dat hart van mij werd na tal van onderzoeken helemaal goedgekeurd. Sinds ik met een sporthorloge loop (nu zo’n 6,5 jaar) heb ik ook altijd met een hartslagmeter gelopen. Inmiddels is de Garmin Forerunner 230 mijn trouwe metgezel tijdens loop- en fietstochten, steeds met een klassieke hartslagband rond de borst. Het laatste half jaar liep ik echter zonder hartslagmeting en dat bracht met tot enkele inzichten.

Ik vond het aanvankelijk razend interessant om me bezig te houden met de cijfers en getallen die mijn GPS-horloge en hartslagmeter op mij afvuurden. Het werd daarom een gewoonte om altijd met die hartslagband te lopen. Halverwege november vorig jaar liep ik voor het laatst met een hartslagmeter. Simpelweg omdat die het niet meer deed, ook niet met een nieuw batterijtje. Vroeger zou ik meteen een nieuwe hartslagband hebben gekocht. Ik zou het gevoel hebben gehad dat ik bij elk loopje zonder hartslagmeting cruciale informatie miste. Maar kijk, ik ben geëvolueerd als mens en als loper en in een competitie-luwe periode leek het me niet noodzakelijk om bij elk loopje mijn hartslag te meten. Ik heb minder behoefte aan die uitgebreide cijfers. Bovendien heb ik ook het idee dat die cijfers me steeds minder vertellen.

Dat brengt me dus bij de vraag in welke mate mijn hart mezelf nog verraadt om het met Edgar Allan Poe’s The Tell-Tale Heart (in het Nederlands vertaald als Het verraderlijke hart) te zeggen, een kortverhaal dat iedereen trouwens moet lezen omdat het én een klassieker is én heel kort én heel akelig zoals alleen Poe dat kan. Het verhaal gaat over een hart dat door stevig te kloppen een menselijke daad verraadt. Ik kwam tot de conclusie dat mijn hartslag de laatste jaren weinig uitschieters kent. Als ik tijdens trainingen wat dieper of sneller ga, is mijn gemiddelde hartslag logischerwijze wat hoger, maar de marge waar die zich binnen beweegt is beduidend kleiner geworden. Vroeger kon mijn hartslag ook variëren tijdens “gewone” loopjes en vertelde die me dus wanneer ik wat vermoeider was. Nu kan ik bij wijze van spreken per looprondje voorspellen wat mijn gemiddelde hartslag zal zijn, ongeacht de omstandigheden. Ook dat is niet onlogisch. Het wijst erop dat ik jaar na jaar een steeds betere basisvorm kreeg en dat mijn hartslag sneller daalt nadat ik diep ben gegaan.

Een zelfde evolutie zie ik ook bij mijn marathons: mijn gemiddelde hartslag zakt beetje bij beetje, terwijl ik steeds sneller loop. Mijn laatste marathon (de suikermarathon) liep ik met een gemiddelde hartslag van 142. De omstandigheden mochten dan wel redelijk ideaal zijn (geen stress en fris loopweer), ik liep die marathon nog steeds behoorlijk snel over een behoorlijk pittig parcours. Tijdens de CPC Loop waar ik vorig jaar mijn record verbeterde op de halve marathon had ik dan weer een gemiddelde hartslag van 165: stevig, maar niet abnormaal als je ruim anderhalf uur echt diep gaat.

Ik heb nooit specifiek volgens bepaalde hartslagzones getraind. Uiteindelijk denk ik dat als je verantwoord lange afstanden wil lopen het er op neer komt dat je gevarieerd én met plezier moet trainen. Al ben ik ook niet volledig immuun voor cijfers en waarden. Het grootste voordeel van lopen zonder hartslagmeter is dan ook dat mijn Garmin me niet meer vertelt wat mijn VO2-max en hersteltijd zijn: geschatte waarden die me meer beïnvloedden dan ik zou willen. Al weet ik dondersgoed dat ze gebaseerd zijn op je snelheid en gemiddelde hartslag, maar dat ze verder amper rekening houden met individueel afgestemde parameters. Het komt er dus op neer dat Garmin de boel heel wat rooskleuriger voorstelt. Zo zou ik volgens mijn horloge een marathon kunnen lopen in 2u46. Nog eventjes doortrainen en ik zou me dus kunnen kwalificeren voor de Olympische Spelen. Om maar te zeggen dat je de raceprognoses met een heel grote korrel zout moet nemen.

Ik denk dat mijn hartslag vooral verraadt dat ik al enkele jaren een gedreven loper ben. Een hartslagmeter beschouw ik dan ook als een handig instrument om over een langere periode te kijken hoe mijn basisconditie zich ontwikkelt. Voor prestaties waar ik naartoe werk, wil ik ook graag weten met welke gemiddelde hartslag ik ze gelopen heb. Om die reden ben ik van plan om snel weer een hartslagmeter aan te schaffen, want jawel: ik broed op leuke sportieve ideeën voor de korte termijn. Laat dat hart van mij dus maar vrolijk verder kloppen.

De gedachte – Over autisme

Vrijdag 2 april was Wereld Autisme Dag. Door de jaren heen leerde ik heel wat jongeren met autisme kennen in de klas. Elk schooljaar heb ik per klasgroep gemiddeld 1 of 2 leerlingen met autisme. Sommige van hen gedijden erg goed in een grote groep leeftijdsgenoten en ervaarden geen grote problemen binnen de schoolcontext, bij andere leek de schoolse loopbaan bezaaid te zijn met obstakels. Stuk voor stuk lieten die leerlingen wel een indruk na. Elk van hen leerde me weer iets anders over autisme en hoe het is om daarmee te leven.

Iemand heeft een autismespectrumstoornis (ASS) of kortweg autisme, maar je noemt iemand geen autist omdat je die persoon dan een (beladen) label opplakt op basis van slechts één eigenschap. Veelal goedbedoelde uitspraken als de autist in mij kan er niet tegen als het volume een oneven getal is zijn heel nietszeggend over hoe het is om te leven met autisme. Ik kan stress ervaren als ik voor een groep onbekende mensen moet spreken of ik kan geen zin hebben om uit bed te komen, maar dat maakt me nog niet faalangstig of depressief omdat mijn dagelijks functioneren er niet door beïnvloed wordt. Autisme bestaat bovendien in heel uiteenlopende verschijningsvormen (vandaar ook het spectrum in de benaming ASS). Dé Autist bestaat met andere woorden niet en doet afbreuk aan de persoon die erachter schuilt.

