De gedachte – Ja, ik zweet

Ik ben een zweter. Dat is geen bekentenis, maar een eenvoudige vaststelling. Je hoeft mij niet per se in een sportieve context tegen het klamme lijf te lopen om dat te beamen. Ook in het dagelijks leven ben ik al eens een beetje of een beetje heel bezweet te spotten. In principe zou dit geen waardig onderwerp zijn om over te schrijven, laat staan een gedachte te formuleren. Zweten is immers des mensen. Het feit dat je haar groeit, je handdoeken gewassen moeten worden en je boodschappen doet, heeft net zo weinig nieuwswaarde. In de realiteit blijkt zweten echter geen non-issue te zijn. Ik kreeg al subtiele en minder subtiele opmerkingen over mijn bezwete kop. Niet nader te bepalen mensen die het niet konden nalaten om mij erop te wijzen dat ik had gezweet. Euhm ja en dan? Ik ben me er van bewust dat ik zwetend niet de meest florissante verschijning ben (het zou vreemd zijn als dat wel zo was). Zweten in het bijzijn van andere niet-zwetenden voelt ongemakkelijk aan omdat je het gevoel krijgt dat je je ergens over moet schamen. Alsof er fijntjes wordt opgemerkt dat je in een hondendrol bent getrapt. Hoewel zweten een natuurlijk en gezond proces is, blijkt het voor sommigen een bizar en ronduit gênant verschijnsel te zijn.

Begrijp me niet verkeerd. Liefst van al ruik ik fris en fruitig alsof ik net een uur in bad heb liggen weken. Liefst van al ligt mijn haar dan ook nog eens in de juiste plooi. Liefst van al zweet ik dus niet. De ingenieuze werking van het menselijke lichaam heeft lak aan die persoonlijke voorkeuren. Elk lichaam kan zweten, het ene excelleert er al meer in dan het andere. Bij ons in de familie zit zweten onomstotelijk in de genen: wij zijn een familie zweters. Al generaties lang, ook mijn Oma zaliger kon er wat van. Dankzij die genen beschikt mijn lijf over een uitstekend warmteregulatiesysteem, waardoor de zweetmodus een feit is wanneer ik het warm krijg: sportgerelateerd of niet, met die conventies houdt mijn lichaam geen rekening. Transpireren is een efficiënte methode om af te koelen: het vocht verdampt op je huid en dat koelt af. Naar aanleiding van de extreme hitte las ik hier in De Morgen dat zweten de enige manier is om af te koelen als de temperatuur hoger is dan je lichaamstemperatuur. En ook hier kon ik lezen dat zweten goed en gezond is voor je lichaam. Niet elke mens of sporter zweet evenveel en niet elk zweet stinkt. Het is juist abnormaal als je nooit zweet.

Reclame voor deodorant wil ons overtuigen dat je met een simpele spray of roller maar liefst 24 uur lang niet zou zweten. Je reinste nonsense! Deodorant kan je poriën niet dichtmetselen (gelukkig maar). Ik gebruik deo omdat het een fris gevoel geeft en een opkomend zweetgeurtje in de kiem kan smoren, want nee: liefst van al ruik ik dus niet naar zweet. Zulke reclames tonen aan dat zweten wordt beschouwd als iets dat je absoluut moet vermijden. Vreemd, want dat is dus niet mogelijk. Er zijn voldoende middelen om zelfs als ernstig zweter fris door het leven te gaan. Wie zweet is niet onhygiënisch, wie zich nooit wast is dat wel.

IMG_0435b

Waar ik al helemaal de kriebels van krijg, is het feit dat zweten binnen een sportieve context iets is wat je zou moeten verstoppen. Het eufemistische onderschrift I don’t sweat, I sparkle, dat je al eens kan aantreffen bij foto’s van sporters op sociale media, is daar een mooi voorbeeld van. Kijk, het is eenvoudig: een sporter beweegt (intensief) waardoor de lichaamstemperatuur stijgt en het lichaam door middel van transpiratie gaat afkoelen, mogelijk heeft dat een geurtje. Je krijgt daarbij vaak een rode kop omdat je bloedvaten aan de oppervlakte wijder worden om het zweetproces mogelijk te maken. Het is dus absurd dat je als het ware verantwoording moet afleggen voor het feit dat je tijdens een sportieve activiteit wat anders oogt. Vaak is er op zulke zogenaamde sportfoto’s ook niet meer waar te nemen dan enkele perfect gestileerde parelvormige zweetdruppeltjes op het voorhoofd dat dankzij de juiste filters ook helemaal niet rood is te noemen. Voor het esthetische aspect van een foto is het te begrijpen dat je zweet wat probeert weg te moffelen. Het jammere is dat je daardoor afbreuk doet aan het bevrijdende van sport: dat het even echt helemaal niks uitmaakt hoe je eruit ziet. Je hebt gewoon je loopschoenen aangetrokken, een heel fijn uur lichaamsbeweging gehad en wat anderen daar van vinden doet er echt niet toe. Ik kan me niet voorstellen dat ik me vlak na een marathon bezig moet houden met een spontane, maar toch zweetvrije foto te maken.

Toen Roos en ik onze eerste marathon liepen in Leiden, hing er ergens langs de kant van de weg een bord met het opschrift zweet is slechts vet dat huilt. Een originele vondst om te zeggen dat zweet bij de inspanning hoort. Tijdens de hittegolf in Parijs heb ik bovendien gemerkt dat ik dankzij dat zweten uitstekend tegen die extreme temperaturen kan. Bij ons in de familie is zweten al eens een gespreksonderwerp. Zo introduceerden we de term nazweten en sturen Roos en ik elkaar soms waarschuwingsberichten voor zogenaamd zweetweer. Veel weertypes kunnen onder die noemer vallen. Onthou: een voorbereid zweter telt voor twee. We don’t sparkle, we sweat!

 

De muziek – Waarom TIM een kostbaar geschenk is

If there were no paintings in the world,
Mine would be very important.
Same with my songs.
[…]
I call my work
Acceptable Decorations

Leonard Cohen nam tot twee maal toe in stijl afscheid van zijn publiek. Zijn album met de veelzeggende titel You Want It Darker verscheen enkele dagen voor hij stierf in november 2016. In het najaar van 2018 bracht Adam Cohen The Flame uit: de dichtbundel waaraan zijn vader tot aan zijn dood had gewerkt. Adam vertelt in zijn voorwoord dat schrijven de enige troost en reden tot leven was voor zijn vader. De vol gekribbelde notitieboekjes die hij op de vreemdste plaatsen bij hem terugvond, vormden hiervan het levende bewijs. Volgens Adam is het geen toeval dat de woorden fire, flame en candle veelvuldig aanwezig zijn in Cohens oeuvre omdat vuur zowel creatie als vernietiging symboliseert: de brandende vlam die de ketel aan de gang houdt, maar ook alles verwoestend kan toeslaan.

Vorige maand verscheen TIM, het afscheidsalbum van Tim Bergling die wereldwijd bekendheid verwierf als Avicii en op 20 april 2018 uit het leven stapte. De 12 nummers op dit album waren grotendeels afgewerkt toen Tim op die bewuste dag in april besloot dat het genoeg was. Zijn team moest geen notitieboekjes verzamelen en ontcijferen, maar kon Berglings work in progress digitaal terugvinden en veiligstellen. Drie producers waar hij nauw mee had samengewerkt, legden de laatste hand aan de nummers. De familie Bergling gaf zijn zegen. Ouders die hun 28-jarige zoon verliezen blijven ongetwijfeld achter met een overweldigend wrang gevoel van machteloosheid. Adam Cohen had er vrede mee dat de kaars van zijn 82-jarige vader uitdoofde en omschrijft diens leven als rich and complicated. Elk leven is onaf op een bepaalde manier. Je hoeft bovendien geen artiest te zijn om een ingewikkeld bestaan te leiden. De vraag is wanneer je een leven rijk kan noemen. Voor zowel Leonard Cohen als Tim Bergling was muziek maken een absolute noodzaak. Ook zonder publiek en verkoopcijfers zou hun hart blijven branden voor de muziek. Waar Leonard Cohen genoot van zijn publieke optredens, ging Tim Bergling juist daar aan ten onder. Het merk Avicii deed de persoon Tim onherroepelijk de das om.

