De cijfers: we gingen met 3 over de finish bij mijn 21e marathon in een tijd van 3:32:06
De voorbereiding: trefwoorden als zigzaggend, met ups & downs en pieken & dalen zijn hier op hun plaats, maar toch ook wel een flinke dosis voorpret en love voor de marathon
De race: het ultieme bewijs dat ik een doener en een voeler ben, niet alleen als het goed en leuk is, zeker ook als het zwaar en ambetant is, nooit eerder ging ik zo kapot en was het vat helemaal leeg
De herinnering: de laatste rechte lijn en hoe ik niet anders kon dan lachen en roepen of een combinatie van beide die in een niet-sportieve context als deviant gedrag bestempeld zou worden, Leuven u was geweldig!
Wat vooraf ging
Na een wedstrijdloos najaar had ik veel zin om weer aan een echte marathonvoorbereiding te beginnen: intervals en tempolopen op de piste, geïmproviseerde tussendoortjes en een zondag-duurloopdag. Die voorbereiding verliep soms op een roze wolk, maar net zo goed eens onder een donker wolkendek. Bij die wisselvalligheid probeer ik me neer te leggen, de ene keer lukt dat al beter dan de andere. De CPC halve marathon in Den Haag gaf me goede hoop dat ik klaar was voor de marathon. Ik kon aan een consistent tempo blijven lopen zonder weg te zakken. Mijn doel was daarom duidelijk: beter doen dan mijn 3u15 van vorig jaar. Joni had niet veel overtuigingskracht nodig om mij te vergezellen en het tempo te bewaken. Veel familieleden en vriendjes zouden deel uitmaken van het evenement, dus ik had ouderwets veel zin om die marathon te lopen.
Vlak voor de start
Op tijd komen, het is een kunst die wij in de familie goed beheersen. Net zoals helder communiceren over hoe en waar je afspreekt. Roos en Joni komen met de fiets uit Wijgmaal (we zullen daar later ook heen lopen) en terwijl Hans nog op de dixi zit, treffen we elkaar net vóór tijd en net vóór de afgesproken plek. Daar herken je de echte op-tijd-komers aan. Het is gezellig druk op de eventsite. Er wordt gekletst en gelachen, er is wat paniek over gerommel in de darmen (niet bij mij – dat komt later pas) en om dat af te stoppen eten we banaantjes. De wandeling naar de startzone is meteen al een stevige warming-up. Met z’n vieren vertrekken we in startvak 2. De zon schijnt, mensen! Het wordt een hele mooie dag vandaag! We schieten wat kiekjes met dichtgeknepen ogen tegen de zon in en zeggen hallo tegen mensen die we kennen. Er volgt een klapmoment, een aftelmoment en dan worden we als een bende wilden losgelaten in Leuven.

De stadslus
De marathonlopers vertrekken samen met de lopers van de 10 km. Joni heeft Garmin een paceplan laten uitdokteren dat rekeninghoudt met het hoogteprofiel. De ene kilometer moet je dan wat sneller of trager lopen om als gemiddelde aan die 4’30” te komen. Ik heb Joni bovendien opgedragen om streng voor mij te zijn. Hij moet me niet meteen vermanend aanspreken, want ik volg braafjes in zijn zog. Hans is erbij volgens het plan: een sportieve ménage à trois (ik kom hier later op terug). De eerste kilometer vind ik altijd een goede graadmeter. Ik loop aan het vooropgestelde tempo en dat voelt ontspannen aan. Er is een eerste genietmoment als we via de Naamsestraat naar beneden knallen voor de bocht rond de Sint-Pieterskerk. Wat hou ik toch van deze stad!

Met nog maar dik 2 km gelopen moet ik spaarzaam zijn met de superlatieven. Ik ga het zicht van de Mechelsestraat op het Mariabeeld van de Abdij Keizersberg daarom niet iconisch noemen, wel indrukwekkend. Het is met dichtgeknepen billen dat ik ernaar toe loop, want dé klim van deze marathon, dat is die van de Boelenberg, aka Keizersberg. Een kleine 300 meter lang met een maximaal stijgingspercentage van 10%. Vorig jaar moedigden we hier aan, nu hebben we moed nodig. Het ding is: als je zo gefocust bent op een zwaar moment, dan blijkt dat uiteindelijk reuze mee te vallen. Al helemaal als er een Joni voor je loopt die als een metronoom weet hoe snel je die berg op moet. Voor ik het goed en wel besef zijn we erover. Tot mijn verrassing zie ik bovenaan collega Petra staan die net zo verrast is dat ze mij voorbij ziet rennen. De Boelenberg is Hans wat minder lekker bevallen. Hij moet een inhaalmanoeuvre inzetten om ons bij te benen. Als we bergaf rollen richting Vaart besluit Hans zijn eigen tempo te volgen. Een heel wijs besluit, zal later blijken. De wedstrijd ligt hier nog bijlange niet in een definitieve plooi.

