De gedachte – Waarom ik school mis

Drie lesvrije weken hebben we er inmiddels op zitten. Ik kan concluderen dat uitleg en instructies geven achter een scherm mijn ding niet is. Ik mis het samenzijn in de klas met mijn leerlingen. Ik mis de interactie. Ik mis de unieke en altijd wisselende klasdynamiek waardoor elk lesuur anders is. Waar ik op drukke lesdagen soms snakte naar een rustmoment, verlang ik nu naar de drukte van het klasgebeuren. Ik ben zelfs zo ver dat ik mijn schoolse leven door een roze en ernstig geromantiseerde bril bekijk. Daarom dit lijstje met wat ik zoal mis.

  • Heel enthousiast met verschillende klemtonen en intonaties goedemorgen! zeggen als mijn leerlingen de klas binnen strompelen.
  • De zo mogelijk nog enthousiastere en welgemeende goedemorgen mevrouw! die daar meestal op volgt.
  • De dramatische manier waarop sommige leerlingen me-vrooooouuuuuw uitspreken: als een mix van hulpeloosheid, radeloosheid en verveling.
  • Leerlingen die me per ongeluk aanspreken met meneer (gênant voor mij) of mama (gênant voor hen).
  • Een attente hoe was uw weekend, mevrouw? en de stille hoop dat ik dan vertrokken ben met een spannend, persoonlijk en liefst ook lang verhaal.
  • De persoonlijke vragen, zoals: neemt u liever een bad of een douche? Ze dachten dat ik eerder een badtype was.
  • Leerlingen die na de les nog even blijven hangen om wat te babbelen en een momentje met mij te hebben.
  • De spitsvondigheden, droge opmerkingen en het gevoel voor humor en dramatiek van mijn leerlingen.
  • Samen aan de boekenkast staan, leesadvies geven en dan zien dat je tips ter harte worden genomen.
  • Samen aan de boekenkast staan, leesadvies geven en dan zien dat vooral het aantal pagina’s van het boek er echt toe doet.
  • Het spervuur van vragen dat soms op mij wordt afgevuurd om duidelijk te maken dat een opdracht echt wel veel te moeilijk is.
  • Het niet bepaald subtiele gegiechel als iets blijkbaar dubbelzinnig geïnterpreteerd kan worden.
  • Op 13 februari, de dag van de minnares, uitleggen wat een minnares is.
  • Het geblader en geritsel van kranten of woordenboeken.
  • Leerlingen die na 10 minuten door hebben dat ze met een woordenboek Nederlands-Engels geen Nederlandse verklaringen kunnen opzoeken.
  • Beschrijvingen van woorden die meestal nog onduidelijker zijn dan het opgezochte woord zelf.
  • De Humo’s in mijn lokaal die altijd toevallig openvallen op pikante tekeningen of mopjes.
  • Het geroezemoes van leerlingen die aanvankelijk ijverig aan het werk zijn, na verloop van tijd zichzelf verliezen in een persoonlijk verhaal, waardoor ongemerkt ook hun volume toeneemt en ze zich een bult verschieten als ik plots inpik.
  • Het gemor dat al eens kan opstijgen als ik zeg neem nu allemaal een blad om te noteren. Soms volgt hier ook blinde paniek op, want het was toch geen toets???!!!
  • Het werk en de tijd die leerlingen hebben gestoken in een presentatie of creatieve opdracht.
  • De trots op hun gezicht als je hen daarvoor de hemel in prijst.
  • De worsteling die sommige leerlingen ervaren als ze hun façade van lui en ongeïnteresseerd niet mogen laten vallen als iets hen echt boeit.
  • De geconcentreerde blik op mijn outfit die grondig bestudeerd wordt en veel interessanter is dan wat ik aan het vertellen ben.
  • Tijdens je uitleg een hand de lucht in zien gaan, denken dat er een goede inhoudelijke vraag gesteld zal worden en dan: mag ik naar de wc gaan?
  • Gemiddeld 5x per dag uitleggen waarom je het is gebeurd met een d schrijft en het gebeurt met een t.
  • De overtuigde nu begrijp ik het! die daar dan steevast op volgt.
  • Gemiddeld 5x per dag vriendelijk vragen zet je je kap af?
  • Gemiddeld 5x per dag vriendelijk vragen heb jij een kauwgom in je mond?
  • De gordijnen die dagelijks een keer of 125 open en weer dicht moeten gaan omdat de zon te hard of helemaal niet schijnt.
  • De temperatuur in mijn klas die ofwel eerder aansluit bij een Siberisch klimaat ofwel eerder tropisch te noemen is. Beide klimaattypes worden uitgebreid van commentaar voorzien.
  • De babbels met mijn collega’s, in het bijzonder die met An, Gunter, Murielle en Pieter-Jan.
  • De veel te straffe koffie in de leraarskamer die soms toch dat noodzakelijke cafeïneshot kan geven.
  • De nog steeds inspirerende quotes in mijn klaslokaal.
  • De oprechte daaaa-haaaag mevrouw als leerlingen de klas verlaten.

