Als ik een boek was…

De examenperiode is in volle gang. Het is 30 graden en ik zweet me een ongeluk. Ik denk na over het afgelopen schooljaar. Wederom een ander schooljaar, weer een raar jaar. Een schooljaar waarin we uitblonken in improviseren, waarin gewoon in de klas zijn bijzonder werd, waarin we allemaal veel te veel achter een scherm moesten zitten. Het afgelopen jaar viel ook mij met momenten zwaar. Ik miste veel en probeerde blij te zijn met wat er wel was. Ik slaagde daar behoorlijk in. Voor jongeren daarentegen was het gebrek aan echt sociaal contact veel meer een ernstige inbreuk op hun levensstijl. 65% van de jongeren had het mentaal moeilijk tijdens de eerste coronagolf. Niet omdat het een gepamperde generatie is, niet omdat het watjes zijn, maar omdat alleen zijn indruist tegen het DNA van een jongere. Het is een cijfer om stil van te worden. Ik hoorde veel leerlingen klagen en zuchten. Ik zag hen vooral ook kei hard hun best doen. 

Waar ik gelukkig van word zijn leerlingen die hun leeservaringen delen. Een leerling die een boek graag gelezen heeft (soms tegen alle verwachtingen in), maakt van mij een tevreden leraar. Mijn leerlingen van het vierde jaar (15 à 16 jaar) vulden nog enkele vragen in over hun leesjaar. Ik vroeg hen ook om de zin Als ik een boek was aan te vullen. Het mooie aan vierdejaars is dat ze dat geen rare vraag vinden. Vlot formuleerden ze een antwoord, gaande van licht en luchtig tot overpeinzend en filosofisch. Hier volgt een bloemlezing met poëtische allures.

ALS IK EEN BOEK WAS…
zou ik geen cover hebben
zou ik een open boek zijn
zou ik gesloten blijven
zou ik veel prijzen winnen
zou ik stoffig worden in de kast
zou ik in de spiegel kijken om mezelf beter te leren kennen
zou ik zo dik mogelijk willen zijn om veel te kunnen vertellen
zou ik een strip zijn waarin weinig wordt gezegd, maar veel gebeurt
zou ik fantasy zijn die achteraan in de kast stof staat te vergaren
zou ik een roman zijn met een sterk verhaal en een vleugje magie
zou ik gelezen willen worden door mensen die ik zelf ook zou lezen
zou je met elke omgeslagen pagina verliefder worden op het leven
zou je me vaker moeten lezen om me te begrijpen
zou ik mensen inspireren met mijn levensverhaal
zou ik mijn pagina’s sluiten en me niet laten lezen
zou iedereen klagen omdat ze de afloop al kenden
zou niemand begrijpen waar het verhaal over gaat
zouden mijn ouders dit boek niet mogen lezen
zou mijn moeder een boom zijn

IMG_5250b

Het moment – Een memorabele 51 km

Er was eens een loper. Ze woonde in een charmant dorp zonder bos en wilde graag eens 51 kilometer lopen. Om haar missie te volbrengen riep ze de hulp in van vijf andere lopers, zeven fietsers, een handvol toegewijde supporters en een hond. Na 51 kilometer bereikte ze haar doel. Ze leeft hopelijk nog lang en gelukkig.

Om lang te lopen kan je maar beter kinderlijk naïef zijn en uitgaan van het meest gunstige scenario. Niet denken aan beren op de weg in de vorm van verzuring, buikkrampen en klopjes in alle soorten en maten. Over het hoe en waarom van die 51 kilometer vertelde ik al eerder. Een doel hebben is leuk omdat je ergens naartoe kan leven. Zaterdag rustdag, zondag duurloopdag: dat was het plan. Zaterdag deed ik dus niet veel. Ik dronk veel water, at een stapel boterhammen en las veel pagina’s. Zondag 16 mei ging de wekker om 5u30. Wie lang wil lopen, moet vroeg opstaan. Er stonden nog eens havermoutpannenkoeken op mijn ontbijtmenu. Nadat ik die met smaak had weggewerkt, begon het aftellen. Om 9u stipt zou ik namelijk beginnen aan mijn ultra-vriendenloop en aangezien de betrokkenen mijn live-locatie konden volgen, kon ik niet ongemerkt vroeger starten. Ik had me dus strikt aan het opgegeven tijdsschema te houden.

KNTW2652

Twee minuten voor de start stond ik klaar aan de kerk in mijn dorp. Daar was helemaal niks te beleven. Ik denk dat het slechts zelden gebeurt dat iemand er al gierend van de adrenaline selfies staat te maken in een provisoir startvak. Het weer zat alleszins mee. Ja, dit moest en zou onze dag worden! Om 9u stipt ging ik van start. Traditiegetrouw liep ik mijn eerste kilometers zogezegd ingehouden, maar eigenlijk veel te snel. Ik zou 18 kilometer alleen lopen via mijn woonwerkloopverkeer. Omdat die kilometers grotendeels off-road liepen, beschouwde ik ze als een niet te onderschatten onderdeel van mijn loopavontuur. Bovendien had ik niet echt rekening gehouden met de wind die mij in het vizier kreeg tussen de velden. Op zo’n momenten zit de wind altijd tegen. Ik was dan ook heel blij toen ik na een solo van anderhalf uur een eerste gezelschapsloper kreeg: niemand minder dan mijn jeugdvriendin Elizabeth. Na een pittige verhuismaand had zij toch de energie gevonden om wat kilometers mee te draaien. Ook jeugdvriend Rembert voegde zich bij ons en natuurlijk was er ook mama op de fiets. Ik vergat helemaal dat ik al een halve marathon gelopen had.

