Het moment – Wat een week!

Goh, wat was het me een bijzondere week. Uitgerekend op de dag dat ik mijn persoonlijke verhaal deelde over het trauma in mijn studententijd en hoe ik leerde omgaan met mijn kwetsbaarheid, knalde ik naar een 17e plaats op de 10 Miles in Antwerpen. Ik legde een dikke 16 kilometer af in 1u05 met een gemiddelde van 3’59” per kilometer. Nog steeds kan ik dat moeilijk vatten (ik val in herhaling, maar het is echt zo). De afgelopen week werd ik overladen met positieve reacties uit bekende en onbekende hoek. Ofwel omwille van die sportieve tour de force, ofwel om het heel persoonlijke verhaal dat ik deelde. Juist die combinatie van het heftige verhaal met iets volstrekt onbenulligs als een snelle loopwedstrijd deed de puzzel even helemaal in elkaar passen.

Over Antwerpen nog dit. Een dag met Roos op pad zijn dat is sowieso een cadeau. Het was een uitstap met alles erop en eraan: sportief vermaak, samen koffie drinken en supporteren, veel lachen en nog meer verhalen. We dansten samen toepasselijk op Rise van Lost Frequencies in het startvak. Over een momentum gesproken: ik heb helemaal niks met dansen, er moet iets speciaals gebeuren om dat lijf van mij aan het shaken te krijgen. Mijn 10 Miles waren niet alleen de snelste, maar ongetwijfeld ook de meest bewuste die ik ooit liep. Ik besefte ten volle dat dit weer één van die dingen is die weer kunnen en hoeveel plezier ik daaraan beleef. Ik nam alle aanmoedigingen in dank aan. Antwerpen, u was geweldig.

Over mijn persoonlijke verhaal nog dit. Eén van de redenen die me altijd tegenhield om het te vertellen, was dat ik wist hoe het mensen zou aangrijpen. Ik wilde niet dat iemand met mij zou inzitten. In veel opzichten is het een triestig verhaal over een lelijke en akelige kant van de wereld waarin we leven. Gelukkig kreeg ik meermaals te horen dat juist de krachtige stem van de veerkracht de bovenhand nam. Heel lang heb ik overigens niet getwijfeld of ik dit al dan niet zou publiceren. Pakweg een maand geleden zag ik in World Mental Health Day de ideale aanleiding. Sindsdien begon ik na te denken over wat ik precies wilde vertellen. De tekst ging rijpen in mijn hoofd en later op het digitale papier. Ik werd niet uit evenwicht gebracht toen ik dit verhaal opschreef. Ik ging dus niet door een emotioneel dal. De eerste keer dat ik typte dat ik werd aangerand, was ik me wel heel bewust van de lading van die woorden en van het feit dat ik dat nooit eerder opschreef. Op de één of andere manier werkte het wel verhelderend om alles in woorden te vatten. Ik probeerde er een samenhangend, niet al te langdradig geheel van te maken dat door iedereen gelezen mag worden. Ik ben er best trots op dat me dat aardig is gelukt.

Mijn dank gaat naar jullie. Ik zou hier voor mezelf kunnen schrijven, maar dat mijn schrijfsels gelezen en gewaardeerd worden, dat die betekenis krijgen en geven, dat heb ik aan mijn lezers te danken. Merci voor alles!

De gedachte – Over mijn hoofd en ik

Het is vandaag World Mental Health Day, een bijzonder noodzakelijke dag waarvan we gelukkig steeds meer het belang inzien. Naast een lijf waar we voor moeten zorgen, hebben we ook allemaal een hoofd dat op volle toeren draait en dat de beste zorgen verdient. Bij mijn leerlingen merk ik ook dat mentale gezondheid steeds meer een ding is: het taboe dat rust op psychologische begeleiding bijvoorbeeld en de (on)toegankelijkheid ervan. Helaas zie ik het aantal jongeren dat worstelt en uitvalt op school met mentale klachten steeds toenemen. Vaak vallen ze tussen de mazen van het vangnet door. Hun klachten zijn niet urgent genoeg om meteen hulp te krijgen, maar ze zitten wel muurvast. Te vaak wordt het niet meer mee kunnen beschouwd als een teken van zwakte, als iets om je over te schamen. Ik maak me daar ook schuldig aan. Liever heb ik het over wat ik zoal onderneem dan over hoe ik soms worstel met het leven in al z’n complexiteit en hoe dat soms genadeloos hard op mij afkomt. Ook zwijg ik liever over het gevoel van leegte en gemis dat ik soms ervaar en zitten de spoken van mijn verleden doorgaans achter slot en grendel. Vandaag niet.

Een aanleg tot overpeinzing en piekergedrag heeft er bij mij altijd ingezeten. Als kind kon ik al te lang stilstaan bij de dingen. Stemmingen, emoties en beelden konden heel lang aan mijn vel blijven plakken. Met dit semi-onschuldige verhaal over Free Willy kan ik inmiddels hartelijk lachen, maar ik kan je verzekeren dat het destijds geen pretje was om wekenlang het verdriet van een Amerikaanse tiener en zijn orka te dragen. Ik ben nochtans opgegroeid in een heel warm nest waar er geen gebrek was aan liefde en troost, nu nog steeds trouwens. Alleen had ik als kind de neiging om mijn besognes te internaliseren. Ik liet ze in mijn hoofd hangen, veilig bij mij en dan ging het wel voorbij.

Daarnaast is er ook een traumatische gebeurtenis die mij getekend heeft. Ik was 19 en studeerde in Leiden toen ik op een maandagavond alleen in het donker langs de prestigieuze rechtenfaculteit (oh ironie) liep, waar ik door drie studenten werd bedreigd met een mes, vernederd en aangerand. Als een hoopje miserie werd ik op de stoep achtergelaten. Wat volgde was een aangifte bij de politie, heel veel tranen van onmacht, reddeloosheid, ook heel veel troost en dan toch altijd weer opnieuw tranen. Slechts met mondjesmaat lukte het mij om de draad van mijn leven weer op te pikken. Ik had slaapproblemen, durfde de straat niet meer op en kampte met dwangstoornissen. Een ellendige en donkere periode die ik niet alleen moest doormaken. Mijn familie en vrienden waren er elk op hun eigen manier om me op te vangen en op te vrolijken. Ik ging jarenlang naar de psycholoog om die gebeurtenis een plaats te geven. Dankzij de onvoorwaardelijke steun van mijn omgeving én professionele begeleiding slaagde ik erin om dit trauma te verwerken.

Ik heb me heel lang geschaamd over wat mij overkomen is in Leiden. Ik vond het dom van mezelf dat ik niet aan de andere kant van de straat was gaan lopen toen ik die jongens zag staan. Ik vond mezelf naïef om zo vol in het gevaar te trappen. Bovendien nam ik het mezelf ook kwalijk dat ik niet de minste poging had ondernomen om mezelf te verweren. Ik had niet geschopt toen ik in bedwang werd gehouden, ik had niet eens geprobeerd om mijn keel open te zetten. Verstijfd van angst had ik hun handen op mijn lijf ondergaan (en daarom toegestemd?). Ik had dit kunnen voorkomen als ik oplettender was geweest en als ik actie had ondernomen, die gedachte bleef jarenlang sluimeren. Het heeft echt heel lang geduurd (zeg maar een jaar of 10) tot ik besefte dat ik geen enkele schuld droeg. Toch bleef er nog steeds een zweem van schaamte hangen rond die gebeurtenis. Ik wilde namelijk niet dat anderen mij als een slachtoffer zouden zien. Ik wilde ook niet de sterke vrouw zijn met het zielige verhaal. Ik wilde geen medelijden om wat mij overkomen was of complimenten om hoe ik daarmee omging. Het leek daarom gemakkelijker om het er gewoon niet meer over te hebben. Ik was “het” te boven, “het” leek niet meer relevant. Waarom zou ik “het” delen?

