De legendarische Great Escape 3.0 van Hans

De voorbereiding
Na een succesvolle deelname aan de Great Escape 100 mijl in 2024 en een opgave na een val tijdens Great Escape 200 kilometer in 2025 was het tijd voor een nieuwe aanval op de 200 kilometer in 2026.

Waar ik in 2025 het gevoel had goed voorbereid aan de start te verschijnen, maar het lot mij niet gunstig gezind was tijdens de wedstrijd, was ik nu minder optimistisch over mijn voorbereiding. Eigenlijk voelde ik me na de marathon in Leuven in april nooit meer helemaal lekker in mijn loopsas. Ja, we liepen en finishten nog een aantal supermooie wedstrijden: de Trail d’Alsace by UTMB (110 km), de Trail Godefroy de Bouillon (35 km), de Big Chouffe Trail (100 km), en we gingen tijdens onze vakantie in de Alpen ook drie keer op pad voor een mooie en uitdagende tocht. Natuurlijk was dat volop genieten, maar helemaal lekker liep het nooit en ik had net iets teveel “dipjes” om met vertrouwen naar de kers op de taart toe te werken: de Great Escape 200 km in september.

De warmte speelde me parten, de benen voelden vaak vermoeid aan, ik miste kracht en snelheid, kreeg ischias als gevolg van een hernia, had min of meer de hele tijd pijn in bil en onderrug… Toch wist ik in augustus nog 300 kilometer bij elkaar te lopen, onder andere in de Ardennen (de zwarte ExtraTrail route van 42 kilometer in Stavelot) en de 4 uur van de Mollekestrail (net geen 40 kilometer). In extremis begon ik me dan eind augustus toch stilaan iets beter te voelen, maar 100% klaar voelde ik me niet.

Nu, ik maakte me niet zo heel veel zorgen over de afstand op zich, maar wel over de “snelheid” waarmee deze wedstrijd gelopen zou moeten worden; je krijgt maximaal 44 uur om de finish te bereiken voor een totaal van 206 kilometer en ongeveer 8.000 hoogtemeters. Dat betekent een gemiddelde snelheid van ongeveer 4,7 km per uur. Dat lijkt niet zo snel, maar je moet dit tempo kunnen aanhouden gedurende mogelijk meer dan 40 uur, dag en nacht, inclusief pauzes om te slapen, eten enz. En dat alles in de meedogenloze en brutale Ardennen.

De strategie is nochtans eenvoudig; tijdens het eerste deel van de wedstrijd (de eerste 100 kilometer), wanneer je nog relatief fris bent, bouw je een voorsprong uit op het gemiddeld tempo. Die reserve kan je dan inzetten tijdens het tweede deel wanneer de vermoeidheid en uitputting toeslaan. Bovendien ligt het zwaartepunt van de hoogtemeters ook in het tweede deel van de wedstrijd.

The day(s) before
De dagen voor de wedstrijd staan vooral in het teken van plannen en inpakken; het parcours bestuderen, de gpx bestanden downloaden en op de horloge zetten als ondersteuning bij het navigeren, de lijst van de verplicht mee te nemen items nakijken en ontbrekende spullen aanvullen, nadenken over eten en drinken onderweg… Ik had de lijstjes die ik voor voorgaande ultra’s gemaakt had eindelijk eens gedigitaliseerd, wat de voorbereiding deze keer wat makkelijker maakte.

We zullen lopen van La Roche naar Clervaux in Luxemburg waarbij we de Escapardenne Trail volgen (gemarkeerd door een wit golfje op een blauwe achtergrond). In Clervaux gaan we dan zuidwaarts tot Michelau via een door de organisatie uitgepijld parcours, waar we opnieuw aansluiten op de Escapardenne Trail die ons noordwaarts weer richting Clervaux stuurt.

Onderweg passeren we 10 checkpoints (CP’s) waar je kan bijtanken. Hier vind je de fenomenale vrijwilligers van de Legends organisatie (de “legendary friends”) die je werkelijk in de watten leggen met alles wat je nodig kan hebben; eten en drinken, (medische) verzorging, een schouderklopje of een bemoedigend woordje. Deze vrijwilligers – zelf vaak ook ervaren ultralopers – kennen dit soort ondernemingen door en door en weten dus perfect wat je nodig hebt.

De afstand tussen de CP’s varieert van 14 tot 26 kilometer, en in het 5de, 7de en 9de CP kan je een dropbag laten voorzien waarin je dingen steekt die je onderweg nodig kan hebben; denk aan extra eten en drinken, propere kleding en schoenen, verzorgingsmateriaal, een powerbank enz.

De wekker staat vrijdag ingesteld om 10 uur. Ik sta voor een weekend waarin weinig geslapen zal worden, dus ik wil nog zoveel mogelijk slaap meepikken. Om 8 uur ben ik echter klaarwakker en lukt het niet meer om opnieuw in te slapen. Het is wat het is en ik zal het er mee moeten doen. Mijn racevest en dropbags zijn al eerder deze week ingepakt, dus rest me enkel nog alles eens grondig na te kijken en mijn sandwiches met kaas te smeren die in mijn dropbags zullen verdwijnen.

Wat zit er allemaal in mijn racevest: eten (gels, chews, snickers, frangpipanes, sandwiches), een liter water in 2 flasks (en nog twee lege flasks als reserve), een regenjas, een waterdichte broek, een warm jasje, 2 hoofdlampjes met reservebatterijen, een powerbank en kabeltje, oortjes, GSM, identiteitskaart, cash geld, een reddingsdeken, een plooibeker, stokken, een medische kit (anti-schuurcreme, pleisters, elastische tape, pijnstillers, een schaartje, ontsmettingsmiddel en insectenspray) en een rood ruglampje. Het grootste deel van deze uitrusting is verplicht en wordt gecontroleerd voor je je startnummer krijgt. Wanneer er iets ontbreekt mag je niet starten.

Naar Clervaux
Willem en zijn vriendin Julie zullen me komen oppikken omstreeks 13 uur, dus ik dood de tijd door mijn boek uit te lezen en nog wat te lummelen. Ik voel me betrekkelijk rustig en ben niet echt zenuwachtig. Hoewel elke ultra een enorme uitdaging blijft, helpt de ervaring wel om er op een rustige manier naartoe te leven. Joke is nog aan het werk, maar zal zaterdag avond afzakken naar de Ardennen en me bij de CP’s opwachten en aanmoedigen. De koffer van de auto is ingericht als slaapplek zodat ze tussendoor ook even een dutje kan doen.

De rit met Willem en Julie verloopt erg ontspannen. Willem is een kanjer van een (ultra)loper en schreef tijdens zijn relatief korte loopcarriere al een overwinning in de Bello Gallico 200 km op zijn naam in 2025. Een werkelijk fenomenale prestatie. Julie kreeg door de ultra-hobby van manlief ook de microbe te pakken, zij het niet als loper maar als vrijwilliger tijdens deze wedstrijden. Mooi dat zij op die manier samen deze supermooie evenementen kunnen beleven. Willem zal trouwens lang op kop lopen tijdens deze Great Escape, maar helaas met de overwinning in zicht moeten opgeven door een blessure die komt opzetten. Aangezien hij in oktober ook nog het WK Backyard Ultra met Team Belgium zal lopen wil hij geen risico’s nemen en wijselijk stapt hij net na het laatste CP uit de wedstrijd.

We zijn vroeg vertrokken en komen dus ruim op tijd aan in Clervaux waar het hoofdkwartier van de wedstrijd gevestigd is. We doorlopen hier eerst de nodige formaliteiten; controle van de verplichte items, ophalen van het startnummer, bevestigen van de GPS tracker aan het racevest (waarmee elke deelnemer tijdens de volledige wedstrijd gevolgd kan worden) en inleveren van de dropbags. We nemen onze tijd om een laatste warme maaltijd te nuttigen (rijst met groenten en currysaus) vergezeld van enkele alcoholvrije biertjes.

Omstreeks half zeven komt er dan eindelijk een einde aan het wachten; na de race briefing, waarbij nog eens heel nadrukkelijk gewezen wordt op het feit dat elke hulp van buitenaf niet toegestaan is, vertrekken de bussen die ons naar de start zullen brengen bij het Parc à Gibier nabij La Roche. Onderweg kunnen we de zonsondergang bewonderen. Ik probeer de ogen te sluiten en nog even te slapen, wat uiteraard niet lukt.

Vrijdag 20:00 – Start in La Roche – km 0,0
Eindelijk is het dan zover. Net voor acht uur wordt er afgeteld van 10 naar 0 en zonder startschot lopen we over een niet aanwezige startlijn. Ik doe het, net zoals iedereen eigenlijk, rustig aan. Het is al relatief duister dus de hoofdlampjes gaan al meteen aan. We lopen over een pad met grote keien en mijn ogen hebben wat moeite om te wennen aan de duisternis en het lamplicht, dus ik ben extra voorzichtig. Ik wil hier en nu echt mijn voet nog niet omslaan of vallen. Het gevoel is op dat moment zeker niet slecht en ik probeer vooral mijn eigen tempo te zoeken. Ik weet dat ik mijn snelheid niet “je dat” is, dus ik wil wel wat marge bewaren en niet meteen al mijn kruit verschieten.

Na 6 kilometer passeren we Maboge en lopen we voor het eerst langs de Ourthe, om er meteen ook weer afscheid van te nemen voor een klim naar Bérisménil. Na de afdaling komen we op kilometer 11 opnieuw bij de Ourthe en die zullen we ook min of meer blijven volgen tot kilometer 27. Deze proloog is best wel lastig; niet heel veel hoogtemeters, maar wel de hele tijd op en neer over heel technische paden met rotsblokken, boomwortels en steile hellingen. Met mijn valpartij vorig jaar in gedachten ben ik er toch best beducht voor om te vallen. Er zijn in deze fase ook al enkele slachtoffers te betreuren; een van de lopers verstuikt na 10 kilometer zijn enkel en moet opgeven in het eerste CP. Sven loopt tegen een boom en zal met een gehavende neus en lichte hersenschudding opgeven in CP2. Zo snel kan helaas gaan.

Vrijdag 22:40 – CP10 Hérou – km 17,6
Ik maak een snelle stop in dit CP dat zich buiten bevindt. Ik eet een sandwich met kaas en drink wat cola. Ik tref Geert hier ook aan en we zullen samen opnieuw vertrekken. Zijn navigatieskills bewijzen ons goede diensten; uit ervaring weet ik dat het vinden van de juiste weg in de duisternis op de kronkelende paden langs de Ourthe geen sinecure is. De markeringen van de Escapardenne Trail zijn niet reflecterend wat het soms moeilijk maakt ze te vinden. Geert leidt ons echter feilloos langs de juiste weg. Het tempo is prima op dit moment, we vorderen goed, de snelheid wordt wat gedrukt door de technische aard van het parcours, maar we slenteren allesbehalve.

Een aantal keer moeten we heel erg steil afdalen, wat ik toch met dichtgeknepen billen doe, maar zonder kleerscheuren bereiken we eindelijk het brugje over de Oostelijke Ourthe dat min of meer het einde van deze ellende inluidt. Nu nog de plek van mijn valpartij vorig jaar passeren en we hebben alvast de eerste grote uitdaging achter de rug.

Zaterdag 1:35 – CP9 Bonnerue – km 33,3
We komen aan in het centrum van Bonnerue in het eerste CP dat binnen ingericht is. Ik neem hier wat tijd om een hotdog (met een vegetarisch worstje en ketchup) te eten en even naar de wc te gaan. Ik verzorg ook mijn voeten met antischuurcrème om blaren te voorkomen en na een half uurtje gaan we opnieuw op pad.

De eerste kilometers haak ik mijn karretje nog aan bij Geert die intussen ook een team gevormd heeft met Kathleen. Tijdens de afdalingen moet ik helaas steeds wat afhaken, zij rennen overal vlot naar beneden, terwijl ik de risico’s toch een beetje meer schuw en niet zo snel durf te gaan. Wanneer het bergop gaat loop ik dan weer wat in op het duo maar na verloop van tijd laat ik ze toch gaan en zoek ik mijn eigen tempo. Ik zal ze in de loop van de wedstrijd nog regelmatig terugzien in de CP’s, dus ik verlies ook niet zo heel veel tijd op hen.

Tussen 3 en 4 uur ’s nachts passeer ik in ons geliefde Houffalize. Dat is altijd een beetje thuiskomen ondanks de donkere verlaten straten en de lege terrassen, zeker wanneer we de Vayamundo passeren, de plek waar ik Joke tijdens de Chouffe Trail voor het eerst ontmoette in 2023.

Zaterdag 5:13 – CP8 Buret – km 54,3
Aankomen in Buret is als het spelen van een thuismatch. Talloze keren spendeerden we hier onze herfstvakanties met een grote bende vrienden. Ik kom dus op bekend terrein wat fijn en vertrouwd aanvoelt. Het CP is gelegen in de plaatselijke feestzaal met referentie aan het jachtgebeuren in de regio: de Cercle Saint-Hubert. Hier staat pikante bouillon met noedels op het menu, en een vrijwilliger biedt meteen aan om mijn flessen bij te vullen. Dat lijkt een kleinigheid, maar met meer dan 50 kilometer in de benen tijdens de nacht betekenen zelfs die kleine dingen heel erg veel voor ons lopers. Geert en Kathleen zijn hier ook nog, dus we kunnen even bijpraten.

Ook hier ga ik nog eens naar de wc en verzorg mijn voeten en ook nu weer verlaat ik het CP na ongeveer een half uurtje. Ik neem uit het uitgestalde aanbod nog wat suikerwafels mee voor onderweg want wat stilaan een prominent thema begint te worden is mijn knorrende maag. Ik heb namelijk al een hele tijd bijzonder veel honger. Ik probeer mijn maag tevreden te stellen en regelmatig te eten; frangipanes, sandwiches en suikerwafels, maar steevast laat mijn maag een half uurtje later opnieuw van zich horen.