Mensen met autisme kunnen moeilijk onderscheid maken tussen details, hoofd- en bijzaken. Dat is lastig als ze iets leren op school (wat is nu eigenlijk het belangrijkste?), maar ook in een veel bredere context. Tijdens een bijscholing over ASS werd ons gevraagd naar een prent te kijken om te benoemen welke ruimte in huis dit was. We konden echter niet naar het totale plaatje kijken, maar moesten dat doen via een heel klein kijkgaatje dat over de afbeelding schoof, waardoor de details herkenbaarder waren dan het geheel en je een badkamer niet van een woonkamer kon onderscheiden. Als je vanuit die gedachte naar de supermarkt gaat of de was moet doen, dan heeft dat heel wat meer voeten in de aarde. Een supermarkt is sowieso een plek die als behoorlijk overweldigend ervaren kan worden door mensen met autisme door de overdaad aan prikkels die ongefilterd binnenkomen.

Mensen met autisme hebben net zo goed emoties, ze kunnen die alleen minder goed aanvoelen en interpreteren. Leerlingen met autisme kunnen heel direct uit de hoek komen omdat ze de dingen zeggen zoals ze zijn. Om tactvol te zijn moet je iemands gevoeligheden kunnen inschatten. Ook humor kan om die reden een struikelblok zijn. Vaak detecteren leerlingen met autisme wel dat iets als een grap bedoeld is, maar ze kunnen die niet interpreteren omdat de talige boodschap afwijkt van de intentie. Het kan enerzijds een voordeel zijn dat een leerling het niet ongemakkelijk vindt om alleen te zitten op de speelplaats, anderzijds worstelen ze wel vaak met een emotioneel beladen begrip als vriendschap. Wanneer kan je iemand immers als een vriend beschouwen?

Een autismevriendelijke omgeving is gunstig voor alle leerlingen, je moet als leerkracht dus niet iets anders of extra’s doen enkel voor leerlingen met autisme, maar wel proberen om je lessen zo autismevriendelijk in te richten. Elke leerling is gebaat bij een duidelijke lesstructuur, eenduidige instructies en een heldere vraagstelling die bij voorkeur ook schriftelijk meegedeeld worden. Het is in een klasgroep pubers niet altijd gemakkelijk om gepast te reageren op een vreemde uitspraak of opmerking van een leerling met autisme. Duidelijk communiceren is de boodschap. Je kan dus gerust zeggen dat iets onbeleefd of ongepast is als je dat niet met een boze of ironische ondertoon doet, want dan wordt je boodschap onduidelijk en multi-interpretabel.

Er worden meer jongens dan meisjes gediagnosticeerd met autisme, al zou er bij meisjes wel sprake zijn van onderdiagnose omdat het sociale aspect bij hen doorgaans beter ontwikkeld is. ASS zou vier keer zo vaak voorkomen bij jongens. Dit komt ook overeen met mijn ervaringen. Meisjes lijken hun autisme beter te kunnen camoufleren omdat ze van jongs af aan beter geoefend worden in het emotionele aspect. Helaas lijkt er bij meisjes ook een groter taboe rond autisme te hangen. Ze schamen zich er vaker over. In de klas kunnen jongens met autisme trouwens zelden goed samenwerken omdat ze tegen elkaars rigiditeit oplopen en vooral de ander heel raar vinden.

De vraag waar de grens ligt tussen iemands persoonlijkheid en diens autisme is irrelevant omdat ieders persoonlijkheid beïnvloed wordt door diverse factoren. ASS kan je helpen om bepaald gedrag te kaderen en om te begrijpen waar het vandaan komt. Bij een puberende leerling met autisme die de clown uithangt omdat dat een rol is die hem een identiteit geeft binnen de groep, heeft het geen zin om je af te vragen of de puberteit dan wel het autisme hiervan de oorzaak is. Beide aspecten zijn immers continu met elkaar in interactie en je moet dus ook met beide rekening houden als je dit gedrag bespreekbaar wil maken. Hoe ouder je wordt, hoe meer je persoonlijkheid ook vervlochten raakt met de dingen die je doet. Zo stel ik vast dat er geen harde grens meer te trekken is tussen mezelf en mijn beroep. De leerkracht in mij is ook buiten de klas aanwezig net zoals dat mijn persoonlijkheid ook tot uiting komt als ik mijn beroep uitoefen.

Loperspraat – De perfecte 14

Ik ben verliefd op een looprondje. Al weken zit het in mijn hoofd. Ik was niet op slag verliefd, ik gaf me niet meteen gewonnen, maar nu is er geen houden meer aan en zou ik het liefst van al dagelijks lopen. 14 kilometer om heel hard van te houden. 14 kilometer waar mijn hart sneller van gaat slaan, letterlijk en figuurlijk. Mijn perfecte 14 kilometer ontstond als route eerder bij toeval. Ik wilde op een zonnige zondag eigenlijk langer gaan lopen, maar helaas, ik zat krap in de tijd en moest dus noodgedwongen improviseren. Een schot in de roos, zo bleek. Een looptoer waarbij elk nadeel eigenlijk een voordeel blijkt te zijn. Bij deze dus 14x waarom ik hotel de botel ben op mijn 14k.

  • Ik heb het nooit onder stoelen of banken gestoken dat ik juist de saaiheid en eentonigheid van lopen heel erg waardeer. Van de eerste kilometers wordt de asfaltliefhebber in mij dan ook erg blij. De ideale aanloop om er meteen goed in te zitten.
  • Mijn lievelingsrondje blinkt echter uit in variatie: het grijze kleurt snel groen, ik loop door holle wegen, langs kleine paadjes, over brede wandelpaden, over en langs het water.
  • Ook de hoogteverschillen bieden variatie en zijn ideaal gepositioneerd. Na 6,5 en 9,5 kilometer volgt een pittig oplopend stuk, gevolgd door een afdaling waar ik mijn benen soms niet lijk te kunnen bijhouden.