IMG_0325b

Ik schreef in mijn ode aan Avicii al dat muziek een mens op verschillende niveaus kan raken: van uitbundig schreeuwen tot een ingetogen emotionele catharsis. Zogenaamd zware muziek kan je ook waarderen om de eenvoud van de melodie, een licht nummer kan een heel gevoelige snaar raken. De reikwijdte van muziek strekt zicht kortom uit van acceptable decorations (bescheidenheid siert de artiest) tot de kracht om herinneringen in leven te houden. Dat TIM aan het begin van de zomer verscheen, zal geen toeval zijn. Avicii’s derde album is zon en vrolijkheid. Onder meer Coldplay en Imagine Dragons leverden hun bijdrage. Mijn favoriete nummers zijn Tough Love (met dank aan de opzwepende riedel die ontstaan is uit Indiase invloeden) en het tropische Bad Reputation. Zowel al fietsend als lopend liet ik me meermaals en luidkeels I got a bad reputation ontglippen. Aanvankelijk had ik daar een dubbel gevoel bij: TIM is een album dat postuum verscheen. Het voelde tegenstrijdig om ongegeneerd blij te worden van die muziek. Bovendien kan je moeilijk ontkennen dat onder andere de lyrics van SOS te interpreteren zijn als een noodkreet. Spread positivity through my music: het was de uitdrukkelijke wens van Tim himself. Ook zijn familie wil met zijn muziek de herinnering aan Tim levend te houden.

Wie niet te overtuigen valt van het muzikale geschenk dat TIM is, kan om een heel andere reden overwegen om het album aan te schaffen. De opbrengst ervan gaat namelijk integraal naar de Tim Bergling Foundation, de stichting die recent door de Berglings werd opgericht om steun te bieden aan jongeren met mentale problemen en suïcidale gedachten. Op die manier hopen ze zelfdodingstragedies te voorkomen. Cijfers tonen aan dat zulke initiatieven broodnodig zijn. De zelfdodingscijfers liggen in Zweden een pak hoger dan het EU-gemiddelde. België doet het nog slechter en heeft het hoogste zelfdodingscijfer van West-Europa. In ons land ondernemen dagelijks 28 personen een poging tot zelfdoding. Naast die wrede cijfers kan ik te veel pijnlijke voorbeelden uit mijn leven oprakelen van hoe ik te maken kreeg met de keuze van sommigen om uit het leven te stappen. Afgelopen schooljaar werd ik als leerkracht tot twee keer toe van heel dichtbij geconfronteerd met de verwoestende impact van zelfdoding op de directe en indirecte omgeving. Wat overblijft zijn onbeantwoorde vragen en verdriet. Ontzettend veel verdriet.

Soms is het leven een feest, eentje waar iedereen met iedereen danst en niemand aan morgen denkt. Het leven is echter vaak worstelen, wroeten en ploegen. Leven is ook overleven. We moeten daar realistisch in zijn. Everyone would choose the alternative to this: dat is hoe journaliste Katie Bain treffend verwoordt dat we het zo graag anders zouden willen: een wereld waarin Tim Bergling een ander leven had kunnen leiden, het leven dat hij wilde. Die keuze hebben we helaas niet. Uit een lerarenbrochure over zelfdoding leerde ik dat mensen met zelfdodingsgedachten niet zo zeer dood willen zijn, maar niet meer op die manier verder willen leven. En nog belangrijker: zelfdoding kan voorkomen worden. Daar kunnen we allemaal aan bijdragen.

If There Were No Paintings – The Flame, Leonard Cohen

 

Loperspraat – Kwakkelen en kwaken in mei

Ik voelde me in de maand mei een eend die gezellig rond waggelt en lukraak wat loopt te kwaken. Eenden staan niet meteen bekend als de meest intelligente der diersoorten en zo voelde ik me ook. De oorzaak van dat gekwakkel, gewaggel en gekwaak was mijn medische toestand, waardoor ik na de marathon in Parijs wat ter plaatste bleef trappelen. Of peddelen. Aanvankelijk had ik daar best vrede mee. Net op het moment dat ik dacht gelanceerd te zijn, bleek ik een acute longembolie te hebben en spendeerde ik een nacht in het ziekenhuis. Twee dagen later liep ik echter een geslaagde 20 km van Brussel samen met Roos. Heel vreemd hoe je van rolstoelpatiënt naar afstandsloper kan gaan op twee dagen tijd.

Ondanks het feit dat ik geen goed sportritme vond, liep ik toch de nodige duurlopen. Door het gebrek aan een fatsoenlijke opbouw voelde ik die daags nadien wel in mijn lijf zitten. Mijn voorbereidingen waren kortom niet volgens het boekje, maar ik ben ook geen longpatiënt volgens het boekje. Aan het begin van de maand legden Roos, papa en ik onze eerste gezamenlijke duurtraining af in voorbereiding op de La Chouffe trail (36 km) in juli. We kronkelden met z’n drietjes vrolijk langs de Demer, waar papa zich weer eens op de kaart zette als natuurkenner en leerkracht. Wisten jullie dat sommige meanders van de Demer bewust zijn afgesneden door menselijke arbeid? Papa zette zich trouwens ook weer maar eens op de kaart als über-papa door 18 kilometer lang zonder verpinken op kop te lopen. Ik liet me niet kennen en liep zonder verpinken naast hem. Door die formatie belandde Roos comfortabel op de achterbank van onze auto, perfect uit de wind gezet door niet één, maar twee hazen. We oefenden zelfs al een zegegebaar in voor onze marathon. Ook dit onderging papa zonder verpinken. Papa zijn: het vraagt wat van een mens.

IMG_4651
Moeten er nog dieren zijn?

Op Hemelvaart waren Roos en ik van de partij op de eerste editie van de Naturarun in  Meerdaalwoud. Start en finish lagen bij de manege van Meerdaalhof: mijn spreekwoordelijke achtertuin en dus gingen we met de fiets tot daar. We kozen voor de langste afstand van 25 kilometer. De eerste kilometers liepen we over goed beloopbare bospaden. Na 10 kilometer werd het lastiger: de paden werden smalle weggetjes en de hoogtemeters hakten er goed in. Ik had de eerste bevoorrading overgeslagen en zag het weer helemaal zitten bij de tweede bevoorradingspost op kilometer 16. Mijn geluk was van korte duur, want op dat punt kwamen alle afstanden samen: een drukte van jewelste op het parcours! Op heel wat paadjes moest ik gedwongen in slow motion lopen. Als je al anderhalf uur onderweg bent, is het heel lastig als je niet je eigen tempo kan aanhouden. Ik was er dan ook niet rouwig om toen we na een lange klim en zandpad aankwamen. Geen 25 kilometer, maar 22,5 zo bleek. Ik vond het allemaal prima na ruim twee uur lopen in de warmte.