 

 

 

Loperspraat – Waar ik nu zoal tijd voor heb

Oef! We mogen nog steeds ons kot uit om te sporten zonder kilometer- en duurbeperking. Fietstochten afleggen binnen een bepaalde perimeter: dat was duidelijk gevoelige materie in wielergek Vlaanderen, inmiddels ook aardig op weg om wandel- en loopgek te worden. In dezen ben ik het voor een keer volmondig eens met wat sportjournalist Hans Vandeweghe in De Morgen schreef: niet-essentiële verplaatsingen per fiets of op loopschoenen bestaan niet. Doe dus niet onnozel en stap niet in de auto om naar het park te gaan. De fiets op! En trek uw loopschoenen aan! Bizar is vandaag het nieuwe gewoon en dat merk ik ook aan mijn eigen loopgewoontes die onderhevig zijn aan verandering. Nu nog meer dan anders is lichaamsbeweging de uitgelezen kans om een frisse wind door mijn hoofd (en haar) te laten waaien met als enige doel daar plezier aan te beleven. Of hoe elk nadeel echt wel ze voordeel heb.

Ik heb tijd om mijn collectie loopschoenen te sorteren
Ontkennen heeft geen zin. Ik heb veel loopschoenen en stiekem zijn dat een beetje mijn beste vrienden. Afscheid nemen is lastig, maar ook voor loopschoenen geldt dat er een tijd van lopen is en een tijd van gaan. Ik (her)ontdekte enkele pareltjes in mijn collectie en ook enkele ouwe getrouwen die ik weer zorgvuldig opborg. Plots voelde ik ook de onweerstaanbare neiging opkomen om modderige schoenen grondig schoon te maken. Vreemd. Mijn collectie Stance kousen werd met eens zoveel liefde gesorteerd, zodat de nieuwste aanwinsten een waardig plekje kunnen krijgen.

Ik ontdek en verken nieuwe looproutes
Doorgaans ben ik eerder een gewoonteloper dan een avontuurlijke loper. Ik heb vaste routes door hetzelfde bos, langs de fietssnelweg of langs het kanaal. Vlak, lang en saai: ik hou daarvan. De laatste tijd is daar verandering in gekomen omdat mijn Heverleebos plots van iedereen was. Ik had geen zin om daar over de koppen te lopen, waarop ik naar de omgeving van Bertembos trok. Daar vind je geen royale dreven, wel avontuurlijke holle wegen. Het is een grilligere omgeving waar het voortdurend op en af gaat. Op goed geluk ontdekte ik fantastische looppaadjes. Dichtbij huis valt soms zoveel te ontdekken.