In mijn hoofd distantieerde ik me van de 19-jarige Joke. Zij was een slachtoffer. Zij had iets ergs meegemaakt. Ik besef nu dat zij net zo goed nog een deel van mezelf is, net zoals het kind dat treurde om Free Willy. Het verdriet van toen heeft een plaats gekregen, maar ik heb nog steeds af en toe verdriet om het verdriet van toen. Om de Joke die iets vreselijks overkomen is. Om de impact die dat voorval gehad heeft op mijn leven als prille twintiger en dat van mijn familie. Op de relationele keuzes die ik nadien maakte. En ja, mijn trauma heeft sporen nagelaten. Ik leerde mezelf aan om continu in een staat van paraatheid te verkeren. Mijn veiligheidsgevoel is uitgerust met een hypersensitieve sensor die begint te knipperen als ik ergens te gerust in ben of als ik naïef gelukkig ben. Door alert te zijn, constant op scherp te staan, zou ik het gevaar detecteren dat zich in elk hoekje kan verschuilen. Een negatieve denkoefening in “Wat Als” om me te wapenen tegen de boze buitenwereld. Het geeft mij het valse gevoel van controle over de situatie. Ik kan dit mechanisme inmiddels bij mezelf herkennen en benoemen, wat helpt om ermee om te gaan. Je kan niet voorbereid zijn op alles. Je kan geen geweld voorkomen door er steeds rekening mee te houden. Als je een eigen leven wil leiden moet je de onvoorspelbaarheid erbij nemen.

Dat ik nu al enkele jaren alleen woon heeft er ook toe bijgedragen dat ik harder geconfronteerd word met mezelf, in positieve en negatieve zin. Meestal heb ik het reuzegezellig met mezelf. Ik kan mezelf echt heel goed vermaken met al mijn projecten. Ik ben best graag alleen. Ik voel me niet eenzaam omdat ik veel liefde en verbinding om me heen heb, maar ik kan verdorie ook zo bikkelhard zijn voor mezelf. Voor mijn lijf ken ik dan geen genade. De enige weg is die vooruit. Sporten wordt een beetje vluchten. Ook dat is een strategie om me te wapenen in het leven. Door uit elke dag het maximale te persen, heel hard te gaan in het positieve en de lat zo hoog te leggen dat ik ze eigenlijk niet meer zie. Tot zowel mijn hoofd als lijf op een bepaald moment genoeg hebben van die hectiek. Dan trek ik me terug in de veilige cocon van mijn huis om weer voeling te krijgen met mezelf. Als ik de dag dan begin met te lezen, lijkt de wereld niet verder te reiken dan de warmte van mijn bed, het uitzicht op de bomen en het verhaal van mijn boek.

Gelukkig is er ook een heel zonnige kant aan dit verhaal. Ik heb dus echt geen schrik in het donker. Ik geloof godzijdank nog steeds in het goede van de mens en sta noch cynisch noch rancuneus in het leven. Ik wens dus niet dat de nooit gevonden daders opgeknoopt worden, dan wel wegrotten in een kerker. Zij worden namelijk levenslang met een veel pijnlijkere waarheid geconfronteerd: ze weten waar mensen toe in staat zijn. Ik daarentegen ben doorgaans goedgemutst en positief ingesteld. Ik barst van de energie. Ik ben een expert in plantrekkerij en zelfredzaamheid. Ook de eenzame lockdownperiodes kwam ik heel goed door in mijn uppie. Ik heb lang een leven geleid waarin ik bescherming zocht bij iemand, waarin ik mezelf wegcijferde omdat ik bang was om mezelf tegen te komen. Pas toen ik helemaal op mezelf was aangewezen, besefte ik dat er een enorme kracht naar bovenkwam als ik die kwetsbaarheid gewoon liet bestaan. Door die te omarmen als een deel van wie ik ben, slaag ik erin om een rijk leven te leiden, met pieken en dalen. Ik durf te kiezen voor mijn eigen geluk, ook al is dat niet de gemakkelijkste weg. Hoe akelig ik het soms ook vind, ik woon wel alleen in een mooi en groot huis dat mij gelukkig maakt.

Als ik een conclusie moet distilleren uit mijn verhaal dan is het dat ik liever vol in het leven sta met de blutsen en builen die het mij sowieso oplevert dan dat het uitgevlakt passeert. We dragen allemaal een rugzak met gevoeligheden en onzekerheden. We zijn allemaal soms bang. Zoals je zorg moet dragen voor je lijf omdat je er maar één hebt, zo moet je dat ook doen voor je hoofd. Door het dagelijks te ventileren, door je te omringen met mensen waar je iets aan hebt en door professionele hulp in te schakelen als je daar ook maar de kleinste behoefte aan hebt. En voor iedereen die op de één of andere manier geconfronteerd wordt met seksueel grensoverschrijdend gedrag: roep de schaamte een halt toe, praat erover met wie jij wil, maar hou het niet voor jezelf. Mocht je er nog aan twijfelen, al bij al ben ik echt een tevreden mens. Zo zwaar kak als ik het leven soms vind, zo intens kan ik er ook van genieten. Ik zou het niet anders willen.

Loperspraat – Het verraderlijke hart

Ik vind het soms een akelige gedachte dat mijn hart non-stop aan het werk moet blijven en dat ik het quasi dagelijks vraag om een bijkomende inspanning te leveren. Het is daarvoor gemaakt, dat weet ik wel, maar toch vind ik het confronterend om stil te staan bij de kwetsbaarheid die uitgaat van dat ene orgaan. Gelukkig heb ik vooralsnog geen redenen om te denken dat mijn hart het gaat begeven. Twee jaar geleden werd ik medisch binnenste buiten gekeerd toen ik in het ziekenhuis belandde met een longembolie: dat hart van mij werd na tal van onderzoeken helemaal goedgekeurd. Sinds ik met een sporthorloge loop (nu zo’n 6,5 jaar) heb ik ook altijd met een hartslagmeter gelopen. Inmiddels is de Garmin Forerunner 230 mijn trouwe metgezel tijdens loop- en fietstochten, steeds met een klassieke hartslagband rond de borst. Het laatste half jaar liep ik echter zonder hartslagmeting en dat bracht met tot enkele inzichten.

Ik vond het aanvankelijk razend interessant om me bezig te houden met de cijfers en getallen die mijn GPS-horloge en hartslagmeter op mij afvuurden. Het werd daarom een gewoonte om altijd met die hartslagband te lopen. Halverwege november vorig jaar liep ik voor het laatst met een hartslagmeter. Simpelweg omdat die het niet meer deed, ook niet met een nieuw batterijtje. Vroeger zou ik meteen een nieuwe hartslagband hebben gekocht. Ik zou het gevoel hebben gehad dat ik bij elk loopje zonder hartslagmeting cruciale informatie miste. Maar kijk, ik ben geëvolueerd als mens en als loper en in een competitie-luwe periode leek het me niet noodzakelijk om bij elk loopje mijn hartslag te meten. Ik heb minder behoefte aan die uitgebreide cijfers. Bovendien heb ik ook het idee dat die cijfers me steeds minder vertellen.