Ik ben een optimist en met momenten ook een naïeveling, dat is nu niet anders. Zo had ik gespreksonderwerpen om met Joni door te praten. Het is de eerste keer dat ik met Joni een wedstrijd loop en die eerste helft: ach, dat zou toch op cruise control moeten zijn? In de bocht van de Vaartkom en ook in de schaduw van de Stella-gebouwen geeft Joni daarom een update over zijn werk in Ierland dat zich in de afrondingsfase bevindt. Ik onthoud dat de Ieren gist moeten opsturen zodat getest kan worden of de waterzuivering en -voorziening ook bij een maximale capaciteit van de brouwerij voldoet. Joni vertelt ook over zijn loopplannen voor de zomer: een trail van 35 opeenvolgende dagen doorheen het prachtige Ierland. Wat een geweldig avontuur zal dat zijn! Jullie horen het: met Joni heb ik echt een uniek (immer bescheiden) looptalent als haas te pakken.

De stadslus is een vroege verkenning van de grote finale. Nu tikt alles nog lekker weg en zit de vaart er goed in. Een eerste supportershoogtepunt beleven we aan het station waar ik een half gelukte high-five aan Sam kan geven. We spotten er ook Marike met haar aanhang. Bij Leah en Emil zie je altijd gemengde gevoelens op het gezicht: leuk om Metie in actie te zien, maar dat wachten duurt toch lang. Rembert is altijd in voor een verrassing en schreeuwt me met zijn stem als een beiaard richting Ladeuzeplein. Daar lees ik op een groot bord: Race day is just the victory lap of your training. Ik ben er nog steeds niet uit in welke mate ik het daar mee eens ben. Het mopje over de maskers die zouden afvallen bij de splitsing tussen 10k en marathon heb ik al gemaakt. Omdat ik het zelf zo grappig vind, herhaal ik het nog eens. Er liggen geen maskers in de laatste lijn richting finish en als er al één zou af vallen, dan zal het dat van mezelf zijn een handvol kilometers later.

De groene lus
We lopen voorbij de finishzone. Ik zweet als een Odeyn, knalrode kop incluis. Het is nog net niet té warm met dat zonnetje. Mijn stavaza na 10 km is dat ik niet echt weet wat ik erover moet denken. Het tempo is volgens plan, het gevoel niet helemaal zoals gehoopt. Ik denk dat ik hier de eerste twijfels begin te ontwaren die ik vakkundig naar de achtergrond weet te duwen. Een gesprek voeren zit er niet echt in, ook niet hoopgevend. Ik hobbel achter die frisse Joni aan. We duiken naar beneden richting Naamsepoort. Ik kijk nu al op tegen het moment dat ik hier terug naar boven moeten lopen. Het lijkt nog verre toekomstmuziek. Ook de Kardinaal Mercierlaan is zo’n dubbelaar in het parcours. Oranje kegeltjes vormen de scheiding tussen de heen-en-weer. Vanaf hier begint het te voelen alsof alles bergop gaat. Het verraderlijke van een kuitenbijter als de Keizersberg is dat je dreigt te vergeten dat Leuven één en al op en neer is. Net zoals Heverlee, waar we nu lopen.
Dit is de fase van de wip. Ik bevind me tussen nostalgische gevoelens voor Heverlee en een gevoel van knagend onbehagen. Ik heb 5 jaar in Heverlee gewoond en alles hier is dus een trip down memory lane. In deze straten werd ik de loper die ik nu ben. Stilaan sijpelt het ook door dat ik grip begin te verliezen op de wedstrijd. Dit voelt te veel als een inspanning in plaats van een ontspannen begin. Die eerste helft krijg ik echt niet gemiddeld aan 4’30” gelopen. Ik hou nog even mijn masker op en doe alsof ik nog niet heel hard aan het werken ben, maar het werkt niet bepaald mee dat ik Heverlee als m’n broekzak ken. We lopen niet in een rechte lijn op het bos af (alsof dat het doel is van een marathon) en dat stoort me. Het is nogmaals een bevestiging dat ik me niet fris genoeg voel.
Vlak voor we het bos in lopen, slik ik mijn tweede gel weg. Net zoals de eerste valt die écht niet lekker in mijn buik. Weer een teken aan de wand dat het niet is wat het zou moeten zijn (of wat ik gehoopt had dat het was). En dan dat bos. Hans heeft me het parcours helemaal uitgelegd. Ik heb het met eigen ogen gezien op een plan. In theorie weet ik dus dondersgoed wat me te wachten staat. Ik beschik echter over de gave dat ik zelfs plaatsen die ik heel goed ken vanuit een beschermingsmechanisme anders ga invullen. In mijn hoofd zouden wij dus echt! niet! over een bospad lopen, hooguit wat gravel. Na 14 km schrik ik me dan ook de pet van het lijf als we via de Middelweg Heverleebos inlopen via een onvervalst hobbelig bospad. En dat is ook weer heel dubbel. Ik hou enorm van Heverleebos! Ik heb hier zo vaak gelopen, sterker nog: ik leerde hier lopen. Ik heb in mijn lopersleven zo veel emoties beleefd in dit onnozel stukske bos, dat wil je echt niet weten! Het raakt me dat ik hier nu plots als een 40-jarige madame in dat bos een marathon aan het lopen ben.