Op zich is dat helemaal geen slecht nieuws, het betekent dat mijn maag en darmen goed hun werk blijven doen; voeding omzetten in de energie die ik zo hard nodig heb onderweg. Het is echt geen pretje als dit systeem stilvalt en je niet meer kan eten zonder misselijk te worden. Een ultra lopen en niet in staat zijn de brandstoftank te vullen leidt doorgaans tot een opgave. Ik heb het omgekeerde probleem en ben een beetje bang dat als ik té veel begin te eten, ik mijn maag op den duur ga overbelasten. Gelukkig gebeurt dat niet, maar ik moet dus wel best veel blijven eten (en naar de wc gaan).

Intussen komt de zon stilaan op en steken we de grens tussen België en Luxemburg over. Het gevoel is nog steeds goed, maar het tempo zou strikt genomen misschien wel iets hoger moeten liggen. Maar forceren heeft geen zin, de wedstrijd is nog erg lang.

Zaterdag 8:01 – CP7 Troisvierges – km 70,4
Het CP net voor Troisvierges bevindt zich eveneens buiten en hier maak ik een snelle passage, ik blijf er slechts een kwartiertje. Ik drink een lekkere tas groentensoep, eet een beetje chips en ga opnieuw op pad. Na enkele kilometers verzeil ik in het gezelschap van een andere loper en we hebben een leuk gesprek over al onze ultra belevingen, waaronder – in zijn geval – de Marathon des Sables. Leuk om eens te vernemen hoe het er in zo’n type wedstrijd aan toegaat. Wat in ieder geval duidelijk is, is dat het een pak duurder is dan de gemiddelde Legends organisatie. De kilometers glijden op die manier vlot voorbij. Na verloop van tijd scheiden onze wegen weer en het laatste stuk naar Clervaux leg ik alleen af.

Zaterdag 10:53 – CP6 Clervaux – km 85,4
In Clervaux, eveneens het race-hoofdkwartier, ligt mijn eerste dropbag. Het belooft dus ook een iets langere stop te worden omdat ik er graag propere kleren zou willen aantrekken en even wil uitrusten. We zijn tenslotte al bijna 15 uur onderweg en het 100 kilometer punt komt in het vizier.

Ik tref ook hier weer Geert aan die nog steeds in goede doen is. Op het menu staat een wrap met kaas die ik ook weer vlot binnenwerk zodat de brandstoftank goed gevuld blijft. Ik trek vervolgens naar het toilet om mijn kleding te wisselen en wat anti-schuurcrème aan te brengen op enkele strategische plaatsen.

Ik ben op een van mijn tenen een blaartje aan het ontwikkelen en besluit dat ook even te laten nakijken. Het is nog erg klein en ik heb er niet zoveel last van, dus afblijven is de boodschap. Ik had hier wel gepland om mijn schoenen te wisselen voor een paar met wat meer comfort, maar omdat ik het gevoel heb dat ik daarmee toch net iets maar last heb van de blaar, laat ik dat plan varen en zal ik verder lopen met het paar waar ik mee gestart ben.

Na ongeveer een uurtje hijs ik mijn racevest opnieuw op mijn rug en ga ik weer op pad. Als het goed is dan zou ik tijdens de etappe die nu volgt Joni en Roos moeten tegenkomen die een dagje komen trailen in de Ardennen en van de gelegenheid gebruik zullen maken om even dag te komen zeggen.

En ja hoor, op kilometer 93 zie ik ineens twee lopers die schijnbaar in de verkeerde richting lopen. Eerst denk ik dat Geert en Kathleen om een of andere reden teruggedraaid zijn (de vermoeidheid begint stilaan op te duiken), maar het zijn dus gewoon Roos en Joni die erin geslaagd zijn me onderweg ergens te vinden. We maken even een praatje, een leuk intermezzo want af en toe kan een ultra trail ook best wel wat saai zijn, maar daarna vervolgen zijn hun weg en ik de mijne. Het is namelijk niet toegestaan dat je door anderen “gepacet” wordt, dus meelopen mag helaas niet. Ze gaan wel proberen mij opnieuw te treffen bij het volgende CP dat zich ongeveer 10 kilometer verderop bevindt.

Zaterdag 14:50 – CP5-Enscherange – km 103,4
Net voor drie uur in de namiddag kom ik aan op dit CP, dat zich ook weer buiten bevindt, net op het halfweg punt van de wedstrijd. Roos en Joni staan me net voor dit CP al op te wachten en verwelkomen me op luide en enthousiaste wijze. In dit CP is er niet zoveel te beleven. Ik ga wel even lekker aan de chips en de cola, maar verder zijn er geen culinaire verwennerijen te vinden. Ik verzorg mijn voeten nog een keer en na 25 minuten besluit ik om maar weer eens verder te gaan. De vermoeidheid begint nu wel sterk op te zetten en ik hoop dat in beweging komen zal helpen om die wat tegen te gaan.

In ieder geval staat er nu een pittige etappe te wachten; een kleine 24 kilometer, de langste tot nu toe en met best veel hoogtemeters. Een lichtpuntje is dat Joke me zal opwachten op het volgende CP dat zich in Heiderscheid bevindt. Het is het tweede CP met een dropbag en ook het enige CP waar je tijdens de wedstrijd binnen liggend mag slapen. Dat lees je inderdaad goed; liggend slapen mag verder alleen buiten. Wil je op de andere CP’s binnen slapen, dan moet dat zittend gebeuren. Af en toe vertoont de organisatie wel kleine sadistische trekjes.

Tijdens deze etappe zijn er ook best veel asfaltstroken en hoewel dat in principe makkelijker lijkt, hebben mijn voeten er toch wel wat onder te lijden. Het wordt ook lastiger om een goed tempo aan te houden en op een bepaald ogenblik schrik ik me een bult omdat ik wat verderop een grote hond achter een boom zie zitten. Ik vertrouw het niet helemaal en houd even halt. Ik ben ook niet helemaal zeker of het wel een hond is, het lijkt misschien zelfs eerder op een beer. Behoedzaam ga ik wat dichterbij en dan zie ik dat het de blaadjes zijn van een struik die achter de boom staat. Daar zijn ze dan, de hallucinaties. Het is de eerste keer dat ik ze bij daglicht ervaar. Ik zal de komende uren nog vanalles de revue zien passeren; koeien, geiten, groepen mensen, een dansende vrouw in een lange jurk… Ook het omgekeerde gebeurt; ik denk dat ik hallucineer wanneer ik iemand voorover gebogen langs de weg zie zitten en ik verwacht dat het beeld zich bij het dichterbij komen zal omvormen tot een boomstronk met grillige takken. Maar dan blijkt er dus toch echt iemand langs de kant te zitten.

Op kilometer 121 houd ik even halt voor een plaspauze met een prachtig uitzicht op de ondergaande zon. Wat verderop spreekt een Nederlander met een hondje me aan en vraagt of ik onderweg ben naar Heiderscheid. Ik antwoord bevestigend dat ons volgende CP zich daar inderdaad bevindt en dan toont hij mij waar Heiderscheid ligt; helemaal in de verte aan de overkant van een diepe vallei zie ik een piepklein kerktorentje. Ik ben er niet helemaal zeker van of ik deze informatie had willen krijgen. Het zal nog meer dan een uur kosten om daar uiteindelijk te geraken.

Ik ontmoet even later ook Tom, die me even tevoren met een groepje van drie voorbijgelopen is, maar de rol heeft moeten lossen. We zullen de komende uren nog vaak in elkaars gezelschap vertoeven maar nu stuur ik hem na een korte babbel vooruit omdat ik het gevoel heb dat hij sneller is dan ik en ik hem een beetje ophou tijdens de afdaling.

In de vallei bevindt zich een camping die ik doorkruis. Via een brugje gaat het over de Sûre en dan begint het klimwerk opnieuw; van 270 meter naar 516 meter. De zon is onder en ik haal mijn hoofdlampje opnieuw boven omdat het in het bos op de helling al erg donker begint te worden. Even verderop zie ik iemand zitten op een bankje langs de kant en ik ga even poolshoogte nemen om te kijken of er een probleem is. Het is Tom die de batterij van zijn hoofdlamp wil vervangen, maar dat is dus lastig als je geen licht meer hebt. Dat is een van de praktische redenen waarom ik niet louter reservebatterijen meeneem, maar ook steeds een tweede hoofdlampje. Dan kan je gewoon van lamp wisselen en in een CP de batterij vervangen die leeg is. Ik licht even bij zodat hij zijn lampje weer aan de praat krijgt. Vervolgens gaan we samen op pad en vallen we de klim opnieuw aan die erg lang is en heel steile passages heeft. We worden intussen ook ingehaald door de lopers van de 100 kilometer wedstrijd die een kleine twee uur eerder vertrokken zijn in Enscherange en uiteraard nog fris zijn en dus heel wat sneller opschieten.

De moraal bij Tom en mij daalt omgekeerd evenredig met de hoogtemeters die we winnen. Ik voel me steeds meer fysiek en mentaal gesloopt en mijn voeten zijn het ook een beetje aan het begeven. Op een bepaald moment worden we ingehaald door Lieven die de 100 kilometer loopt en even gelijke tred houdt met ons zodat we wat kunnen bijpraten, al is het langs onze kant eerder een klaagzang.

Zaterdag 20:36 – CP4 Heiderscheid – km 127
Eindelijk komen we rond half negen aan bij het CP in Heiderscheid waar Joke me staat op te wachten. Ik zeg haar meteen dat ik gesloopt ben en wil stoppen, maar gelukkig spreekt ze me streng toe en jaagt me het CP in met de boodschap even uit te rusten, de situatie rustig te evalueren en vooral geen overhaaste beslissingen te nemen die nog niet genomen moeten worden. Ze heeft gelijk, want we hebben nog voldoende tijd voor de cutoff. We moeten hier uiterlijk om 22u27 opnieuw vertrekken en hebben dus nog een kleine twee uur tijd.

Ik zoek samen met Tom een vrij plekje en begin me te installeren; dropbag zoeken, schoenen uit, warme trui aan, horloge en GSM aan de powerbank. Ik ga eerst nog even naar de wc en poets mijn tanden. Vervolgens besluit ik om te proberen een half uur te slapen. Ik heb geen matje en dekentje, dus ik leg me op de grond (gelukkig is er vast tapijt) en gebruik wat reserve kleding als deken en hoofdkussen. Ik zet de timer van mijn gsm op een half uur en doe mijn ogen dicht. Ik val niet echt in slaap, maar lig wat te soezen. In mijn hoofd begint het beeld om verder te lopen zich te vormen en net voor de wekker afgaat staat mijn besluit vast dat ik hier sowieso opnieuw zal vertrekken. Ik heb nog wat werk voor de boeg om dat mogelijk te maken, dus ik raap mijn spullen bij elkaar en ga op zoek naar een groot bord pasta en iemand die mijn voeten kan verzorgen. Gelukkig kunnen die activiteiten gecombineerd worden; terwijl een schat van een vrijwilliger mijn blaren doorprikt en tape aanbrengt, verorber ik een lekker groot bord pasta en drink ik wat cola. Tom aan de overzijde van de tafel heeft ook wat gerust maar is er nog niet uit of hij zal stoppen of doorgaan. Ik stel hem voor om sowieso samen te vertrekken, daar hebben we allebei niets bij te verliezen.

Wat verderop zit ook Geert aan een tafel. Hij voelt zich helemaal leeg, heeft al een hele tijd problemen om voldoende te eten en heeft daardoor het tempo beduidend moeten laten zakken. Hij had 20 kilometer voor het CP Kathleen al verder gestuurd om haar niet op te houden. Kathleen zal uiteindelijk de wedstrijd ook finishen. Wat een fantastische prestatie van een megasterke vrouw! Een vrijwilliger praat nog in op Geert om hem te overtuigen toch verder te gaan, maar zonder resultaat. Geert zal hier helaas de handdoek in de ring gooien, weliswaar na zijn langste afstand ooit te hebben afgelegd.

Rond 22 uur beginnen Tom en ik in te pakken en ons klaar te maken om onze tocht te hervatten. We trekken een extra laagje aan want het is intussen behoorlijk fris geworden. Om 22u05 stappen we naar buiten. Ik kus Joke nog ten afscheid en we stappen achter het lichtje van onze hoofdlamp aan de donkere velden in. Wonderlijk genoeg voel ik me als herboren; de voeten en de benen voelens als nieuw en ook mentaal zit ik weer lekker in mijn hoofd. Ik zie het weer helemaal zitten en Tom en ik praten honderduit over vanalles en nog wat. De cutoff in het volgende CP in Bourscheid is 3u17, dus we hebben iets meer dan 5 uur tijd om de 23 kilometer die ons scheiden van het CP te overbruggen én daar ook weer te vertrekken.