Dat brengt me dus bij de vraag in welke mate mijn hart mezelf nog verraadt om het met Edgar Allan Poe’s The Tell-Tale Heart (in het Nederlands vertaald als Het verraderlijke hart) te zeggen, een kortverhaal dat iedereen trouwens moet lezen omdat het én een klassieker is én heel kort én heel akelig zoals alleen Poe dat kan. Het verhaal gaat over een hart dat door stevig te kloppen een menselijke daad verraadt. Ik kwam tot de conclusie dat mijn hartslag de laatste jaren weinig uitschieters kent. Als ik tijdens trainingen wat dieper of sneller ga, is mijn gemiddelde hartslag logischerwijze wat hoger, maar de marge waar die zich binnen beweegt is beduidend kleiner geworden. Vroeger kon mijn hartslag ook variëren tijdens “gewone” loopjes en vertelde die me dus wanneer ik wat vermoeider was. Nu kan ik bij wijze van spreken per looprondje voorspellen wat mijn gemiddelde hartslag zal zijn, ongeacht de omstandigheden. Ook dat is niet onlogisch. Het wijst erop dat ik jaar na jaar een steeds betere basisvorm kreeg en dat mijn hartslag sneller daalt nadat ik diep ben gegaan.

Een zelfde evolutie zie ik ook bij mijn marathons: mijn gemiddelde hartslag zakt beetje bij beetje, terwijl ik steeds sneller loop. Mijn laatste marathon (de suikermarathon) liep ik met een gemiddelde hartslag van 142. De omstandigheden mochten dan wel redelijk ideaal zijn (geen stress en fris loopweer), ik liep die marathon nog steeds behoorlijk snel over een behoorlijk pittig parcours. Tijdens de CPC Loop waar ik vorig jaar mijn record verbeterde op de halve marathon had ik dan weer een gemiddelde hartslag van 165: stevig, maar niet abnormaal als je ruim anderhalf uur echt diep gaat.

Ik heb nooit specifiek volgens bepaalde hartslagzones getraind. Uiteindelijk denk ik dat als je verantwoord lange afstanden wil lopen het er op neer komt dat je gevarieerd én met plezier moet trainen. Al ben ik ook niet volledig immuun voor cijfers en waarden. Het grootste voordeel van lopen zonder hartslagmeter is dan ook dat mijn Garmin me niet meer vertelt wat mijn VO2-max en hersteltijd zijn: geschatte waarden die me meer beïnvloedden dan ik zou willen. Al weet ik dondersgoed dat ze gebaseerd zijn op je snelheid en gemiddelde hartslag, maar dat ze verder amper rekening houden met individueel afgestemde parameters. Het komt er dus op neer dat Garmin de boel heel wat rooskleuriger voorstelt. Zo zou ik volgens mijn horloge een marathon kunnen lopen in 2u46. Nog eventjes doortrainen en ik zou me dus kunnen kwalificeren voor de Olympische Spelen. Om maar te zeggen dat je de raceprognoses met een heel grote korrel zout moet nemen.

Ik denk dat mijn hartslag vooral verraadt dat ik al enkele jaren een gedreven loper ben. Een hartslagmeter beschouw ik dan ook als een handig instrument om over een langere periode te kijken hoe mijn basisconditie zich ontwikkelt. Voor prestaties waar ik naartoe werk, wil ik ook graag weten met welke gemiddelde hartslag ik ze gelopen heb. Om die reden ben ik van plan om snel weer een hartslagmeter aan te schaffen, want jawel: ik broed op leuke sportieve ideeën voor de korte termijn. Laat dat hart van mij dus maar vrolijk verder kloppen.

De gedachte – Over intermittent fasting of dagen zonder ontbijt

Periodiek vasten of intermittent fasting is wijdverbreid en, mocht je er nog aan twijfelen, helemaal in. De ene na de andere lyrische getuigenis van een ervaringsdeskundige (al dan niet sporter) steekt de kop op. Periodiek vasten betekent dat je periodes niet of nauwelijks eet en die afwisselt met gewone eetmomenten. Als iets trending is, dan kan het bij mij twee kanten op: de rebel in mij verkettert het en weigert zich neer te leggen bij de mainstream. Ik doe lekker tegendraads dus niet mee. Die houding kan echter ook omslaan in: ik moet dit geprobeerd hebben om er een mening over te vormen die proefondervindelijk gefundeerd is. De heersende vorm van periodiek vasten is de 16/8 variant: je eet minstens 16 uur niet, gevolgd door een periode van 8 uur waarin je gewoon eet. Je zou zo beter leren luisteren naar je hongergevoel, waardoor je automatisch minder gaat eten. Bovendien zou je lichaam tijdens de vastenperiode overschakelen op vetverbranding en verlies je ook daardoor gewicht. Bij wijze van experiment besloot ik om tijdens de laatste werkweek voor de herfstvakantie twee dagen mijn ontbijt over te slaan. En dan zou ik wel weten hoe het zat. De twee dagen werden vier dagen en deze week ging ik er tijdens mijn vakantie vrolijk mee verder.  Waarom ik uiteindelijk zwichtte en hoe het me beviel, dat leg ik jullie graag uit.

Ik zal maar meteen toegeven dat ik niet helemaal aan mijn proefstuk toe ben wat betreft vasten. Enkele jaren geleden gaf ik toe aan het 5:2 dieet. Daarbij eet je vijf dagen per week volledig “normaal”, zonder enige restrictie en vast je twee dagen. Op die vastendagen mag je telkens 500 calorieën nuttigen. In de praktijk kwam het erop neer dat ik die dagen niet ontbeet en een héél héél lichte lunch en diner nuttigde. Denk: veel droge rauwkost met iets van eiwitten erbij. In eerste instantie was ik hier positief over. Ik worstelde toen stevig met gewichtsissues, zat niet fantastisch in mijn vel en dit dieet leek op het eerste zicht heel erg haalbaar, als in: je moet slechts twee dagen per week doorbijten. Na goed een half jaar hield ik het echter voor bekeken omdat ik merkte dat ik steeds meer begon op te kijken tegen de vastendagen. Een dag amper eten is echt geen pretje als je in se heel graag eet. Bovendien verloor ik er niet echt gewicht mee, wat wel het initiële doel was. Als een dieet je slechtgezind maakt en je er geen gewicht mee verliest, dan heeft het geen zin om door te zetten. Ik beloofde mezelf plechtig dat ik mezelf dit niet meer zou aandoen.

Periodiek vasten zou je naast gewichtsverlies ook een scherpere geest en een betere nachtrust opleveren. Sommigen gaan nog een stapje verder en beweren dat je hierdoor heel wat akelige ziektes kan vermijden. Ik las vaak dat het natuurlijker is voor je lichaam om langere tijd niet te eten. De oermens, lieve lezers, die at soms da-gen niets om zich dan te goed te doen aan een overdaad bessen of een stevige mammoetbiefstuk. Het is dus een oeroud mechanisme dat honger ons scherper en alerter maakt. Verteren daarentegen maakt ons slomer en net dat is voor onze oermens levensbedreigend. Ik vind het behoorlijk onzinnig om mijn lichaam vandaag de dag te vergelijken met dat van de oermens een dikke 100.000 jaar geleden. Alsof de mens en zijn lijf initieel zo bedoeld waren en wij daar zoveel jaar later terug naar moeten grijpen om goed bezig te zijn. Vreemd.