IMG_2358b

Ik loop in het midden van de dag
Mijn sportactiviteit deelt de dag in twee: er is de pre-sportperiode (beter gekend als de voormiddag) en de post-sportperiode (ofte de namiddag). Lopen (of fietsen) geeft mijn dag dus vorm en structuur. Mijn werk doe ik zoveel mogelijk in de voormiddag. Op het moment dat ik de zon niet langer kan negeren, trek ik mijn loop- of fietsschoenen aan. In de namiddag kan ik dan in de zon gaan liggen lezen met het gelukzalige gevoel van benen die hebben bewogen.

Ik stop al eens om rond te kijken
Met enige zin voor drama en overdrijving zou ik durven zeggen: er was een tijd waarin ik marathons liep. Pauzeren tijdens een looptraining deed ik toen zelden. Omdat ik nu optimaal wil genieten van mijn buitentijd stop ik nu soms om van het uitzicht te genieten. Of om op adem te komen als ik net een stevige helling ben opgelopen. Soms voer ik tijdens een looppauze een conversatie met schapen (echte zenmasters). Wie nu denkt dat praten met dieren een teken is van mijn vergevorderde staat van vereenzaming: spontaan tegen dieren praten, is mijn tweede natuur. Door die kleine rustmomenten neem ik de omgeving bewuster in mij op. Het kan dan al eens gebeuren dat ik mij in het buitenland waan. Geef mij dennenbomen op een heuvel en ik zie de Ardennen. Laat mij langs de Demer fietsen met Roos en wij zien de Nijl. In Leefdaal verwachtte ik op een bepaald moment echt dat er een kudde gnoes uit de struiken zou schieten. De kracht van de verbeelding is een kostbaar goed.

Ik spreek met Roos af om te lopen of fietsen
Roos is mijn uitverkoren buddy waarmee ik sport in de buitenlucht. Wie anders? Het werkt soms op mijn gemoed dat het familiale niet in het echte leven kan plaatsvinden. Gelukkig stuurt Marike ons voldoende foto’s en filmpjes van Leah, mijn metekind. Die  werkt elke dag stug door aan haar kruipvaardigheden: uiterst charmant en immer innemend. Mocht je eraan twijfelen: zelfs met een baby van 7 maanden kan je communiceren via FaceTime. Mijn real life sportminuten met Roos zijn dus echt goud waard. En wat de Nijl betreft: geen van ons zag die ooit in het echt. Google afbeeldingen vertelde dat onze fantasie wel erg rijk is.

Het boek – Lezen in tijden van quarantaine #1

Je bent nooit alleen als je de literatuur hebt. Mocht ik over wat meer lef beschikken, dan zou ik die spreuk in koeien van letters op mijn rug laten tatoeëren. In onzekere tijden heb ik nog meer behoefte om mij te omringen met goede boeken. Toevallig heb ik ook meer tijd om die te lezen. Aanvankelijk was ik van plan om hier een donker overzicht te maken van thematische literatuur over isolatie, dreiging en een maatschappij die ontspoort. Niet bijster opbeurend. Ik koos dus voor diverse boeken die ik recent aan een hoog tempo heb verwerkt omdat het me niet lukte om ze met mate te savoureren. U bent dus gewaarschuwd.

De menselijke maat – Roberto Camurri
Ik weet niet wat het is met die Italiaanse schrijvers, maar ze klinken altijd zo weemoedig. Zo ook Roberto Camurri die een debuutroman schreef om u tegen te zeggen. In De menselijke maat vertelt hij het verhaal van Alena, Davide en Valerio die opgroeien en vergroeien met het – in hun ogen – nietszeggende dorpje Fabbricio, dat zich tussen Parma en Bologna bevindt. Jawel, in het inmiddels zwaar getroffen Noord-Italië dus. Het slaperige dorpsleven vormt het ultieme decor voor het kleine en grote menselijke drama. Hoe goed je de personages ook leert kennen, hun innerlijke drijfveren blijven gehuld in een waas van mysterie.