Op een van de eerste hellingen die we aanvatten gaan onze jasjes alweer uit omdat we het te warm krijgen want we zetten er stevig de pas in. Na een kilometer of 10 komt er helaas weer slecht nieuws; Tom geeft aan dat hij zich niet lekker voelt en niet goed kan eten. Hij heeft nochtans een grote zak Haribo snoepjes mee, maar het idee alleen al om ze te eten maakt hem misselijk. Ik som op wat ik nog mee heb en wat hij misschien wel kan eten; een frangipane gebakje, een suikerwafel, een snickers, een gelletje, een chew… Helaas maakt de opsomming van al dat lekkers het alleen maar erger. Dan kom ik op het lumineuze idee om hem de cola aan te bieden die ik ook nog bij me heb, en inderdaad, daar heeft hij wel trek in. Ik geef hem de fles waar hij enkele grote slokken van neemt. Aan de boeren die daarna volgen, leid ik af dat het zijn maag wel een beetje weet op te schudden en ik hoop dat daarmee ook het slechte gevoel zal verdwijnen. Jammer genoeg geeft hij wat verderop aan dat hij me ophoudt en dat ik alleen verder moet lopen. Hij zal in het volgende dorpje het safety team bellen om hem te komen oppikken. Ook voor hem is het dus game over, maar ook hij loopt hier een afstandsrecord. Hij had er wel op gerekend minstens 100 mijl aan te tikken, maar dat zal voor een volgende keer zijn die er vast en zeker nog aankomt.

Ik vervolg mijn weg dus weer alleen. Ik voel me goed en zet er flink de pas in. Uit mijn Shokz klinkt Editors en het ritme van de muziek past perfect bij het marstempo dat ik hier aanhoud. Mijn horloge weet me te vertellen dat ik voor 3 uur zal aankomen in het CP van Bourscheid en naargelang ik vorder verzamel ik zelfs nog wat extra minuten marge tot zelfs bijna een half uur. Ik zie mezelf zowaar al finishen.

Wanneer ik rond half een op kilometer 138 door het dorpje Welscheid loop wacht me nog een fijne verrassing; Joke staat me hier op te wachten om me nog een extra hart onder de riem te steken. En of dat deugd doet! Ik vertel haar dat ik me goed voel en dat het er goed uitziet.

Maar dat is buiten de twee laatste klimmen gerekend. Ik kom om half twee aan in Michelau, 8 kilometer voor het CP in Bourscheid. Ik heb dus iets minder dan 2 uur om die 8 kilometer te overbruggen en een snelle passage te maken in het CP. Maar de eerste helling is ellendig lang en steil, en er volgt een even lange en steile afdaling waar ik ook nog eens ten val kom, gelukkig zonder veel erg. Het enige lichtpuntje is het feeëriek zicht op de lichtjes van Bourscheid Moulin in het dal. Na de afdaling volgt een passage door Bourscheid Moulin met een ingewikkeld traject langs de spoorweg en het station, waar ik een andere deelnemer die het spoor bijster is weer in de juiste richting stuur, maar daardoor weer enkele kostbare minuten verlies die ik helaas niet op overschot blijk te hebben.

Uiteindelijk vang ik dan de laatste klim aan die me scheidt van het CP, en die uit nog net iets meer hoogtemeters opgebouwd is als de voorgaande. Ik zie onderweg de buffer die ik had op de tijdslimiet smelten als sneeuw voor de zon. Uiteindelijk bereik ik de top van de beklimming in Bourscheid, waar ik ook Joke aantref. De klok wijst 3u24 aan, de afstand net geen 150 kilometer. Te laat aangekomen in het CP dus, laat staan om er nog op tijd te kunnen vertrekken. Ik lever mijn GPS tracker in en ben dus officieel uit de race. Er staat ook al een bestelwagen klaar met een aantal andere onfortuinlijke lopers die eveneens de DNF status gekregen hebben. Ik kan gelukkig samen met Joke de wagen opzoeken en samen rijden we eerst naar het CP in Hoscheid en vervolgens naar Clervaux om mijn dropbags  op te pikken. En dan gaat het huiswaarts. Ik doezel onderweg wat in onder een warm dekentje en rond 7 uur ’s ochtends komen we thuis aan waar ik na een heerlijke douche in een zalig comfortabel bed mag kruipen.

De nabeschouwing
Jammer dat ik tegen de tijdslimiet aanliep, want ik gaf mezelf wel een goede kans om de wedstrijd uit te lopen. Ik ben wel blij dat ik uiteindelijk – dankzij Joke – niet zelf opgaf, maar dat het “voor mij beslist” werd. Er is ook heel wat om dankbaar voor te zijn; ik mocht weer lange tijd buiten spelen in de prachtige natuur van de Ardennen en ik liep mijn derde langste afstand ooit (150 kilometer), de tweede langste in tijd (31u26). Ik deed weer heel wat ervaring op (onder andere met slapen tijdens een ultra, wat ik nooit eerder deed), en in combinatie met de 100 mijl versie die ik liep in 2024, ken ik nu het volledige parcours van deze wedstrijd. Allemaal troeven om van de derde keer de goede keer te maken in 2027.

Het grootste wonder is echter mijn herstel van deze wedstrijd. Zondagochtend sliepen we nog een uur of vier en zondagavond gingen we op ons gewoon tijdstip slapen. Maandag was ik al rond 9 uur uit de veren en ik voelde me kiplekker. Meer nog, het slechte gevoel dat ik in de maanden voordien had was helemaal verdwenen, mijn rugpijn was bijna helemaal weg, mentaal voelde ik me haast euforisch, op een roze wolk. Op vrijdag ging ik alweer een stukje lopen en mijn benen voelden als nieuw. Op een of andere wonderlijke manier heeft deze lange tocht mijn lichaam en geest een soort “reset” gegeven waar ik nu nog steeds het effect van voel. Ultralopen ongezond? Ik dacht het niet!

De gedachte – Over 5 jaar op Vinted

Op 20 mei 2021 kocht ik voor het eerst iets op Vinted. 5 jaar later ben ik een grote fan van het online platform waar je tweedehands kleding kan kopen en verkopen. Vinted is een bezigheid waar ik me in fases met veel toewijding op kan storten. Ik beschouw het echt als een hobby. Je verdient er geld mee door kleding die je niet (meer) draagt te verkopen, maar er kruipt ook veel tijd in. Je moet het dus wel de moeite waard vinden om voor soms relatief kleine bedragen een pakje te maken en dat naar een verzendpunt te brengen. Ik ga juist lekker op het hele proces: van zoekertjes bekijken en dan nadenken wat ik wel of niet wil kopen tot foto’s en advertenties maken, de verkoop opvolgen en finaliseren. Als zelfverklaard Vinted-specialist maak ik jullie graag deelgenoot van mijn enthousiasme.

Hoe werkt het?
Vinted is zowel een app als een website. Het platform biedt particulieren (ondertussen ook professionelen) de mogelijkheid om kleding te verkopen en dus ook kopen. Vinted is groots! Het netwerk spreidt zich inmiddels uit over een aardig deel van Europa. Vanuit België kan je pakjes verzenden en ontvangen uit bijvoorbeeld Spanje, Frankrijk, Nederland of Italië. Een account aanmaken is gratis. Kleding verkopen ook. Het is de koper die betaalt voor verzending en de kopersbescherming. Die bedraagt per aankoop 0,70 euro en 5% van de artikelprijs. Een artikel zet je te koop in een advertentie met foto’s en bijkomende informatie over het kledingstuk. Makkelijk en snel, voor je het weet gaat je zoekertje de lucht in. Ik heb het hier trouwens over kleding, omdat ik die voornamelijk koop en verkoop, maar inmiddels kan je op Vinted ook heel veel andere tweedehandsspullen online plaatsen.

Waarom is het zo leuk?

  • Het aanbod is gigantisch, maar ook heel uniek. Je vindt zowel kledingstukken van merken als vintage parels. Of je nu heel specifiek een bepaalde broek wil, een blouse in een bepaalde stijl, gedragen of met de prijskaartjes er nog aan: wie zoekt, zal vinden!
  • Het slimme algoritme weet snel wat jouw stijl is, zelfs beter dan dat je dat zelf weet. Ik heb al heel veel toffe merken ontdekt dankzij Vinted. Het gaat voor mij ook niet altijd om het kopen en hebben, maar net zo goed om geïnspireerd te worden.
  • Mode en kleding zijn voor mij een circulair proces. Dankzij Vinted doe ik veel makkelijker kleding weg. Stuks die ik nog steeds mooi vind, maar niet echt meer draag, moeten doorschuiven naar de volgende voor weer een nieuwe ronde. Als je weet dat iemand anders meer plezier van dat stuk zal hebben dan dat jij ervan hebt, is de keuze snel gemaakt. Ik geef daarom ook nog steeds kleding weg aan familieleden.
  • Je kan net zo goed impulsief en veel kopen op Vinted. Het Litouwse bedrijf telt inmiddels 2000 werknemers en doet dus gouden zaakjes met al die koopjesjagers. En toch geloof ik dat Vinted duurzaamheid stimuleert. Omdat je kritischer gaat kijken naar wat er in je kast hangt en omdat kleding die anders ongedragen zou blijven de plaats inneemt van een nieuwkoop.
  • Omdat je afhankelijk bent van iemand anders die je pakje moet versturen en dat pakje doorgaans enkele dagen onderweg is, leer je ook weer wachten en uitkijken naar iets. Een verademing in de webwinkelwereld waarin alles altijd meteen geleverd moet worden.
  • Hoewel er tegenwoordig vaak negatieve berichten circuleren over misleiding en scamming op Vinted is dat helemaal niet mijn ervaring. Integendeel, Vinted bewijst voor mij dat de meeste mensen deugen. Er wordt niet gelogen over de staat van een kledingstuk. Je weet wat je mag verwachten. Ook het menselijke aspect in die communicatie rond bijvoorbeeld het verzendproces, vind ik heerlijk. Er is een automatische vertaalfunctie ingebouwd, maar ik blijf heel oldskool in het Frans typen als ik met iemand in Frankrijk praat.
  • Ik maak graag pakjes en koester daarom ook de slotetappe van het proces: een kledingstuk netjes opvouwen, met zorg verpakken en het met alle liefde naar het verzendpunt brengen op weg naar een nieuwe thuis. Het voelt als goed doen voor mezelf, de ander en zelfs de wereld.

Wat is je topvondst?
Ik heb écht héél véél prachtige kledingstukken die ik voor een zacht prijsje kon scoren op Vinted. Spullen die ik ondertussen al vaak en graag gedragen heb. Wat ik echter het allercoolste vind, is dat ik mijn trouwjurk kocht op Vinted. Lang verhaal kort. Ik wilde een korte trouwjurk waar ik niet +1500 euro voor zou neertellen in een bruidswinkel (ik was daar ook veel te laat voor). Op Vinted vond ik als bij toeval (nou ja, het algoritme kent mijn smaak dus heel goed) een kortere jurk van het Italiaanse merk Linea Raffaelli. De maten leken precies de mijne te zijn. De jurk had alles wat ik wilde! Voor 145 euro inclusief verzending durfde ik de gok te wagen. Een eerste passessie draaide uit een op een teleurstelling (te klein?!), de tweede keer zat ie als bij wonder perfect.

Ik vond het helemaal niet vies of raar om te trouwen in een jurk waarin een andere vrouw al eens getrouwd was. Integendeel: het voelde juist heel bijzonder dat mijn jurk al een prachtig feest had meegemaakt en 8 jaar lang gekoesterd werd. En dat ik dus de volgende was om in dat fenomenale stuk te kunnen stralen. Ik wisselde foto’s uit met de vrouw die er 8 jaar geleden in trouwde en dacht: hoe bijzonder is het dat ik deze cirkel rond mag maken.

Het moment – Mos voor de eeuwigheid

Ik schrijf eigenlijk niet graag over mensen die gestorven zijn omdat ik dan het gevoel krijg dat ik ze niet lyrisch genoeg heb bezongen toen ze nog leefden. Alsof ik hun impact pas naar waarde kan schatten als ik ze moet missen. Paulien Cornelisse is niet meer. Nederlandse, schrijver en theatermaker. 50 jaar werd ze. Vorig jaar kreeg ik voor kerst haar verzamelbundel In het kort: 400 stukjes over haar alledaagse leven van 2019 tot 2025. Een vleugje Paulien is ideaal voor het slapengaan. Ik kwam vorige week amper bij van het lachen met haar verhaal IJskast, ik kreeg het niet voorgelezen aan Hans. Het leven praat tegen mij. Paulien neemt afscheid met een lach.

Er is heel veel waarom ik Paulien Cornelisse bewonder en dat ook altijd zal blijven doen. Dat ze zo enorm van taal hield en daar ook haar beroep van heeft gemaakt. Dat ze geen blad voor de mond nam, altijd gevat en innemend was. Om de geweldige boeken die ze schreef over alles wat tussen de regels, tussen neus en lippen gebeurt in onze taal. Om haar fenomenale gevoel voor detail en haar scherpe observatievermogen. Dat ze die spitsvondigheden naar heel leesbare teksten wist te vertalen die een groot publiek bereiken. Dat ze zo’n ongelooflijk mooi mens was in al haar zijn en schrijven.

Ik wil dringend haar roman De verwarde cavia herlezen, als troostende korte stukjes voor het slapengaan. Een cavia in een kantoorsetting met gewone mensen: dat is mijn humor. Mijn verbeelding kan daar heel veel mee. In 2019 ging ik naar haar theatervoorstelling Om mij moverende redenen. Een titel die ik eigenlijk niet snapte. Het was een onvergetelijke ervaring omdat er zoveel in samen kwam. Ik heb hard gelachen, met verwondering gekeken en een paar tranen weggeslikt. Paulien op het podium was een unieke kruisbestuiving tussen theater, comedy en cabaret.

Van die voorstelling is me ook Pauliens liefde voor mos bijgebleven. Ik hou ook heel erg van mos. Een schromelijk onderschat stukje groen. Ze vertelde hoe mos tergend traag kan groeien. Een onnozel mosje kan al heel oud zijn. Mos is ingetogen feest. Ik ben mos daardoor met nog meer egards gaan behandelen en ik ga er nu weer anders naar kijken. Niet het mos van de vergetelheid, maar het mos van de eeuwigheid.