De meeste volgers van het 16/8 vasten slaan hun ontbijt over en eten rond 12 uur een eerste maaltijd. Je mag dan eten tot 20 uur. Dat klinkt heel acceptabel, ware het niet dat ik altijd gezegd heb dat ik nooit, maar dan ook nooit zou vasten omdat ik net zo graag ontbijt. Ik vind dat oprecht één van de gezelligste momenten van de dag. Bovendien is mijn ontbijt redelijk uitgebreid, sta ik op om 5u30 en fiets ik 20 kilometer naar school. Als het middag is, heb ik er kortom al een lang en actief dagdeel op zitten. Maar goed, ik zou periodiek vasten in alle objectiviteit een kans geven. Ik stond vorige week dus op om 5u30 en dronk een zwarte koffie (dat mag dus wel). Het voordeel van niet ontbijten is dat je meer tijd hebt. Tijd bijvoorbeeld om echt van die koffie te genieten en nog wat te werken. De ochtend was er niet per se minder gezellig om. Ik had geen slappe benen op de fiets. Door de drukte van de schooldag stond ik amper stil bij het feit dat ik nog niet gegeten had. Nee, ik werd dus niet overmand door een hongergevoel van jewelste. ’s Middags ging ik op nuchtere maag lopen en bijgevolg at ik vlotjes 17 uur niet omdat dat praktisch zo uitkwam. So far, so good.

Ik kan niet precies uitleggen waarom ik toch zwichtte voor het 16/8 intermittent fasting. Noem het nieuwsgierigheid en de behoefte om mijn gewoontes onder de loep te nemen. Met gewichtsverlies probeer ik niet meer bezig te zijn. Omdat het vasten zo makkelijk was toen ik ging werken, besloot ik om tijdens mijn vakantieweek ook eens na te gaan of het ontbijt overslaan me even goed zou bevallen. Het voordeel was dat ik niet zo vroeg moest opstaan. Het nadeel dat ik niet de afleiding van de werkdag heb en het misschien toch zou voelen als aftellen tot de middag. De afgelopen dagen stond ik op om 7u30, maakte een koffie die ik in bed opdronk met een goed boek en de katten erbij. Rond een uur of 11 ging ik dan nuchter lopen of fietsen. Zware trainingen zonder vooraf te eten worden sowieso afgeraden omdat je dan niet goed kan herstellen. Daar hield ik me braaf aan. Zowel de ontspannen ochtenden zonder ontbijt, maar mét koffie, als de training erna bevielen me erg goed.

Wat zijn mijn bevindingen na twee weken 16/8 vasten? Allereerst, het hongergevoel dat ik als geroutineerd ontbijtlover vreesde, is verwaarloosbaar. Het grootste voordeel is de rust die ik kreeg door niet met eten bezig te zijn. Op werkdagen sta ik toch onder lichte tijdsdruk fruit te snijden of een eitje te koken. Als dat wegvalt, komt er tijd vrij. Nuchter lopen of fietsen ging heel vlot, maar dat is wellicht ook te wijten aan mijn algehele staat van ontspanning nu ik even weg ben van de schooldrukte. Ik voelde me verder niet anders dan anders. Of ik gewicht verloren ben, daar heb ik het raden naar. Ik word niet gelukkig van op een weegschaal te gaan staan, dus daar heb ik ook nu voor gepast. Wel had ik nooit last van een opgeblazen gevoel, wat me anders wel eens kan overkomen. Ik wil dus graag geloven dat ik door periodiek vasten mijn lichaam de kans geef om te resetten, te herstellen en vet te verbranden. Al blijf ik ook mijn bedenkingen hebben. Periodiek vasten wordt strikt genomen geen dieet genoemd omdat het niet voorschrijft wat je wel en niet mag eten. Juist daar wringt voor mij het schoentje. Ik geloof in bewust eten en niet in punten, calorieën of uren tellen. Bij periodiek vasten kan je in principe nog steeds kiezen voor niet-voedzame maaltijden of snacks. Ik zou dus alleen voor deze levensstijl kiezen als die je helpt om bewuster te eten (en leven). Blijf echter ook nuchter en realistisch. Temper je verwachtingen. Mijn leven is er niet manifest anders door geworden, waarschijnlijk omdat ik al bewust met mijn lijf en gezondheid omga.

Tot slot, wil ik jullie na deze uiteenzetting over niet-eten niet op jullie honger laten zitten. Daarom volgt hier het recept van mijn niet te versmaden en erg voedzame frambozencake. Meng in een kom 160 gram havermout, 90 gram speltbloem (of wat je verkiest), 50 gram kokospoeder, 100 gram suiker en 2 eetlepels bakpoeder. Voeg er 2 eieren, 60 ml (haver)melk en 60 gram gesmolten kokosolie aan toe. Als dit een mooi beslag is, voeg je er nog eens 320 gram plattekaas of volle yoghurt aan toe. Stort de helft van het deeg uit in een cakevorm met bakpapier, voorzie het van een laagje diepgevroren frambozen en uiteindelijk de rest van het beslag. 55 à 60 minuten afbakken op 190 °C. Smakelijk!

IMG_3678b

De gedachte – Hoe zou het zijn met?

Aan hoofdrolspelers was er geen gebrek tijdens de coronacrisis. Er zijn de zorgverleners, de winkelbediendes, de postbezorgers, de vuilnisophalers en het onderhoudspersoneel dat ettelijke malen – geheel terecht – in de bloemetjes werd gezet. De witte lakens en lieve berichten aan tal van woningen zijn daar nog steeds stille getuigen van. De crisis leverde ook figuranten aan die via sluikse weg hun stempel op de afgelopen periode konden drukken. Of juist niet. Hoe zou het hen eigenlijk vergaan?

Hoe zou het zijn met de hamsteraars?
Zijn ze nog steeds overtuigd van hun grote gelijk? Denken ze met weemoed terug aan de Slag om de Supermarkt die ze bevochten begin maart? Checken ze dagelijks hun geheime voorraad alcoholgel en handzeep in de hoop die aan woekerprijzen te kunnen verkopen? Of eten ze nu dagelijks erwten, wortelen en boontjes uit blik met het schaamrood op de wangen? Decoreren ze hun woning met zelfgemaakte mozaïekjes van gedroogde spliterwten en linzen? Zijn ze al maandenlang creatief in de keuken met spirelli en farfalle? Vullen ze hun zwembad niet met kraanwater, maar met de flessen bronwater die ze aansleepten?

Hoe zou het zijn met Eliud Kipchoge?
Zat hij de afgelopen maanden eenzaam op z’n berg in Kenia op anderhalve meter afstand van zijn collega-lopers? Hoe reageert het competitiebeest in hem op de gedwongen wedstrijdloze periode die hij nu doormaakt? Liet hij zich echt geen welgemeende f*ck ontvallen toen de London Marathon werd afgelast? Bleef hij spartaans kalm toen hij hoorde dat het rechtstreekse duel met Kenenisa Bekele, die in september op amper twee seconden van Kipchoges wereldrecord op de marathon strandde, niet zou plaatsvinden? Eet hij zijn ugali nog steeds met evenveel smaak, niet wetende wanneer hij zijn volgende marathon zal lopen? Of is De Filosoof stiekem blij dat hij nu eindelijk tijd heeft om boeken te lezen en zijn uitgebreide schoenenkast op te ruimen?