The Handmaid’s Tale – Margaret Atwood
Atwoods klassieker verscheen in mijn geboortejaar 1985. Mijn oog viel er pas op door de gelijknamige serie en de vervolgroman The Testaments die eind vorig jaar met de Booker Prize aan de haal ging. Ik was dit dystopische verhaal aan het lezen uitgerekend toen de coronacrisis in alle hevigheid losbarstte. Het verhaal van dienstmeid Offred (van Fred) staat centraal. Gehuld in een rode cape is zij van al haar vrijheden beroofd. Ze leeft onder streng toezicht met als enige doel kinderen te baren voor de hogere klasse. Vruchtbaarheid is immers een kostbaar goed in de totalitaire staat Gilead. Dankzij Atwoods aparte vertelstijl komen we in flarden en brokken meer te weten over Offreds vroegere (gezins)leven. Een adembenemende trip waarin fictie en werkelijkheid naadloos met elkaar worden verweven.

IMG_2347b

Buurtsupermens – Sayaka Murata
Als het wat luchtiger doch gevat mag zijn, dan moet je dit Japanse pareltje lezen. Maak kennis met de 36-jarige Keiko: een buitenbeentje in de strak georkestreerde Japanse samenleving. Keiko werkt al 20 jaar vol overgave in de plaatselijke supermarkt. Ze beschouwt haar job als een roeping. Tot haar eigen verbazing en frustratie moet ze zich steeds verantwoorden voor die keuze, net zoals voor het feit dat ze geen behoefte heeft aan een man in haar leven. Als ze op een dag de impulsieve beslissing neemt om onderdak te bieden aan een student die niet zo’n hoge pet op heeft met het hele supermarktgebeuren, is het hek van de dam. Toepasselijke literatuur, want wie dagelijks applaudisseert voor onze helden van de zorg, zou dat net zo goed kunnen doen voor de noeste werkers in de supermarkten.

Finse dagen – Herman Koch
Na het overlijden van zijn moeder trok de 19-jarige Herman Koch naar een boerderij in Finland om de verwachtingen van zijn vader tijdelijk te ontvluchten. In Finse dagen vertelt hij uitgebreid over die Finse periode. Wie denkt dat dit verhaal autobiografisch is: de enige waarheid is die van het boek, niet de waarheid van de gebeurtenissen zoals die zich in werkelijkheid hebben afgespeeld, aldus de auteur. In een verraderlijk eenvoudige stijl slaagde Koch er weer in om mij vanaf de eerste pagina mee te slepen in zijn verhaal. Je kan Finse dagen beschouwen als een coming of age novel die de ijzersterke verhalenverteller Herman Koch alle eer aan doet. Ook de prachtige cover met een reliëfdruk van berkenbomen kon mij bekoren.

De storm – Jens Christian Grøndahl
Je zou kunnen zeggen dat er weinig variatie zit in het oeuvre van de Deense topauteur Jens Christian Grøndahl. Hij schrijft namelijk altijd over vijftigers of zestigers die ietwat zijn vastgeroest in hun leven en huwelijk. Door een bepaalde gebeurtenis wordt een proces van mijmeren en overdenken in gang gezet. Glashelder overpeinzen ze de keuzes die hun leven heeft vormgegeven. Spijt is geen optie, berusting des te meer. In De storm kijken we mee over de schouder van auteur Adam Huus wiens carrière in het slop zit. Ook op familiaal vlak loopt zijn leven niet over rozen: er zit meer dan één haar in de boter. Als geen ander kan Grøndahl een levensverhaal schrijven dat zich laat lezen als een thriller. Woorden zijn als lege handschoenen, iedere hand kan ze aantrekken: een warme stem uit het soms onweersachtige noorden.

Atlas van de Nederlandse taal – uitgegeven bij Lannoo
Wat had ik dit boek graag zelf geschreven. Het zou namelijk betekenen dat ik erin was geslaagd om een origineel, humoristisch en bovenal compleet naslagwerk samen te stellen over onze prachtige taal. Een naslagwerk dat ook nog eens toegankelijk is. Duimpjes omhoog ook voor de strakke vormgeving en de knappe illustraties. Wisten jullie bijvoorbeeld dat het woord ochtendgrijs in 1997 werd bedacht door Frank Deboosere en dat het sinds 2015 behoort tot het AN? Een must have voor iedereen die – net zoals ik – van talige weetjes houdt!