We lopen door het tunneltje waarvan ik echt niet (nooit!) had gedacht dat ik er ooit een wedstrijd zou lopen en krijgen een welkome aanmoediging van Stijn en Yorien. Op een strook asfalt kan ik eventjes op adem komen. Voor Joni het uitgelezen moment om de socials te onderhouden. Hij post filmpjes waarin ik op de achtergrond lichtjes geforceerd mijn vrolijke masker probeer op te houden. Over de parking gaan we terug het bos in. Hier begint de groene lus pas echt. Werkelijk elk stuk lijkt omhoog te gaan. Ik loop op mijn geliefde snelle Cielo’s, een schoen waar je niet veel aan hebt op een onverharde weg. Alsof de grond me naar beneden trekt. Ik zoek naar een ritme, naar een goeie cadans, naar een tempo dat aangenaam aanvoelt. Het hoogteprofiel liegt er niet om. De marathon telt 244 hoogtemeters en die worden hoofdzakelijk tussen km 14 en 21 afgelegd. In totaal lopen we een kilometer of 5 over onverharde paden. Waar is die Waversebaan?! Ik passeer het halfway point in 1u36, dat valt beter mee dan gedacht, maar met die marge weet ik dat ik nooit onder de 3u15 zal eindigen.
Joni belichaamt het optimisme. Ik ga hier de fase van “de hoop op het mirakel” in, de fase van de wanhoop zeg maar. Ergens in mijn lichaam heb ik nog een paar über-optimistische spiervezels die denken dat ik een tweede adem zal vinden ergens in die stad (die niet vlak is) of ergens langs de Vaart (die oneindig lang is). Ik weet dat ik top 10 loop omdat me dat vaak wordt toegeroepen. Terwijl ik stilletjes zou willen verdwijnen naar de backstage voel ik de morele verplichting om te blijven bikkelen. Voor wie of wat eigenlijk? Ik voel een ietsiepietsie opluchting als de pacers van 5 uur ons kruisen: ik heb dat bos al achter de kiezen. Het heeft mij de vernieling doen in lopen. Slechts met een half oog kijk ik naar mijn kilometertijden. Ze voelen traag aan, wat niet helemaal strookt met de realiteit. Is er een schakelknop in mijn hoofd? Kan ik niet strijden voor iets anders dan het vooropgestelde plan? Alles doet pijn, mijn benen zijn nu al verzuurd. Als klap op de vuurpijl bevalt ook mijn derde gel me slecht. Mijn buik trekt samen, klaar om een paar stevige krampen te produceren. De goed-nieuws-show is hier definitief verleden tijd.
Joni blijft in verbinding staan met de wereld. Zo weet hij mij te zeggen dat Hans niet heel ver achter ons zit. Goed zo, denk ik, die zal wel genoten hebben van het bos. De genadeslag krijg ik uitgedeeld op de “klim” van de Naamsepoort met 25 km in de benen. Wauw zeg, top 10! Zo sterk, Joke! Ik sterf een stille dood, samen met mijn allerlaatste optimistische spiervezels. Ik ben kapot, het is gedaan. Op verzuring na zit er niks meer in mijn benen. De marathon is afgelopen voor hij goed en wel begonnen is. Het is ook lang geleden dat ik nog zo’n last had van buikkrampen. En dat is niet bepaald helpend als je al niet vooruit te branden bent. Op de één of andere manier blijf ik toch gaan. Vooruit dus. De tweede afdaling van de Naamsestraat is er één van het waggelende soort. Je weet dat het echt niet loopt als je bergaf op de rem gaat staan. Van de euforie die ik hier 2 uur geleden beleefde, is geen sprankeltje over.