Hoe zou het zijn met alle enthousiastelingen die tijdens de quarantaine halsoverkop begonnen te sporten?
Blikken ze louter nostalgisch terug op al die quarantaine-kilometers? Zijn ze geveld door blessures en blijft hun lichaamsbeweging beperkt tot de verplaatsing naar de kinesitherapeut? Liggen de loopschoenen ergens achterin een kast (die sinds april ook niet meer werd opgeruimd) te verpieteren? Staat hun racefiets inmiddels te koop? Of zijn ze nu volledig verknocht aan hun nieuwe tijdverdrijf? Beseffen ze hoe heerlijk het is om op de fiets te stappen en er eventjes helemaal tussenuit te zijn? Nemen ze niet langer de auto om naar de bakker twee kilometer verderop te gaan? Hebben ze de smaak echt te pakken en dromen ze van 10 Miles, 20 kilometers van Brussel en volledige marathons? Hebben ze echt geproefd van wat sportgeluk betekent?

Hoe zou het zijn met de Arc de Triomphe en mijn andere stenen vrienden in Parijs?
Wie waren de bezoekers die op 15 juni voor het eerst terug de Arc de Triomphe mochten beklimmen? Hoe zag de iconische, en vooral chaotische, rotonde Etoile eruit toen je je slechts op straat mocht begeven met het juiste papier en de vereiste stempel? Werd er pro forma nog geclaxonneerd? Gebruiken chauffeurs nu wel hun richtingaanwijzers? Hebben de wonden die de gilets jaunes achterlieten kunnen helen? Was er tijd om noodzakelijke klusjes op te knappen? Hoe dicht of ver staan de terrasstoelen echt van elkaar op de smalle Parijse stoepen?

Hoe zou het zijn met Miguel Wiels?
Is hij er nog steeds echt van overtuigd dat leerkrachten klagers en luilakken zijn omdat ze tijdens lesvrije weken zogenaamd nauwelijks moesten werken? Kent Miguel Wiels, naast de genoemde hardwerkende zelfstandigen, überhaupt leerkrachten? Weet hij hoe mentaal belastend een schooljaar kan zijn? Beseft hij hoeveel maatschappelijke druk er op de leerkracht is komen te staan en dat zijn bijdrage daar een prachtig voorbeeld van is? Is hij zich ervan bewust dat hij met zijn uitspraken vooral zijn eigen kortzichtigheid in de kijker zet? #foei

 

 

 

Het moment – De tol van de onvoorspelbaarheid

En toen werd het dus plots echt stil. Door de verscherpte corona-maatregelen blijven we plichtbewust braafjes thuis en proberen we uit te blinken in social distancing, een begrip waar we tot voor kort nog nooit van hadden gehoord. Waar ik het aan het begin van de week nog onwezenlijk vond dat ik twee weken geleden een halve marathon liep in Nederland, lijkt het nu onvoorstelbaar dat ik vorige week nog met mijn leerlingen in de klas zat, wetende dat de lessen opgeschort zouden worden. Naïef als ik was, kon ik het toen nog ongegeneerd jammer vinden dat mijn voorjaarsmarathon werd uitgesteld. Ik kon nog semi-zorgeloos 30 kilometer lopen en nadien aan tafel zitten met mijn familie. Ondenkbaar in de huidige fase. We staan nu wellicht voor de grootste uitdaging: het gewone leven verderzetten in lockdown light versie.

Mijn persoonlijke coronasituatie is de volgende. Ik woon alleen met mijn twee katten, die zich uiteraard van geen kwaad bewust zijn. In de mate van het mogelijke probeer ik van thuis uit voor school te werken. Ik las al drie boeken. Het stevigere huishoudelijke werk liet ik vooralsnog links liggen. Ik ga dagelijks lopen of fietsen. Ik maak me niet schuldig aan hamsteren en hoop dat ik met mijn 15 rollen wc-papier nog wel eventjes voort kan. Mijn gemoed kent dalen en pieken. Alleen wonen is nu echt wel heel alleen. Het is next level alleen zijn. Hoewel tijd, voorheen nog een kostbaar goed, nu op een plateautje wordt aangeboden, voelt het als een vergiftigd geschenk dat we noodgedwongen moeten aanvaarden. In theorie heb ik nu wel tijd voor de verwaarloosde to-do’s die lang werden uitgesteld onder het mom geen tijd voor. In de praktijk staat mijn hoofd daar (nog) niet naar.

Het coronavirus voelt soms als een zwaard van Damocles dat me boven het hoofd hangt. In De Morgen las ik dat het de onvoorspelbaarheid is die dit virus gevaarlijk maakt: wetenschappers en artsen weten relatief weinig over Covid-19 en hoe het zal evolueren. Voor ieder van ons geldt ongeveer hetzelfde: de onvoorspelbaarheid van deze ongeziene situatie boezemt ons angst in. Wat voordien een vanzelfsprekendheid was, wordt nu een bekommernis. Zo is een eenvoudige bezigheid als boodschappen doen van elke alledaagsheid verheven. Een bezoek aan de supermarkt werpt prangende vragen op. Wanneer ga je? Zal de rij niet te lang zijn? Hoe leeg zullen de rekken zijn? Ik ben geen panikeur, verre van, maar zelfs voor mijn nuchtere ik voelt het ongemakkelijk aan om plannen te maken op lange termijn. Zullen de lessen hervat worden na de paasvakantie? Zullen we in de zomer op vakantie kunnen gaan? Koffiedik kijken moet de vaakst gebruikte uitdrukking zijn van de afgelopen weken. Omdat het onvoorspelbaar is wanneer de besmettingen in België een piek zullen bereiken, weten we ook niet in welke situatie ons land, en dus ook ons individuele leven, zich over een paar weken zal bevinden.

Er is gelukkig ook een positieve kant aan dit verhaal. De natuur kan op adem komen omdat vliegtuigen en auto’s in de garage blijven staan. Huizen worden van onder tot boven opgeruimd. Honden werden nog nooit zo vaak uitgelaten. Small talk bij de bakker voelt aan als een echt gesprek. Met respect voor de social distance haalt een ieder van ons dagelijks moeiteloos de kaap van de 10.000 stappen. Fietsen, loopschoenen en inline skates die eerder nog stof lagen te vangen, worden prompt gebombardeerd tot onze nieuwe beste vrienden. Het knikje onder lopers lijkt hartelijker, het fietsverkeer hoffelijker. Voor velen voelt dit waarschijnlijk aan als een herkansing voor de te vroeg gesneuvelde goede voornemens. We lijken ons massaal klaar te stomen voor een nationale conditie- en gezondheidstest. Hoewel ik het bos niet langer voor mij alleen heb, kan ik die omhelzing van de buitensport alleen maar toejuichen. Op voorwaarde dat we dan niet de auto nemen om naar park of bos te gaan en dat de nodige afstand gerespecteerd wordt.

Ik zei al eens dat de metaforische waarde van de marathon onuitputtelijk is. Zo ook voor de uitzonderlijke situatie waarin we ons nu bevinden. De marathon is een race van alleen en toch ook samen. We zitten allemaal in ons eigen leventje vast, maar iedereen is wel aan boord van hetzelfde schuitje. Alleen door simpelweg de ene voet voor de andere te zetten, zullen we alleen en ook samen de finish bereiken. Daar is wilskracht voor nodig, want die inspanningen wegen eerder mentaal dan fysiek door. We zullen doorgaan, zo luidt het devies van niemand minder dan Ramses Shaffy (en inmiddels ook van Radio 1). We kunnen daar nog een schepje bovenop doen. De heer Shaffy heeft ook een lied met als titel We leven nog. Alleen Ramses Shaffy kan zo overtuigend dramatisch zingen dat je niet anders kan dan er spontaan bij te glimlachen.