Ik wil jullie het verhaal waar ik zo om moest lachen niet onthouden.

IJskast

Er moest een nieuwe rubber rand in de ijskast geplaatst worden. Dat deden we zelf, maar we moesten wel eerst de oude rand verwijderen. Na een halfuur zwoegen bleek dat we niet alleen de rand, maar ook het ding waar de rand ingeklemd moest worden, hadden weggehaald.
We kunnen ook niks.
Ik zocht uren naar een nieuwe ijskast die precies in onze nis zou passen. En ik dacht: waarom zie ik voortdurend berichten over hoe AI beter wordt in activiteiten die ik zelf juist graag ontplooi, zoals tekenen en schrijven?
Ik droom van een wereld waarin AI ziet wat er mis is met mijn ijskast en meteen een nieuwe bestelt. AI neemt ook de telefoon op als de planners van het witgoedbedrijf bellen. Hij wacht geduldig op de bezorgers. Hij zet koffie en maakt een gezellig praatje over… nou, dat weet AI dan dus.
En dan maak ik ondertussen boven een tekening van iemand met zes vingers.

In het kort, Paulien Cornelisse (p. 357)

Het moment – Elke dag veggie!

Het is vandaag Wereld Vegetarisme Dag en dat verdient absoluut een feestje. Ik stopte met vlees eten toen ik 15 jaar was, in het jaar 2000. De vegetarische prehistorie zeg maar. Je moest wel een beetje knettergek en overmatig dwars zijn om in die tijd principieel geen vlees meer te eten. Gelukkig is er 26 jaar later al een mooie weg bewandeld richting een positief vegetarisch klimaat. Zelf evolueerde ik van pescotariër (ik at af en toe nog wel vis) naar een volwaardige vegetariër die ook haar best doet om zoveel mogelijk plantaardige alternatieven een kans te geven. Ik eet niet volledig plantaardig, maar ben een trouwe ally van de vegans.

Het moeilijkste aan stoppen met vlees eten vond ik destijds niet de opoffering die het wel een beetje was. Er kwam namelijk niet echt iets in de plaats voor het vlees dat ik niet meer at. Een groenteburger was in die tijd een slap en redelijk smakeloos ding waar je niet heel vrolijk van werd. Het lastigste waren de gefronste wenkbrauwen en de grote vraag: waarom?! Voor mij was het antwoord op die vraag nochtans kinderlijk eenvoudig. Ik wilde niet dat dieren in erbarmelijke omstandigheden gekweekt werden, vervolgens naar de slachtbank geleid om dan op mijn bord te belanden. Achter die waarom-vraag zat een vooroordeel waar ik als tiener moeilijk mee om kon. Ik ben blij dat ik ondanks die tegenwind volhardde en trouw bleef aan mezelf.

26 jaar later zijn er alleen maar meer redenen bijgekomen om vegetarisch te eten. Sterker nog, als iemand mij nu vraagt waarom ik vegetariër ben, is mijn antwoord dat ik geen enkele reden kan bedenken waarom ik wel nog vlees en vis zou eten. Ik ben natuurlijk wat straffer in mijn uitspraken geworden, maar de maatschappelijke perceptie rond vegetarisme is ook echt gekeerd. Als er wordt gevraagd naar het waarom is dat veelal vanuit een soort bewondering. Op zich is dat ook niet nodig. Ik ben ervan overtuigd dat vegetarisch eten goed is voor jezelf, de dieren, het milieu én de maatschappij. En vooral: dat het bijlange geen opoffering meer is. Ik geef jullie 3 redenen waarom.

Vegetarisch eten is lekker
Het is geen maaltijd waarbij iets ontbreekt. Om lekker vegetarisch te eten moet je vlees of vis niet vervangen door een vegetarisch product, maar geef je de hoofdrol aan iets anders. Vaak zijn dat groenten in een geslaagde combinatie of met een rijke kruiding. Door de jaren heen ontwikkelde ik mijn eigen kookstijl waarbij groenten en peulvruchten de kans krijgen om te schitteren. De eerste keer dat ik voor Hans kookte, presenteerde ik hem mijn signature dish: groentelasagne met ricotta en spinazie. Ook mijn favoriete pompoen uit de oven – de kroonprins, een groente die zijn naam alle eer aan doet – was een succes. Hoewel ik geen receptenkoker ben, haal ik inspiratie uit de Italiaanse en de Libanese keuken die van oorsprong veggie-vriendelijk zijn.

Vegetarisch eten is gezond
Op zich kan een vegetariër net zo goed kiezen voor ultrabewerkt voedsel, frisdrank en fastfood. Toch denk ik dat een vegetarische levensstijl in veel gevallen leidt tot een gezonder voedingspatroon omdat je eenvoudigweg bewuster met je eten bezig bent. Je zal makkelijker kiezen voor vezelrijke alternatieven die je een verzadigd gevoel geven. Eens je dat gewoon bent, val je minder snel ten prooi aan eten dat niet voedzaam is. Zo zegt een diepvriespizza mij helemaal niks meer omdat ik het zo eentonig van smaak vind. Omdat ik als vanzelf gevarieerd eet, heb ik me ook nooit beziggehouden met uit te rekenen of ik wel de juiste voedingsstoffen binnenkrijg.

Vegetarisch eten is makkelijk
Of je nu zelf kookt of uit eten gaat, vegetarisch eten is toegankelijker dan ooit. Op een menukaart, maar ook in de supermarkt vind je een uitgebreid gamma vegetarische producten. Ik vind het woord vleesvervanger niet handig gekozen. De mindset is niet dat je vlees moet vervangen, je wil het over een andere boeg gooien. Op z’n tijd hou ik zeker van een veggie stukje vlees, maar het zijn niet die producten die mijn gerechten kraken of maken. Vegetarisch koken is denken vanuit kansen in plaats van beperkingen. Je hoeft dus echt geen Ottolenghi te zijn om op een simpele manier vegetarisch eten op tafel te toveren.

Als ik het kan, dan echt wel iedereen. Smakelijk!

Vorrei essere un’italiana, chiamami Gloria!*

Ik dacht iets te schrijven over onze reis. Na 2 dagen in Martigny besefte ik: dit is een verhaal op zich! De vakantieverhalen bleven zich opstapelen. Naast het campingleven en onze trailavonturen is er nog één aspect van de vakantie waar ik intens van genoten heb: het Italiaans! Er was een tijd (toen ik nog niet in Italië was geweest) dat ik het blasé vond om jezelf italofiel te noemen en te dwepen met het Italiaans. Om een taalcursus Italiaans te volgen zodat je dan bij de Italiaan in het Italiaans kan bestellen. Ik was zo niet. Ja, Italiaans is een mooie taal, maar ook wel makkelijk om er lyrisch over te zijn. Tegendraads als ik kan zijn, trad ik liever naar buiten met mijn liefde voor het Duits, een taal die meer positivisme nodig heeft dan dat eeuwige Italiaans. Ik wil niet per se anders zijn, maar het zit in mijn bloed om toch op de één of andere manier de ander te willen vertegenwoordigen.

Jullie voelen het al komen: dat is voltooid verleden tijd. Ik wil een cursus Italiaans volgen. Ik wil aan de Duolingo om elke dag met het Italiaans bezig te kunnen zijn zodat ik op z’n minst in het Italiaans kan bestellen bij de Italiaan en dat ik in Italië wat verder kom dan due cappuccino, wat fout is, want het is due cappuccini of cappu in de volksmond. Het begon allemaal in Milaan, waar ik tot de verrassende vaststelling kwam dat ik geschreven Italiaans heel goed begrijp. Met dank aan het Frans natuurlijk. Hans en ik imiteerden de stem van de metro, als vanzelf gingen we luider en met meer grimassen spreken. Het gaat echter mis als je zelf iets probeert te zeggen of gesproken Italiaans probeert te begrijpen. Door de snelheid zijn de woorden bijlange niet zo herkenbaar. Gesproken Italiaans leidt een eigen leven.

Italia is hoe dan ook een land dat tot de verbeelding spreekt. Alleen al de herkenbaarheid ervan op een blinde kaart is veelzeggend. Iedereen kent De Laars! In de 19e eeuw emigreerden miljoenen Italianen met de Italiaanse keuken als ultiem handelsmerk. Daardoor kan je min of meer overal ter wereld gaan eten bij Den Italiaan. Ook in de Europese geschiedenis is Italië toonaangevend. Ik denk aan de Italiaanse invloed op de renaissance en de modewereld. Italianen lijken het in elke sportdiscipline goed te doen. Of dat nu met een bal of in de sneeuw is. Zo bulkt ook elke Italiaanse stad van de geschiedenis en bezienswaardigheden. Als grote fan geef ik uiteraard de Italiaanse literatuur een vermelding in de eregalerij. Tutto è Italia.

Voor mij is Italië een land van chaos troef waar de emoties hoogtij vieren. De gesprekken zijn er altijd geanimeerd en doorleefd. Hartelijkheid altijd dat tikkeltje hartelijker. Een bongiorno is nooit zomaar een goedendag. Claxonneren is er net zo goed een taal. De polizia steekt je op de snelweg vrolijk langs rechts voorbij en op de afrit staat een verkeersbord dat zegt dat je er niet mag inhalen – want anders doe je dat toch gewoon! Ik dacht dat het woord macho uit het Italiaans afkomstig is, maar dat klopt niet: het is van Spaanse herkomst. Desalniettemin is de Italiaan een vat vol uitersten. Explosief van aard en tegelijkertijd zacht als een eitje. 2 bonken van kerels die op een terras witte wijn drinken met een bruscetta erbij, dat kan gewoon. Ik las eens een artikel waarin werd uitgelegd dat de Italiaanse cultuur wel tegen een spottend stootje kan, juist omdat ze altijd zo dominant is geweest. We hebben allemaal ergens een boon voor de Italianen, het is nooit een volk in verdrukking geweest.

En dan kom ik dus bij die fameuze Italiaanse taal. Een taal met een overdaad aan klinkers en klanken die alle kanten op stuiteren. Woorden leven bij het motto: hoe langer hoe beter! Die overdaad zie je ook op verkeersborden. Daar staat dan zoveel tekst op dat je denkt: ik krijg dit niet gelezen, enkele pictogrammen zouden handiger geweest zijn. Tot je het verkeersbord ziet dat aangeeft dat er file is. Doorgaans is dat een afbeelding van 3 auto’s achter elkaar: duidelijk genoeg, die staan in een rijtje aan te schuiven. In Italië is dat bord groter en staat het VOL met auto’s. Ik had ettelijke pogingen nodig om die auto’s te kunnen tellen. Wel, schrik niet: het zijn er 14! Op 1 verkeersbord dus. Veel woorden en dramatiek, ik kan daar alleen maar voor vallen.

De uitgelezen manier om als leek wat op te steken van gesproken Italiaans, is natuurlijk de muziek. Voor de vakantie stelde ik een playlist samen met de naam Tutta l’Italia, verwijzend naar het kitscherige nummer van Gabry Ponte, Italiaanse dj en producer. Op die lijst stond veel Paolo Conte en andere klassiekers zoals Zucchero en Umberto Tozzi. Laura Pausini mocht uiteraard ook niet ontbreken, net zoals Lucio Corsi die voor de hedendaagse touch zorgde. De zwierige en zangerige taal hielp in gezongen vorm om op onze uitspraak te werken door simpelweg na te zingen. Het was ook een oefening om woorden in gesproken vorm te herkennen. Ik zat er zo hard in dat ik me op een bepaald moment tot Gloria wilde laten omdopen, want paste dat eigenlijk niet veel beter bij mij? Onder die impuls kozen we ook resoluut voor Felicità en Sarà perché ti amo als muziek voor onze huwelijksceremonie. Het kleine geluk en de geneugten van verliefd zijn in een eighties Italiaans designerjasje!

Muzikaal drama volgens de perfectie gedoseerd en opgebouwd: ik viel als een blok voor het nummer Vivo per lei van Andrea Bocelli en Giorgia. Ik leerde er veel van. Andrea Bocelli bracht mij in mijn kindertijd voor het eerst Italiaans bij door zijn hit Con te partirò, wat niet bepaald een opbeurend nummer is, maar de tenor die niet kan zien maakte wel indruk op mij. In dit nummer blendt zijn zalvende stem fantastisch met die van Giorgia. Vivo per lei betekent Ik leef voor haar. Zij is geen vrouw, maar de muziek. Het is een duet waarin de troostende kracht van muziek bezongen wordt. De tekst toont ook aan hoe in het Italiaans een persoonlijk voornaamwoord – hier io (=ik) – al naargelang het uitkomt, wel of niet gebruikt kan worden. Wat een taal toch! Als klap op de vuurpijl verdiepte ik me in het privéleven van onze Andrea en dat bleek veel spannender dan verwacht. De saillante details zal ik jullie besparen, want ik bevind me niet in de positie om te oordelen over leeftijdsverschillen in een relatie.

Het is inmiddels 2 maanden geleden dat we in Italië waren. Ik ga heel eerlijk zijn: ik heb niks met Duolingo gedaan, noch ben ik ingeschreven voor een taalcursus. Het is Italia zelf en de Italianen die zwier en zwang geven aan hun taal, dat kan ik nooit met evenveel overgave oefenen aan de keukentafel. Wat rest is de helende kracht van de muziek. Tutta l’Italia!

* Ik wil een Italiaanse zijn, noem me Gloria!

Het moment – 41 kaarsjes rijk

Lieve lezers

Vandaag word ik 41 jaar. Jullie mogen luidop HOERA roepen bij wijze van felicitatie. Nou, dank jullie wel alvast! Ik wil dit moment aangrijpen om te zeggen dat ik blij ben dat ik weer een jaartje ouder ben. Dat ik dankbaar ben dat ik überhaupt jaartjes ouder mag worden en ook nog eens in topconditie ben (op wat stramme spieren na).