ADAG8737

De sfeer in mijn privé-peloton was zo goed dat ik de route wat uit het oog verloor, net op een punt waar ik wat minder thuis was. We zouden namelijk langs Murielle lopen, maar ik miste een afslag, waardoor we een stukje moesten freestylen en zelfs teruglopen om Murielle op te pikken. Inmiddels sloeg de verhuisvermoeidheid toe bij Elizabeth, maar wie haar een beetje kent (ik dus), weet dat zij een opper-bikkel is die blijft gaan. Met drie vriendjes en een mama liep ik dus richting Parkpoort. Vanaf daar liep ik alleen verder met Murielle. We passeerden langs een enthousiaste Pieter-Jan en Joost, die met de ramen wijd open een stevige beat door de Leuvense straten lieten weerklinken. Het was duidelijk dat zij ervaring hebben met de muzikale ondersteuning bij loopevenementen. Wat verder sloot Marike zich fietsend aan en ging het verder richting Arenberg in Heverlee. Heel vertrouwd terrein, aangezien het vijf jaar mijn (loop)habitat geweest is. Mijn geliefde Heverleebos lieten we links liggen en dan was het alweer tijd om afscheid te nemen van Murielle. Ik vervolgde mijn route langs mijn oude straat in Heverlee. Nog bekender terrein dus. Zo bekend dat ik vergeten was dat je daar anderhalve kilometer lang stevig omhoog loopt. Mijn onvermijdelijke pré-30km-klop was een feit. Ik voelde wat buikkrampen, besefte dat ik nog een heel eind te gaan had en ik wist: ja, dit is duurlopen.

OFIQ2468

Ik moest nog een halve marathon rond kunnen draaien, dat lukte wel, maar toch: het deed pijn. Heel raar is dat niet. Ik lijk dat onderdeel van duurlopen echter altijd wat te vergeten. Gelukkig kon ik de Sigarenberg in Herent – sinds de Everestprestatie van Seppe ook wel Mount Odeyn genoemd – redelijk gezwind naar beneden lopen. Langs de spoorweg ging het verder richting Vaart. Terwijl we een eerste (en enige) buitje over ons heen kregen, begon ik af te tellen naar het gezelschap van fris lopersbloed. Een nieuwe lichting lopers diende zich namelijk aan: niemand minder dan Roos en papa. In hun gezelschap liep ik al ettelijke kilometers, zag ik al behoorlijk wat sterretjes en stierf ik zelfs al meerdere doden. Het deed me echter plezier om weer langs de Vaart, mijn Vaart, te lopen: een stuk asfalt waar ik honderden duurkilometers liep. Toen Seppe nog een stukje meefietste waren we plots als gezin compleet. Wat een verrassing!

NYIO6640

HOIO6508

Zo gezellig als het klinkt, zo lastig had ik het wel. Dat familieloopje voelde allesbehalve aan als een koffiekransje in intieme kring. Ik had er ondertussen een kilometer of 38 opzitten en ik stelde mezelf oprecht de vraag waarom ik niet “gewoon” een marathon had kunnen lopen, want dan was ik er nu bijna. Die 9 kilometer die ik langer zou lopen, leken een marathon op zich. Ik had beter moeten trainen, dat schoot meermaals door mijn hoofd. Onzin natuurlijk, want ik liep nog altijd een stevig tempo aangezien ik mijn marathon kon afklokken op 3u43. De lange staart die de marathon kreeg, kostte me steeds meer energie. Ik keek reikhalzend uit naar mijn laatste supportersclub: An, Wim, Lieselore, Reinout én Milo. Na de ellendige kasseien in Wakkerzeel met 47 kilometer op de teller zag ik hen: hyper-enthousiast en extreem aanmoedigend met gepersonaliseerde opschriften en al! Dit was wat ik nodig had om die 51 kilometer af te haspelen. De laatste loodjes deden pijn, maar desondanks kon ik genieten van het mooie gezelschap dat ik rond me had. Aan de finish in Rotselaar stonden Niko, Peter, Leah en mijn eigen peter Mark. Jawadde zeg, een looptocht van 51, 14 kilometer in 4u33. De zon scheen, de vlaggetjes hingen uit en ik was een tevreden mens.

TZSR1037

Lopen blijft een eenvoudige en veelal eenzame bezigheid. Juist daarom hou ik er zo van en kon ik ook eens zo hard genieten van die hele entourage rond mij. Op zondag 16 mei was lopen een teamsport. Mijn vriendenloop bracht me meer dan verwacht. De beleving was intens, de ontroering eens zo groot. Het was een moment om stil te staan bij het feit dat ik al zeven jaar een afstandsloper ben. Zeven jaar van gaan-gaan-gaan, van pieken en dalen, soms aan mezelf voorbij lopen, maar bovenal lopen met hart en ziel. Ik loop nu meer dan ooit omdat ik er gelukkig van word. Ik loop ook omdat ik er anderen mee hoop te inspireren: dat je niet moet voldoen aan een slankheidsideaal om een duurloper te zijn, dat je moet durven dromen en dat je soms gewoon moet doen. Ik besef dat ik dankbaar moet zijn omdat ik een lijf heb dat dit fysiek aankan. Ik besef dat ik deze loper geworden ben dankzij een bende lieve mensen om me heen, die me niet alleen steunen, maar ook blij zijn als ze deel kunnen uitmaken van mijn dromen. Een dikke merci is hier dus op zijn plaats: voor zij die erbij waren, voor zij die vanop afstand en van thuis uit hebben meegeleefd. Voor mijn trouwe lezers en mijn volgers. Jullie zijn de beste!

XHLJ2131

Waarom ik vanavond zeker naar het Eurosongfestival kijk

Ik werd deze week vaak wat meewarig aangekeken als ik me enthousiast uitliet over het Songfestival. Vooral omdat ik oprecht enthousiast was en zonder enige schroom vertelde dat ik genoten had van de halve finales en de bijhorende Spotify-lijst. Het Songfestival is voor mij geen guilty pleasure (één van die woorden waar ik een hekel aan heb), maar een ongegeneerd pleziertje. Ik geef jullie graag vijf goede redenen om vanavond af te stemmen op Eurovision en enkele uren voor de tv te hangen.