IMG_2291b

De gedachte – Over mijn lijf en ik

Ik hoor het me hier graag zeggen: draag zorg voor je lichaam, want je hebt er maar één. Als je er ook nog eens veel van vraagt dan wordt dat geen aantekening in de marge, maar een belangrijk deel van het verhaal. Ik slaag er behoorlijk goed in om mijn lichaam van de nodige basiszorg te voorzien. Ook kan ik als geen ander uitleggen wat ik van een complete loper (die ik elke dag probeer te zijn) verwacht. Er is echter een andere kant aan het verhaal. Een gevalletje theorie versus praktijk. Ik kan namelijk bikkelhard zijn voor dat lijf van mij. Ik tolereer niet het kleinste teken van moeheid, de enige weg is die vooruit. Het gaat kortom vaak hard. Ik ben soms boos op mijn lijf. Omdat ik het gevoel heb dat de mankementen eraan zwaarder doorwegen dan de pluspunten. Omdat het er niet altijd uitziet zoals ik zou willen. Omdat het me soms in de weg lijkt te zitten. Tegelijkertijd besef ik dat dit onzin is: mijn geest en lijf zijn geen entiteiten die los staan van elkaar. Ik ben mijn lichaam en erop vloeken leidt helemaal nergens toe. Daarom heb ik één goed voornemen. In 2020 zal ik me liefdevoller opstellen naar mijn dierbare lichaam.

De zussen Narain adviseren in Self-Care for the Real World om je lichaam te behandelen als een goede vriend. Voor vrienden doen we immers ons best, zijn we steeds vriendelijk en altijd bereid om het positieve te zien. Ik doe vaak het tegenovergestelde door het negatieve de bovenhand te laten nemen. Aan het begin van mijn loopcarrière was dat nochtans anders. Doordat ik begon te lopen, zag ik mijn lichaam veranderen. Keer op keer verbaasde het mij door te tonen wat het zoal kon. We waren heel dikke vrienden. Tot er een grens was bereikt. De gewenning deed zijn intrede. Onzekerheden slopen geruisloos binnen. Samen met mijn verwachtingen namen ook mijn complexen toe. Ik zag vooral dat mijn lichaam geen typisch afgetraind en vederlicht atletenlichaam is. Dat sportkleding weinig verhult hielp de zaak ook niet bepaald vooruit. Zoals ik hier vertelde, werd ik niet gelukkig door calorieën te tellen. Ik eet en leef te graag. Ik weiger mezelf uit te hongeren voor een hobby waarvan ik zo graag vertel dat ze me gelukkig maakt. Mijn geluk is geen getal op de weegschaal.

Zowel voor vrouwen als mannen geldt dat geen enkel lichaam hetzelfde is. Uit Stephanie Scheirlyncks Het sportkookboek voor duursporters stak ik een ander waardevol advies op: het heeft geen zin om jouw lichaam te vergelijken met dat van iemand anders. Respecteer je lichaamstype en focus je niet op je gewicht. Ik blijk een combinatie van het meso- en endomorfe lichaamstype te zijn. Dat betekent dat ik krachtig en gespierd ben met een normaal vetpercentage. Niet ideaal voor een marathonloper, maar ik beschik wel over een heel krachtige motor. Waarom klagen over wat vet als het een jaar of 20 geleden is dat ik griep had, ik amper blessureleed heb gekend, ik niet weet hoe het voelt om spierkrampen te hebben en ik er geen flauw benul van heb hoe het is als je hormoonhuishouding het roer overneemt? Stuk voor stuk troeven waar ik mijn sterke gestel dankbaar om mag zijn. Ik zou dat nooit willen inruilen voor een lichtere, maar ook meer kwetsbare versie. Count your blessings, heet dat.

Ik viel dan ook van mijn stoel toen ik vorig weekend in De Morgen de column van Hans Vandeweghe las. Met een ongekende grofheid haalde hij Kim Clijsters door de mangel die werkt aan een comeback op het hoogste tennisniveau, doch volgens Vandeweghe streng aangesproken moest worden op haar vermeende overgewicht. In zijn optiek is de topsportwereld er één van extremen en kunnen we het maar beter accepteren dat wielrenners aan magerzucht lijden. Of hoe sport gereduceerd wordt tot de wet van de magerste. De recente getuigenis van crossfenomeen en atlete Louise Carton over haar eetprobleem verdiende volgens hem niet zoveel aandacht, aangezien overgewicht een veel groter probleem is voor de volksgezondheid. Als sportliefhebber weiger ik graatmagere atleten als de norm te beschouwen. Het moedige verhaal van Louise Carton toont aan tot welke ongezonde levensstijl (top)sport kan leiden. We kunnen daar niet genoeg aandacht aan besteden.

Ook mijn avontuurlijke dag in Kasterlee droeg bij aan het besef dat ik mijn lichaam met mild- en zachtheid moet behandelen. Mensenlief, wat heb ik op mijn lijf gesakkerd. Niet alleen tijdens 115 pittige mountainbikekilometers, ook tijdens mijn afsluitende loopnummer. Ik had toen echt het gevoel dat mijn lichaam me in de steek liet. Hoe durfde dat lijf na 9 uur sporten met zo weinig kracht in de benen te lopen? Hoe was het in godsnaam mogelijk dat ik af en toe moest stappen om op adem te komen? De waarheid is eenvoudig: mijn lichaam was moe van een volledig dagdeel te strijden tegen zichzelf en de modder, zowel mentaal als fysiek. Ik liep niet mijn beste 30 kilometer van het jaar, wel de meest memorabele. Uiteindelijk was het mijn mama die me na mijn zoveelste gebrom en gemopper lief de mond snoerde: stop nu met jezelf zo onderuit te halen, je bent dat hier geweldig aan het doen. Ze had weer maar eens gelijk.

Marathonpraat – De complete loper

In februari 2014 trok ik na een lange periode van inactiviteit mijn loopschoenen aan die al jaren ongebruikt in een hoek stof lagen te vangen. Ik zocht wat kleren bij elkaar die voor running wear konden doorgaan en de loper was herboren. Uit de hersenpan van Roos komt wel vaker een goed idee naar boven geborreld. Samen zouden wij de 20 kilometer van Brussel lopen in mei. Op drie maanden tijd van helemaal niets naar 20 kilometer: elke betrouwbare bron zal je die opbouw ten stelligste afraden. Terecht. Mijn achillespees tekende ernstig verzet aan, maar kon niet beletten dat Roos en ik op 18 mei 2014 voor het eerst in ons leven 20 kilometer liepen. Dagenlang heb ik me onoverwinnelijk gevoeld. Ik had een persoonlijke grens opgezocht en verlegd. De finish van mijn eerste marathon komt niet in de buurt van de euforie die ik voelde na afloop van die eerste 20 kilometer. Naar mijn gevoel had ik me daar perfect op voorbereid. Ik werd een loper door simpelweg veel te lopen. Zo simpel was dat.