Het kan geen toeval zijn dat we aan de Sint-Pieterskerk gezelschap krijgen van iemand die uit de doden herrezen is: Hans! Hij ziet er nog fris uit, hij loopt nog soepel en hij kan het verdorie nog goed uitleggen. Zoals verwacht heeft Heverleebos hem goed gedaan, hij kwam er lekker op toerental. Zo is The Chain op km 27 voor even weer compleet. Al is het duidelijk wie de zwakste schakel is. Bij mij is het op, zowel het lichaam als de geest. Hans kan daarentegen zijn PR aanvallen als hij zijn tempo aanhoudt. Het kost me ongeveer een kilometer om hem te overhalen door te lopen. Gaan met die banaan! Het is een mooi plaatje: we hebben mijn ouders en Niko in het vizier aan de Vaartkom, luid roepend en zwaaiend naar ons, Hans sjeest hen voorbij, wij joggen hen voorbij en krijgen te horen: Waar is Hans?! Joni kon ik niet overtuigen om voor een snellere tijd te gaan. Daarom breekt hier ook wel de (tijdelijke) fase van het schuldgevoel aan. Dan heb je eens een tophaas en dan kan je die geen succes geven. Zo zit Joni niet in elkaar, die is van het “samen uit, samen thuis” principe.
De vlakke lus
We zijn aan de Vaart met 29 km op de teller. De Vaart! Wat een icoon aan de Leuvense skyline! Ik liep hier oh zo veel kilometertjes gelopen, als beginner zonder meetapparatuur en als ervaren marathonrot intervaltrainingen. Die gedachte neemt de pijn niet weg. Vanaf hier zal ik geen kilometer meer onder de 5’00” lopen. Ik moet werken om überhaupt een voorwaartse beweging te maken. Met de buik gaat het van kwaad naar erger. Ik kon helaas nog geen dixi ontdekken langs het parcours. Een sanitaire stop kan me mogelijk een bescheiden redding brengen. Ik ken de weg naar Wijgmaal té goed. Het voelt alsof we helemaal naar Mechelen moeten lopen. Wat me blijft raken, is het enthousiasme van de supporters. Die mensen acteren niet dat ze vinden dat je goed bezig bent, ze vinden dat echt, dat voel ik. Het helpt om mijn prestatie in perspectief te plaatsen. Ik ben hier verdorie een marathon aan het lopen, niet meer in de top 10, wel nog bij de snelste 10% van het deelnemersveld.

Na 30,5 km is daar de bevoorradingspost van de verlossing. Ik kan niet anders dan hier wandelen om te drinken. Every drop counts! Wandelen deed ik dus nooit eerder tijdens een marathon en het is meteen een bijzondere ervaring. Posten worden vaak bezet de jeugdbeweging, de kans is groot dat daar een oud-leerling bij is. Zo krijgt Mevrouw Odeyn in heel wat bevoorradingen een aanmoediging. Het grote voordeel van wandelend door een waterpost te gaan is dat er zich een soort erehaag voor je vormt. Er zijn weinig andere lopers en je hebt de tijd om complimenten over je prestatie in ontvangst te nemen. En jawel hoor, wat wacht daar op mij? Een toiletkot uit plastic! Ik dacht altijd dat de walm je al van ver tegemoet komt als je het wc-hok voor lopers met darmklachten nadert. Niets is minder waar. Deze dixi is quasi ongebruikt. Dubbel geluk aan mijn zijde! Ik laat me een soort van vallen op de pot en dan kan eruit wat me dwarszat. Ik weet niet of Joni het kan beamen, maar ik kom als een ander mens uit dat kotje. Wat een opluchting! Ik zie de laatste lus plots zoveel positiever tegemoet.
Zelfs tijdens een ultratrail kost het me niet zoveel moeite om me op gang te trekken met dat stramme lijf. Het kan me dan ook niet echt deren dat we op dit lange stuk voelbaar wind tegen hebben. Joni informeert intussen de supporters dat het fameuze paceplan een social run geworden is. Over sociaal gesproken, stiekem kijk ik uit naar het moment dat Roos ons zal bijbenen. Heel ver ligt ze niet meer achter, maar zelfs een minuut of 5 heb je niet op 123 dichtgelopen. Waar de man met de hamer zou klaarstaan, is dit een kantelpunt in positieve zin. Ik voel me bevrijd door de druk die van mijn buik is. Mijn benen zijn nog altijd twee zure pikkels. Het enige herkenbare van deze marathon is dat ik kilometers 25 tot 30 als zwaarder ervaar dan wat daarna komt. Ik kijk amper nog op mijn horloge en berust erin dat dit avontuur een plot twist van jewelste kreeg. Er komen nog wat sorry’s naar Joni. Ik zeg een paar keer verontschuldigend: dit heb ik nog nooit meegemaakt! Maar Joni is een positivo en die zegt dat het daarom ook bijzonder is om hierbij te zijn.