IMG_2355b

Het moment – De tol van de onvoorspelbaarheid

En toen werd het dus plots echt stil. Door de verscherpte corona-maatregelen blijven we plichtbewust braafjes thuis en proberen we uit te blinken in social distancing, een begrip waar we tot voor kort nog nooit van hadden gehoord. Waar ik het aan het begin van de week nog onwezenlijk vond dat ik twee weken geleden een halve marathon liep in Nederland, lijkt het nu onvoorstelbaar dat ik vorige week nog met mijn leerlingen in de klas zat, wetende dat de lessen opgeschort zouden worden. Naïef als ik was, kon ik het toen nog ongegeneerd jammer vinden dat mijn voorjaarsmarathon werd uitgesteld. Ik kon nog semi-zorgeloos 30 kilometer lopen en nadien aan tafel zitten met mijn familie. Ondenkbaar in de huidige fase. We staan nu wellicht voor de grootste uitdaging: het gewone leven verderzetten in lockdown light versie.

Mijn persoonlijke coronasituatie is de volgende. Ik woon alleen met mijn twee katten, die zich uiteraard van geen kwaad bewust zijn. In de mate van het mogelijke probeer ik van thuis uit voor school te werken. Ik las al drie boeken. Het stevigere huishoudelijke werk liet ik vooralsnog links liggen. Ik ga dagelijks lopen of fietsen. Ik maak me niet schuldig aan hamsteren en hoop dat ik met mijn 15 rollen wc-papier nog wel eventjes voort kan. Mijn gemoed kent dalen en pieken. Alleen wonen is nu echt wel heel alleen. Het is next level alleen zijn. Hoewel tijd, voorheen nog een kostbaar goed, nu op een plateautje wordt aangeboden, voelt het als een vergiftigd geschenk dat we noodgedwongen moeten aanvaarden. In theorie heb ik nu wel tijd voor de verwaarloosde to-do’s die lang werden uitgesteld onder het mom geen tijd voor. In de praktijk staat mijn hoofd daar (nog) niet naar.

Het coronavirus voelt soms als een zwaard van Damocles dat me boven het hoofd hangt. In De Morgen las ik dat het de onvoorspelbaarheid is die dit virus gevaarlijk maakt: wetenschappers en artsen weten relatief weinig over Covid-19 en hoe het zal evolueren. Voor ieder van ons geldt ongeveer hetzelfde: de onvoorspelbaarheid van deze ongeziene situatie boezemt ons angst in. Wat voordien een vanzelfsprekendheid was, wordt nu een bekommernis. Zo is een eenvoudige bezigheid als boodschappen doen van elke alledaagsheid verheven. Een bezoek aan de supermarkt werpt prangende vragen op. Wanneer ga je? Zal de rij niet te lang zijn? Hoe leeg zullen de rekken zijn? Ik ben geen panikeur, verre van, maar zelfs voor mijn nuchtere ik voelt het ongemakkelijk aan om plannen te maken op lange termijn. Zullen de lessen hervat worden na de paasvakantie? Zullen we in de zomer op vakantie kunnen gaan? Koffiedik kijken moet de vaakst gebruikte uitdrukking zijn van de afgelopen weken. Omdat het onvoorspelbaar is wanneer de besmettingen in België een piek zullen bereiken, weten we ook niet in welke situatie ons land, en dus ook ons individuele leven, zich over een paar weken zal bevinden.