Zes jaar later ben ik erachter gekomen dat je niet alleen een goede (marathon)loper wordt op trainingen, maar ook door wat je daarnaast doet. Een marathon lopen is een zware inspanning waarbij je je lichaam tot het uiterste drijft. Het is onverantwoord om een marathonhuis te bouwen op een onbetrouwbare ondergrond of (nog erger) op lucht. Een gebouw van dat formaat heeft stevige fundamenten nodig. Hier en daar een poutrel, zoals elke Belg met een baksteen in de maag weet. Zo las ik een keer over vier pijlers die een loper compleet maken. Ik zou mezelf niet zijn als ik daar geen eigen invulling aan gegeven zou hebben. De eerste steunpilaar is de meest voor de hand liggende: de carrosserie van elke loper of het buitenwerk van je lichaam. Dat zijn dus je spieren, pezen, botten en gewrichten die niet alleen sterker moeten worden, maar ook zo efficiënt mogelijk moeten kunnen samenwerken. Bovendien moet je die carrosserie onderhouden door te werken aan je stabiliteit om de impact van de eentonige loopbeweging te kunnen opvangen. Overbelasting loert hier telkens om de hoek.

Onder de carrosserie schuilt een motor die ervoor zorgt dat je een inspanning een langere tijd volhouden. Je hart en longen vormen dus de tweede pijler die gericht is op uithouding. Net zoals je lichaamsbouw (en het type spiervezels) is ook die voor een groot deel genetisch bepaald. Uithouding trainen doe je niet alleen door te lopen, ook een stevige wandeling of fietstocht dragen bij aan een verbetering van je conditie. Een actieve levensstijl is het begin van een goede conditie. Om de marathonauto aan het rijden (of het huis staande) te houden speelt ook je immuniteit of weerstand een belangrijke rol. Hoewel ik ervan overtuigd ben dat je door regelmatig te sporten een betere weerstand opbouwt, kan die weerstand ook afnemen als je te weinig herstelt van je inspanningen. Rust en voeding doen hier hun intrede in het verhaal.

Het hoofd vormt de laatste steunpilaar. Mentale weerbaarheid en veerkracht zijn onmisbare eigenschappen van de complete marathonloper. Als je voor de eerste keer een lange afstand loopt, dan weet je niet wat je kan verwachten. Je hebt wel een bepaald doel voor ogen dat je graag wil halen, maar je weet niet hoe het voelt om meer dan twee of drie uur te lopen. Laat staan hoe je daar mentaal op zal reageren. Door vaker lange afstanden te lopen en lastige omstandigheden niet uit de weg te gaan, train je zowel je lichaam als je geest. Daarbij is het ook belangrijk dat je ingesteldheid en intrinsieke motivatie op elkaar zijn afgestemd. Wie enkel doelgericht loopt, zal minder plezier halen uit het proces. Er was een periode dat ik vooral liep vanuit frustratie en boosheid. Op korte termijn doet dat de motor draaien, op lange termijn levert dat helemaal niets op.

Door veel marathons te lopen leerde ik mezelf beter kennen, niet alleen als loper. Van succeservaringen kan je iets leren, van teleurstellingen nog veel meer. Zo is mijn keikop-mentaliteit zowel een vloek als een zegen. Balans is hierbij het codewoord. In tegenstelling tot wat ik zes jaar geleden dacht, word je dus niet alleen een betere loper door veel te lopen en steeds meer kilometers te maken. Je kan ook een loper zijn in de keuzes die je elke dag maakt. Ik word daar zelf niet alleen beter van als loper, maar als mens tout court.

 

 

De gedachte – Mijn voedingsprincipes

Het kookboek staat nog steeds aan het roer van de boekenmarkt. Aan zowat elk groente is een boek gewijd, net zoals aan specifiek kookgerei. Vergeet de ovenschotel, het is nu de bokaal – ofte jar – die het mooie weer maakt in de keuken. Schrijven over eten is hip, je eten fotograferen is de normaalste zaak van de wereld, die foto’s delen ook. Kookboeken zijn vaak inspirerend en vervlochten met een specifieke levensstijl. Langs de andere kant moeten we heel veel tegenwoordig. Gezond zijn bijvoorbeeld en gezond eten dus. Sommige kookboeken lijken bijbels te zijn van een uitgedokterde voedingsreligie. Dat is jammer, want zo lijkt het alsof je je moet beperken tot een bepaalde voedingsleer. Kiezen is verliezen, geldt zeker op gastronomisch gebied. Mijn voedingsgewoontes veranderden de afgelopen jaren toen ik steeds meer begon te sporten. Soms sloeg de slinger te ver door. Ik concludeerde dat ik daar niet gelukkig van werd en dat het leven te kort is om honger te lijden. Daarom stel ik jullie met de nodige nuchterheid en geheel vrijblijvend mijn persoonlijke voedingsprincipes voor.

  1. Koolhydraten zijn niet des duivels (en koffie ook niet)
    Variatie is het sleutelwoord van een gezonde voedingsstijl. Daarom zal ik nooit een bepaalde voedingsgroep volledig uitsluiten. Koolhydraatarm eten is tegenwoordig in. Ik begrijp dat niet zo goed. Vetten, suikers en koolhydraten zijn net zo goed essentiële voedingsstoffen als vitaminen en proteïnen. De verhoudingen moeten kloppen. En hoewel elke dag twee liter koffie drinken wellicht iets te veel van het goede is, maakt dat van een koffiedrinker nog geen drugsverslaafde.
  2. Elk lichaam is anders
    Uit Het sportkookboek van diëtiste Stephanie Scheirlynck leerde ik dat er verschillende lichaamstypes bestaan. Kort gezegd maakt de ene mens gemakkelijk spieren aan, slaat de ander makkelijker vet op en blijft nog een andere slank ongeacht wat hij erdoor jaagt. Als die drie types identiek hetzelfde zouden eten, zouden ze er nog steeds verschillend uitzien. Dat impliceert ook dat slank zijn, niet per se gelijk staat aan gezond zijn. Als sporter is het de kunst om het maximale uit jouw lichaam te halen. Het heeft dan weinig zin om je blind te staren op een bepaald gewicht.
  3. Denk niet in termen van “zondigen”
    Het is vaste koek bij elk dieet: eenmaal per week mag je zondigen. Ik vind dat een heel triestig idee. Je zit een week hongerig op je tandvlees, mag jezelf sussen met de saaiste koek van het schap en als je dan één keer echt iets mag eten wat je heel lekker vindt, dan heet dat een zonde. Probeer er dan maar eens onbeschaamd van te genieten. Als ik elke dag zou eten alsof het mijn laatste dag is, dan zou ik altijd taart eten. Dat is niet zo verstandig en die taart zou me niet meer zo goed smaken. Taart als zondig beschouwen, is een brug te ver. Nooit taart eten, dat is pas een zonde.
  4. Calorieën tellen maakt je ongelukkig
    De Amerikaanse top marathonloopster Shalane Flanagan legt in Run Fast. Eat Slow. uit dat je je niet moet focussen op calorieën, maar moet kiezen voor indulgence food. Kies dus voor voedzame producten die je een voldaan gevoel geven, zodat je je lichaam voedt en niet louter vult. Minder calorierijke light-producten zijn niet per se gezonder dan de volle variant. Wegen, meten en tellen maakt vaker ongelukkig dan dat het iets bijbrengt. Het exacte aantal calorieën dat een product bevat, is namelijk geen exacte wetenschap, laat staan hoe jouw individuele lichaam dat verbrandt. Gebruik calorieën desnoods als een leidraad, maar vertrouw op je gevoel en eet dus gewoon kaas en Griekse yoghurt.
  5. Negeer de Nutri-Score
    Op diverse producten kan je een Nutri-Score terugvinden die je met een cijfer van A tot E aangeeft hoe gezond een product is. Het zou aangetoond zijn dat dit label daadwerkelijk aanzet tot gezondere voedingskeuzes. Ik heb daar ernstige twijfels bij. De Nutri-Score is eerder een calorie-index. Alles wat hoog is in calorieën scoort automatisch laag. Zo creëer je absurde situaties waarbij olijfolie, volle yoghurt, kaas en gerookte zalm als ongezond worden bestempeld en diepvriesfrieten, kant- en klare maaltijden en hamburgerbroodjes zogenaamd gezonde alternatieven zijn. Het moet echt niet gekker worden.