  • Omdat het Songfestival bij onze immer enthousiaste noorderburen doorgaat. Dat hebben ze te danken aan de verdiende winnaar van 2019: Duncan Laurence. Rotterdam is bovendien één van mijn favoriete Nederlandse steden waar ik heel mooie (loop)herinneringen aan heb. Op deze blog kon ik meegenieten hoe Eurovision de Rotterdamse buurten vorm en kleur gaf.
  • Omdat het Songfestival het feest van de diversiteit is. Europa is er gekleurd, genderfluïde en meertalig. Alles kan, alles moet zelfs. Ook binnen de drie minuten dat een euro-song duurt, voert diversiteit vaak de boventoon. Go_A brengt met een unieke zangtechniek (die klinkt als een schreeuw) Oekraïense folklore in een elektronisch jasje als ode aan de natuur. De Italiaanse rockband (met Deense naam) Måneskin won de Eurostory Best Lyrics Award en toont daarmee aan dat je ook stilistisch verfijnd kan roepen.
  • Omdat het Songfestival naast een visueel spektakel zeker ook een podium is voor uitstekende zangers. De Franse (met Servische roots) Barbara Pravi raakt mij keer op keer met haar klassieke chanson Voilà (dat simpelweg gaat over het leven). De Zwitserse inzending Gjon’s Tears brengt een ballade mét dancemoves waarbij je je afvraagt hoe hoog een mens kan zingen. Adembenemend hoog, zo blijkt!
  • Omdat het Songfestival nu meer dan ooit symbool staat voor hoop. De hoop op een gelijkwaardige behandeling voor elke burger, de hoop op een betere wereld, eentje waar we weer bijeen mogen komen om naar een feestje te gaan. Natuurlijk staat zo’n festival bol van de clichés en schuilt er onder de kilo’s glitter een commercieel verpakte boodschap. We zijn allemaal voor de underdog, janken een potje over de liefde, houden een vurig pleidooi voor een duurzamere wereld en we breken een lans voor female empowerment. Hell no, I am not your honey: zoals de Maltese Destiny het met opzwepende Charleston-vibes weet te brengen. Hoe kan je daar iets op tegen hebben?
  • Omdat het Songfestival het ideale familieprogramma op zaterdagavond is. Mijn eerste levendige Songfestival-herinnering gaat terug naar het jaar 1996 toen Lisa del Bo ons land vertegenwoordigde met Liefde is een kaartspel, een liedje dat Seppe en ik stiekem heel goed vonden. We mochten chips eten voor de tv en lang opblijven. Ik zorgde voor de puntenlijsten. Vooral papa had een ongezouten mening over elke act. Voor hem mocht het niet te traag en kwelerig zijn. We maakten kennis met vriendjespolitiek en we vonden het heel onrechtvaardig dat Malta wél in het Engels mocht zingen. Vanavond kijk ik, net zoals twee jaar geleden, samen met Roos en Sien. Douze points voor sfeer en gezelligheid!

Marathonpraat – Hoe dat toen ging bij mijn eerste marathon

Leiden, 17 mei 2015. Roos en ik staan aan de start van onze eerste marathon. Een jaar nadat we echt begonnen te lopen brak M-day aan. Dat eerste marathonkindje bracht uiteindelijk alles wat ik ervan verwachtte: we hadden een plan en hielden ons daar aan. We liepen een mooi tempo, kregen het zwaar en we finishten. Zes jaar later is de herinnering aan die dag één grote waas, al zijn er ook momenten die me nog haarscherp voor de geest staan. Bij deze een inkijk in mijn eerste marathonervaring.

  • De avond voor de marathon gingen we eten bij de Italiaan. Ik dacht dat een vegetarische lasagne het ideale marathondiner kon zijn. Hoewel het me zeker niet slecht beviel, blijf ik dat een vreemde keuze vinden.
  • Roos en ik overnachtten bij mijn studievriendin Machteld. We sliepen voor het eerst gezusterlijk op een luchtmatras en dat beviel wonderwel goed. Voor we gingen slapen, las ik Roos voor uit een trainingsboek voor marathonlopers. Zij vond dat heel rustgevend.
  • Nadat wij ons ontbijt hadden weggewerkt, wilden we onze gastvrouw (die onder de douchte stond) helpen door de afwas te doen. Bleek dat zij hierdoor letterlijk een koude douche kreeg.
  • Ik was het hele Hemelvaartweekend al snipverkouden en op marathondag bereikte die verkoudheid een hoogtepunt. Ik kon niet door mijn neus ademen. In normale omstandigheden kies je er dan voor om het een dag rustig aan te doen. Als je een marathon gaat lopen, dan doe je dat gewoon.
  • De marathon van Leiden ging van start om 10u30, dat is erg laat. Zeker als het een zonnige dag is met 21 graden. In normale omstandigheden ga je dan lekker in de zon liggen. Als je een marathon loopt, dan zie je af.
  • Ik kon niet door mijn neus ademen, waardoor ook mijn gewone ademhaling veel lawaai maakte. Dat is toch wat Roos mij altijd vertelt. Zij maakte dan weer rare geluiden als ze kokhalsneigingen kreeg van de sportgels.
  • De organisatie beloofde ons veel entertainment langs het parcours. Ja, dat kunnen die Nederlanders wel, dachten wij. In het dorpje Oud-Ade gingen de mensen helemaal los, maar verder benadrukte het parcours door de Nederlandse polders vooral de eindeloosheid en saaiheid van de marathon. Je was al blij als je eens een koe in de wei zag staan.
  • Marike en mama waren natuurlijk onze bevoorraders op de fiets. Zij probeerden ons heel de tijd moed in te praten door te zeggen dat de wind bij het volgende stuk echt wel ging mee zitten. Uiteindelijk bleek die wind een heel vuil spel te spelen.
  • Ik zou tijdens latere marathons nooit meer zoveel sportgels en -drank wegwerken. Dat maakte echter deel uit van het plan, dus deden wij dat zo.
IMG-20150517-WA0004
Ik vind dat wij er hier veel te fris uitzien voor een kilometer of 35 gelopen te hebben. Op basis van deze foto gaf Machteld ons de bijnaam Jansen & Jansen: de gelijkenis is treffend.
  • Toen we eindelijk Leiden terug in liepen, voelde ik me een baksteen op benen. Ik kwam in straten die ik nooit eerder gezien had, wat een prestatie is voor iemand die twee jaar gewoond heeft in de kleine stad die Leiden is.
  • Toen we finishten riep de speaker iets over onze familiale band en hij suggereerde dat we nog een sprintje zouden doen om de eer van de familie hoog te houden. Euh? Niet dus!
  • Niko kwam ons ophalen met de auto. Ik zat als een lijk op de achterbank en voelde me met de minuut miserabeler worden. We stopten bij een tankstation om naar de wc te gaan en ik vroeg me echt af of ik ooit nog normaal zou kunnen stappen.
  • De dagen nadien leek ik op halve hersencapaciteit en een kwart lichaamskracht door het leven te gaan. Ik deed mijn werk, voelde mij euforisch, maar ik kon er ook niet optimaal van genieten en trots zijn omdat ik de inspanning nog steeds voelde.
  • Achteraf gezien is het zwaarste aan een eerste marathon het feit dat je niet weet wat er nog zal komen en hoe je je daarbij zal voelen. Als je het lastig krijgt, kan je je niet voorstellen dat je het nog lastiger zal krijgen en dat je dan kan overleven. Om die reden is een eerste marathon finishen de allergrootste overwinning die je kan behalen.
  • 3:55:47 is absoluut een mooie tijd, zeker voor een marathondebuut. Het is en blijft voor ons allebei wel de traagste marathon die we liepen. Ook in mijn beleving was dit een marathon van de heel lange adem, een beetje alsof het een dubbele marathon was. 
  • De andere cijfers van die eerste marathon tonen aan dat we een constante race liepen: de tweede helft weliswaar ietsje trager, maar wel altijd met een constante hartslag rond de 154. Met amper 38 hoogtemeters is ook aangetoond dat Leiden en omgeving zo vlak als een biljarttafel zijn.