Mijn kwakkelende meimaand staat in schril contrast met die van een jaar geleden. Toen bouwde ik gestaag en verantwoord op om mezelf succesvol te lanceren na mijn blessure. Ik liep en fietste de afgelopen maand wel wat meer kilometers, maar nogmaals: het ritme en de regelmaat waren totaal zoek. Daar had ik last van. Ik voelde me onzeker en verlangde zelfs naar mijn natte, koude, eenzame en donkere kilometers die ik in oktober en november gedachteloos aflegde in voorbereiding op de Hel. Het was dan ook misschien niet helemaal toevallig dat ik me vorige week inschreef voor die beproeving. Het leven is aan de rappen voor wie eeuwige roem in de Hel wil vergaren. Er is verbetering op komst, dat voel ik. Als dierenvriend hou ik van eenden en vergis je niet: vanuit dat schattige gewaggel kunnen ze ook uit het niets opstijgen voor een indrukwekkende vlucht.

IMG_4646b

 

De gedachte – Over lopen als verslaving

Je hoeft je niet op sociale media te begeven om te ervaren hoe hard mensen voor elkaar kunnen zijn. Soms bekruipt mij het gevoel dat we continu verantwoording moeten afleggen over het leven dat we leiden: wat je doet en laat, zegt iets over je wezenlijke ik en is geenszins ontstaan uit een toevallige samenloop van omstandigheden. Zo beland je al eens in een eng en krap hokje. Er zijn enkele parameters ingesteld om identiteit in te vullen. Eet je soms havermout? Gezondheidsfreak! Maak je geen verre reizen? Saaie huismus! Heb je een oude wagen? Milieuvervuiler! Ook de loper moet het soms ontgelden. Iemand die loopt is natuurlijk niet gewoon iemand die een fijne vorm van ontspanning heeft gevonden. Lopers zijn betweters die steevast anderen verwijten dat ze niet lopen en tegelijkertijd hun eigen lijf in de vernieling lopen. Om over marathonlopers nog maar te zwijgen. Toen ik vorig jaar zichtbaar geblesseerd met een kruk rondliep, bleek maar wat vaak uit de reactie van mijn medemens dat het mijn eigen schuld was. Op televisie wordt er positief bericht over de sfeer op grote loopevenementen, maar daar tegenover staat de nodige duiding over alle gevaren die om de hoek loeren voor wie zich op het gladde ijs van het lopersleven begeeft.

Daags na de 10 Miles in Antwerpen deed een gesprek in Van Gils & gasten mijn wenkbrauwen tot ongekende denkrimpels fronsen. De loophype werd op de korrel genomen en behandeld alsof het een regelrechte aanslag was op de volksgezondheid. Kilometervreter en sportjournalist Maarten Vangramberen was de loopambassadeur van dienst. Presentatrice Bieke Ilegems gold als het ultieme voorbeeld van de schade die lopen kan aanrichten. In september liep zij namelijk onvoorbereid de marathon van Berlijn. Enter het gevaar van de runner’s high. Door de marathonroes had ze niet gevoeld dat ze godbetert twee teennagels verloor. Sterker nog, door die gevaarlijke roes voelde ze zich de weken daarna keigoed tot ze abrupt in een dipje terecht kwam. Sindsdien liep ze niet meer. Sportarts Tom Teulingkx bevestigde dat een marathon voor velen de ultieme sportieve uitdaging is. De 3 miljoen Vlaamse solo-sporters zijn vogels voor de kat die zonder begeleiding op zoek gaan naar grootse doelen. Grote loopevenementen zetten volgens Teulingkx wel aan tot beweging, maar ze hebben ook een keerzijde. Met de nodige ernst ging presentator Lieven Van Gils dieper in op de dramatiek van het woord keerzijde. Sommige lopers komen onvoorbereid aan de start, laten zich meeslepen door de massa, finishen doodop en zijn de dag nadien geblesseerd.

Ik viel bijna uit mijn zetel door zoveel kort-door-de-bocht-isme. Zoals ik hier al zei: nee, een marathon lopen an sich is niet gezond. Belangrijker: ja, lopen werkt een gezonde levensstijl in de hand. Ik had het ook al eens over het prestige van de marathon, wat voor mij nooit een drijfveer is. Wie een gelopen marathon beschouwt als een statussymbool heeft weinig respect voor zijn lichaam en begrijpt niet wat de schoonheid van duursporten is. BV’s vallen daar gemakkelijker aan ten prooi, aangezien de onbekende loper niet zomaar eventjes een startbewijs bemachtigt voor een wereldmarathon zoals Berlijn. De runner’s high wordt vaak beschouwd als het geheime wapen van loopplezier. Hiermee wordt het proces aangeduid waarbij endorfines (een opiumachtige stof) in je lichaam vrij komen. Dat zogenaamde gelukshormoon met pijnstillende werking komt vrij bij lange duurinspanningen die je loopt aan een niet te hoge intensiteit. Onderzoek heeft aangetoond dat dit pure chemie is en geen fabeltje. De schaduwzijde van dit wetenschappelijke verhaal is dat endorfines eveneens in verband worden gebracht met allerhande verslavingen, psychische aandoeningen en depressies. Geen wonder dat lopen door sommigen als een gevaarlijke verslaving wordt beschouwd.

Wie zwicht er niet voor een natuurlijke dosis geluksstoffen die je een gevoel van euforie en onoverwinnelijkheid bezorgen? Lopers zouden pijnsignalen negeren omdat ze gedrogeerd zijn door die verduivelde endorfines. De impact van de runner’s high wordt echter overschat. Ik kan me inderdaad in een flow of roes bevinden als ik aan een rustig tempo loop. Ik geef me over aan de eentonige cadans van mijn voeten, ga op in de muziek en laat mijn gedachten ontspannen rond dwarrelen, waardoor er soms uit het niets ideeën opborrelen. Hoe fijn dat ook is: ik liep nog nooit per ongeluk 50 kilometer omdat ik geen afstand kon doen van mijn roesmiddel. De runner’s high werkt een ontspannen geest in de hand. Er schuilt een veel groter gevaar in de geldingsdrang die sociale media in de hand werken. Zoals dokter Teuglinkx aanhaalde in de uitzending geldt voor veel sporters: als het niet op Strava staat, is het niet gebeurd. De meet- en zichtbaarheid van sportieve prestaties kan onzekerheid in de hand werken. Je sport in je eentje terwijl je omgeving mee gluurt. Niet de stofjes in je hoofd zijn gevaarlijk, maar de schermpjes waar menigeen aan verknocht is.

In bepaalde mate kan lopen een verslavend effect hebben. Elke mens zoekt op de één of andere manier ontspanning in het leven, maar bijlange niet iedereen is daar even fanatiek in. Zo heb ik zelf nogal de neiging om heel erg op te gaan in bepaalde bezigheden als ik gebeten ben door iets. Door lopen bijvoorbeeld. Voor mij is dat een manier om mijn hoofd en lijf te verfrissen zodat ik er met een sterkere geest weer tegen aan kan. Lopen is een totaalpakketje mindfulness dat zoveel verder reikt dan een simpele runner’s high. Ik kan net zo goed volledig opgaan in een perfecte koffie maken en ik keek ook al eens heel veel films van Leonardo DiCaprio in een kort tijdsbestek omdat ik het als mijn taak beschouwde om zijn oeuvre te kennen. Juist daarom vond ik Ren voor je leven zo verrijkend. Klaas Boomsma was jarenlang verslaafd aan drugs en alcohol en gaf zijn leven een heel andere wending door onder andere te beginnen lopen. Toen hij clean was, kwam hij zichzelf ook tegen als obsessieve loper.