Ik ben opgegroeid in Wijgmaal. Joni is nog steeds een trotse inwoner van dit stukje Groot-Leuven. We passeren op een boogscheut van mijn ouderlijk huis en ook langs de Remy Boys, de voetbalploeg waar Joni kampioenen-kapitein werd. Met 33 km stevenen we af op De Brug, een beetje Herent en dan Wijgmaal in. Ik kan beter zeggen: Joni-town! Heel Wijgmaal kent Joni (en vice versa). Blijdschap alom! In de bevoorrading is het weer wandelen geblazen. En als we onze (heel lange) rechte lijn richting Leuven inzetten, is het eindelijk tijd om één van dé gespreksonderwerpen aan te snijden. Wat duiding is hier op z’n plaats: ’s ochtends op de radio hoorden we het nummer Love’s a Stranger van Warhaus, dat liefde in een open relatie bezingt. Zeg Joni, ken jij mensen met een polyamoureuze of open relatie? Ik denk dat Joni zich hier niet meteen aan had verwacht deze marathon, maar het onderwerp houdt ons wel aan de waggel. Op de achtergrond horen we het luide gejoel van mijn ouders die langs de andere kant van de Vaart fietsen. Er is nooit een gebrek aan enthousiasme in onze familie. Ook de toeschouwers blijven te lief voor mij.
De finale
Geen sportieve relatie is ons te gek. We steken de Vaart weer over en als de teller op 37 km springt, is er weer sprake van een ménage à trois. Roos heeft ons bijgebeend! Joepie! We vertellen natuurlijk wat over en weer, ik over het diepe dal waarin ik me bevind, Roos over de klop of het klopje dat ze gekregen heeft. Tijd is hier een vreemd ding. Enerzijds lijkt het alsof we elkaar een volledige dag geleden gezien hebben, anderzijds zijn die 3 uren in een vingerknip voorbijgevlogen. Onze ouders fietsen langs ons, we lopen naast elkaar en zwaaien blij naar Marc van DCLA, de club waar we ons leven als loper begonnen zijn. Zo ontvalt ons de uitspraak dat we deze marathon eindigen zoals we ooit begonnen zijn: samen, gezusterlijk naast elkaar. De aanmoedigingen blijven trouwens toestromen. Ongekend! Ongezien! Ongelooflijk! Dit is écht de finale van de marathon. Het aftellen kan beginnen.

Ik denk dat het energieniveau van Joni’s tank amper gezakt is, ook Roos heeft duidelijk nog meer jus in de benen dan ik. Ik. Kan. Niet. Meer. Weer is het zo klaar als een klontje dat ik niet achtergelaten word. Met 38 km zijn we aan de Vaartkom klaar om het centrum van Leuven in te lopen. Een wandelpauze dringt zich hier weer op voor mij. Ikkannietmeer. Ik heb die ene vlakke meter in Leuven niet gevonden. Ook het bergopje naar de Bondgenotenlaan kan ik niet aan zonder te wandelen. Nog een observatie: als je wandelt, roepen mensen je dingen toe als dat je moet doorbijten of op je tanden moet bijten. Doorzetten dus. Ongetwijfeld aanmoedigend bedoeld. De waarheid is dat tot op dit punt van de marathon geraken aan eender welk tempo, lopend of wandelend, altijd een grote mate van doorbijting vereist. Wandelen is hier net zo goed je tanden keihard stuk bijten om die stijve benen een beetje in beweging te krijgen.