IMG-20150517-WA0006

Loperspraat – De ultieme vriendenloop

Zeg Joke, had jij nu geen ambitieuze loopplannen voor het voorjaar? 
Jazeker! Ik kon namelijk niet nog eens een voorjaar laten passeren zonder groot loopproject (grijnst). Daarom onderneem ik zondag nog eens een stevige looptocht. Het doel: 51 kilometer van Tienen tot in Rotselaar via bekend terrein en in goed gezelschap.

Oké, 51 kilometer: WAAROM?
Tja (denkt na) omdat ik daar zin in heb. Als ik een marathon loop, dan wil ik een duidelijk omlijnd concept mét een doel. En ik kon dus niet echt iets bedenken dat aan die voorwaarden voldeed. Bovendien is een marathon lopen voor mij toch altijd wat beladen. Na mijn ultraloop in december besefte ik dat low-profile 50 kilometer lopen, gewoon omdat het kan en mag, echt leuk is. Ik kwam dus tot de conclusie dat langer dan een marathon lopen voor mij vrijblijvender aanvoelt dan een marathon zelf (lacht).

En dat gezelschap, wat mogen we daar van verwachten?
Als er iets is wat ik het afgelopen jaar meer dan ooit heb leren waarderen, dan is het lopen in gezelschap. In deze tijden is het de kunst om te denken in mogelijkheden in plaats van in beperkingen. Probeer in normale omstandigheden maar eens agenda’s af te stemmen op een zondag om bij vrienden en familie tijd te claimen om een stukje mee te lopen of fietsen: onmogelijk! Wel, nu is er ruimte in die agenda’s. Ik zou zelfs durven zeggen dat mensen blij zijn dat iemand een zot plan heeft waar ze bij kunnen aansluiten. Dat is ook wat ik zag tijdens die straffe looptocht van mijn broer: zoals wel vaker was dat inspirerend. Het wordt dus een ultra looptocht als ode aan de vriendschap: de ultieme vriendenloop.

Heb je je hier de afgelopen maanden dan grondig op voorbereid?
(aarzelt) Ja en nee. Ik fiets en loop altijd wel behoorlijk wat, maar specifieke marathontrainingen liet ik achterwege. Geen intervals of lange duurlopen dus. Mijn woonloopwerkverkeer beschouwde ik als een test om te zien of ik het betere duurloopwerk nog in me had zonder doorgedreven training. Ik had toch het idee dat mijn conditie nog bovengemiddeld goed was en gaf mezelf dus groen licht voor een uitdaging van dit formaat.

We zijn benieuwd naar het verhaal achteraf. Veel succes!
Bedankt! Ik zal er een sportieve lap op geven en als dat tegenvalt: dan is het verhaal achteraf eens zo interessant.

Loperspraat – 46 kilometer functioneel loopplezier

Het is nog steeds dik aan tussen de steenweg en mij. Die twee uur per werkdag dat ik op mijn fiets zit, zijn helemaal van mij. Of toch van mij en de steenweg. Als loper stond het echter al lang op mijn wensenlijstje om eens naar of van mijn werk te lopen. Het huidige deeltijdse lessysteem biedt ook meer mogelijkheden om al lopend woonwerkverkeer af te haspelen. Ik moet elke dag op school zijn, maar heb wel meer tijd om me van en naar het werk te begeven en daar, desgewenst, van te recupereren. Zo gebeurde het dat ik vorige week in twee etappes 46,12 kilometer liep binnen een tijdspanne van 25 uur. Woensdag fietste ik naar school en liep ik naar huis, donderdag maakte ik de omgekeerde beweging: twee functionele en bijzonder plezierige duurlopen.

Waarom zou je nu 23 kilometer van je werk naar huis lopen en de dag nadien nog eens hetzelfde in de andere richting? Om te beginnen omdat het een uitdaging is. Een kans om in deze bizarre periode nog eens positieve spanning te ervaren, ergens naartoe te leven en uit het normale alledaagse te breken zonder jezelf of anderen in gevaar te brengen. Om nog eens iets zots te doen dat ergens ook nuttig is en waar helemaal niemand last van heeft. Ik zweer al jaren bij zondag duurloopdag, maar ik besefte dat duurlopen tijdens de week ook zo gek niet is. Je werkt een hele week, dat is vermoeiend, en als je dan in het weekend kan uitrusten ga je op zondagvoormiddag een paar uur lopen, dat is ook vermoeiend. Er valt dus iets voor te zeggen om tijdens de week kilometers te maken en rust te nemen in het weekend. In mijn hoofd was deze onderneming kortom pure logica.