Een verslaving is een ernstige ziekte die je levenskwaliteit ondermijnt en je leven op het spel zet. Lopen is dat niet, zelfs niet met een runner’s high. Lopen brengt je niet in een sociaal isolement. Integendeel. Wie verantwoord sport voor het eigen welzijn, brengt zijn gezondheid geen schade toe. Integendeel. Zelfs intensief sporten niet. Integendeel: wie intensief sport, leeft 5 jaar langer dan de gemiddelde niet-sportende mens. Ik heb behoorlijk wat loopschoenen, maar ik heb vooralsnog geen mensen bestolen om aan mijn spul te komen. De loopmicrobe is hooguit besmettelijk. Al zijn sommigen genetisch benadeeld met een aangeboren immuniteit. Laat mij nu maar even fijn in het hokje van de moraalridders zitten. Echt gezellig hier!

Loperspraat – Runner down and up again

Het kan verkeren, zei Bredero wijselijk in de 17e eeuw. Waar ik hier nog enthousiast vertelde over de strijd die ik won van de mysterieuze D-dimeren, bleek uit een controle bloedonderzoek eerder deze week dat mijn D-waarde – zoals ik ze voor het gemak maar noem – weer ernstig verhoogd was. De longembolie-piste moest nu echt uitgesloten worden met een scan die zowel de doorbloeding als de capaciteit van mijn longen zou meten. Zo vertrok ik donderdagnamiddag nietsvermoedend voor wat een formaliteit zou moeten zijn, niet wetende dat ik de nacht in een ziekenhuisbed zou doorbrengen. Ja, het kan echt ernstig verkeren.

Het was een donderslag bij heldere hemel toen de arts meedeelde dat ik wel degelijk longembolen (meervoud!) had in het bovenste deel van mijn longen. Dat zijn bloedklonters in je longen, waardoor die een verminderde capaciteit hebben en je dus kortademig kan zijn. In ernstige gevallen (niet ik) is dat levensbedreigend. Ik hoorde Jim Morisson zachtjes This is the end, my only friend the end zingen. Het klonk als de totale apocalyps. Mijn wereld zou vergaan. Ik zou 6 maanden niet meer actief mogen zijn en het protocol wilde dat ik stante pede naar de spoedafdeling moest gaan. Zeker niet te voet, omdat er mogelijk nog een bloedklonter in mijn benen zou kunnen losschieten om een nieuwe embolie in mijn longen te creëren. In een lompe ziekenhuisrolstoel duwde Roos – nog uitgedost in werkuniform – mij naar de spoedafdeling. Een kafkaëske situatie, aangezien ik al weken rondloop en sport met longembolie en daar sinds twee weken geen enkele hinder van ondervind. Ik voelde mij kerngezond, maar zat toch ongemakkelijk op de spoedafdeling te wachten.

Naar sommige primeurs in je leven kijk je minder uit dan naar andere: op de spoedafdeling belanden stond niet op mijn bucket list. Roos probeerde mij kalm te houden. Ik had geen idee wat mij boven het hoofd hing. Vier dagen geleden had ik nog zonder problemen 18 kilometer gelopen. Kon er dan echt iets met mijn longen schelen? Na enkele eerste onderzoeken mocht ik me uitdossen in ziekenhuistenue en luisterde de vriendelijke dokter van dienst naar mijn verhaal. De vraag was wat de de bloedklonters in mijn longen heeft veroorzaakt. Mijn verzuurde linkerkuit vlak na de marathon kon een indicatie zijn dat er door de impact van die inspanning klonters uit mijn benen naar mijn longen zijn geschoten. Dat hoefde niet per se dramatische gevolgen te hebben. Ik moest simpelweg ontstold worden. In mijn hoofd zou de avond met een sisser aflopen en zou ik onwetend naar huis worden gestuurd. Er werd nog een echografie gemaakt van mijn benen, die aantoonde dat daar geen klonters meer vastzaten. Mijn avontuur kreeg echter een onverwachte wending. De behandelende arts vertelde me dat het beter zou zijn als ik de nacht in het ziekenhuis zou doorbrengen zodat ze de volgende dag allerlei bijkomende onderzoeken konden uitvoeren om uit te sluiten dat ik iets verontrustends onder de leden had.

Een nacht in het ziekenhuis? Ik slikte. Hoewel Roos en ik hadden geprobeerd om de sfeer er in te houden tijdens het wachten, klonk dit plots bijzonder ernstig. Ik stemde toe omdat ik dan sneller duidelijkheid zou krijgen. We konden nog bedingen dat Roos bij mij thuis wat spullen ging ophalen. Het was amper 20 uur en ik had minstens één boek nodig om de tijd te doden. Zo geschiedde. Ik werd naar de spoedafdeling geleid, waar ik op een gang achter een gordijntje een bed kreeg toegewezen. Vanaf dat moment veranderde ik definitief in een patiënt en moest ik me overgeven aan het ziekenhuisregime. De toon werd meteen gezet toen ik aan de monitor werd gekoppeld en een eerste bloedverdunner via een spuitje in mijn buik kreeg toegediend. Ik belde met Marike, luisterde naar muziek en las. Dat ik hier de nacht zou doorbrengen, leek nog steeds onwezenlijk. Rond middernacht besloot ik dat het tijd was om die unieke nacht aan te vatten: een nacht die je normaal alleen in tv-series ziet, een nacht die wordt gezongen in het meest klinische licht, een nacht waarvan ik dacht dat ik hem nooit beleven zou, een nacht die ik alleen beleefde.

Van nachtrust is weinig sprake op de spoedafdeling. Er is een constante bedrijvigheid van verplegend personeel. Er is veel licht. Er zijn andere patiënten met ernstige klachten. Je hoort alles en ziet meer dan je zou willen. Ik bleef stilletjes liggen achter mijn gordijn. Het was moeilijk om een comfortabele houding te vinden omdat ik een infuus in mijn arm had en de monitor piepte telkens als mijn hartslag onder de 50 zakte, wat voor mij normaal is in rustmodus. Bovendien werd ik twee keer gewekt door de vriendelijke nachtverpleegster om mijn bloeddruk en temperatuur te meten. Ik sliep in stukken en brokken. Soms een paar minuten, met wat geluk een half uur aan een stuk. Om 7 uur was ik opgelucht dat de nacht erop zat. Mijn dag begon in hospital style met twee pijnlijke spuitjes in mijn buik en de mededeling dat ik niet mocht eten tot er een echografie was gemaakt van mijn ingewanden. Een serieuze domper, aangezien ik niet meer had gegeten sinds de middag voordien. Mijn geluk kon niet op toen Roos mij om 8u een eerste bezoekje kwam brengen. Ik deelde mijn angst dat ik nog langer in het ziekenhuis zou moeten blijven en dat de onderzoeken verontrustend nieuws aan het licht zouden brengen.

Mijn verbazing was groot toen ik ’s middags na twee echografieën en een bijkomende longfoto goed nieuws kreeg van de dokter. Mijn hart is perfect gezond en lijdt niet onder de verminderde werking van mijn longen. De oorzaak van mijn longembolie ligt waarschijnlijk bij de marathon die ik vijf weken geleden liep. Ik mocht naar huis met een voorschrift voor bloedverdunners. Het doet misschien de wenkbrauwen fronsen dat ik een longembolie heb gekregen na een marathon. Ik wil dat geenszins relativeren, maar dit komt nu eenmaal sporadisch voor. Verder ben ik een atypische patiënt omdat ik een actief en gezond leven leid. Juist omdat ik als sporter mijn lichaam door en door ken, heb ik gedetecteerd dat er iets niet klopte. Ik ondervind geen enkele last omdat ik dankzij mijn atletische vermogen over een gezond lichaam beschik dat ook met een verminderde longfunctie prima kan functioneren. Ik mag sporten, op voorwaarde dat ik de intensiteit van de inspanning beperk omdat mijn hart anders een zwaardere inspanning moet leveren. Mijn medische toestand wordt uiteraard nauwgezet opgevolgd.