Omdat ik én veel sport én geen vlees eet, word ik vaak in het hokje van de gezondheidsfreaks geplaatst. Ik vind gezond eten belangrijk, maar je gezond verstand gebruiken en bewuste keuzes maken belangrijker. Gezond eten is voor mij geen doel op zich. Net zoals ik niet alleen loop om marathons te kunnen lopen. Ik vraag behoorlijk wat van mijn lichaam en dus moet ik dat goed verzorgen. Daarom zal ik altijd tijd maken om te koken en te eten. Ik eet veel groenten en fruit omdat ik dat lekker vind, niet omdat het moet. Ik eet niet alleen maar groenten en fruit omdat andere dingen ook lekker zijn en mijn lichaam meer nodig heeft dan dat om goed te kunnen functioneren. Je hebt slechts één lichaam om je leven mee te leven. Laat ieder voor zich beslissen wat en hoe die eet. Ja, ik beken dus: ik eet behoorlijk gezond, maar ik eet vooral heel erg graag.

De gedachte – Ja, ik zweet

Ik ben een zweter. Dat is geen bekentenis, maar een eenvoudige vaststelling. Je hoeft mij niet per se in een sportieve context tegen het klamme lijf te lopen om dat te beamen. Ook in het dagelijks leven ben ik al eens een beetje of een beetje heel bezweet te spotten. In principe zou dit geen waardig onderwerp zijn om over te schrijven, laat staan een gedachte te formuleren. Zweten is immers des mensen. Het feit dat je haar groeit, je handdoeken gewassen moeten worden en je boodschappen doet, heeft net zo weinig nieuwswaarde. In de realiteit blijkt zweten echter geen non-issue te zijn. Ik kreeg al subtiele en minder subtiele opmerkingen over mijn bezwete kop. Niet nader te bepalen mensen die het niet konden nalaten om mij erop te wijzen dat ik had gezweet. Euhm ja en dan? Ik ben me er van bewust dat ik zwetend niet de meest florissante verschijning ben (het zou vreemd zijn als dat wel zo was). Zweten in het bijzijn van andere niet-zwetenden voelt ongemakkelijk aan omdat je het gevoel krijgt dat je je ergens over moet schamen. Alsof er fijntjes wordt opgemerkt dat je in een hondendrol bent getrapt. Hoewel zweten een natuurlijk en gezond proces is, blijkt het voor sommigen een bizar en ronduit gênant verschijnsel te zijn.

Begrijp me niet verkeerd. Liefst van al ruik ik fris en fruitig alsof ik net een uur in bad heb liggen weken. Liefst van al ligt mijn haar dan ook nog eens in de juiste plooi. Liefst van al zweet ik dus niet. De ingenieuze werking van het menselijke lichaam heeft lak aan die persoonlijke voorkeuren. Elk lichaam kan zweten, het ene excelleert er al meer in dan het andere. Bij ons in de familie zit zweten onomstotelijk in de genen: wij zijn een familie zweters. Al generaties lang, ook mijn Oma zaliger kon er wat van. Dankzij die genen beschikt mijn lijf over een uitstekend warmteregulatiesysteem, waardoor de zweetmodus een feit is wanneer ik het warm krijg: sportgerelateerd of niet, met die conventies houdt mijn lichaam geen rekening. Transpireren is een efficiënte methode om af te koelen: het vocht verdampt op je huid en dat koelt af. Naar aanleiding van de extreme hitte las ik hier in De Morgen dat zweten de enige manier is om af te koelen als de temperatuur hoger is dan je lichaamstemperatuur. En ook hier kon ik lezen dat zweten goed en gezond is voor je lichaam. Niet elke mens of sporter zweet evenveel en niet elk zweet stinkt. Het is juist abnormaal als je nooit zweet.

Reclame voor deodorant wil ons overtuigen dat je met een simpele spray of roller maar liefst 24 uur lang niet zou zweten. Je reinste nonsense! Deodorant kan je poriën niet dichtmetselen (gelukkig maar). Ik gebruik deo omdat het een fris gevoel geeft en een opkomend zweetgeurtje in de kiem kan smoren, want nee: liefst van al ruik ik dus niet naar zweet. Zulke reclames tonen aan dat zweten wordt beschouwd als iets dat je absoluut moet vermijden. Vreemd, want dat is dus niet mogelijk. Er zijn voldoende middelen om zelfs als ernstig zweter fris door het leven te gaan. Wie zweet is niet onhygiënisch, wie zich nooit wast is dat wel.

IMG_0435b

Waar ik al helemaal de kriebels van krijg, is het feit dat zweten binnen een sportieve context iets is wat je zou moeten verstoppen. Het eufemistische onderschrift I don’t sweat, I sparkle, dat je al eens kan aantreffen bij foto’s van sporters op sociale media, is daar een mooi voorbeeld van. Kijk, het is eenvoudig: een sporter beweegt (intensief) waardoor de lichaamstemperatuur stijgt en het lichaam door middel van transpiratie gaat afkoelen, mogelijk heeft dat een geurtje. Je krijgt daarbij vaak een rode kop omdat je bloedvaten aan de oppervlakte wijder worden om het zweetproces mogelijk te maken. Het is dus absurd dat je als het ware verantwoording moet afleggen voor het feit dat je tijdens een sportieve activiteit wat anders oogt. Vaak is er op zulke zogenaamde sportfoto’s ook niet meer waar te nemen dan enkele perfect gestileerde parelvormige zweetdruppeltjes op het voorhoofd dat dankzij de juiste filters ook helemaal niet rood is te noemen. Voor het esthetische aspect van een foto is het te begrijpen dat je zweet wat probeert weg te moffelen. Het jammere is dat je daardoor afbreuk doet aan het bevrijdende van sport: dat het even echt helemaal niks uitmaakt hoe je eruit ziet. Je hebt gewoon je loopschoenen aangetrokken, een heel fijn uur lichaamsbeweging gehad en wat anderen daar van vinden doet er echt niet toe. Ik kan me niet voorstellen dat ik me vlak na een marathon bezig moet houden met een spontane, maar toch zweetvrije foto te maken.

Toen Roos en ik onze eerste marathon liepen in Leiden, hing er ergens langs de kant van de weg een bord met het opschrift zweet is slechts vet dat huilt. Een originele vondst om te zeggen dat zweet bij de inspanning hoort. Tijdens de hittegolf in Parijs heb ik bovendien gemerkt dat ik dankzij dat zweten uitstekend tegen die extreme temperaturen kan. Bij ons in de familie is zweten al eens een gespreksonderwerp. Zo introduceerden we de term nazweten en sturen Roos en ik elkaar soms waarschuwingsberichten voor zogenaamd zweetweer. Veel weertypes kunnen onder die noemer vallen. Onthou: een voorbereid zweter telt voor twee. We don’t sparkle, we sweat!