IMG_4468b

  • Na de tweede beklimming volgt een uitzichtpunt waar je een prachtig zicht hebt op de skyline van Tienen (ja echt), als je rond je as draait, zie je maar liefst zes kerktorens en een kapel. I love kerktorens!
  • Het voelt efficiënt om halverwege ook echt het verst van huis te zijn. Je wil niet het gevoel hebben dat je dichtbij huis aan het rondcirkelen bent. In se is lopen natuurlijk altijd omweg maken.
  • De tweede helft van mijn 14k was ook de laatste 7 kilometer van de suikermarathon die ik liep in oktober. Ik herbeleef dus altijd opnieuw herinneringen aan die unieke marathon.
  • 14 km is lang genoeg om boven het uur te lopen en het gevoel van duur te ervaren, kort genoeg om het altijd aan te kunnen en er tijd voor te hebben.

IMG_4484b

  • Ik kan dit rondje altijd verrassend snel lopen terwijl ik vertrek met het idee om het rustig aan te gaan doen. Hoewel snelheid geen doel is, boost het wel mijn zelfvertrouwen.
  • De lus die ik loop neemt grillige vormen aan, waardoor de wind ook altijd draait en je dus nooit kilometers aan één stuk tegenwind hebt.
  • Ik heb looprondes waar ik echt geen mens tegenkom. Soms voelt dat zo eenzaam aan dat me zelfs op klaarlichte dag een akelig gevoel kan bekruipen. Bij mijn lievelingsrondje passeer ik altijd wel een wandelaar, een fietser en zelfs een loper, zonder dat het druk wordt.
  • Het is een toer die in zijn eenvoud een mooi staaltje natuur toont. Ook de dieren zijn goed vertegenwoordigd. Paarden en eenden bijvoorbeeld. De eervolle vermelding gaat toch naar een woelmuis die een roofvogel aftroefde.

IMG_4490b

  • Ik loop slechts een meter of 10 dubbel, ik kom dus langs een andere straat terug dan dat ik vertrokken ben.
  • De laatste kilometer brengt me door een lange straat terug richting dorpskern. Ideaal om uit te lopen en omdat het ook lichtjes oploopt, is dat eens zo gemakkelijk.
  • Ik loop ook altijd 14 kilometer, eerder 14,1. Ik ben geen loper die nog een paar keer op en af de voordeur loopt om een rond getal aan te tikken, maar ik vind het wel mooi als je 14 ook echt een 14 is.

IMG_4476b

IMG_4477b

IMG_4478b

P.S. Ik maakte de foto’s terwijl ik mijn ronde liep in de eerste echte warmte van het jaar. Ik was weer maar eens vergeten hoe die telkens als een mokerslag binnenkomt. Een goede gelegenheid om veel foto’s te maken en dus op adem te komen.

De gedachte – 10 x over spelling

Beroepsmatig kruist er heel wat mijn pad, zo ook spelfouten, spellingfouten of spellingsfouten: zo u wil. De Nederlandse taal en cultuur zijn mijn vak, spelling is daar een deel van. In mijn omgeving blijkt dit tot gevolg te hebben dat iemand die mij – professioneel of privé- schriftelijk contacteert een verhoogde waakzaamheid heeft wat betreft bovengenoemde fouten. Nochtans heb ik niet de neiging om elke spelfoutje dat mijn blik kruist met een belerend vingertje te corrigeren. Ik beschouw mezelf niet als rechercheur van de taalpolitie. Ik veroordeel ook oprecht niemand op basis van spellingsfouten. Echt. Niet. Anderzijds is het wel een keihard feit dat ik elke spellingsfout zie. Door mijn werk als leerkracht Nederlands ben ik daar simpelweg in getraind. Het is dus echt sterker dan mezelf dat ik op elk briefje dat uithangt of in elke folder die ik krijg toegeschoven automatisch fouten zie, ook als ik niet aan het werk ben. Leuk, maar je redt er geen levens mee. Mijn kinesist vertelde eens dat zij hetzelfde heeft met looppatronen: als ze iemand ziet lopen, kan ze niet anders dan in een oogwenk diens voetzetting analyseren. De fouten die ik als leerkracht het vaakst zie, zijn werkwoordsfouten, in de volksmond dt-fouten genoemd. Zulke fouten doen soms echt pijn aan mijn ogen. Ik heb een arsenaal aan flauwe grappen om dit in de klas kenbaar te maken (dat ik dit weekend een overdosis heb gekregen… aan spelfouten). 10 lesjes over spelling dus, omdat spelling niet ergerlijk is, maar om van te houden!

Ik ken niet alle spellingregels, maar ik draag juist schrijven wel heel hoog in het vaandel. Bij de geringste twijfel zoek ik een woord op. Spelling is een onderdeel van mijn vak dat ik meer dan behoorlijk onder de knie heb. Als ik vroeger thuis mee schreef met het Groot Dictee der Nederlandse Taal dan maakte ik steevast minder fouten dan het gemiddelde. Het Groene Boekje kampeert echter niet op mijn nachtkastje.

De spellingregels wijzigen niet jaarlijks, al is het een excuus dat vaak wordt aangehaald om niet juist te spellen. Het eerste Groene Boekje werd gepubliceerd in 1954. De grootste Nederlandse spellinghervorming vond plaats in 1995. Hiermee verdween de voorkeursspelling en werd een insekt onherroepelijk een insect en de pannekoek een volwaardige pannenkoek. In 2005 volgden er nog enkele correcties op die hervorming en ontstond uit protest daarop het Witte Boekje. Het is nu al geruime tijd rustig in spellingland.

Er bestaan sympathieke spelfouten, die doen zich veelal voor in een context waarin spelling geen prioriteit is, maar waar ik het idee krijg dat er juist wel is nagedacht over de juiste schrijfwijze. In de frituur vind ik een kaaskrokket bijvoorbeeld krokanter klinken dan een simpele kaaskroket.

Zonder spellingregels zouden we elkaar minder goed begrijpen, spelling heeft dus wel degelijk een communicatief nut. Een wereld zonder spellingregels klinkt misschien aanlokkelijk, maar als één woord tientallen schrijfwijzen heeft, komt dat de leesbaarheid en ook verstaanbaarheid van een tekst absoluut niet ten goede. Taal als communicatiemiddel en ach ja, dat we elkaar begrijpen is toch het belangrijkste, vraagt juist om eenduidige spellingregels. 