IMG_4596b

IMG_4599b

Duurlopen als volwaardig vervoermiddel vergt echter wel wat voorbereidingen. Ik moest bijvoorbeeld een route bedenken. Toegegeven, het heeft door mijn hoofd geflitst om simpelweg over de steenweg te lopen (“slechts” 20 kilometer en bekend terrein). Als eenzaam lopertje zou ik me wel erg kwetsbaar voelen en de kans onbenut laten om het onbekende terrein achter de steenweg te verkennen. Na een uitgebreide studie van de omgeving in kaartvorm, kwam ik tot de conclusie dat ik de spoorweg, die parallel loopt met de steenweg, als oriëntatiepunt kon gebruiken. Ook bagage-gewijs moest ik goed nadenken wat ik woensdagochtend op de fiets meenam en op school zou achterlaten én wat ik zeker in mijn looprugzak mee naar huis moest nemen. De juiste sleutels waren vooral onontbeerlijk: woensdag moest ik in mijn huis kunnen en donderdag op school in de douche om presentabel voor de klas te kunnen staan. 

Over de beleving van mijn woonwerkloopverkeer kan ik kort zijn: mannekes, wat was het mooi en wat heb ik er intens van genoten! Wonder boven wonder verliep ook mijn improvisoire oriëntatie zonder enig probleem. Ik keek mijn ogen uit en liep over charmante kasseistroken, zomerse zandweggetjes en holle wegen. Ik kwam in dat niemandsland amper mensen tegen en juist daarom leek het onwezenlijk dat dit woonwerkverkeer was. Meermaals zei ik tegen mezelf (hardop, zo ben ik wel) dat ik echt een gelukzak was dat ik dit mocht en kon doen. Daarmee wil ik niet zeggen dat mijn looptocht moeiteloos verliep. De eerste etappe was het behoorlijk warm en dat voelde ik toen ik thuis aankwam. Dorst, dorst, dorst. De tweede etappe viel nog beter mee dan ik had durven hopen. Ik bespeurde amper stijfheid in mijn benen en ik liep zelfs wat sneller dan de dag voordien. Omdat het toch wel even geleden was dat ik nog 20 kilometer liep, had ik niet durven hopen dat ik twee keer na elkaar vlotjes 23 kilometer ruim binnen de 2 uur kon afwerken. Nog maar eens een bevestiging dat de duurloopmodus een soort van tweede natuur geworden is. 

De vermoeidheid die ik op school amper leek te voelen, sloeg wel dubbel en dik toe op de terugweg donderdag met de fiets. Het leek alsof elke meter voorbij kroop. Ik voelde me een slak die in plaats van een huisje een zware fiets moest meesleuren. Al zuchtend, droomde ik van vrij en blij door velden te lopen en hoe ik dan veel sneller thuis zou zijn. Ik wierp vol verlangen een blik op mijn geheime wereld, waar ik zo nu en dan een glimp van kon opvangen, achter de steenweg. Ik fiets graag, echt graag, maar lopen dat is het pure geluk.  

IMG_4592b

Het portret – Brief aan mijn liefste meter Sien Eggers

Liefste meter

Jij wordt vandaag 70 jaar. Ik ben er 35. Dat betekent dubbel geluk, samen 105 jaar en ontelbaar veel verhalen over ons samen, van vroeger en van nu.

Er valt veel te zeggen over de 35 jaar dat ik je nu ken. Dat we je als kind Tante Sien noemden, maar dat je eigenlijk de tante van onze papa bent en onze groottante (dat is goed, want groter dan tante, zoals je het zelf zegt). Je bent altijd heel duidelijk mijn meter geweest. Dit is mijn petekind! Zo stel je mij al een heel leven voor aan iedereen en dan ben je ook echt trots. Nog steeds, zelfs nu de schattigheid er bij mij af is. Mijn petekind is een titel die ik draag als een eervolle vermelding. Ma filleule, dat zocht je op toen we twee jaar geleden samen naar Parijs gingen, want ook daar moest je natuurlijk kunnen zeggen dat we niet zomaar twee vrouwen samen onderweg waren.

Je bent niet weg te denken uit mijn jeugdherinneringen en die van mijn broer en zussen. Onze logeerpartijen bij jou in Brussel zijn onvergetelijk. Legendarisch zelfs. We denken daar allemaal met een heel warm gevoel aan terug. Bij Tante Sien logeren dat was een all-in verwenpakket dat altijd volgens hetzelfde stramien verliep. We aten wortelpuree en spaghetti. We gingen ondergoed kopen in de GB, we mochten allemaal iets kiezen in de speelgoedwinkel en we gingen de eenden brood geven in het park van Zotte Charlotte. We keken naar E.T. (Marike en jij weenden altijd) en naar een video met drie tekenfilms (eentje ging over een vis die spijbelde en op café ging roken). Later vertelde je mij dat je soms onzeker was omdat je altijd hetzelfde deed met ons. Wij hadden echter niets liever. Altijd hetzelfde bij Tante Sien, dat was gewoon perfect.

Je had toen een heel druk leven. Je was altijd hard aan het werk, reed van hot naar her op de meest onregelmatige tijdstippen, maar als ik jarig was, dan kwam je altijd. Het was pas echt feest als Tante Sien kwam. We vonden je niet alleen zorgzaam en grappig, maar ook fascinerend omdat je een heel ander leven had dan onze ouders. Je woonde alleen in de stad met twee katten die alles mochten, we hoorden je soms Frans spreken, je droeg een bril (nu niet meer), je smeerde boter op je boterhammen (net zoals papa) en je rookte (nu niet meer). Je nam ons mee naar de wereld van het theater waar we ook aan iedereen werden voorgesteld. Je legde ons in de watten. Je vond alles wat we vertelden oprecht interessant. Je entertainde ons en je toonde ons iets van de wereld wat wij niet kenden. Ik kijk nog altijd naar je op omdat je alles met de juiste woorden kan zeggen. En als je het niet weet, dan zeg je dat ook gewoon.

Je werd steeds bekender als actrice. Ook daar leerden wij veel van. Spontane tv bestaat niet en bekende mensen zijn naast hun bekendheid ook gewone mensen. De meesten toch, want het is hier geen Hollywood! We leerden ook dat acteren een hard vak is dat respect verdient, dat de glitter en glamour vaak ver weg zijn. Eén vraag krijg ik heel vaak voorgeschoteld: is die in het echt ook zo grappig? Ik ben er nog altijd niet uit wat het beste antwoord is. Je bent namelijk geen live In de gloria of Lydia Protut. Je bent grappig omdat je durft te zeggen wat je denkt, omdat je een verhaal echt kan brengen (soms met grote-zaal-stem) en omdat je dankzij je scherpe observatievermogen de kleine gebaren van mensen kan imiteren. Jou alleen maar tv-grappig noemen doet te kort aan wie je echt bent. Je bent geen actrice die ook grappig is in het echte leven. Je bent een inspirerende vrouw met een rijk leven die ook actrice is. En grappig.