Een verjaardag is altijd een heuglijke dag die gevierd moet worden: het is één van de basiswaarden van mijn familie. Ik heb me er dan ook altijd tegen verzet om iemand te zijn die het niet leuk vindt om de teller te zien verspringen. Eerlijk gezegd werden mijn dertiger jaren daar best door geteisterd: een tikkende klok. Was ik nu echt wéér een jaar ouder geworden? Wat had ik eigenlijk gedaan met die tijd? Me daar druk over maken: dat was pas echt een verspilling van tijd! Ik heb mijn ouders nooit weten klagen over hun leeftijd, integendeel. En het is echt zo, hoe ouder ik word: hoe leuker ik het vind om ouder te zijn.

Dit zijn 4 dingen die ik leerde waarderen aan mezelf door ouder te worden:

  • Mijn haar: vaak weerbarstig en met een eigen leven, wat rommelig als ik gefietst hebt, dankzij de juiste snit altijd helemaal mezelf!
  • Mijn voeten: zowel esthetisch als anatomisch zijn het topvoeten die me al ver en veel hebben gebracht.
  • Mijn humor: ik vind mezelf een grappige vrouw, mijn gevoel-voor-humor-radar staat scherp afgesteld.
  • Mijn mening: ik ben blij dat ik mondig ben en mijn mond durf open te trekken.

Door jaren op de teller te krijgen, leer je beter hoe dat kan: een leven leven. Ik kijk mijn veertiger jaren dan ook vrolijk tegemoet. Ik bedoel: ik heb inmiddels een fantastische man en dus een huwelijk! We hebben het mooiste huis ter wereld gekocht! Ik krijg op professioneel vlak de kans om te strijden voor wat ik belangrijk vind. Ik kan nog steeds lang en veel lopen in heel goed gezelschap. En als ik mij eens slecht voel, vind ik altijd troost.

De lotgevallen van mensen uit Club 85 tonen aan dat het leven soms bikkelhard kan toeslaan. Niet voor iedereen is 40 het nieuwe 30. Ik denk aan de pijnlijke dood van Jason Arday die dit voorjaar op 41-jarige leeftijd het leven voor bekeken hield. Ik put hoop uit het verhaal van Silvia Salis: 4 dagen jonger dan ik, ex-Olympiër en sinds vorig jaar burgemeester van Genua. Ook de Nederlandse band Rowwen Hèze, gesticht in het wonderlijke jaar 1985, toont aan dat goede liedjes heel lang mooi kunnen klinken.

Felicità bijvoorbeeld! Een topper uit de jaren 80 van Al Bano en Romina Power. Italiaanse levensvreugde met een allerbelangrijkste levensles: geluk zit in de kleine dingen. Laat dat nu het verhaal zijn van de liefde tussen Hans en mij. Geluk is een attent bericht of een spontaan gesprek. Geluk is samen een koffie drinken en proosten op het leven. Geluk is samen aan tafel zitten en beseffen dat je nooit uitgepraat bent. Wij zijn vandaag in Den Haag, waar de kleine gelukjes voor het rapen liggen.

Als je me echt een plezier wil doen, zet dan Felicità op of Kom terug van Spinvis! Ik klink vandaag op mijn en jullie gezondheid. Op heel veel klein geluk, nog veel jaren lang!

Voilà, Merci en Bravo!

Joke
X

Het moment – Wij gaan trouwen!

Tienen, zaterdag 29 augustus 2026.

Omstreeks het middaguur trekt het wolkendek misschien helemaal open. Gaat de zon stralen als een gek. Misschien ook niet. Valt de regen met bakken naar beneden. Of moeten we het doen met gemiezer. Op de weergoden kan je nooit echt rekenen. Hoe dan ook ben ik er zeker van dat er een heel grote roze wolk boven het stadhuis dan wel het stadspark zal hangen. Waar je ook bent, kijk maar eens heel goed. Ik ben 40 jaar en ik ga morgen trouwen met Hans, de man waarvan ik nooit kon dromen omdat ik niet wist dat hij bestond, daarom zonder meer de man van mijn leven.

Huh, trouwen? Jij? Hoe, wat, waarom???

Waar andere kinderen zich afvragen hoe een vogel kan vliegen, was ik vooral geboeid door de Grote Thema’s des Leven. Ik luisterde graag naar de gesprekken onder volwassenen om te horen wat zij voor interessants te bespreken hadden met elkaar. Als ik geen vragen stelde over die thema’s, dan zat ik er in mijn hoofd op te broeden. Zo vroeg ik ooit aan mijn papa waarom mama en hij eigenlijk getrouwd waren. Omdat je een keer moet zeggen dat het voor echt is. Een mooi antwoord. Eentje waar je ook meteen kritiek op kan geven, want is je relatie of je band echt echter als je getrouwd bent? Is het niet gewoon een ordinaire knieval voor de ambtenarij? Zwichten voor een plechtige setting om iets te officialiseren wat eigenlijk heel intiem is? Een ouderwets en achterhaald ritueel dat misschien juist moet compenseren dat er een gebrek aan echtheid is?

Ik heb heel wat jaren kunnen sjieken op die kwestie: de zin en onzin van trouwen. Omdat ik lang alleen ben geweest, verdween het trouwgebeuren in een doos ergens in de kelder. Ook toen Hans het toneel van mijn leven opkwam. Wij hadden elkaar gevonden, dat was het allerbelangrijkste. Waarom zouden wij moeten trouwen? Wat wij hadden was zo helemaal echt in alles. Tot ik dus afgelopen december droomde dat ik ging trouwen met Hans! Ik werd wakker met een gelukzalig gevoel. Het denken kwam verrassend tot een eind. Ik voelde wat ik wilde. Trouwen dus. We hadden geen van beide een officieel aanzoek nodig om dat een heel romantische gedachte te vinden: om dan voor echt man en vrouw te zijn.

We trouwen dus voor de romantiek. Uiteraard bestaat daarnaast ook een realiteit en moet je over onprettige dingen gaan nadenken als je voor een huwelijk kiest. Maar eigenlijk moet je dat altijd doen als je voor echt voor elkaar kiest. Ik vind het zoveel jaren na datum nog steeds een heel mooie uitleg van mijn papa. Zelf kwam ik niet heel veel verder toen ik aan Leah vroeg of zij eigenlijk wist wat trouwen was. Ik had het over opschrijven dat je dan écht bij elkaar hoort.

3 jaar geleden gingen Hans en ik op de laatste vrijdag van augustus een koffie drinken en toen was er geen houden meer aan. Aardplaten verschoven, de maan was het noorden kwijt. Wij vonden elkaar door te lezen en te schrijven. Wij beleefden onze eigen Murakami-roman. Wij zullen elkaar altijd blijven vinden en ontdekken door elke dag opnieuw voor elkaar en die grote liefde te kiezen.

Cheers!

Het moment – Tour de Trail #3 in Italië

Ik beken dat ik de Dolomieten en Zuid-Tirol tot voor kort niet geografisch kon situeren, dat ik niet doorhad dat de wijn die wij dronken uit Alto Adige uit Zuid-Tirol komt en dat de Dolomieten deel uitmaken van de Alpen. Voor wie zich hierin herkent: de Dolomieten liggen in Italië, net zoals Zuid-Tirol, wat in het Italiaans Alto Adige heet. Je kan dat als een aanfluiting van mijn parate kennis beschouwen of je kan voor een stukje erkennen dat die regio gevoelsmatig ingewikkeld in elkaar zit. De geschiedenis geeft duidelijkheid: de provincie Zuid-Tirol behoort sinds het einde van WOI toe aan Italië, maar heeft nog steeds een sterke Oostenrijkse identiteit. Voor het laatste deel van onze reis trokken we dus naar dat stukje Oostenrijk in Italië. Ik liet me daar gewillig onderdompelen in het romantische landschap waar elk hek perfect onderhouden is.

Hoewel plaatsen en straatnamen zowel in het Duits als in het Italiaans aangegeven zijn, is Duits de toonaangevende taal in de regio. Nog een reden voor mij om op vakantie te gaan: een andere taal! Dat kan het West-Vlaams aan de kust zijn, het Nederlands in Den Haag, maar dus ook het Duits in Zuid-Tirol. Van Milaan reden we naar Naturcamping Lärchwiese nabij Vals (Valles) in Mühlbach (Rio di Pusteria). Op weg naar de camping stopten we voor een boodschappenronde bij de Spar in Brixen (Bressanone). Die dubbele namen zijn niet altijd makkelijk te onthouden, maar zorgen wel voor veel couleur locale. Ik heb het gevoel dat ik bij deze 4e blogpost over de vakantie in herhaling val met steeds dezelfde woorden. Vanaf Brixen werd de omgeving alleen maar mooi-mooier-mooist. Over de camping vertelde ik al één en ander. Ik kwam kortom weer ogen te kort om alles grondig in me op te nemen.

Ons Tour de Trail drieluik zouden we in de Dolomieten afsluiten. In een warm Milaan wandelden we wat kilometers door de stad, maar de loopbenen kregen extra tijd om uit te rusten. Twee uitzinnige en buitengewone trailavonturen in de bergen hadden we achter de rug. Op alpien gebied werden we serieus op de proef gesteld. De letterlijk hoge pieken en dalen maakten een diepe indruk. De route die Hans voor Rio di Pusteria had voorbereid was de makkelijkste van de drie. Er waren enkel goed bewandelbare paden in opgenomen, geen T3’s, maar we waren op onze hoede. Wat we de voorbije keren vooral hadden ervaren was dat we keer op keer verrast werden door het terrein. We vertrokken rond een uur of 10 op een heerlijk zonnige, niet te warme dag. Goed ingesmeerd, ook een lippenbalsem met zonnebescherming ging mee in de trailvest. Kijk, wij proberen dus echt van onze fouten te leren.

De eerste 2 km zijn relatief vlak en brengen ons van de camping richting de berg. Vanaf dan gaat het behoorlijk steil omhoog richting Fane Alm. De overvolle autoparking toont aan dat dit een populaire plek is om met weinig inspanning op een pittoreske plek tussen de bergen van de Oostenrijks geïnspireerde keuken te genieten. Na wat klimwerk bereiken we de Fane Alm met 4 km op de teller. De alm is een bergweide waar in dit geval een soort van mini dorpje is met horeca. Ons eerste echte tussendoel is echter de Brixener Hutte (Rifugio Bressanone). Ik verbaas me erover dat dit berglandschap weer zo anders is dan wat we al gezien hebben. Na het verhaal van de weggespoelde bruggen in Valnontey triggert alles met water ons. Als ik een stroom zie, denk ik automatisch: waar zou ik oversteken? Wat is veilig? Nochtans is er gelukkig niks moeilijk aan het pad dat we volgen: het is breed en afgezet met een hek. De bruggen zijn intact. Als ik ergens ter wereld een koe zou moeten zijn, dan zou ik deze plek serieus in overweging nemen. Dit is het koeienparadijs waar koeien kunnen doen waar ze zin in hebben: chillen bij het water, herkauwen naast een rots of gewoon wat bij elkaar staan niksen. Ook de kleine blauwe vlinders vallen op. Ik leer nadien dat dit het Alpenblauwtje is, een toepasselijke naam.

Wie zich verkneukelt op het moment dat we overmoedig worden en overmoedige beslissingen nemen waarbij we op paden terecht komen die niet toegankelijk zijn: je zal op je honger blijven zitten. Het was bij ons zoals in de echte Tour, waar het vuurwerk niet plaatsvond in het slotweekend. We hebben ook echt behoefte aan een gewone trail op ons niveau, ik toch althans. Ik ben de vorige 2 nog aan het verwerken. We bereiken de Brixener Hutte na 9 km. Inmiddels weet ik dat een hut niet zo primitief is als het woord klinkt. We passen voor de Oostenrijks-Italiaanse specialiteiten en bestellen een grote cola die zo groot is dat het wel een vaas lijkt. Hij glijdt verrassend vlot naar binnen. Mensen, het leven is echt prachtig daar op het terras met een uitzicht om u tegen te zeggen! Maar de plicht roept en wij gaan weer verder.

Vlak achter de hut zien we familie Marmot die niet meteen de pootjes neemt als ze ons opmerken. Geweldige dieren zijn het, ze doen me denken aan mijn cavia’s. Ik had trouwens na de vorige trail opgezocht of er slangen in de Alpen zitten, wat ik eigenlijk niet had moeten doen, want ik wist het antwoord al: volmondig ja! Je zal niet meteen het loodje leggen door een slangenbeet, maar ik moet de gedachte wegduwen dat op elke steen mogelijks een slang kan liggen. Ondertussen wordt het landschap rots- en steenachtiger. Ik denk aan de rotstuin van mijn Oma, die ze aanlegde na hun vakanties in Zwitserland. Dit is haar rotstuin, maar dan in het groot. Er groeien namelijk verbazingwekkend veel bloemen in dit ogenschijnlijk kale gebied. Stenen, stenen en nog eens stenen dus. Eventjes is het niet duidelijk hoe het pad loopt, maar dan zijn daar weer de stapelstenen die ons de weg tonen. We kruisen ook wat wandelaars, altijd een goed teken.