Een spelfout in een sollicitatiebrief is echt gênant, niet omdat het je minder intelligent zou maken, wel omdat het nonchalant overkomt en dat is nu net niet de eerste indruk die je wil maken. Je wil bij een sollicitatiegesprek niet binnen komen in een keurige outfit terwijl je rits openstaat en je onderbroek naar buiten gulpt.

Lezers en latinisten hebben een beter ontwikkeld taalgevoel wat hen ook betere spellers maakt. Wie lezer en latinist is, heeft dus dubbel prijs. Omdat lezers meer teksten en woorden zien, prenten ze meer woordbeelden in hun geheugen. Latinisten zijn zowel sterker in woord- als zinsleer en dat maakt hen kundiger om spellingregels correct toe te passen. Het is natuurlijk geen voorwaarde om juist te kunnen spellen.

Schrijf eigennamen altijd juist én met een hoofdletter omdat het iedereen meteen opvalt als haar of zijn naam verkeerd geschreven wordt. Recent was er een leerling in de klas die er mij in een spellingsoefening op wees dat ik Marieke verkeerd had geschreven als Marike. Tot ik haar vertelde dat mijn zus Marike heette (en de voorbeeldzin zich dus binnen een niet-fictieve context afspeelde, mijn familieleden treden vaak op als figuranten in spellingsoefeningen).

Werkwoorden juist spellen is een kwestie van consequent zijn, je moet mij dan ook niet vertellen dat de dt-regel (die dus helemaal niet bestaat, maar een gevolg is van de algemene werkwoordspelling) verwarrend is. Werkwoorden juist spellen is niet vergelijkbaar met à la carte eten in een restaurant. Bij wiskunde loopt het ook grandioos mis als je x en + vrolijk door elkaar gebruikt. 

Engelse woorden hebben vaak een aantrekkelijkere spelwijze, wij hebben wel sexy, maar geen sex. We hebben geen barbeque (bbq), maar een barbecue (bbc?). En toegegeven, een exotische q of x geeft taal wat pit. Bovendien ziet gebrainwashed er gevoelsmatig normaler uit dan gebrainwasht. Spelling is echter consequent zijn, ook met invloeden van buitenaf.

Stijl is doorslaggevender dan spelling, zo vind ik een overdreven formeel bericht in een context waarbij dat helemaal niet nodig is ergerlijker dan een schattig spelfoutje binnen een gepaste stijl. Ook op een blog val ik voor stijl (en hoe die past bij een persoon) en niet voor spelling. Het lot van spelling is dat het niet opvalt als het juist is. Stijl die past en spreekt: dat is het charisma van de taal.  

De hierboven afgebeelde Atlas van de Nederlandse taal (uitgegeven bij Lannoo) is een echte aanrader voor iedereen die houdt van taalweetjes die zoveel verder gaan dan spelling.

 

Loperspraat – Waarover ik praat als ik over Den Haag praat

Een zondag in maart en geen CPC Loop in Den Haag, dat doet pijn. Het weer is  grillig maarts. De herinneringen aan de CPC die vorig jaar nog op de valreep kon doorgaan liggen vers in het geheugen omdat enkele dagen later een lockdown – al dan niet light – werd afgekondigd. De scholen gingen dicht, het land een beetje op slot, maar wij hadden Den Haag nog op zak. Ik heb lang nagedacht over wat ik kon vertellen over een zondag in maart zonder CPC en wat dat voor mij betekent. Misschien kon ik het hebben over wat ik nog niet vertelde? Al snel bleek dat bitter weinig schrijfstof op te leveren. Ik kon schrijven wat ik juist niet mis van de CPC of waarom ik Den Haag juist heel erg mis? Ook dat kon de lading van mijn gedachten niet helemaal dekken. Ik ga dus voor de chaotische benadering: wat schiet er door mijn hoofd als ik aan Den Haag en de CPC denk?

  • De autorit met Roos en de gewoontes die daarbij horen: verkeerschaos rond Antwerpen, beheerst rijgedrag in Nederland, High Way Den Haag zingen, een kwalitatieve koffiestop mét versnapering (Roos trakteert mij als onkostenvergoeding), heel vaak een herinnering ophalen Weet je nog toen? De volgende keer dat we onderweg zijn volgt ongetwijfeld Weet je nog toen we in augustus met 35 graden zonder airco wegsmolten in de auto?
  • De aartsmoeilijke kledingdilemma’s waar we mee geconfronteerd worden. Maart is een uitdagende maand op vestimentair gebied. Het weer zit op de wipplank tussen winters fris en veelbelovend voorjaars. Bovendien gaat de CPC Loop pas om 14u van start en zie je die dag zowel wind, regen als stralende zon. Het is dan vooral zaak om heel veel soorten kleding in je sporttas te proppen. Ik liep de CPC zowel in een heel blote als in een heel bedekte outfit. We komen daarom altijd belachelijk zwaar gepakt en gezakt aan bij onze familie.
  • De magie van het Malieveld, eigenlijk gewoon een heeeeel groot grasveld dat het kloppend hart van de CPC vormt. Meestal is het er ook modderig, vaak heeeeel modderig.
  • De wind die wij dus totaal niet kunnen inschatten. We vertrouwen daarvoor op de kennis van de locals (onze familie). Het is duidelijk dat wij niet aan zee wonen.
  • Hoe we altijd barsten van het zelfvertrouwen om op de fiets onze weg te vinden in Den Haag, maar dat altijd het onvermijdelijke moment aanbreekt dat Roos de gps moet inschakelen.
  • De AH XL in de Elandstraat waar we een fantastische shoppingervaring beleven. Roos heeft altijd schrik dat de witte bolletjes uitverkocht zullen zijn die ze nodig heeft als ontbijt.
  • Het brede scala aan emoties die de CPC teweeg brengt. Gaande van euforie tot diepe teleurstelling.
  • Irene die ons in de watten legt door voor ons te koken en een lekker bed op te maken. We kunnen met haar ook altijd goed bijbabbelen over de gebeurtenissen in onze familie.
  • Maarten is onze oudste neef en hoewel we intussen allemaal saai volwassen zijn, blijft het heel leuk om hem te plagen. Met zijn kleurrijke outfits bijvoorbeeld, maar ook hoe hij zich altijd als een gek moet haasten om dan nét op tijd of nét te laat te zijn. Roos en ik staan meestal te wachten tot het startvak opengaat, Maarten staat 10 minuten voor het startschot nog aan te schuiven om zijn borstnummer op te halen.
  • Onze neefjes Senne en Lev kijken inmiddels niet meer verschrikt op als de nichtjes van papa aan de deur staan. Ondertussen kunnen ze ook onze Vlaamse tongval begrijpen en waarderen ze ons heel erg als supporters tijdens de kinderloop.
  • De finale van Wie is de mol? blijkt steevast plaats te vinden op de dag voor de CPC. Zo kregen wij de afgelopen jaren steeds de ontknoping mee en dus ook de verraste blikken van Senne en Lev. We leerden vooral dat het begrip BN’er erg rekbaar is.
  • Een halve of hele marathon heeft altijd een verraderlijke staart. In Den Haag is die altijd nog venijniger dan je denkt. Je loopt naar de zee, maar moet dan ook weer terug. De wind is daarbij een bondgenoot, dan wel vijand. Bovendien is de laatste strook naar de finish een optische illusie: twee kilometer lang ben je in de waan dat je er bijna bent (en ja, we weten wel dat een halve marathon 21,1 kilometer is). Twee kilometer is erg lang als je het zwaar hebt.
  • Na de finish pas ik altijd voor de warme thee die wordt aangeboden. Gekke Nederlanders!