Zoveel jaren later is er veel en tegelijkertijd weinig veranderd. De oude gewoontes hebben plaatsgemaakt voor nieuwe tradities. We gaan samen naar het theater. Roos en ik blijven logeren met oudjaar, als het Eurosongfestival is en met de 20 kilometer van Brussel. Verjaardagen vieren we ook samen. We zien elkaar nu veel meer en raken nooit uitgepraat. Je bent nog steeds apetrots op ons allemaal en je prijst ons de hemel in aan ieder die het wel en niet horen wil. Door ouder te worden besef ik dat je naast die fascinerende persoonlijkheid ook een mens bent met verdriet, dat acteurs vaak een dunne huid hebben waardoor er veel binnenkomt, dat alleen zijn niet gemakkelijk is, dat het je niet altijd mee zit in het leven. Ongeluk is intens, ongeluk dat kan aanslepen. Toch vind ik het bewonderenswaardig hoe jij in het leven staat. Je durft, doet en blijft dromen. Over wonen op de Champs Elysées, om maar iets te noemen.

Ik hoop dat ik op mijn 70e met evenveel vuur in het leven zal staan. Dat ik net zo ondernemend zal zijn en dat ik met net zoveel plezier terug kan blikken op mijn carrière en ook vooruit, naar wat nog komt. Ik hoop dat ik als meter van Leah evenveel kan betekenen. Dat ik ook een luisterend oor zal zijn, dat ik haar op mijn manier zal kunnen boeien en een rol zal kunnen vervullen in haar leven. De lat ligt hoog, ik denk dat je zelf te weinig beseft hoe belangrijk je voor mij bent.

Liefste meter, je wordt 70 (en daar is niks aan te doen, dat zeg je zelf). Ik wens je een heel gelukkige verjaardag!

Joke

Het boek – Lezen in tijden van lockdown #4

Hoe licht of zwaar de lockdown ook is, wennen doet het nooit. Al zijn het ook steeds periodes waarin ik eens zo hard nood heb aan mijn boeken. Als vermaak, als verzet en als gezelschap. Ik las dus weer behoorlijk wat tijdens de paasvakantie. Bij deze vierde lichting lockdownliteratuur zijn het bizarre, maar uiterst menselijke en vredelievende hoofdpersonages die de toon zetten in een veelal groene omgeving. Of: de sympathieke outsider in zijn natuurlijke habitat. Lange of vreemde boektitels is ook iets wat deze boeken verbindt, net zoals eenzaamheid, maar ja: gaan eigenlijk niet alle boeken een beetje over eenzaamheid?

Death in Her Hands – Ottessa Moshfegh
Je zal maar een wandeling maken met de hond en een onheilspellend briefje aantreffen. Her name was Magda. Nobody will ever know who killed her. It wasn’t me. Here is her dead body. Vesta Gul is een vrouw die een teruggetrokken leven leidt met haar hond Charlie. Terwijl Vesta te weten wil komen wie Magda is (heeft ze eigenlijk wel bestaan?) en hoe ze aan haar eind is gekomen, kruipen wij in Vesta’s hoofd. Daar broeit behoorlijk wat. Magda wordt een obsessie die steeds meer een eigen leven gaat leiden. Een rechtlijnig thrillerverhaal mag je niet verwachten, wel een beklemmende gothic novel volgens de traditie van Edgar Allan Poe.

Spiegel spiegel schouder – Dorthe Nors
Rijlessen laten blijvende herinneringen na. Zo ook bij Sonja, een veertiger die met de auto leert rijden. Alsof dat nog niet lastig genoeg is, verloopt ook het contact met haar zus moeizaam en voelt ze zich verplicht om op een spiritueel niveau een verbintenis aan te gaan met haar masseuse. Het leven van Sonja loopt kortom niet over rozen. Net daarom kan je niet anders dan Sonja’s eigenzinnige karakter en haar droge humor omarmen. Hoe wereldvreemd Sonja soms ook lijkt te zijn, er zit een stukje Sonja in ieder van ons. Spiegel spiegel schouder is zowel hilarisch als ontroerend en maakte mij heel nieuwsgierig naar meer werk van de Deense Dorthe Nors.

IMG_4571b

Over het doppen van bonen – Wiesław Myśliwski
Dat de Poolse literatuur heel wat parels herbergt, daar is Wiesław Myśliwski het voorbeeld van. Over het doppen van bonen is een ode aan het gewone leven: een man vertelt – tijdens het doppen van bonen – aan een (toevallige?) bezoeker over zijn leven. In stukken en brokken, van de hak op de tak, zoals dat gaat. Hij focust daarbij vooral op toevallige ontmoetingen en gebeurtenissen. Namen worden nauwelijks genoemd en ook de identiteit van de bezoeker wordt niet onthuld. In één langgerekte monoloog kom je onder andere te weten hoe de verteller eens bij een praatgrage hoedenmaker een lamp herstelde en in ruil daarvoor een hoed kreeg (die hij vervolgens op de trein vergat). Over het doppen van bonen is een humoristisch boek over de (on)betrouwbaarheid van herinneringen en het kleine dat ieders leven typeert.

Jaag je ploeg over de botten van de doden – Olga Tokarczuk
Joepie, we blijven in Polen! De Nobelprijs voor Literatuur van 2018 werd immers toegekend aan Olga Tokarczuk. Aan Nobelprijswinnaars kleeft wel eens het stigma moeilijk leesbaar te zijn. Dat dacht ik ook toen ik in 2019 op de Boekenbeurs een roman van Torkarczuk doorbladerde. Ik kocht het boek niet: ik had ongelijk. Jaag je ploeg over de botten van de doden heeft namelijk alles wat je van een goede roman mag verwachten: humor, vaart, spanning en inhoud. We volgen het verhaal van Janina die op het Poolse platteland leeft en een diep verwantschap voelt met de natuur. In haar omgeving sterven mannen, de ene al gruwelijker dan de andere, die verbonden zijn met de jachtvereniging.  Janina mengt zich in het politieonderzoek en ziet al snel het verband tussen de doden en de daders: het is een complot van de natuur. Lees vooral zelf of ze het bij het rechte eind heeft.