Eind goed, al goed dus. Voorlopig dan toch. Ik ben een ervaring rijker. Om op een positieve noot te eindigen: dankzij mijn tijd in het ziekenhuis kon ik anderhalf boek lezen. Nadat ik 22 uur niet had gegeten, kon niets mij gelukkiger maken dan thuis boterhammen eten. Marike merkte fijntjes op dat dit wel een goed verhaal is voor op mijn blog. Ze heeft een punt. Al hoop ik van harte dat het bij dit ene medische hoofdstuk blijft en dat ik jullie de komende maanden vooral weer tot in detail kan vertellen hoe mooi het bos is en hoe geweldig mijn loopschoenen zijn.

IMG_4550b

Loperspraat – Decompressie, rust en onrust in april

Tijdens de 30 dagen van marathonmaand april beleefde ik een gevarieerd scala aan emoties: van rust en ontspanning tot momenten van doodsangst. Zelfs Florence zou er een vette kluif aan hebben om al die mixed feelings in een powersong te vervatten. Mijn marathon in Parijs was een schot in de roos en verdeelde de maand in een periode voor en een periode na 14 april. Ik zat weer eens op mijn roze marathonwolk na te genieten van al dat moois toen donkere wolken zich verdrongen boven mijn blauwe hemel. Ook mijn rooskleurige bril kon niet voorkomen dat ik regelrecht leek af te stevenen op een muur van zwarte donderwolken. Uiteindelijk liep ook dit absurde verhaal goed af en won ik de strijd van de mysterieuze D-dimeren.

Mijn herstel begon nochtans veelbelovend. Na een comateuze post-marathonslaap sprong ik verbazingwekkend fris uit bed. Enige spelbreker was een ernstig verzuurde linkerkuit. Na een spoedinterventie van een top kinesitherapeut kon ik weer met min of meer gezwinde pas de Parijse grond betreden. Ik had nog een week paasvakantie om te bekomen, de zon scheen en ik was een tevreden mens. Ik herkende mezelf amper in de golf van contentement die mij overspoelde. Voor het eerst was ik echt trots op mijn lichaam dat weer maar eens een topprestatie had geleverd en kon ik al mijn complexen aan de kant schuiven. Toen ik dan ook nog eens de wijze beslissing nam om dat lichaam wat rust te gunnen en de stramheid niet meteen te lijf te gaan met loopkilometers, was ik ervan overtuigd dat wijsheid echt met de jaren komt. Met ontspannen tred fietste ik de verzuring weg. Ik werd omringd door een aura van opluchting en dankbaarheid. Alsof ik na tien marathons een succesvolle cyclus had afgewerkt. Ik leek een andere mens te zijn en juist dat was ook wat beangstigend.

De vakantie liep op z’n einde en mijn spieren voelden steeds soepeler. Tijdens het fietsen viel het me op dat ik sneller buiten adem was, maar dat leek me normaal binnen een herstelproces. Ook toen ik een week na mijn marathon voor het eerst de benen ging loslopen en na elke kilometer moest pauzeren om op adem te komen, sloeg ik niet meteen alarm. Het was warm en de marathon zat nog in mijn lijf. Pas toen ik op school een mijl ging lopen met de leerlingen en elke meter een kilometer leek te zijn, sloop er ongerustheid in mijn oh zo geruste gemoedstoestand. Ik moest bekennen dat ik kortademig was als ik de trap opliep of op weg naar school een stukje bergop fietste. Marathonloper of niet, mijn conditie bleek onbestaande te zijn. De 10 Miles in Antwerpen lopen, was niet haalbaar. Wederom nam de wijsheid het over van de paniek. Na overleg met Roos besloot ik nog wat extra rust te nemen en dat was niet eens met pijn in het hart.

Het leek alsof ik voeling verloren was met de loper in mij. Tussen rust en onrust bestaat in mijn hoofd altijd een intensieve wisselwerking. Ik nam zelfs het gewichtige woord identiteitscrisis in de mond. Welgeteld een jaar geleden kon ik na zeven weken rust terug enkele voorzichtige minuten lopen. Op een jaar tijd was ik dus van helemaal niets naar twee snelle marathons en een zware winterduatlon gegaan. Ik realiseerde me dat ik een intensief sportjaar achter de rug had dat gekleurd werd door heel veel mooie momenten, maar ook met een constante druk om mijn grenzen opnieuw te verleggen. Een jaar lang had ik mezelf tot het uiterste gedreven en misschien woog dat nu mentaal zwaarder door dan ik dacht. Decompressie dus. Ik schakelde nog een versnelling hoger in rustmodus en dat beviel me wonderwel goed. Naast mijn schoolwerk kon ik weer uren aan een stuk lezen, creatieve plannen maken en in de zetel hangen met mijn katten. Die staat van ontspanning werd overschaduwd door de sluimerende angst dat er iets scheelde met mijn hart of longen. Toen ik twee weken na de marathon tijdens een fietsrit vaststelde dat ik nog steeds kortademig was, zat de schrik er goed in. Wat had ik mijn lichaam in godsnaam aangedaan?

De huisarts kon me in eerste instantie geruststellen: mijn hart en longen klonken niet afwijkend. Een bloedonderzoek zou duidelijkheid geven over eventuele tekorten en verhoogde waarden. Die resultaten brachten helaas geen eenduidige verklaring. Alles was perfect normaal, maar ik had een verhoogde waarde D-dimeren: een afbraakproduct van stollingseiwitten. Hoewel ik een atypische longpatiënt zou zijn, kon dit erop wijzen dat ik een longembolie of dus een bloedklontertje in mijn longen had. Een nieuwe bloedafname zou dit moeten uitsluiten. Hoewel mijn huisarts me op het hart drukte niet te panikeren, was het kwaad geschied. Ook de meest verwoestende brand ontstaat met een minuscuul vonkje. In mijn hoofd was het blinde paniek. Ik kon niet meer rustig ademhalen en voelde mijn hart als een gek bonzen. Het ene na het andere doemscenario passeerde de revue. Ik zou misschien nooit meer mogen lopen. Ik zou een vreselijke tumor kunnen hebben. Ik zou misschien zelfs sterven. Dit was het dan. Mijn leven. De drama queen kreeg ongelijk. Na een dag nagelbijten bleek het gehalte D-dimeren gedaald te zijn. Het was dus uitgesloten dat er iets mis was met mijn longen. De verhoogde waarde viel perfect te verklaren door de inspanning van de marathon die iets getriggerd heeft. Binnen de 10 dagen zou de waarde genormaliseerd zijn. Ik mocht sporten en kon letterlijk opgelucht ademhalen.

Vandaag trok ik mijn loopschoenen aan om te testen hoe het nu zat met die verduivelde D-dimeren. 10 kilometer liep ik aan een stevig tempo en vooral: zonder te moeten stoppen. Ik vloog en vond met gemak een tweede adem. Het mooie aan een periode van rust is dat de loophonger en euforie eens zo groot zijn als je er terug aan begint. Ik genoot zonder overdrijven van elke meter. Bij deze is mijn identiteitscrisis dus definitief afgewend. Elton had echt gelijk: I’m still standing after all this time, looking like a true survivor, feeling like a little kid.