Waar Hans in z’n element is, hakt de laatste klim er stevig in bij mij. Ik ben echt klaar met deze stenen! Ik kan niet zeggen dat het moeilijk of gevaarlijk is, maar ik vind letterlijk en figuurlijk mijn adem niet. Misschien heb ik last van de hoogte (we gaan richting de 2800 meter). Misschien alleen van mijn verstopte neus. Misschien is het een mentaal dingetje. Met 12 km in de benen zijn we eindelijk boven. Er ligt nog sneeuw. Ook dat blijf ik absurd vinden, hoe je daar met 22 graden in de zon sneeuw kan aanraken. Het uitzicht is mijn klimfrustratie helemaal waard! We kijken uit op een meer en deze keer eentje van een heel ander formaat dan het schattige meertje in Valnontey. Het is de Wilder See (Lago Selvaggio). Indrukwekkend groots.

Het is hier dat we aan de praat raken met onze buren vanop de camping. Die hebben wél zin in een portie avontuur en gaan nog verder stijgen tot een echte top. Voor ons gaat het vanaf nu in lichtjes dalende lijn, rond het meer. Wat naast het water in het oog springt, zijn ook hier de kleurrijke bloemen. Als we rond het meer lopen, merken we pas echt hoe mega het is. Heel soms is het pad te smal naar mijn zin, maar voor ik dan echt kan protesteren, is het weer acceptabel.

Er wacht ons weer een passage langs koeien, gelukkig van een heel ander kalibertje dan die in Zwitserland. Dit zijn vredige koeien, dat zie ik meteen. Hier passeren heel vaak mensen en daar kijken ze dus niet van op. We nemen onbewust een andere weg dan de route voorzien heeft, maar dat draait positief uit. We maken een kilometertje extra, langs de Malga Fane, terug naar beneden. Zo kunnen we over hetzelfde pad naar beneden lopen als we naar boven zijn gegaan, waardoor we ook echt kunnen lopen en een beetje tempo maken. Dat doet goed! Lopen met stokken herinnert mij soms aan skiën. Het is ook dat beeld dat ik voor me heb als we dalen: ik ski deze berg af. Wat een geweldig gevoel!

We stoppen op de Fane Alm voor een cola en cappuccino, al zijn we duidelijk bezweter dan het publiek hier. De laatste 4 km naar de camping zijn dubbel: ik geniet heel erg van het lopen en het vooruitzicht dat we weer veilig en wel thuis zijn, ik besef ook dat het er nu, toch voor lange tijd, op zit. Ik ben trots op ons. We hebben dat écht goed gedaan, net daarom doet het een beetje pijn. Voldaan bereiken we de camper. We zijn voor de verandering eens quasi ongehavend uit deze strijd gekomen. Als Hans gaat douchen zit hij nog wat in de minimalistische materiaalsfeer, want hij neemt per ongeluk een keukenhanddoek mee om zich af te drogen. We proosten op onze reis, op de bergen en de verhalen. Morgen vertrekken we huiswaarts. We waren in 2 landen en liepen 3x in de Alpen. Dat zijn ontelbaar veel indrukken.

Tot slot de cijfers van deze n°3. We liepen 24,34 km in 5 uur. We gingen 1491 meter omhoog en naar beneden. Voor de derde keer verbreken we ons hoogterecord met zicht op de onvergetelijke Wilder See. Dat ligt nu op 2803 meter.

Tot helemaal slot nog een bedenking over toerisme in de regio. Als ik die skibanen en -liften zie, vraag ik mij af wat de impact van dat toerisme is op de natuur. Net zoals het feit dat een plaats als de Tre Cime in de Dolomieten een hotspot geworden is waar elke zichzelf respecterende Instagrammer een foto wil maken. Met als gevolg dat mensen in ellenlange rijen gaan aanschuiven om dat ene plaatje te schieten waarop dan verder vooral geen mens mag staan. Je doet daar op zich niemand kwaad mee, er wordt wel veel en zwaar vervoer ingezet om hordes toeristen naar boven te brengen. Zelf ben ik natuurlijk net zo goed een toerist die profiteert van toeristische faciliteiten, van het feit dat er een pad in de bergen is gemaakt, dat er op hoogte horeca is. Dat ik sportief ben en een stevige wandeling aankan, geeft mij niet meer recht om in de bergen te zijn. En toch vind ik dat toerisme veel kapot maakt. Mensen staan te weinig stil bij de waarde en kwetsbaarheid van de natuur. De bergen zijn niet zomaar een leuk decortje voor je foto’s. We moeten er zorgzaam mee omspringen. Amen.

Het leven zoals het is op de camping

Zou het niet fantastisch zijn als we overal ter wereld zouden kunnen samenleven zoals het op de camping kan? Een plaats waar je faciliteiten moet delen, op een beperkte ruimte samenzit en dat met respect voor het groen en sociale controle om u tegen te zeggen. Iedereen leeft er op hetzelfde gezapige ritme: vanaf 8u wordt het leven op gang getrokken, om 22u is het stil en ligt iedereen in bed. De camping is een dynamische plek met een heterogene populatie die continu in beweging is. Mensen komen en gaan, elke dag weer. Je hebt de passanten en de residenten. De campers en de tenten of kampeerders in de auto. De einzelgängers, families en vriendengroepen. Volg mij naar de camping!

Ik heb een verleden met de tent. In mijn tienerjaren gingen we in de zomervakantie met het gezin kamperen in Engeland. Hoewel het Engelse winderige, onvoorspelbare weer niet altijd mijn ding was, sliep ik graag in een tent en heb ik veel mooie herinneringen aan onze vakanties. Dank je wel dus, oudertjes. Maar eerlijk is eerlijk: ik keek toen al met grote ogen naar wat wij een mobilhome noemden. Dat was toch allemaal dat tikje meer dan ons tentenkamp. Minder gedoe met in- en uitpakken, met je installeren en weer vertrekken. Enkele decennia jaren later kan ik dat alleen maar beamen. Ik vind de camper ideaal omdat je de charme van kamperen combineert met het comfort van een huis(je). Je zit altijd droog, warm en beschut. Je kan overal licht maken en dus ook ’s avonds in bed nog lezen. Je hebt veel kastjes zodat je niet uit je valies moet leven. Je hebt een mini keuken met koelkast en vriesvak. Je bent altijd verzekerd van een propere wc. Je kan je vakantietijd optimaal benutten omdat je meteen thuis bent als je ergens toekomt.

Er zijn veel redenen waarom ik hou van het campingleven. Allereerst het inkijkje in andermans leven. Hoe vullen mensen hun ontspanning in? Hoe maken ze het gezellig? Maar ook: hoe zit het met de onderlinge relaties? Er ontstaat een inspirerende kruisbestuiving tussen verschillende mensen en manieren om je vakantie in te vullen. Blijf je elke dag op de camping in je ligstoel of trek je sportieve schoenen aan? Bijzonder vind ik ook hoe je heel snel een (soms stille) band opbouwt met je tijdelijke buren. Je respecteert elkaars rust en privacy, maar helpt waar het nodig is. De camping is bovendien een plek waar je elkaar schaamteloos kan kopiëren en dus van elkaar kan leren. De luifel gaat daar dicht, er komt wellicht stevige wind aan. (Hans was Chef Luifel). Op onze eerste dag in Martigny vielen we door de mand: we waren een afwasteiltje vergeten. Toch een onmisbaar kampeerattribuut. Gelukkig bracht de Coop redding en vielen we niet langer uit de toon.

Het allerleukste is het eenvoudige buitenleven dat je leidt op een camping. De wandeling naar het sanitair bijvoorbeeld met je handdoek rond je nek en toilettas onder de arm. Heerlijk! Ik had veel te veel kleren mee, want uiteindelijk hield ik het ook daar basic. Net zoals het potje dat je kookt, net wat eenvoudiger is dan thuis, maar er niet minder om smaakt. Je hebt ook altijd iets om naar te kijken in je omgeving. Het buitenzijn filtert heel wat prikkels weg, waardoor je het perfecte evenwicht bereikt tussen rust en reuring om je heen. Je zit daar allemaal samen, ieder doet z’n ding en dan is het leven helemaal prima.

We deden nog enkele vaststellingen over het campingleven. Noem een voorwerp en het bestaat in campingversie ofte opvouwbare vorm: ik denk hierbij aan een wasmand, emmer en natuurlijk het afwasteiltje. Een tent die we meermaals zagen is een model van Quecha waarbij de tentstokken vervangen zijn door een opblaasbare constructie. Staat sneller recht, naar het schijnt, al blijft het een tent. Een tentrits die open en dicht gaat, het is een geluid dat je uit de 1000 herkent. Maar vergis je niet, mensen: de tent is echt op z’n retour. Tegenwoordig zijn het de campers (in alle soorten en maten) die de boventoon voeren. Kampeerders met een tent zijn moedige mensen (gedreven door nostalgie?). Zonder foeteren leggen ze zich neer bij de tijd die het kost om hun kamp georganiseerd te krijgen. Huisdieren maken daar soms ook deel van uit. Het klinkt aantrekkelijk, maar de hond staat doorgaans garant voor gedoe. Denk aan nachtelijke plasjes en blaffen naar soortgenoten. In Valnontey zagen we één kat die mee op vakantie was in de camper en die leek het wel naar haar zin te hebben.

Wij huurden in juli dus een camper en waren twee weken onderweg van Zwitserland naar en door het noorden van Italië. We overnachtten op 5 verschillende campings en 1 tankstation. Je maakt een reis met de camper zo avontuurlijk en geïmproviseerd als je zelf wil. Wij reserveerden alles op voorhand, behalve de laatste camping op de terugreis. Ik deel graag hoe die verschillende campings ons bevallen zijn.

Om een idee te geven van wat dat kost, vermeld ik telkens de prijs per nacht voor 2 personen met een kleine camper, de afname van elektriciteit en toeristenbelasting. Daarbovenop hadden wij nog de kosten van brandstof (we reden 2385 km), heel veel tolwegen en – als je daarvoor kiest – de toegang tot een tunnel in plaats van de weg over de pas. Voor een camperreis betaal je ongeveer het equivalent van de huur van een vakantiehuis. Een tent is absoluut een budgetvriendelijkere keuze. Uiteindelijk geldt natuurlijk zoals steeds: het is wat je zelf belangrijk vindt en waar je je geld wel of niet aan wil besteden.

Aire de Saverne-Monswiller in Eckartswiller (Frankrijk): gratis
We kwamen al 2x op dit tankstation met wat extra faciliteiten (want dat is het uiteindelijk), toen we vorig jaar naar Martigny gingen en dit voorjaar naar de Elzas. Geloof het of niet (mijn zussen moesten ermee lachen), dit is wat ik een gezellig tankstation noem. Je bent in een relatief groene omgeving (ze hebben een rozentuin en zicht op een bergje), het is een schoon terrein met voldoende passage. Er heerst een vredige sfeer. Ik voelde me er veilig. Het was een bewuste keuze om hier te overnachten. We hadden een kleine 800 km te gaan tot Martigny en die wilden we niet in één keer afleggen, deze aire lag net over de helft. De eerste nacht in de camper slapen was voor mij wel weer een beetje wennen, maar de omgeving van ons favoriete tankstation stelde wederom niet teleur. We hadden er een gezellig dinertje bij lantaarnlicht en ontbijt in de zon. Een aanrader in z’n genre!

TCS Camping Martigny (Zwitserland): 55 euro per nacht
Dit is een camping die heel typerend is voor Martigny: het is zeker niet de allermooiste camping van Zwitserland, maar je hebt er alles wat je nodig hebt, alles is netjes en je zit in het dal omgeven door bergen. Het sanitair is hier echt top! Brandschoon door een ijverige schoonmaakploeg en bezoekers die het proper willen houden. Een greep uit de campinggasten. De ijdele vijftigplusser die er elke dag op uit trok met de koersfiets. Grootouders met kleinkinderen en de hond, wiens puppyfoto in het groot op de camper vereeuwigd was (opschrift: immer dabei). Een koppel uit West-Vlaanderen die het met heel weinig woorden toch heel gezellig hadden samen. Een gezin met twee mama’s en twee overprikkelde kleuters die sliepen in een auto met daktent. Zij verdienen van onze hele reis absoluut de medaille voor Moed en Zelfopoffering omdat ze er tussen de crises door altijd het beste van bleven maken. Eveneens genomineerd voor deze prijs: de jonge ouders die overnachtten in hun Tesla en elke avond rondjes over het campingterrein moesten maken om hun baby in slaap te krijgen (makkelijk 1 uur). De TCS camping is heel klassiek en voelt voor mij nu al nostalgisch aan.

Campeggio Lo Stambecco in Valnontey (Italië): 34 euro per nacht
Wauw! dacht ik toen we het terrein van Lo Stambecco (de steenbok) opreden. Ik denk dat iedereen die hier verblijft een groot hart heeft voor de bergen en het buitenleven op de camping. Het terrein is gevarieerd: je hebt grotere, open plaatsen, waar je meer bij elkaar staat, maar ook kleine plaatsen tegen de helling aan met meer beschutting van bomen. Overal waar je komt, is het zicht fenomenaal. Onze buren waren drie Duitse jongemannen die hoofdzakelijk in stilte verdiept zaten in een boek. Wat later kwamen ook twee Italiaanse families met kinderen toe, die zorgden voor wat meer leven in de brouwerij. Minder succesvol was het balspel dat de kinderen (Pietro, Marco, Iwan, Bianca en Elena) speelden. Wij stonden namelijk lager en een bal heeft de neiging te rollen. Ze hadden in ieder geval een fijne tijd samen. Wat hogerop zaten twee zwijgzame Nederlanders die alles aanschouwden.