Wat zou het al fijn zijn als we binnenkort weer de grens over mogen voor een volstrekt essentieel familiebezoek!

IMG_3933b

Het portret – 42 topvrouwen

Ik word omringd door sterke vrouwen. Mijn mama, zussen en metekind krijgen niet toevallig een prominente rol in mijn verhalen. Ik heb echter ook bijzonder leuke tantes en een meter die niet alleen een bekende kop heeft, maar vooral een bijzonder groot hart. Ik denk nog vaak aan mijn Oma, die er niet meer is, maar steeds aanweziger lijkt te zijn. Ik heb hartsvriendinnen die ik gewoon vriendjes noem. Ik heb collega’s waar ik niet alleen goed mee kan samenwerken, maar vooral goed mee kan praten. Elke man wordt geboren uit een vrouw. Dat zegt eigenlijk genoeg.

Dank je wel Agatha Christie voor je boeken die ik verslond
Dank je wel An Lemmens voor je dierenliefde
Dank je wel Angèle voor je opgestoken middenvinger
Dank je wel Carson McCullers voor je boek over eenzaamheid
Dank je wel Catherine Van Eylen voor je eigenzinnige kledingkeuze
Dank je wel Celia Groothedde voor je mening over feminisme
Dank je wel Chloé van Koffie Onan voor je liefde voor het vak
Dank je wel Cindy de postbode voor alle pakjes die je brengt
Dank je wel Coco Chanel voor je vernieuwende blik op mode
Dank je wel Connie Palmen voor je ontroerende woorden
Dank je wel Edith Piaf voor het spijt dat je nooit had
Dank je wel Elizabeth Batts voor de kracht die je bezat
Dank je wel Ellen Deckwitz voor je welbespraaktheid
Dank je wel Florence Welch voor je soundtrack van mijn leven
Dank je wel Frida Kahlo voor je kleurrijke persoonlijkheid
Dank je wel Hilde Van Mieghem voor de strijd die je voert
Dank je wel Hind Eljadid voor de moed die je hebt
Dank je wel Joke Van Leeuwen voor de wereld die je creëert
Dank je wel Julie Cafmeyer voor je column over grote liefdes
Dank je wel Kate Winslet voor de vrouwen die je een stem gaf
Dank je wel Kathelijn, mijn kinesist, voor je heilzame handen
Dank je wel Kathrine Switzer voor je daad van verzet
Dank je wel Leen Demaré voor je persoonlijke verhaal
Dank je wel Lies van de hulpgevangenis voor je engagement
Dank je wel Maaike Cafmeyer voor je speech recht uit het hart
Dank je wel Margaret Atwood voor het donkere beeld dat je zag
Dank je wel Maud Vanhauwaert voor de dichter die je ons geeft
Dank je wel Maureen van contact tracing voor je begrip
Dank je wel Maya, mijn kapper, voor je oprechte interesse
Dank je wel Michelle Obama voor de hoop die je geeft
Dank je wel Mieke, van op de markt, voor het brood dat je bakt
Dank je wel Naomi Sluijs voor de stoffencollectie die je ontwerpt
Dank je wel Nino Haratischwili voor je onvergetelijke epos
Dank je wel Ottessa Moshfegh voor je verfrissende literatuur
Dank je wel Paulien Cornelisse voor je grappen over taal en mos
Dank je wel Pink voor de rock star die je bent
Dank je wel Simone de Beauvoir voor je blik op vrouw-zijn
Dank je wel Sofie Lemaire voor je innemende persoonlijkheid
Dank je wel Sophie Calle voor je fijnbesnaarde kunstboek
Dank je wel Virginia Woolf voor je onvergetelijke personages
Dank je wel Yentl en de Boer voor je liedjes over mannen
Dank je wel Zaz voor hoe je zingt over Parijs

Het boek – De vervloekte madeleine van Proust

Leiden, september 2007. Ik studeer af als master in de literatuurwetenschap met een thesis* over Marcel Proust. Mijn eindwerk krijgt de titel Een kant van Proust, liefde in de schaduw van jaloezie, een knipoog naar de eerste twee delen van Prousts levenswerk A la recherche du temps perdu: ruim 3000 pagina’s in zeven delen die verschenen tussen 1913 en 1927. Niet alleen de omvang van dit werk, maar ook de uitermate beschrijvende stijl van Proust hebben ertoe bijgedragen dat Proust lezen een zekere status met zich meedraagt. Mount Proust kent geen genade. Toen ik de volledige romancyclus als prille twintiger las, stelde ik vast dat Proust verrassend genoeg best leesbaar is. In mijn thesis ging ik specifiek in op deel 5 (De gevangene) en 6 (De voortvluchtige), waarin de Franse elite plaats ruimt voor de verstikkende relatie tussen verteller Marcel en zijn geliefde Albertine. Vanuit dat perspectief bleek het Marcels ziekelijke jaloezie te zijn die als een rode draad door de Recherche-cyclus loopt en in de laatste delen steeds meer de bovenhand krijgt. Geloof me: Proust heeft de moderne lezer meer te bieden dan ellenlange zinnen en een madeleine.  