IMG_4400b

Marathonpraat – Wat ik over mezelf leerde uit 10 marathons

In een marathon komen zowel de saaiheid als de heroïek van het leven samen. Uren aan een stuk lopen is namelijk een eentonige activiteit die geen specifieke vaardigheid vereist. De volharding die dat vergt, is echter wel een heldhaftige prestatie. Op mijn palmares staan ondertussen welgeteld tien marathons te blinken. Tien stuks: dat is toch een aardige bibliotheek aan verhalen omdat elke marathon garant staat voor een uniek verhaal. Misschien niet altijd bijster interessant, maar wel voldoende stof tot (na)vertellen en overpeinzen. Alles begint met de weg naar marathondag – trainingen die al eens wat hobbeliger verlopen, de laatste etappe tot de grote dag – als de zenuwen het overnemen, de marathonrace – de strijd met jezelf – en vooral de lessen die dat proces oplevert. Door marathons te lopen leerde ik in eerste instantie mezelf als sporter kennen. Ik wist aanvankelijk niet dat er iets atleetwaardig in mij huisde. Uiteindelijk leerde ik mezelf vooral als mens beter kennen. Of hoe de metaforische waarde van de marathon onuitputtelijk is.

Marathontrainingen kosten zelden bloed en tranen, maar vooral veel zweet. In mijn geval ongetwijfeld ettelijke liters. Waar ik in het prille begin simpelweg veel liep om me voor te bereiden, kreeg ik door de jaren heen duidelijker omlijnde ideeën omtrent de ideale marathonvoorbereiding. Hoe strakker de plannen in mijn hoofd vorm kregen, hoe moeilijker het werd om eraan te voldoen. Ik leerde zowel de kwaliteiten als de zwakke plekken van mijn lichaam kennen. Hierdoor ging ik beseffen hoe ondoorgrondelijk het menselijk lichaam in wezen is. Alles lijkt bovendien meetbaar te zijn door de overdaad aan informatie die beschikbaar is. De waarheid is dat niemand exact kan vertellen wat het beste werkt voor jouw lijf. Een marathontraining blijft een complexe evenwichtsoefening waarbij basisprincipes als kapstok dienen en je op menselijke experts kan vertrouwen om uiteindelijk zelf aan te voelen wat goed is. Geen enkele marathonvoorbereiding verloopt 100% naar wens. Dat kan frustrerend zijn, maar in principe is het de keerzijde van de medaille voor wie kennis en ervaring bezit. Hoe meer je weet over een bepaald onderwerp, hoe meer hiaten je in die kennis zal ontdekken en hoe meer vraagtekens er zullen rijzen. De kunst is om te kijken naar wat je al kan en weet. Koester dus de boeken die je al gelezen hebt en de kilometers die je liep.

Ik las eens dat de marathon in bed wordt gewonnen door voldoende te slapen. Wie een actief leven leidt, moet ook kwalitatieve rustmomenten inbouwen. Er is aan mij geen groots bedligger verloren gegaan. Geef mij de ochtend, de dag én ook de avond om bezig te zijn. Ik liep marathons met een vakantieweek als voorbereiding en marathons waar een werkweek aan vooraf ging. Werken staat gelijk aan minder rust, maar die afleiding werkt een positieve ingesteldheid in de hand. Tijdens een vakantieweek stort ik me soms nogal overdreven op de voorbereidingen van de marathon. Dan vind ik plots dat ik nog een nieuwe jas moet maken, om maar iets te noemen. Je zal me kortom nooit een dag met de benen omhoog in de zetel aantreffen. Uiteraard zijn rust en slaap belangrijk in de week voor je een uitputtende fysieke inspanning zal leveren. Ik denk echter dat de juiste verhouding tussen spanning en ontspanning belangrijker is dan netto uren bedrust. Je moet gefocust doch ontspannen toeleven naar een marathon. Ik hoop telkens weer om veel en goed te slapen de avond voor de grote dag, maar de realiteit is dat ik dan telkens weinig slaap. Soms gewoon in mijn eigen bed, soms verrassend goed op een krakende luchtmatras met mijn zus en soms heel slecht in een hotelbed. Een goede focus compenseert een gebrekkige nachtrust moeiteloos.

Zoals je je lichamelijk op een marathon voorbereidt, zo moet je dat ook mentaal doen. Als ik het zwaar heb tijdens trainingen, stel ik me voor dat ik me op een bepaald punt in de marathon bevind en dat ik ook dan zal moeten doorzetten. Er is namelijk geen weg terug als je eenmaal aan het lopen bent. Door delen van de marathon te simuleren probeer ik mijn mentale weerbaarheid te trainen. Het geeft vertrouwen als ik in zware omstandigheden gewoon blijf lopen. Ik kan ook kippenvel (en vleugels) krijgen als ik me inbeeld dat ik naar een marathonfinish toe loop. Daarnaast is ook parcourskennis niet te onderschatten. Ik verdeel een marathon in stukken en plaats die in een bepaalde categorie: wat is leuk en interessant om te lopen, wat is saai en wat wordt ronduit lastig en zwaar. De gemakkelijke kilometers worden hierdoor nog unieker (over de Champs-Elysées lopen is nog bijzonderder dan in je gedachten), de saaie stukken toch wat minder eentonig en de lastige delen niet zwaarder dan wat je je hebt voorgesteld. Als je de vinger kan leggen op wat je precies vervelend vindt en dat vervolgens kadert, valt dat doorgaans erg mee.

Tot slot kan ik nu ook de rustige periode na de marathon waarderen. Waar ik vroeger zo snel mogelijk ging lopen met stramme spieren en mijn neus in de richting van een volgende sportieve prestatie, besef ik nu dat een verminderde stijfheid niet de enige indicatie is van een goed herstel. Mijn lichaam is beter aangepast aan duursporten na vier jaar marathons lopen, maar een marathon blijft een zware inspanning die de nodige hersteltijd vraagt. Het is jammer dat ik in het verleden te weinig stil stond bij de geleverde prestatie omdat ik me meteen op een volgend avontuur stortte. Mijn lichaam mag inmiddels min of meer gemaakt zijn om te lopen, dat betekent niet dat ik het elke dag moet doen om me een marathonloper te voelen en daar trots op te zijn. Ik ben de eerste om de marathon te relativeren: het is ook gewoon maar lang aan een stuk lopen. Langs de andere kant moet je een beetje heroïek kunnen omarmen in de alledaagsheid van het leven. Wees dus schaamteloos trots op de gevoerde strijd, geniet ervan en gun je lichaam wat rust.

IMG_4354b
Ada haalt haar neus op voor al die marathons.

Het moment – De magische mijl

Ik liet jullie al kennismaken met twee lopende leerlingen om trots op te zijn, maar elke leerling is uniek op haar of zijn eigen manier. Loper of gamer. Lezer of wetenschapswonder. Voorbeeldleerling of hangjongere. Dat is geen pedagogisch gezwets. Ik ben daar oprecht van overtuigd. Lesgeven vraagt veel geduld en overtuiging. Je moet soms wat meer moeite doen om de persoon achter het gedrag te ontdekken. Buiten het klaslokaal leer je de leerlingen vaak op een andere manier kennen. En zij jou. Daarom vind ik het een meerwaarde om tijdens de middagpauze met mijn leerlingen te gaan lopen. Niet alleen omdat beweging belangrijk is, maar omdat samen bewegen een verbindende activiteit is die de klasbanden aanscherpt. Ik heb het geluk dat ik op mijn school Koninklijk Atheneum De Ring goed omringd ben met enthousiaste collega’s die ook bereid zijn om hun sportiefste beentje voor te zetten. Vorige week werd het startschot gegeven voor de One Mile uitdaging die al aan zijn derde jaargang toe is.