De camping wordt gerund door een sympathieke broer en zus. Ze kregen hulp van een jongeman die veel te netjes gekleed was (witte broek en polo van Lacoste), in onze fantasie was dat hun neef uit Milaan. Het sanitair van Lo Stambecco is eenvoudig, wat charmant in elkaar geknutseld. Ook hier werd alles weer heel proper gehouden. Zeker ook een meerwaarde: de bar! Je kon er voor amper 5,5 euro een spritz drinken en kreeg daar een plankje met hapjes bij. We leerden daar ook de man kennen die we De Wandelaar noemden. Rond aperotijd zat hij op het terras verdiept in zijn kaarten waarop hij routes aanduidde. Hij leefde uit de rugzak en overnachtte in een minimalistische tent. Voor mij weer maar eens een les in licht reizen. Je kan niet anders dan gecharmeerd zijn door het authentieke karakter van deze camping. Dit is een parel!

Camping Milano (Italië): 49,5 euro per nacht
Zonder de twijfel de minst leuke plaats. We verbleven er ook maar 2 nachten omdat we 1 dag Milaan wilden bezoeken. Dat is meteen de troef van de camping: je kan heel vlot met de bus en metro naar de grote stad. De camping zelf ligt op 10 km van het stadscentrum, naast een waterpark in een troosteloze wijk. Het terrein op zich is niet slecht: er staan heel veel bomen en de percelen zijn ruim. De camping pakt uit met hun **** die ze hebben omdat er – op papier – zoveel faciliteiten zijn. Daar knelde het schoentje. Je hebt er zogezegd alles, (restaurant, speeltuin, kinderboerderij, modern sanitair), maar dat alles is onderkomen door gebrekkig onderhoud en gasten die er niets om geven. De helft van de kranen bij de afwas lekte, eentje verloor zelfs continu stromend water (every drop counts!). Er waren ook wc’s die bleven doorlopen. Het sanitair oogde bovendien niet fris en vertoonde te veel sporen van anderen. Niet wat je wil.

Bij aankomst hing er ook een vreemde vibe. Langs onze camper stopte een auto en het leek alsof kinderen daarmee gingen rijden. We werden aangevallen door de muggen, een zomerprobleem van Milaan door de vele rijstvelden in de Po-vlakte. De sfeer sloeg wel positief om toen er langs ons een Frans gezin de tent opzette. Zij waren erop gebrand om het gezellig te maken. We zijn blij dat we weer in Milaan zijn geweest. Camping Milano is een functionele camping op doorreis.

Naturcamping Lärchwiese in Vals (Italië): 86,5 euro per nacht
De laatste 3 nachten brachten we door op de duurste en chiqueste kampeerplek van onze reis. Lärchwiese is een relatief nieuwe **** camping op een prachtige locatie: een kabelbaan, Oostenrijkse architectuur en een adembenemend bergplaatje. Echt alles is mooi en stijlvol aangelegd met gebruik van de lärch, een naaldboom uit de streek. Bij reservatie kozen we één van de grootste kampeerplaatsen omdat het prijsverschil relatief klein was. We kregen een idyllisch plekje wat hoger op de camping toegewezen. Over de faciliteiten niks dan lof! Denk bij alles de woorden “sfeer- en smaakvol”: de bar met terras waar ze wijnen uit de streek serveren, de shop waar ze alles verkopen wat je nodig kan hebben (van een souvenir tot lippenbalsem) tot zelfs de (af)wasplaats. Het sanitair was luxueuzer dan wat we thuis hebben. Ik geef toe dat ik daar heel lekker op ga: een gevoel van esthetiek waarbij alles tot in de puntjes klopt.

Er is ook een “maar”. Een camping als deze trekt een publiek aan dat op vakantie wil zijn, meer dan dat ze van het basic campingleven houden. Het ging er daarom allemaal wat afstandelijk aan toe. Er werd niet gegroet of geknikt. Ieder zat op zijn grote stukje grond alleen te wezen. Ieder voor zich dus. Zo bleek ook uit het gebruik van het sanitair. Helaas werd dat minder schoon achtergelaten door de campinggasten. In plaats van te denken: ik laat de lavabo proper achter voor degene die na mij komt, was de mindset eerder: straks komt de poetsploeg om hier weer schoon schip te maken. En dat is eigenlijk toch wel heel jammer.

Ook hier zagen we weer het fenomeen van kersverse ouders die met een baby gaan kamperen, inclusief volledige volksverhuizing van babyspullen. Er waren 2 koppels die ’s avonds eindeloos bleven wandelen om de baby in slaap te wiegen. Hadden ze zich dit idyllischer voorgesteld? Of denken ze: ik zit hier met dezelfde zorgen van thuis, maar ik heb tenminste zicht op de bergen? Op deze camping waren de campers vaak erg groot. Denk richting een paardenvervoer of bus van een wielerploeg. Er was ook een jonge meid van een jaar of 7 die vaak met de gsm aan haar oor over het terrein wandelde, heel casual in een gesprek verwikkeld. Ik vraag me nog steeds af met wie zij zo’n lange telefoongesprekken voerde. Op het hoogste punt van onze trail maakten we kennis met 2 sympathieke Nederlanders die heel toevallig de kampeerplek onder ons hadden. We konden wel wat Nederlandse openhartigheid gebruiken! Tot slot was ik onder de indruk van het effect dat het bergwater op mijn haar had. Ik ging ’s avonds slapen met een ongeziene wave in mijn haar en ’s ochtends zat die er nog net zo in, er kwam geen borstel aan te pas. Lärchwiese was kortom een geslaagde afsluiter van onze vakantie.

Camping Büttelwoog in Dahn (Duitsland): 28 euro per nacht*
We reden terug via Oostenrijk en Duitsland. Het plan was om weer op een tankstation te overnachten omdat we de volledige rit niet in één keer wilde rijden. Na een file voor de grenscontrole om Duitsland binnen te rijden, maakten we een koffiestop op een tankstation met Frauenparkplatzen. Dat heeft niets met parkeervaardigheid te maken, wel met veiligheid. Het zijn plaatsen die vrouwen een verhoogd gevoel van veiligheid willen bieden. Ze bevinden zich dicht bij het gebouw (zodat je niet over de hele parking moet) en er is camerabewaking. Op zich een mooi initiatief, maar het werkt bij mij juist een gevoel van onveiligheid in de hand. We belandden uiteindelijk op de uitzichtloze B10 waar geen enkele stopplaats bleek te zijn. Zo ontstond spontaan het idee om op zoek te gaan naar een camping voor de nacht.

We kwamen terecht bij Camping Büttelwoog. De eigenaar was stug, zelfs onvriendelijk en ze aanvaardde enkel cash geld, maar er was nog plaats en dat was wat telde. Het bleek wederom een bijzondere plek te zijn. We waren immers in het Pfälzerwald. Een bosachtig gebied met rode rotsformaties waar gezichten in gebeiteld lijken te zijn. Voor een laatste keer werden we helemaal ondergedompeld in “het echte” campinggevoel. Waarbij het sanitair misschien wat primitiever is, maar wel kraaknet. Waar iedereen altijd en overal gedag zegt. Laat ik daar meteen onze conclusies aan verbinden. Een goede camping trekt mensen van allerlei slag aan die één ding delen: ze houden van het campingleven zonder franjes. Er is veel respect voor de omgeving en oog voor elkaar. Samen maak je de camping. Dan hangt er iets in de lucht, een stukje ziel en eigenheid dat een doordacht businessplan en degelijk beleid overstijgt. Ik zei het al: de camping is een voorbeeld van hoe het zou kunnen zijn.

*We namen hier geen elektriciteit af.



Het moment – Tour de Trail #2 in Italië

Een ander landschap doet bij mij de meest simpele vragen rijzen. Hoe en wanneer zijn de bergen ontstaan? Vroeger had ik mijn papa voor dat soort vragen, nu Hans die de juiste kennisgebieden weet aan te boren. Dan keer ik terug naar de aardrijkskunde lessen en herinner ik me het begrip platentektoniek en de kaarten in de atlas die daarbij hoorden. Kennis van de middelbare school ga je doorgaans pas op latere leeftijd naar waarde schatten. De bergen die ik ken van de Ardennen en de Vogezen, dat zijn bergen die ik van het bostype noem. De berg is deel van een boslandschap. Een gebergte als de Alpen, dat weet ik nu, is een landschapstype op zich. Als ik terugdenk aan de adembenemende uitzichten, dan komt vooral het gevoel terug van hoe mijn ogen tekort schieten om het beeld écht te vatten. De natuur is er helemaal anders. Het gras stugger en scherper, de bomen grilliger tot aan de boomgrens en dan zijn ze er gewoon niet meer.

Ik neem jullie verder mee op onze reis naar Zwitserland en het noorden van Italië. We bleven 3 nachten in Martigny en reden dan met de camper door naar Aosta, de dichtstbijzijnde stad in de buurt van onze bestemming in de bergen. Het toeval wil dat de UTMB Monte Rosa hier diezelfde avond zou vertrekken. Ah, Italia! We gingen boodschappen doen bij Gros Cidac, een supermercato à la Carrefour en we banjerden door de stad. Voor 1,8 euro een cappuccino drinken en de meest levendige Italiaanse gesprekken op net iets te luide toon horen: dat is vakantie. De rit van Aosta naar de camping was ongeveer 30 km. Meteen al een heel mooi voorproefje van het landschap. Ook in de auto hield ik soms even mijn adem in als ik naar beneden keek, maar ik vertrouwde volledig op de rijkunsten van Hans (en de vangrails in geval van nood). Via het kleine Cogne kwamen we aan in Valnontey op camping Lo Stambecco, onze thuis voor de komende dagen.

Valnontey ligt op 1667 meter hoogte in het Parco Nationale del Gran Paradiso. Je zit dus tussen de bergen en kijkt er niet gewoon op uit. De camping heeft ook wat hoogteverschillen. Het terrein is aangelegd met veel respect voor de plaatselijke natuur. (Later deze week wijd ik een aparte blogtekst aan mijn campingervaringen.) We krijgen op Lo Stambecco een idyllisch plekje toegewezen en wanen ons in het paradijs! Al vrij snel stellen we vast dat de natuur hier anders is. Er hangt een soort mos als baardhaar in de bomen. We horen het vertrouwde geluid van de vink, maar die zegt niet suskewiet. Het kost mij 2 dagen om een onomatopee te bedenken voor de Italiaanse variant. De vink zegt namelijk op verschillende plaatsen iets anders. Ik kom uiteindelijk uit bij centi! met een langgerekte e. De bergen verwennen ons met een gematigde temperatuur. Overdag een zonnige 20 graden en ’s avonds mag de sweater aan voor de gezelligheid.

Na onze bewogen hoogtemeters in Zwitserland hebben we na de reisdag een ontspannen dag op de camping. We gaan te voet naar Cogne, een schattig stadje 2 kilometer verder, maar houden er geen rekening mee dat de winkels een middagpauze van 3 uur nemen. Het kan de pret niet drukken. Mijn eerste gevoel bij deze plek is dat het gebrek aan architecturale smaak, waar wij in België ernstig mee kampen, hier op overschot ligt. Werkelijk alles is mooi! Ik geef mijn ogen de kost aan de stenen daken, de vormgeving van de balkons en de algehele schattigheid waarin alles gehuld is. Met het oog op onze geplande trailtocht de volgende dag baart het me wel zorgen dat ik nog heel stijf ben. We liepen in Martigny bijna 2000 meter naar beneden. Zoals gezegd, hakt dat stevig in de spieren. Bij het opstapje van de camper moet ik me met beide handen vasthouden om nog wat controle te hebben. Het is vaak schuifelen wat ik doe. Ik voel me kortom niet kakelfris voor een nieuw trailavontuur.

Ondanks dat lichamelijk ongemak heb ik wel echt zin om weer te gaan kijken hoe het op de bergen is, in plaats van er alleen maar naar te kijken. Deze keer heeft Hans voorkennis: 5 jaar geleden was hij hier al eens. Toen ondernam hij in alle vroegte een tocht naar “de hut”. Et voilà, dat gaan wij nu ook doen. We willen rekening houden met de lessen die we geleerd hebben in deel 1 van dit beoogde drieluik. Voldoende zonnecrème smeren dus en handelen naar de moeilijkheidsgraad van een pad. Zeker niet overmoedig worden! De vooropgestelde route die Hans heeft voorbereid (inspiratie komt wederom van Komoot) zullen we daarom aan een kritische blik onderwerpen om niet weer koud gepakt te worden door ons gebrek aan ervaring in de bergen. Het plan is eenvoudig: de route naar de hut is een toegankelijk wandelpad van 5,8 km serieus omhoog. Nadien kunnen we eventueel nog een beetje verder gaan – als het niet te gevaarlijk is – om het bergmeertje te zien. Via dezelfde weg dalen we dan weer tot in Valnontey. Simple comme bonjour! Vandaag geen waaghalzerij op het programma.

We vertrekken rond een uur of 10 met een ideale temperatuur. Wandelen is hier uiteraard een populaire bezigheid, daarvan getuigen de vele wandelroutes die ook effectief heel wat wandelend volk op de been brengen. Van mijn stijfheid merk ik gelukkig weinig als we bergop hiken. Mijn stokken zijn weer een grote hulp en zo gaan we aan een heel aardig tempo de berg op, telkens vriendelijk bongiorno-end met al wie ons pad kruist. We steken via een brug (een detail dat later in dit verhaal niet zomaar een detail zal zijn) de waterval over die we vanaf de camping kunnen zien. Schitterend! Hoewel het soms steil omhoog gaat, is het pad echt wel toegankelijk. Ja, er liggen uiteraard stenen in alle soorten en maten, maar er niks gevaarlijks aan. Ik heb dus de tijd om alles goed in me op te nemen. Wat vooral opvalt zijn de blinkende zilveren stenen. Alsof Leah hier haar pot met glitters heeft laten vallen, om het met de woorden van Hans te zeggen.