Ik kijk met een dubbel gevoel terug op mijn studietijd in Leiden. Enerzijds was de opleiding literatuurwetenschap een verrijking voor mezelf als lezer en als mens. Anderzijds hield ik aan mijn studie ook een lichte afkeer aan het universitaire leven over en het ivoren-toren-gevoel dat erbij leek te horen. Mijn plan was altijd om leerkracht te worden: terug de maatschappij in. Bovendien heb ik me nooit echt thuis gevoeld in Leiden. Ik bleef er altijd De Belg, een sympathieke buitenstaander. Mijn keuze om over Proust te schrijven was een stille daad van verzet. Destijds was het namelijk in om het vooral niet te hebben over de grote klassiekers en hun verdiensten, maar juist een gemarginaliseerde auteur op te snorren die de canon oversteeg en die liefst niemand kende. Door te kiezen voor een boegbeeld van het modernisme (zwaar, snobistisch, moeilijk) en te betogen dat die wel degelijk leesbaar was, toonde ik stiekem waar ik zelf voor stond: een zelfbewuste benadering van literatuur.

IMG_4390b

In mijn thesis vermeed ik bewust de iconische madeleine. Het is in deel 1 (De kant van Swan) dat Marcel zijn madeleine in de thee doopt (van zompig gesproken), waarop hij terug gekatapulteerd wordt naar de vakantietijd die hij doorbracht bij zijn tante in Combray. Et voila: la mémoire involontaire doet haar intrede. De madeleine-scène werd exemplarisch voor de eindeloze mijmeringen die Proust tot in het kleinste detail weet te beschrijven. Ik dompelde me graag onder in Proust omdat ik er mijn liefde voor Parijs in weerspiegeld zag. Naarmate ik echter vorderde in de Recherche bleek het romantische beeld van die madeleine steeds minder typerend te worden. De meanderende herinneringen maken plaats voor een buitengewoon menselijk aspect: jaloezie die groteske vormen aanneemt. In tal van sappige passages krijgen we steeds meer zicht op de ongezonde relatie die Marcel en Albertine erop na houden. Hij beticht haar van vuile manieren met andere mannen. Zij liegt de pannen van het dak. De eens zo beheerste verteller trekt stilistisch een ander register open. Marcel is van kop tot teen menselijk. 

In augustus 2007 moest ik mijn thesis verdedigen bij mijn begeleider, in veel opzichten een atypische universitair docent. Wellicht kon ik het daarom goed met hem vinden. Bij dit gesprek was ook Docent 2 aanwezig. Hij gaf een collegereeks over het literaire modernisme, waarvan één sessie volledig gewijd was aan Proust. We kwamen daarbij niet verder dan de madeleine-passage, hoe verrassend! Ik kreeg complimenten voor de close-readings in mijn eindwerk (altijd scoren) en wat kritische vragen over de secundaire literatuur waar ik naar teruggreep (de pro-forma geplogenheden). Tot Docent 2 me lichtjes uit mijn lood sloeg. Waarom heb je het niet over de madeleine? Hoe kan je over Proust schrijven zonder het over de madeleine te hebben? Heel mijn thesis was opgebouwd rond het gegeven dat er door het motief van de uber-menselijke jaloezie juist een grote betrokkenheid ontstaat tussen lezer en verteller en dat je de Recherche oneer aandoet door de zevendelige cyclus te laten overschaduwen door één bovennatuurlijk gebakje dat nota bene in het eerste deel gegeten wordt! Bij nader inzien las Docent 2 waarschijnlijk geen enkel deel van Proust. Ik vraag me zelfs af of hij wel de moeite had genomen om mijn eindwerk volledig te lezen. Voor mij was dit het ultieme bewijs dat ze mij in Leiden nooit echt begrepen hebben.

IMG_4376b

Moet je Proust nog lezen anno 2021? Ja, als je graag eens een klassieker ter hand neemt. Nee, als je niet houdt van verhalen die hun tijd nemen om verteld te worden. Proust is de meester van de uitweiding en de breed uitgesponnen beschrijving, laat daar geen misverstand over bestaan. De kern van zijn romancyclus is echter een ongezonde relatie: begrijpelijke kost die ver weg ligt van het abstracte of conceptuele dat je bij andere modernisten terugvindt. Zo vond ik de 1200 pagina’s van Robert Musils De man zonder eigenschappen een worsteling en James Joyce heel interessant, maar ook aartsmoeilijk. Laat je dus niet intimideren door de status die Mount Proust in de wereldliteratuur krijgt toegewezen. Het is een meesterwerk, maar dat zijn de Ardennen ook. Je kan er prachtig wandelen en als je van de natuur houdt, moet je echt geen alpinist zijn om er een berg op te kunnen. Laat je verleiden door de madeleine, savoureer ze, maar weet dat de Franse boulangerie nog meer gebakjes in de toonbank heeft liggen. Ik hou ook meer van koffie dan van thee. Bon appétit!

IMG_4383b

*thesis, scriptie, eindwerk, masterproef: what’s in a name? 

Het moment – Ontwaakt uit mijn winterslaap

Ik voelde al lente in januari, al was het sporadisch. Tussen de regenbuien en het miezerweer gebeurde het soms dat de natuur z’n uiterste best deed om er desondanks iets moois van te maken. Heel behoedzaam, dat wel, om je vooral geen valse hoop te geven. Januari moet zowat de lelijkste maand van het jaar zijn. Je ziet vooral modder en dorheid. Het is zoeken naar een sprietje groen in een palet van bruin. Als je bovendien met de fiets naar het werk gaat, dan is januari een behoorlijk harde noot om te kraken. Mijn kilometers op de steenweg waren knokkilometers. Februari kenmerkte zich dan weer door een diepvriesweek mét sneeuw om er nadien een portie onversneden lente overheen te gooien. Van beide genoot ik intens. Ik liep met een heel grote glimlach door de sneeuw: toch na een kilometer of 2, als mijn innerlijke thermostaat aansloeg, en ook het voorproefje lente zorgde ervoor dat ik in een opperbeste stemming verkeerde.