De passage aan het station is er weer eentje om blij van te worden dankzij de aanwezige supporters. De klok zegt 40 kilometer. We moeten het moment echt wel pakken. Dit Is De Marathon! Hier doe je het voor, hoe vreemd dat ook klinkt, hier moet je van genieten. De strijd is bijna gestreden. Op het Ladeuzeplein maken we voor de laatste keer een gek bochtje om dan via de Blijde Inkomststraat onze uittrede te doen. Mijn masker van in het begin ligt nog in de bocht. De laatste rechte lijn is laaaaang en loopt – oh verrassing – nog een beetje omhoog. We kijken elkaar een paar keer aan, roepen iets, proberen iets te zeggen. Er gaat heel veel door mij heen. De opluchting dat dit erop zit, is heel groot. De finishboog lonkt. Ik zie ontvangstcomité Hans al klaar staan. We stuiven met z’n drieën over de mat. Einde. 3 uur 32 minuten is het verdicht, veel trager dan verwacht en moeizamer dan gehoopt. Het is wat het is. De blijdschap primeert. Marathon 21 is binnen en we hebben met z’n vieren heel wat om over na te praten. Zeker ook dat Hans erin slaagde om zijn PR te evenaren met 3u21.


De conclusie
Complimenten voor de organisatie, die was ronduit uitmuntend. Ook de schaal van het evenement beviel mij. Genoeg lopers om omringd te zijn, niet te veel om omver gelopen te worden door de massa. Het is een marathon die ik zou aanraden voor iedereen die een waardig alternatief zoekt voor de grotere en bekende stadsmarathons. Je hebt enerzijds de verbinding met de stad en heel veel enthousiaste supporters, anderzijds een groene lus die snelheid kost, maar wel unieker is dan de klassieke bedrijvenzone waar je doorgaans doorgestuurd wordt. Je loopt heel wat stukken in en rond de stad dubbel. Nadeel is dat zware of saaie straten nog eens terugkomen, het voordeel dat je geweldige passages kan herbeleven. Ook voor supporters is dit daarom een marathon die veel te bieden heeft. Als geboren en getogen Leuvenaar is het uiteraard onmogelijk om deze marathon objectief te beoordelen (alsof ik dat ooit pretendeer). Niet iedereen zal immers zo lyrisch zijn over de Vaart.
De Leuven Marathon was me er eentje. Intens van begin tot einde. Sport is emotie, dat bewees deze marathon eens te meer. Het is achteraf makkelijk om kritisch te zijn over je gekoesterde ambitie. Ik wist dat ik een gokje waagde door aan een stevig tempo te vertrekken. Dat ik echter zo’n optater zou krijgen, had ik niet zien aankomen. Ik kon in mijn taperperiode genieten van 2 ontspannende vakantieweken. Aan mijn laatste trainingsloopjes hield ik een goed gevoel over. Redenen genoeg om erin te geloven. Ik denk dat ik ten onder ben gegaan aan heel veel kleine dingetjes die samen een waterval aan problemen hebben veroorzaakt, een situatie die onomkeerbaar was. Het is een uitdaging om deze marathon helemaal los te laten. Ik werd heen en weer geslingerd tussen gevoelens van falen & afgaan aan de ene kant en intense vreugde aan de andere kant. De berusting ligt erin om dit avontuur te koesteren in heel die kermis aan emoties.