Het Daily Mile project (vroeger One Mile a Day) werd in 2012 opgestart door Elaine Wyllie om leerlingen op basisscholen in het Verenigd Koninkrijk aan het bewegen te krijgen. Ze bedacht om de schooldag te beginnen door met alle leerlingen samen één mijl (1,6 km) te lopen. Loopplezier en samenzijn staan daarbij centraal. Ook in België werd het project opgepikt. Inmiddels nemen er al 7800 basisscholen verspreid over heel Europa aan deel. Toen we twee jaar geleden in april een sportdag organiseerden voor onze vierdejaars vond ik het een goede opwarmer om de week daarvoor dagelijks een mijl te gaan lopen. Voor schooltijd: vrijblijvend en van harte aanbevolen. Om leerlingen om 8u op school te krijgen om te gaan lopen, rekende ik niet alleen op mijn enthousiasme, maar bedacht ik ook enkele extraatjes. Elke dappere ochtendloper kreeg een gezonde versnapering na afloop en bij wijze van spelelement was er ook een klassencompetitie. Bovendien kon elke klasgroep een ontbijt verdienen als elke leerling een keertje mee kwam lopen. Tijdens die week kwamen er dagelijks zo’n 20 leerlingen van het vierde jaar lopen. Of dat aan mijn overtuigingskracht, dan wel aan de beloningen lag, laat ik het in het midden. Het project was geslaagd.

Vorig jaar zag ik het wat grootser: het project liep over meerdere weken met twee loopdagen per week waarop er zowel ’s ochtends om 8u als ’s middags om 13u gelopen kon worden. Ik blonk van trots toen bleek dat er op beide loopmomenten telkens een aanzienlijke groep van zo’n 30 leerlingen aan de start stond. Bovendien was ik klastitularis van een bijzonder sportieve klasgroep waar de One Mile een erezaak geworden was. Uiteindelijk ging maar liefst 95% van de vierdejaars eens mee lopen. Op de afsluitende sportdag werden de leerlingen die elke dag gelopen hadden nog eens in de bloemetjes gezet. Wederom een geslaagde sportieve missie. Dit jaar besloot ik er weer wat vroeger aan te beginnen, zodat bewegen op school een vaste waarde kan worden. Vorige week gingen we van start. Aanvankelijk met een bescheiden, maar wel heel enthousiaste groep lopers. Afgelopen dinsdag waren er 26 leerlingen van de partij. Tel ze maar na op de foto.

Dat ik die mijlmomenten magisch vind, is niets overdreven. Moeilijker is het om uit te leggen wat daar nu precies zo bijzonder aan is. Onze school ligt aan de ring in Leuven wat niet meteen een inspirerend parcours oplevert. Integendeel: we lopen langs de ring en moeten meestal twee keer bij het stoplicht wachten om over te steken. Door de jeugdige explosiviteit moet ik al meteen in turbomodus gaan om de eersten te kunnen volgen. Ik pas ook wijselijk voor de sprint die de die hards de laatste 100 meter inzetten. In mijn eentje zou ik niet op die manier 10 minuten lopen. Dat is echter helemaal ondergeschikt aan de positieve sfeer van samenhorigheid die er heerst gedurende die 1,6 kilometer. We doen iets heel eenvoudigs, maar het gebeurt samen. Hoewel we niet samen finishen, is er geen winnaar of verliezer. De koplopers leggen hun mijl af met twee vingers in de neus en zonder een druppel zweet te verliezen. De gezelschapslopers laten zich begeleiden door een stevige beat en met gebabbel. De doorzetters zijn elke dag weer blij dat het laatste stuk wat bergaf loopt.

Het valt op dat als er in een klas een harde kern van lopers ontstaat het project helemaal tot leven komt in die klas. Elke leerling voelt zich dan betrokken en wil zijn steentje bijdragen. Omgekeerd geldt ook dat als er minder animo is, het moeilijker wordt om de trein op gang te krijgen. Ik bekijk het zo dat elke leerling die mee komt een overwinning is. Aanmoedigingen en complimentjes geven: dat werkt voor ons allemaal immers stimulerend. Ik kijk uit naar nog meer magische mijlen. En wie er nog aan mocht twijfelen: een mijl kan je ook in jeansbroek lopen.

 

De gedachte – Over jongeren en beweging #2

Beweging werkt, dat was de titel van de studiedag die ik dinsdag bijwoonde over beweging op school of beter gezegd: het gebrek daaraan. De Vlaamse overheid richtte de studiedag in om de resultaten van het pilootproject Scholen in beweging te bespreken en concrete tips aan te reiken voor één ieder die zich op zijn school wil engageren voor een bewegingsbeleid. Dat mag zich namelijk niet beperken tot de lessen lichamelijke opvoeding. Ik voelde me dus aangesproken (duh). Het was een leerrijke dag waarbij ik met mijn neus op de harde feiten werd gedrukt. Ik kreeg heel wat ideeën om meer beweging te integreren in de klaspraktijk. Zoals ik al eens vertelde organiseer ik tijdens de middagpauze op mijn school  – Koninklijk Atheneum De Ring in Leuven: beter gekend als de beste school van het land – een eigen versie van het One Mile project. Ik geef Nederlands en ik beschouw het dus als een uitdaging om ook tijdens het reguliere lesgebeuren een dynamische werkomgeving te creëren waar er letterlijk ruimte is voor beweging.

Terug naar Brussel, waar in de voormiddag cijfers en theoretische kaders centraal stonden. Directieleden en leerlingen deelden hun ervaringen als pilootschool die een gemoderniseerd bewegingsbeleid op poten zette. Het zal niemand verbazen dat die ervaringen overwegend positief waren. Bovendien bevestigden zij mijn gevoel: maar liefst 90% van de ondervraagde jongeren gaf aan meer te willen bewegen op school. Dat is zonder meer goed nieuws. Hou je vast, want nu volgt het slechte nieuws. De onthutsende realiteit is dat kleuters de beste leerlingen van de klas zijn met slechts 48% die dagelijks voldoende beweegt. Geen reden tot feest dus. Vanaf dan gaat het alleen maar bergafwaarts. Het absolute dieptepunt ligt bij de leerlingen waar ik les aangeef. Bij de jongens tussen 15 en 18 jaar heeft amper 15,6% dagelijks voldoende beweging. De meisjes in diezelfde categorie doen het nog slechter met een bijzonder pijnlijke 7,1%. Volwassenen scoren met 40% wel beter, maar dat is nog steeds een dikke onvoldoende. Auch.

Kennen jullie trouwens de bewegingsdriehoek van het Vlaams Instituut Gezond Leven al? De rode zone met boter en biefstuk in de voedingsdriehoek wordt in dit model vervangen door grote boosdoener stilzitten. Het advies is om na 30 minuten zitten even recht te staan. Beweging wordt ingedeeld volgens drie categorieën. Licht intensief bewegen moet je dagelijks doen: bijvoorbeeld de trap nemen of een stukje te voet gaan. Elke dag zou je ook matig intensief moeten bewegen. Hieronder valt een verplaatsing met de fiets of in de tuin werken. Hoog intensief bewegen levert je de meeste gezondheidsvoordelen op en zou je wekelijks moeten doen. Sporten dus: een keer gaan lopen of je uitleven op de sportclub. Elke stap telt, dat is het motto. Over de fameuze 10.000 stappen wordt overigens met geen woord gerept. Dat voor sommigen heilige aantal is op geen enkele manier wetenschappelijk onderbouwd. Het staat buiten kijf dat kinderen en jongeren dagelijks meer moeten bewegen dan 10.000 stappen. Bovendien druisen zittende lesuren van 50 minuten in tegen de aanbeveling. Enter de bewegingstussendoortjes. Zonder twijfel het woord van de dag.