IMG_4225b

Ik ga er prat op om me niet af te zetten tegen de winter. Als je de wintermaanden als deprimerend en onmenselijk bestempelt, dan lijkt het me een bijzonder zware klus om die tijd door te komen. Ik hou van de afwisseling die de seizoenen bieden. Elke maand heeft iets. De winter, dat is gezelligheid. Zowel om binnen te zitten met de gordijnen dicht, als om er in alle vroegte op uit te trekken nog voor de wereld wakker is. Inmiddels weet ik ook dat ik heus wel bestand ben tegen wat regen en wind. Het meest vermoeiende aan de wintermaanden vind ik het denkwerk dat erbij hoort. Je moet je constant wapenen tegen een kracht van buitenaf, zowel jezelf, je huis, als je huisdieren. Dat vreet energie.

In de winter heb je een warme deken om je heen die je noodgedwongen warm houdt, maar als die dan weer af kan, voel je plots hoe licht je eigenlijk bent. Juist door de impact van de winter kan ik het voorjaar meer naar waarde schatten. In het voorjaar is het zoveel gemakkelijker om goed gezind te zijn, om de juiste kleding aan te trekken, om de dag aan te vatten, om naar buiten te trekken en simpelweg tevreden te zijn. Ook op sportief vlak biedt het voorjaarsweer niets dan voordelen. Allereerst stijgt de curve van het fietsgenot exponentieel. Voor je plezier maak je geen fietstocht als het kwik onder nul kruipt. Ik ging dus weer vaker de baan op met Juan, mijn onovertroffen Orbea mountainbike. Letterlijk de baan op, want als ik modder kan vermijden, dan doe ik dat ook. Juan kan het trouwens uitstekend vinden met Herman, de koersfiets van Roos. Gelukkig maar! Als ik na zo’n fietstocht en bijbabbelmoment leeggereden thuiskom, is mijn geestelijke batterij weer helemaal opgeladen.

IMG_4362b

Mijn loopkilometers bleven de afgelopen maanden constant. Ik loop regelmatig een duurloop van 18 kilometer die ik afwissel met kortere loopjes. Geen echte excessen dus, best gematigd voor mijn doen. Op kledingniveau bevind ik me in een transitiefase. Mijn Nike Pegasus trailschoenen met Gore Tex bewezen hun dienst in de sneeuw, maar ook mijn nagelnieuwe belachelijk witte Zoom Fly’s konden een eerste keer van stal in het nieuwe jaar. Ik schipper nog wat met de lengte van broek en shirt. De uitspraak die ik me de afgelopen weken vaak liet ontvallen was: als ik eenmaal naar kort ga, wil ik niet terug naar lang. Mijn club van loopvriendjes werd ook weer een beetje groter. Elizabeth is de naam van mijn nieuwste loopmaatje. Met dat nieuwe valt het overigens wel mee, aangezien we elkaar al een leven lang kennen. Elizabeth gebruikt me graag als stok achter de deur om een looprondje te maken (die invloed blijk ik wel eens te hebben op mijn omgeving). Er is veel wat ik waardeer aan mijn jeugdvriendin: als sporter is dat ongetwijfeld haar onverzettelijkheid en bikkelharde doorzettingsmentaliteit. I like! Een dikke yes dus aan het samen sporten en aan het buiten zijn!

IMG_4351b

De gedachte – Over passie

2021 wordt het jaar waarin het woord hobby definitief passé is. Hobby’s behoren tot een lang vervlogen tijdperk. De jaren 90 bijvoorbeeld, toen je nog ongegeneerd blij kon worden van postzegels verzamelen. Vandaag de dag is het al passie wat de klok slaat. Zeg dus niet: ik luister graag naar muziek, maar: muziek is mijn passie. Nu hou ik helemaal niet van het woord passie. Net zoals ik een hekel heb aan het woord vrijgezel, maar dat is weer een ander verhaal. Passie wordt veel te vaak en gemakkelijk gebruikt gewoon om aan te geven dat je iets graag doet. Bovendien associeer ik passie met jezelf ergens in verliezen, geen grip meer hebben op wat is en je roekeloos ergens instorten. Prachtig, maar ook behoorlijk beangstigend. Als passie betekent enthousiasme en vurigheid, dan ben ik mee. Als passie gaat over een niet te stuiten verlangen, een drift of oerkracht dan voel ik me er veel te nuchter voor.

Ik denk dat mijn aversie voor het woord passie te wijten is aan de alomtegenwoordigheid ervan. Het is zoals met uitroeptekens: als je hele tekst er vol van staat, hoort niemand je nog roepen. Daarenboven wordt passie ook  gratuit gebruikt, als een versterking om aan te tonen dat je het echt meent. Een hobby is slechts bezigheid, passie definieert je en geeft je identiteit vorm. Achter passie gaat urgentie schuil. Je moet het doen of je verloochent jezelf. Bij mij werkt het omgekeerd: ik ben juist trouw aan mezelf als ik ergens bewust voor kies. Ik word niet overspoeld door een drang om te lezen, ik kies er heel bewust voor omdat ik weet hoeveel vreugde het mij brengt. Ik sterf gelukkig niet als ik een paar dagen niet gelezen heb. Als ik lees zit ik – naar ik vrees – met een vreemde frons tussen mijn ogen naar een boek te turen, volledig toegewijd en ingetogen enthousiast. 

Wat ik eveneens problematisch vind aan het woord passie is dat het torenhoge verwachtingen creëert. Als iets je passie is, dan moet het altijd ronduit fantastisch en overdonderend zijn. Voor mij is lopen een wezenlijk deel van wie ik ben. Ik beschouw het als een noodzakelijke activiteit om mijn lijf en geest gezond te houden, om ideeën te krijgen en mijn omgeving te ervaren. Lopen is voor mij kortom iets wat me helpt te aarden met het leven en mezelf terwijl ik niks meer doe dan mijn ene voet voor de andere te zetten. De eenvoud van die handeling maakt het zo bijzonder deugddoend. Hetzelfde geldt voor mijn werk als leerkracht, waar ik ook een stuk van mezelf in leg. Wederom is het juist het gewone en alledaagse van mijn werk, namelijk omgaan met jongeren, wat ik er zo aan waardeer. Ik sta (bijna) altijd vol enthousiasme voor de klas, maar ik ben niet elke lesuur de grote bezieler en inspirator.