Wat me ook enorm geholpen heeft, is de steun van mijn lieve collega’s van Team Koraal. Zij wisten dat ik sportief ben en veel loop, maar niet dat marathons daar ook onder vallen. Diep onder de indruk waren ze van het feit dat ik überhaupt een marathon gelopen had (en het bleek dan niet eens de eerste te zijn). Het is met het schaamrood op de wangen dat je dan toegeeft dat je op een betere tijd had gehoopt. Ook dat blijft heel dubbel. Elke loper heeft het recht om eigen standaarden te hanteren van wat je een goed of tegenvallend resultaat vindt. Je moet die echter ook kunnen projecteren op het totaal van (marathon)lopers. Ik ben me er dus van bewust dat het nog steeds heel straf is om met een (voor mij) ongeziene instorting 3u32 te lopen. Bovendien ben ik alsnog 31e vrouw. Ik ben de afgelopen week meermaals uit onverwachte hoek aangesproken op mijn prestatie. Daardoor ging ik nog maar eens beseffen wat je als loper teweeg kan brengen. Heel wat, zo blijkt.
Nog enkele weetjes
- Er startten ongeveer 3000 lopers op de marathon, 9000 op de halve afstand en 5500 op de 10 km. Leuvenaars Hanna Vandenbussche en Pieter De Wortelaer waren nummer 1 op de langste afstand.
- Complimenten voor de fotografen van Sportograf. Ik koop hun foto’s zelden, maar het waren er zoveel dat ze een getrouwe beeldreportage vormen van mijn race mét het afzien in al z’n facetten. Er was duidelijk oog om de omgeving in beeld te brengen. Een foto met decor: daar hou ik van.
- Al die foto’s verzamelen, selecteren en verwerken in deze tekst was een werk van lange adem. Ik schrijf liever. Ik zeg het eerlijk: de chronologie van de afbeeldingen klopt niet helemaal. Op een bepaald moment moet je loslaten.
- Dankzij mijn wandelpauzes aan de bevoorrading kon ik nooit eerder zoveel water drinken tijdens een marathon. Het was welgekomen. Ik werkte uiteindelijk 4 sportgels weg. Dik tegen mijn zin.
- Joni, Hans en ik kregen met de medaille rond onze nek een microfoon onder onze neus geduwd om – bij wijze van promotie – in het Engels te vertellen wat de Leuven Marathon zo bijzonder maakt. Ook in het Engels beschik ik over superlatieven.
- Nadien spraken studenten van de UGent ons aan of we enkele vragen wilden beantwoorden over onze deelname. Ze waren vooral geïnteresseerd of we het inschrijvingsgeld te hoog vonden. Nee, was ons antwoord.
- Hans zei dat hij Simon 2x zag in en na het bos. Die kon hem vertellen wat de afstand tussen ons was. Dat is gek, zei ik, ik zag Stijn 2x en heb Simon dus gemist. De broers Van Roy lijken op elkaar. Na een paar uur beseften we dat Hans Stijn voor Simon had gezien. Simon was namelijk in Spanje.
- Zeg je Boelenberg of Keizersberg? Ik heb hem altijd gekend als Boelenberg, maar besefte op latere leeftijd dat enkel Leuvenaars de Keizersberg zo noemen.
- Het Mariabeeld op de Abdij Keizersberg doet me altijd denken aan een weetje dat mama op school leerde. Op het hoofd van Maria zou een tafel voor 6 personen kunnen staan. Zo groot is dat hoofd dus, al denk ik niet dat het ooit in de praktijk getest is.
- Ik koos voor een wit shirt omdat me dat herkenbaar leek voor de supporters. Nu ik de foto’s nadien zie, vind ik wel dat mijn kop er daardoor nog roder uitziet. Maar ja, een marathon is geen modeshow.
- Na de bloedende tepels van Hans vorig jaar en mijn schuurwonden op de buik, kwamen we er dit jaar zonder bloedvergieten van af. Met dank ook aan de wonderstick van Roos die ik voor de start mocht gebruiken.
- Leah en Emil maken traditiegetrouw een supportersvlag onder toeziend oog van Marike. Voor Emil was het heel duidelijk welke boodschap hij aan zijn Meetje (= Roos) wilde meegeven. Hij is trouwens pas jarig in februari.
- In de namiddag gingen we supporteren in de Parkstraat en aan het station voor de halve marathonlopers. Marike evenaarde haar topprestatie van vorig jaar met 1u39, Sintija liep een PR met 1u48, Sam ging als een raket in een tijd die de waanzin voorbij is en papa liet een mooie 2u12 optekenen.
- Ik liep deze marathon op 19 april met nummer 1943. Daags nadien zag ik in Zoutleeuw als bij toeval (dat dus niet bestaat) een informatief bord over wat er gebeurde met het XXste konvooi op 19 april 1943. Een verhaal van hoop en moed ingebed in een gitzwarte tijd.
- Er is nog iets historisch met de datum. Op 19 april 1967 liep Katrin Switzer als eerste vrouw officieel de marathon. Bobbi Gibb had dat een jaar eerder undercover gedaan. Hoe absurd is het dat vrouwen 60 jaar geleden niet aan de marathon mochten deelnemen?