Zonder slag of stoot, maar vooral met veel ooh’s en aah’s bereiken we na anderhalf uur stijgen Rifugio Vittorio Sella, de hut dus. Ik weet niet wat jullie voor je zien bij het woord “hut”. In mijn hoofd (hier val ik weer maar eens door de mand als niet-bergenkenner) is dat iets heel primitiefs. Deze hut is veel meer uit de kluiten gewassen dan wat ik in mijn hoofd had. Het is een groot gebouw waar je iets kan eten of drinken. Er zijn naar het schijnt 161 slaapplaatsen. Het is met andere woorden een fijne plaats voor de dagwandelaar, die als doel heeft van het uitzicht te kunnen genieten met een drankje in de hand, maar ook voor de meerdaagse trekkers die van hut naar hut lopen en er overnachten. Ik drink een cappuccino (hoe luxe op 2588 meter hoogte), Hans een cola. We vragen aan de barvrouw of de wandeling tot aan het Lago del Lauson moeilijk is. Volgens Komoot is dat namelijk een T3-pad en wij zijn vastberaden ons daar niet meer aan te wagen. We worden wat meewarig aangekeken. Not difficult, is het antwoord, wat ons betreft een go! om verder te gaan.

Een bergmeer, dat heb ik nog niet gezien! De route ernaartoe valt inderdaad goed mee qua techniciteit. We komen er aan met ongeveer 7 km op de teller. Een magische plek! De combinatie van de schittering op het helderblauwe water omgeven door bergen. Dit is iets van postkaarten. Wauw! Het bijgestuurde plan is dus om van hieruit terug te keren over exact dezelfde route. We kunnen dan via een relatief beloopbaar pad dalen en eindigen met 14 km op de teller. Er is een grote, dikke “maar”. Het pad tot aan het meer is helemaal niet zo moeilijk als we vreesden, waardoor het initiële plan om de uitgestippelde route te volgen en dus een lus te lopen, toch weer aanlokkelijk wordt. Bijkomend voordeel is ook dat we dan in totaal meer dalende kilometers hebben dan stijgende. Dat gaat niet over snelheid, wel over de hoop om onze benen minder kapot te moeten lopen op die fel dalende stukken. Dit is met andere woorden het punt waarop we ons weer laten verleiden door het Avontuur met hoofdletter A.

Avontuurlijk is het zeker wel. Het pad loopt wederom langs een diepte, maar deze keer hebben we op de rechterkant de bergflank die beschutting en houvast geeft. Er is een wat gevaarlijkere passage waar een touw hangt en ook eentje met een laddertje bevestigd aan de rots. Ik zou dit “avontuur met beleid” noemen. We kunnen mentaal ook beter om met de hoogte. Het is pure mindfulness, alleen maar bezig zijn een pad te volgen. Ons zelfvertrouwen is ook gegroeid. Tot daar dan het eerste echte obstakel is. Een waterval! Het is te zeggen: ik noem het een waterval, maar volgens de wandelaar die we later zullen kruisen is het een ruisseau. Laten we het erop houden dat de waarheid in het midden ligt. Het is een stroom die zich over een lang steil stuk naar beneden over rotsblokken stort, waardoor op sommige plaatsen een watervaleffect ontstaat. Met veel lawaai ook tot gevolg.

We doen 43 minuten over kilometer 10. Dat moet wel een traagheidsrecord zijn. Het probleem is dus de watervallende stroom. We zien waar het pad aan de andere kant verderloopt, maar niet waar je bedoeld wordt de stroom over te steken. We hebben geen schrik voor natte voeten, wel voor het genadeloze water. De stroming is op sommige plaatsen heel sterk. We durven geen enkel risico te nemen. Ook de bedding is steil en bestaat uit grote stenen. We klimmen dus een paar keer op handen en voeten naar beneden en boven langs de stromende waterval op zoek naar de veiligste plaats om over te steken. Dit moet ons lukken. Uiteindelijk krijg ik een idee. Op één plaats liggen twee heel grote rotsblokken wat tegen elkaar. We kunnen daar veilig naast gaan staan. In Martigny leerde ik dat als iets akelig is, zittend dalen meer grip en houvast geef. Mijn idee is daarom om schrijlings over de stenen naar de andere kant te schuiven. Met mijn paardrij-ervaring is het logisch dat ik eerst ga. Het gaat vlotter dan gedacht, Hans volgt zonder problemen.

Er gaat een enorme adrenalinestoot door mijn lichaam omdat we dit geflikt hebben! Niks staat ons nu nog een voortvarende tocht in de weg, denk ik, toch weer naïef eigenlijk. We stijgen verder door en na een kilometer worden we met een prachtig uitzicht vanaf één van de toppen beloond. Als bij wonder komen er langs de andere kant twee wandelaars naar boven. Niet alleen handig omdat ze een foto van ons kunnen maken, maar ook omdat we zo te weten kunnen komen wat ons nog te wachten staat. Hun boodschap is duidelijk: het is niet altijd duidelijk waar het pad is en je moet alert zijn. Wij waarschuwen op onze beurt voor de cascade die door de man (hij kent de route) dus een stroom wordt genoemd. Vol goede moed zetten we onze tocht verder. Als deze mensen van vlees en bloed langs de andere kant naar boven zijn gekomen, dan is het doenbaar. We hebben er 9 km opzitten, nog 11 te gaan in dalende lijn.

De kilometers gaan traag voorbij door de grilligheid van het pad. 1 kilometer kost makkelijk 25 minuten. Gelukkig hebben we tijd, is het weer goed en hangt er geen onweer in de lucht. We blijven echter niet gespaard van waterproblemen. Er volgt een volgende stroomoversteek, een stroompje is het eigenlijk maar. Het probleem is deze keer dat de passage steil is en de grond rond de stroom heel los en modderig. Je hebt er met andere woorden amper grip. We proberen wederom een analyse te maken van de mogelijkheden. Ik probeer weer om zittend naar het water toe te schuiven, waarbij ik meteen een klein beetje naar beneden glij. Hans beleeft hier een doodsangst. Hij wil me helpen door zijn stok uit te steken, want in een flits ziet hij mij naar beneden de dieperik mijn dood tegemoet glijden. Zelf ben ik niet bang omdat ik me gecontroleerd kan laten zakken. Ik slaag er zo vrij snel in om tot bij een oversteekpunt te komen waar ik vlot de overkant kan bereiken. Ik heb daar ook een beter overzicht en kan Hans helpen de route te bepalen, die hij niet zittend en glijdend moet maken, maar met relatief vaste grond onder de voeten. Hehe, ook dit is weer gelukt! We beseffen nu dat terugkeren geen optie meer is en dat we werkelijk geen idee hebben wat ons nog te wachten staat. Dat is dan toch weer wat beangstigend.

Ik laat de chronologie hier even los. Het wordt namelijk moeilijk reconstrueren in welke volgorde nadien wat gebeurd is. Ja, er staat ons namelijk nog wel één en ander te wachten. Ik spoel even door naar de laatste 3 km die we relatief vlak langs het water kunnen lopen. We passeren daar een bord waarop staat dat het trailpad is afgesloten (non percorribile!) omdat de overstromingen in 2024 alle bruggen hebben weggespoeld. Denk hier een emoji bij die heel grote ogen trekt. Dat bord hing er NIET in de richting die wij gelopen hebben! Wij zouden nooit – jamais – no way een route hebben gevolgd die afgesloten was omdat er geen bruggen meer waren. Het verklaart dus wel één en ander. Na onze 2 spectaculaire wateroversteken, zullen we nog 2x water over moeten zonder brug. Gelukkig zijn die technisch niet lastig en houden we er enkel natte voeten aan over. We zien daar ook de restanten van een brug: de pijlers die er nog staan met wat verderop de weggespoelde oversteek.

De overstromingen hebben ook op andere plaatsen hun sporen nagelaten. Soms is het pad bedolven onder een steenlawine. Op zich is het niet per se moeilijk of gevaarlijk om over stenen te klauteren. Lastiger zijn de steilere hellingen waar een water- of modderstroom het pad weggespoeld heeft. Je moet je voorstellen dat je op een steile flank een meter of 3 moet zien over te steken die enkel bestaat uit los zand en stenen. Ik probeer nog eens de truc met het zitvlak. Op mijn poep probeer ik beheerst naar de zijkant te kruipen. Het lukt aardig, tot ik een pijnlijke steek onderaan mijn kuit voel. Ik zie rond mijn voeten tientallen wespen cirkelen. Mijn benen liggen in een wespennest! Ik roep iets naar Hans en op de één of andere manier slaag ik er spiderman-gewijs in om een stukje naar boven te klimmen. Hans heeft allergiepilletjes mee, waar ik er meteen één van neem om een mogelijke reactie tegen te gaan. Ik ben uiteindelijk 3x gestoken in mijn onderbenen. Het is geen agressieve wespensoort zoals we die hier kennen. Hun nest lijkt in de berg te zitten. De pijn valt mee, maar ik ben wel even helemaal klaar met het avontuur. Ik moet bekomen van deze schrik.

We zijn niet de enige gekken onderweg. Na de wespen kruisen we een vrouw en man. Fietsers! Niet bepaald wat je op dit terrein verwacht. Ze zijn op de fiets aan hun route begonnen en dragen hier op een steile, technische klim allebei een elektrische mountainbike op hun rug. We kunnen niet anders dan hen waarschuwen. Ze zijn onderweg naar de hut. Dat is nog minstens 6 km klimmen en water oversteken! We vinden hen veel te optimistisch kijken naar wat hen nog te wachten staat. Met alles wat wij hebben gezien, weten we dat er van fietsen niet veel in huis zal komen. Het is vooral klimmen en klauteren, goed uit je doppen kijken. Je hebt je handen echt wel nodig en het gewicht van een zware e-bike in je nek kan je dan missen. Ondanks onze waarschuwing, gaan ze vrolijk verder. We hebben de dagen erna nog vaak aan dit stel gedacht. Hoe en wanneer zouden ze die hut bereikt hebben?

Er zijn ook andere hoopgevende tekenen van menselijke aanwezigheid. Hoe dichter we bij het dal komen, hoe meer gestapelde stenen we tegenkomen. Die stapeltjes tonen waar het pad is. Het heeft iets ontroerends. Alsof anderen ons hier bij de hand nemen en naar de uitgang leiden. De stenenstapels zijn welkom, want het blijft lastig om met het oog te zien waar het pad loopt. We maken ook kennis met de plaatselijke fauna. Zo staan we bijna oog in oog met een gems die ons guitig aankijkt en alsof het niks is in 3 tellen 10 meter over rotsblokken stijgt. Vanuit zijn uitkijktoren blijft hij ons nastaren, alsof hij (ik denk dat het een jongen is) op zijn beurt verbaasd is waarom het ons moeite kost om over die stenen heen te geraken. Van nog dichterbij zie ik een schattige marmot die tussen een hoop stenen aan het loeren is. Ze schrikt harder van mij dan ik van haar (ik denk dat het een meisje is). In de allerlaatste kilometers is er nog een ree die met niet al te veel haast de benen neemt voor ons.

De laatste kilometers lopen we met onze stokken. Heerlijk! Bij mij blijft de schrik erin zitten dat we alsnog een halsbrekende rivieroversteek voorgeschoteld zullen krijgen. Niets van dat! Het is over de brug in Valnontey dat we weer veilig en wel onze camper bereiken. Waar we in Martigny met de daver op het lijf een pittige klim zijn aangegaan, zijn we nu vooral op een positieve manier onder de indruk van ons avontuur. Wat een verhaal, mensen! De bruggen waren weggespoeld en wij wisten van niks! We hebben intens kunnen genieten van de diversiteit van het Alpen-landschap: de stilte, het oorverdovende water, de uitzichten op die waanzinnige bergen en de geur van wilde kruiden. Ik ben heel trots op hoe we dit weer samen hebben aangepakt. Hans en ik geloven in elkaars kunnen, zorgen voor elkaar en beseffen hoe bijzonder het is om dit te kunnen delen. Daar drinken we er ’s avonds eentje (en nog eentje) op!

Nadien zien we ook hoe de schade van de overstromingen tot in Cogne zichtbaar is. De rivier heeft er hele stukken van de bergflank meegesleurd, er hangen nog steeds bomen in het water, er liggen gigantische rotsblokken in de rivier. De kracht van de natuur is verwoestend. Ik vraag me nu nog af hoe ze in hemelsnaam ooit die bruggen hersteld gaan krijgen. Hoe begin je aan zoiets? We hebben ook weer lessen geleerd voor de volgende bergentrail.
1) We zijn niet verbrand door de zon, lang leve het bijsmeren! Enter de noodzaak om een lippenbalsem met UVF-bescherming mee te nemen. Mijn lippen hebben het zwaar te verduren gekregen door de wind.
2) Je weet eigenlijk nooit wat je écht kan verwachten. Juich dus niet te vroeg als je denkt: deze T3 valt keigoed mee, dat zal de komende kilometers ook wel zo zijn. Het avontuur zit in een heel klein hoekje, altijd klaar om als een duveltje uit een doosje tevoorschijn te schieten en je keihard te verrassen. De ene T3 is de andere niet. En daarbij kan je op zoveel andere problemen stuiten.

Tot slot nog de cijfers. We legden uiteindelijk 21,13 km af in 6 uur en 40 minuten. Het hoogste punt bereikten we op 2678 meter, voor ons beide een nieuw hoogterecord. In totaal stegen we 1239 meter en liepen we die ook weer naar beneden.

Volgende week lezen jullie over de laatste etappe van ons drieluik in de Alpen. We bereiken in de Dolomieten het dak van onze Tour de Trail. Ik beloof jullie veel vredige koeien, een indrukwekkend bergmeer en een ski-achtige afdaling in Oostenrijkse sfeer. In Italië welteverstaan!