Buzz Aldrin, waar ben je gebleven? – Johan Harstad
Naast Polen leerde ik ook de Faroër-eilanden kennen. Een bijzondere naam voor een bijzondere eilandengroep in de Atlantische Oceaan. Mathias is een Noorse jongeman die uitgerekend op de schapeneilanden het noorden verliest. Verder wil ik niet te veel vertellen over het verhaal omdat het een boek is waarin je ondergedompeld moet worden. Dat sommige plotwendingen ietwat voorspelbaar waren, werd ruimschoots goedgemaakt door Johan Harstads indringende stijl. Niemand minder dan Bart Moeyaert noemt Harstad één van zijn literaire helden en ik begrijp helemaal waarom. Laat je dus vooral niet misleiden door de vreemde titel. Er valt namelijk best veel interessants te zeggen over Buzz Aldrin.

IMG_4587b

Loperspraat – Het verraderlijke hart

Ik vind het soms een akelige gedachte dat mijn hart non-stop aan het werk moet blijven en dat ik het quasi dagelijks vraag om een bijkomende inspanning te leveren. Het is daarvoor gemaakt, dat weet ik wel, maar toch vind ik het confronterend om stil te staan bij de kwetsbaarheid die uitgaat van dat ene orgaan. Gelukkig heb ik vooralsnog geen redenen om te denken dat mijn hart het gaat begeven. Twee jaar geleden werd ik medisch binnenste buiten gekeerd toen ik in het ziekenhuis belandde met een longembolie: dat hart van mij werd na tal van onderzoeken helemaal goedgekeurd. Sinds ik met een sporthorloge loop (nu zo’n 6,5 jaar) heb ik ook altijd met een hartslagmeter gelopen. Inmiddels is de Garmin Forerunner 230 mijn trouwe metgezel tijdens loop- en fietstochten, steeds met een klassieke hartslagband rond de borst. Het laatste half jaar liep ik echter zonder hartslagmeting en dat bracht met tot enkele inzichten.

Ik vond het aanvankelijk razend interessant om me bezig te houden met de cijfers en getallen die mijn GPS-horloge en hartslagmeter op mij afvuurden. Het werd daarom een gewoonte om altijd met die hartslagband te lopen. Halverwege november vorig jaar liep ik voor het laatst met een hartslagmeter. Simpelweg omdat die het niet meer deed, ook niet met een nieuw batterijtje. Vroeger zou ik meteen een nieuwe hartslagband hebben gekocht. Ik zou het gevoel hebben gehad dat ik bij elk loopje zonder hartslagmeting cruciale informatie miste. Maar kijk, ik ben geëvolueerd als mens en als loper en in een competitie-luwe periode leek het me niet noodzakelijk om bij elk loopje mijn hartslag te meten. Ik heb minder behoefte aan die uitgebreide cijfers. Bovendien heb ik ook het idee dat die cijfers me steeds minder vertellen.

Dat brengt me dus bij de vraag in welke mate mijn hart mezelf nog verraadt om het met Edgar Allan Poe’s The Tell-Tale Heart (in het Nederlands vertaald als Het verraderlijke hart) te zeggen, een kortverhaal dat iedereen trouwens moet lezen omdat het én een klassieker is én heel kort én heel akelig zoals alleen Poe dat kan. Het verhaal gaat over een hart dat door stevig te kloppen een menselijke daad verraadt. Ik kwam tot de conclusie dat mijn hartslag de laatste jaren weinig uitschieters kent. Als ik tijdens trainingen wat dieper of sneller ga, is mijn gemiddelde hartslag logischerwijze wat hoger, maar de marge waar die zich binnen beweegt is beduidend kleiner geworden. Vroeger kon mijn hartslag ook variëren tijdens “gewone” loopjes en vertelde die me dus wanneer ik wat vermoeider was. Nu kan ik bij wijze van spreken per looprondje voorspellen wat mijn gemiddelde hartslag zal zijn, ongeacht de omstandigheden. Ook dat is niet onlogisch. Het wijst erop dat ik jaar na jaar een steeds betere basisvorm kreeg en dat mijn hartslag sneller daalt nadat ik diep ben gegaan.

Een zelfde evolutie zie ik ook bij mijn marathons: mijn gemiddelde hartslag zakt beetje bij beetje, terwijl ik steeds sneller loop. Mijn laatste marathon (de suikermarathon) liep ik met een gemiddelde hartslag van 142. De omstandigheden mochten dan wel redelijk ideaal zijn (geen stress en fris loopweer), ik liep die marathon nog steeds behoorlijk snel over een behoorlijk pittig parcours. Tijdens de CPC Loop waar ik vorig jaar mijn record verbeterde op de halve marathon had ik dan weer een gemiddelde hartslag van 165: stevig, maar niet abnormaal als je ruim anderhalf uur echt diep gaat.

Ik heb nooit specifiek volgens bepaalde hartslagzones getraind. Uiteindelijk denk ik dat als je verantwoord lange afstanden wil lopen het er op neer komt dat je gevarieerd én met plezier moet trainen. Al ben ik ook niet volledig immuun voor cijfers en waarden. Het grootste voordeel van lopen zonder hartslagmeter is dan ook dat mijn Garmin me niet meer vertelt wat mijn VO2-max en hersteltijd zijn: geschatte waarden die me meer beïnvloedden dan ik zou willen. Al weet ik dondersgoed dat ze gebaseerd zijn op je snelheid en gemiddelde hartslag, maar dat ze verder amper rekening houden met individueel afgestemde parameters. Het komt er dus op neer dat Garmin de boel heel wat rooskleuriger voorstelt. Zo zou ik volgens mijn horloge een marathon kunnen lopen in 2u46. Nog eventjes doortrainen en ik zou me dus kunnen kwalificeren voor de Olympische Spelen. Om maar te zeggen dat je de raceprognoses met een heel grote korrel zout moet nemen.