Tot op zeker hoogte kan ik genieten van een ritje op de theoretische denktank-trein om me te laten meevoeren naar pakweg een gezondheidsmatrix. Achter zulke modellen gaat vaak veel logica schuil die iemand met een analytische geest heeft samengebracht in een standaardmodel. De doener in mij kreeg na verloop van tijd echter een overdosis aan beleidswerking op papier en een draagvlak creëren als toverformule. Ik bereikte een breekpunt toen een Nederlandse onderzoeker uit de doeken kwam doen wat haar onderzoek naar onderzoeken (ja serieus) over het verband tussen beweging en schoolresultaten had opgeleverd. Een onderbreking van de zitmodus leverde een verbetering van de concentratie op, maar geen enkel onderzoek kon aantonen dat beweging ervoor zorgde dat leerlingen betere schoolresultaten haalden. Ja en dan? Evaluaties zijn een middel, geen doel op zich. Ik ga met mijn leerlingen lopen omdat een gezonde geest in een gezond lichaam huist. Voldoende bewegen hoort bij een gezonde levensstijl en daar moeten wij op school het goede voorbeeld in geven. Bovendien geldt samen bewegen als een verbindende activiteit die de klassfeer en het individuele welzijn ten goede komt. Onrechtstreeks kan dit alles bijdragen aan verbeterde schoolprestaties. Ik heb geen cijfers nodig om die positieve ervaringen te bekrachtigen.

Iemand vergeleek een bewegingsbeleid met een tank: een lomp ding dat maar mondjesmaat vorderingen maakt. Naar mijn idee een pessimistische visie. Akkoord, je kan soms beter even nadenken vooraleer je jezelf verliest in te ambitieuze plannen waardoor er na een blitzstart niets meer gebeurt. Het ligt echter meer in mijn aard om vol enthousiasme eerst wat dingen uit te proberen in de klas, mijn bevindingen te delen en die vervolgens met collega’s uit te werken tot de eerste stappen van een beleid. Hier duiken de bewegingstussendoortjes weer op. Ik wil wel eens zien wat het geeft als je na 30 minuten de les onderbreekt voor een korte energizer of een ademhalingsoefening om het zitpatroon te onderbreken. Ook met de klasinrichting wil ik experimenteren door leerlingen de mogelijkheid te geven om de les afwisselend zittend en staand te volgen. In Scandinavische landen (het onderwijs walhalla) behoort dit al tot de standaard. Voor mij is het een grote uitdaging om dit te realiseren met beperkte middelen. Gelukkig borrelen er al heel wat creatieve ideeën in mijn hoofd. Ik zal dus eerst mijn eigen draagvlak zijn.

Maandag was de kick-off van het One Mile project bij ons op school. Leerlingen van het vierde jaar kunnen vrijwillig aan het begin van de middagpauze een mijl gaan lopen onder begeleiding van enkele geëngageerde collega’s. Met de juiste aanpak zijn leerlingen echt geen luie donders. Het kan geen toeval zijn dat net deze week de zon doorbrak. Beweging werkt, wees daar maar zeker van. Doe het gewoon eens.

De gedachte – Weg met Blue Monday!

Morgen is het Blue Monday. Blue Watte? Deprimaandag: zogenaamd de meest deprimerende dag van het jaar. Heel toevallig valt die dag elk jaar op de maandag van de laatste volle week van januari. Jawel. Het concept werd in 2005 bedacht door een PR-bureau om de commercie na de feestperiode weer aan te zwengelen. We moeten natuurlijk iets kopen om die donkere dag te kunnen verslaan. Et voila: de portemonnee kan ongegeneerd worden geopend. Zulke doorzichtige verkoopspraatjes kunnen maar beter overgoten worden met een wetenschappelijke saus. De Britse psycholoog Cliff Arnall liet zich rijkelijk vergoeden om een wetenschappelijke formule te bedenken en zijn naam aan Blue Monday te verbinden. Een slimme carrièrezet was het niet, want de universiteit van Cardiff distantieerde zich van Arnall en diens uitspraken. Blue Monday: dat is je reinste onzin. En ik zal het bewijzen ook.

Arnalls zogenaamde formule is opgebouwd uit de volgende elementen: het weer, de af te lossen schulden, het maandelijkse salaris, het aantal dagen tot het weer kerst is en het motivatieniveau. We zouden ons morgen dus massaal depressief voelen omdat we ten volle beseffen dat we die goede voornemens niet hebben kunnen waarmaken en dat we nog een aardig bedrag van de hypotheek moeten afbetalen. Bovendien zou het ook slecht weer zijn en moeten we nog ruim 11 maanden wachten tot de feestdagen hard op de deur komen kloppen. Wie niet in het bezit is van een huis, kan zich wellicht daar uitgerekend morgen ernstige zorgen over maken. Wie deze maand net opslag heeft gekregen, zal wellicht op meer hebben gehoopt. Dat we morgen een mooie zonnige winterdag voorgeschoteld krijgen, doet de geloofwaardigheid nog meer kelderen. Kortom: het kleinste kind voelt dat de formule rammelt langs alle kanten.

Het is een misvatting van formaat om te veronderstellen dat we het hele jaar toeleven naar de feestdagen. Alsof dat de ultieme dagen zijn waarop we ons opperste geluk beleven omdat we zogenaamd niets moeten doen, behalve dan veel eten. Alsof dat de uiterste vorm van zingeving is in onze levens. Ik denk dat weinig mensen De Feestdagen op hun lijstje plaatsen met gebeurtenissen waar ze zoal naar uitkijken in 2019. Die periode heeft absoluut z’n charme, maar niemand wil toch dat het altijd Kerstmis is? Vergeet niet dat velen vooral blij zijn dat ze de feestdagen weer zijn doorgekomen. Of hoe de zogezegd gezelligste periode van het jaar ook veel gemis en eenzaamheid in de hand werkt. De zomer is op dit moment veel dichterbij dan de donkere decembermaand. Van een lichtpuntje gesproken.

Misvatting nummer 2 is dat maandag de zwaarste dag van de week is. Die dag is immers het verst van het weekend verwijderd. Alsof we alleen in het weekend echt kunnen leven. Alsof we onze voldoening louter halen uit weekendactiviteiten. Vrije dagen zijn zo aangenaam juist omdat je werkgerelateerde activiteiten hebt en een weekroutine. Maandag is in mijn ogen dan ook geen lastige dag. Sterker nog: ik ben doorgaans bijzonder productief op maandagen. Vaker beleef ik een dinsdagdip omdat ik vaak dan pas een klopje krijg van de inspanningen van het weekend. Wie kent trouwens niet het typische zondagsgevoel? Maandag kan dan alleen maar aanvoelen als een opluchting.

Hoe het ook zij, we lijken wel nood te hebben aan het idee van een depridagje, ook al wordt Blue Monday met de nodige ironie aangekondigd in de media. Slechts één dagje per jaar mogen we ons dus schaamteloos depressief voelen. Lastig. Het sluit aan bij de maakbaarheid van ons leven. Mijn advies: doe niet aan goede voornemens. Wacht niet tot in januari om het over een andere boeg te gooien. Zoek een echte motivatie in plaats van wat anderen je opleggen. Durf ambitieus te zijn, maar wees vooral ook realistisch. Weet dat het 20 dagen kost om een gewoonte te veranderen. Lang leve de routine en structuur van het dagdagelijkse leven. Hoera voor de wekker die afgaat zodat we iets van onze dag kunnen maken. Ik breek een lans voor elke maandag!