Ben ik dan echt geen passioneel mens? Natuurlijk wel! Achter die nuchtere façade zit een grote gevoelsmens. Ik doe niets liever dan mezelf in gedachten verliezen in mijn eigen gevoelswereld. In het echt heb ik de touwtjes graag strak in handen om bewuste keuzes te kunnen maken. Ik doe de dingen met overtuiging en toewijding. Ik heb graag gedreven mensen om me heen. Ik omarm het gevoel in al z’n onmogelijkheid. En ik blijf dus gewoon fan van het woord hobby en de bescheidenheid die het uitstraalt. Passie heb ik niet nodig in mijn vocabulaire.

Noot: dat passie ook bij jongeren leeft, hoorde ik maandag in de klas. De context: een gesprek over een auto van 80.000 euro. De leerling: zou u zo’n auto kopen, mevrouw? Ik: nee, ik heb niks met auto’s en als ik al zoveel geld zou hebben, zou ik het er niet aan uitgeven. De leerling: ja, maar mevrouw: als auto’s nu echt uw passie waren???

Het gerief – Twee tassen vol zussenliefde

De afkoelingsweek van het secundair onderwijs deed zijn naam alle eer aan. Dag en nacht vroor het de stenen uit de grond. Ik ging dagelijks – zorgvuldig ingepakt – lopen om van de sneeuw en de zon te genieten. Zaterdag zette ik mijn eerste vakantiedag in met een namiddag in mijn atelier, ofte 24 karaats kwali-tijd. Voor elk van mijn zussen zou ik een gepersonaliseerde tas maken. Een tas naaien voor iemand is namelijk een daad van onversneden liefde. Vergelijk het met koken voor iemand die je graag hebt: dan snij je een wortel ook tederder in stukjes. Als ik dus een tas voor mijn zussen maak, dan vloek ik nooit. Elk steekje zit extra stevig vast dankzij de zussenliefde. Je mag dat gerust klef noemen. De creatijd werd een contemplatief moment omdat mijn zussen in gedachten intensief bij het maakproces betrokken waren. Ik besefte weer hoe hard ik ze mis nu onze momenten samen schaarser dan ooit zijn. Zondag legde ik de laatste hand aan de tassen en trok ik naar de Kempen voor een verlaat verjaardagsfeestje van Marike. Twee uur lang op veilige afstand van het vuur en vooral elkaar zitten om nadien stinkend van de rook en met koude voeten weer in de auto te stappen. Ook dat is liefde. Ook dat is samenzijn anno 2021.

IMG_4234b
A sewing room with a view

IMG_4285b

Ik vroeg vooraf aan Roos of ik Marike blij zou maken met een grotere handtas dan wel met een klein heuptasje. Marike is met alles blij en dat is echt zo, maar een grote tas zou ze wellicht vaker gebruiken, antwoordde Roos. Ik koos daarom tweemaal voor het beproefde recept van de Trixie trail tas: een onontbeerlijke handtas in elke garderobe. Zelfs vandaag gaat een mens immers nog de deur uit. Twee keer dus een identiek patroon met een verschillende uitvoering. Ik maakte inmiddels al behoorlijk wat tassen van diverse afmetingen (waarvan drie Trixies). Mijn nieuwe devies luidt dan ook dat een tas maar zo goed is als z’n binnenkant. Een huis mag nog zo mooi zijn langs de buitenkant, je voelt je er pas echt in thuis als je er je spullen ook fatsoenlijk kwijt kan. Een tas maken begint voor mij daarom met het personaliseren en praktisch aankleden van de voering. De echte luxe is voorbehouden voor het interieur.

IMG_4244b

IMG_4243b

Voor Marike vertrok ik vanuit het allerlaatste restje kurk dat ze anderhalf jaar geleden zelf uitkoos voor de eerste Trixie die ik voor haar maakte. Ik vulde aan met een dry oilskin van Merchant & Mills in de kleur kaki. Al zou ik eerder zeggen munt ontmoet olijf. Oilskin, mensen, is dé jassen- en tassenstof bij uitstek: waterafstotend met een robuuste, doch elegante uitstraling. Ik voel bij die stof een Scandinavische vibe, denk: organisch kleurgebruik in stijlvol minimalisme. Of zoiets. De grijze voering in linnenlook met glitter sluit perfect aan bij het geheel. Het kleine giraffenritstasje garandeert orde in de grote tas. Die stof is dan weer een knipoog naar het geheime Leah-project van alweer anderhalf jaar geleden. Langs de buitenkant zijn de grillige gouden lijnen van de kurk de blikvanger. Om mijn marketingcampagne te besluiten, zou ik deze tas een classy allrounder noemen.

IMG_4254b

Roos gaf me zelf een stuk bronzen namaakleer dat ik als basis kon gebruiken. Ik vulde wederom aan met dry oilskin, deze keer in de kleur olijf, al zou ik eerder zeggen cognac en laat die kleur nu net Roos’ kleurenpalet domineren. De binnenkant werd gevoerd met een wondermooie luxe katoen van Fragile die zijn geheimen onthult achter een gouden rits. Langs de buitenkant stelen de franjes de show. Boho chic of het Wilde Westen: het is maar wat je er in wil zien. Zelf kies ik voor stijlvolle glamour met een edgy touch. Ook Roos kreeg er natuurlijk een twinning tasje bij: nog maar eens een Maurice. Och, wat hou ik van die man!

IMG_4276b

Het belangrijkste DIY-advies voor wie zelf een tas wil maken, is om er je tijd voor te nemen en jawel: om het geheel met liefde en geduld te assembleren. De moeilijkheid zit hem namelijk in de verschillende lagen én materialen die je moet doorstikken om de tas stevigheid te geven. Tot slot ga ik ook helemaal los in de details, want the devil is in the details. Daarom liet ik mijn naaimachine ritslabels “schrijven” met het toepasselijke SIS. Sis of sisje, dat is hoe wij – klef als we kunnen zijn – elkaar noemen. Wie zich het mocht afvragen: onze broer noem ik redelijk consequent Bro. Ik voel hier terstond een idee voor een men bag ontstaan.

IMG_4296b

Weet je wat helemaal zo mooi is aan mijn zussen? Ik wist wel dat ze blij zouden zijn met hun tas, maar ze slagen er dan toch in om die blijdschap te overtreffen en zo overdreven dankbaar te zijn dat je je bijna gaat schamen dat je zelf zoveel plezier hebt gehad tijdens het maakproces.

IMG_4278b
Uiteindelijk is het natuurlijk Leah die de show steelt. Jong geleerd is oud gedaan.