Ik denk dat mijn hartslag vooral verraadt dat ik al enkele jaren een gedreven loper ben. Een hartslagmeter beschouw ik dan ook als een handig instrument om over een langere periode te kijken hoe mijn basisconditie zich ontwikkelt. Voor prestaties waar ik naartoe werk, wil ik ook graag weten met welke gemiddelde hartslag ik ze gelopen heb. Om die reden ben ik van plan om snel weer een hartslagmeter aan te schaffen, want jawel: ik broed op leuke sportieve ideeën voor de korte termijn. Laat dat hart van mij dus maar vrolijk verder kloppen.

De gedachte – Over autisme

Vrijdag 2 april was Wereld Autisme Dag. Door de jaren heen leerde ik heel wat jongeren met autisme kennen in de klas. Elk schooljaar heb ik per klasgroep gemiddeld 1 of 2 leerlingen met autisme. Sommige van hen gedijden erg goed in een grote groep leeftijdsgenoten en ervaarden geen grote problemen binnen de schoolcontext, bij andere leek de schoolse loopbaan bezaaid te zijn met obstakels. Stuk voor stuk lieten die leerlingen wel een indruk na. Elk van hen leerde me weer iets anders over autisme en hoe het is om daarmee te leven.

Iemand heeft een autismespectrumstoornis (ASS) of kortweg autisme, maar je noemt iemand geen autist omdat je die persoon dan een (beladen) label opplakt op basis van slechts één eigenschap. Veelal goedbedoelde uitspraken als de autist in mij kan er niet tegen als het volume een oneven getal is zijn heel nietszeggend over hoe het is om te leven met autisme. Ik kan stress ervaren als ik voor een groep onbekende mensen moet spreken of ik kan geen zin hebben om uit bed te komen, maar dat maakt me nog niet faalangstig of depressief omdat mijn dagelijks functioneren er niet door beïnvloed wordt. Autisme bestaat bovendien in heel uiteenlopende verschijningsvormen (vandaar ook het spectrum in de benaming ASS). Dé Autist bestaat met andere woorden niet en doet afbreuk aan de persoon die erachter schuilt.

Mensen met autisme kunnen moeilijk onderscheid maken tussen details, hoofd- en bijzaken. Dat is lastig als ze iets leren op school (wat is nu eigenlijk het belangrijkste?), maar ook in een veel bredere context. Tijdens een bijscholing over ASS werd ons gevraagd naar een prent te kijken om te benoemen welke ruimte in huis dit was. We konden echter niet naar het totale plaatje kijken, maar moesten dat doen via een heel klein kijkgaatje dat over de afbeelding schoof, waardoor de details herkenbaarder waren dan het geheel en je een badkamer niet van een woonkamer kon onderscheiden. Als je vanuit die gedachte naar de supermarkt gaat of de was moet doen, dan heeft dat heel wat meer voeten in de aarde. Een supermarkt is sowieso een plek die als behoorlijk overweldigend ervaren kan worden door mensen met autisme door de overdaad aan prikkels die ongefilterd binnenkomen.

Mensen met autisme hebben net zo goed emoties, ze kunnen die alleen minder goed aanvoelen en interpreteren. Leerlingen met autisme kunnen heel direct uit de hoek komen omdat ze de dingen zeggen zoals ze zijn. Om tactvol te zijn moet je iemands gevoeligheden kunnen inschatten. Ook humor kan om die reden een struikelblok zijn. Vaak detecteren leerlingen met autisme wel dat iets als een grap bedoeld is, maar ze kunnen die niet interpreteren omdat de talige boodschap afwijkt van de intentie. Het kan enerzijds een voordeel zijn dat een leerling het niet ongemakkelijk vindt om alleen te zitten op de speelplaats, anderzijds worstelen ze wel vaak met een emotioneel beladen begrip als vriendschap. Wanneer kan je iemand immers als een vriend beschouwen?

Een autismevriendelijke omgeving is gunstig voor alle leerlingen, je moet als leerkracht dus niet iets anders of extra’s doen enkel voor leerlingen met autisme, maar wel proberen om je lessen zo autismevriendelijk in te richten. Elke leerling is gebaat bij een duidelijke lesstructuur, eenduidige instructies en een heldere vraagstelling die bij voorkeur ook schriftelijk meegedeeld worden. Het is in een klasgroep pubers niet altijd gemakkelijk om gepast te reageren op een vreemde uitspraak of opmerking van een leerling met autisme. Duidelijk communiceren is de boodschap. Je kan dus gerust zeggen dat iets onbeleefd of ongepast is als je dat niet met een boze of ironische ondertoon doet, want dan wordt je boodschap onduidelijk en multi-interpretabel.

Er worden meer jongens dan meisjes gediagnosticeerd met autisme, al zou er bij meisjes wel sprake zijn van onderdiagnose omdat het sociale aspect bij hen doorgaans beter ontwikkeld is. ASS zou vier keer zo vaak voorkomen bij jongens. Dit komt ook overeen met mijn ervaringen. Meisjes lijken hun autisme beter te kunnen camoufleren omdat ze van jongs af aan beter geoefend worden in het emotionele aspect. Helaas lijkt er bij meisjes ook een groter taboe rond autisme te hangen. Ze schamen zich er vaker over. In de klas kunnen jongens met autisme trouwens zelden goed samenwerken omdat ze tegen elkaars rigiditeit oplopen en vooral de ander heel raar vinden.

De vraag waar de grens ligt tussen iemands persoonlijkheid en diens autisme is irrelevant omdat ieders persoonlijkheid beïnvloed wordt door diverse factoren. ASS kan je helpen om bepaald gedrag te kaderen en om te begrijpen waar het vandaan komt. Bij een puberende leerling met autisme die de clown uithangt omdat dat een rol is die hem een identiteit geeft binnen de groep, heeft het geen zin om je af te vragen of de puberteit dan wel het autisme hiervan de oorzaak is. Beide aspecten zijn immers continu met elkaar in interactie en je moet dus ook met beide rekening houden als je dit gedrag bespreekbaar wil maken. Hoe ouder je wordt, hoe meer je persoonlijkheid ook vervlochten raakt met de dingen die je doet. Zo stel ik vast dat er geen harde grens meer te trekken is tussen mezelf en mijn beroep. De leerkracht in mij is ook buiten de klas aanwezig net zoals dat mijn persoonlijkheid ook tot uiting komt als ik mijn beroep uitoefen.