Er is gelukkig ook een positieve kant aan dit verhaal. De natuur kan op adem komen omdat vliegtuigen en auto’s in de garage blijven staan. Huizen worden van onder tot boven opgeruimd. Honden werden nog nooit zo vaak uitgelaten. Small talk bij de bakker voelt aan als een echt gesprek. Met respect voor de social distance haalt een ieder van ons dagelijks moeiteloos de kaap van de 10.000 stappen. Fietsen, loopschoenen en inline skates die eerder nog stof lagen te vangen, worden prompt gebombardeerd tot onze nieuwe beste vrienden. Het knikje onder lopers lijkt hartelijker, het fietsverkeer hoffelijker. Voor velen voelt dit waarschijnlijk aan als een herkansing voor de te vroeg gesneuvelde goede voornemens. We lijken ons massaal klaar te stomen voor een nationale conditie- en gezondheidstest. Hoewel ik het bos niet langer voor mij alleen heb, kan ik die omhelzing van de buitensport alleen maar toejuichen. Op voorwaarde dat we dan niet de auto nemen om naar park of bos te gaan en dat de nodige afstand gerespecteerd wordt.

Ik zei al eens dat de metaforische waarde van de marathon onuitputtelijk is. Zo ook voor de uitzonderlijke situatie waarin we ons nu bevinden. De marathon is een race van alleen en toch ook samen. We zitten allemaal in ons eigen leventje vast, maar iedereen is wel aan boord van hetzelfde schuitje. Alleen door simpelweg de ene voet voor de andere te zetten, zullen we alleen en ook samen de finish bereiken. Daar is wilskracht voor nodig, want die inspanningen wegen eerder mentaal dan fysiek door. We zullen doorgaan, zo luidt het devies van niemand minder dan Ramses Shaffy (en inmiddels ook van Radio 1). We kunnen daar nog een schepje bovenop doen. De heer Shaffy heeft ook een lied met als titel We leven nog. Alleen Ramses Shaffy kan zo overtuigend dramatisch zingen dat je niet anders kan dan er spontaan bij te glimlachen.

IMG_2291b

Hoe train je voor een marathon die je niet loopt?

We leven in bizarre tijden. Het coronavirus legt ons land stil. Een ongeziene situatie die ook mij angst inboezemt, elke dag een beetje meer. Ik sta niet in mijn klaslokaal met mijn leerlingen, maar zit thuis en probeer een goede leerkracht op afstand te zijn. Donderdag kwam de crisis in een stroomversnelling terecht. Op school werden de maatregelen verscherpt. Het ene na het andere event werd uitgesteld. Zo ook de marathon van Rotterdam, waardoor mijn Road to Rotterdam abrupt werd onderbroken. Jammer, maar uiteindelijk slechts een aantekening in de marge. Niets is zo relatief als een uitgestelde marathon als de volksgezondheid op het spel staat. Zelfs een marathonjunkie als ik kon niet anders dan concluderen dat dit de enige juiste beslissing was. Het is onwezenlijk dat Roos en ik amper 10 dagen geleden nog in een propvol startvak stonden te drummen tot het startschot van de CPC Loop in Den Haag werd gegeven. Eens te meer besef ik nu dat ik mijn beide (gewassen) handjes mag kussen voor het memorabele en zorgeloze loopfeest dat ik toen met mijn familie kon beleven.

IMG_2262b

Dat de Rotterdam marathon niet over drie weken gelopen zou worden, die bui voelde ik wel hangen. De organisatie laat weten dat de 40e feesteditie later dit jaar plaats zal vinden. Een streep door het sportieve voorjaar, nieuwe kansen in het najaar. Tot nu toe verliepen mijn trainingen voorspoedig. Mijn PR in Den Haag is een bewijs dat ik in goede vorm verkeer. Nu het er niet meer toe doet, durf ik dat ook gewoon luidop te zeggen. In onzekere tijden als deze beschouw ik het als mijn plicht om eens zo standvastig achter het principe te staan dat ik in de eerste plaats loop omdat ik dat graag doe. Een marathon lopen kan een bekroning zijn op mijn voorbereidingswerk, maar is niet per se het ultieme doel dat tot loopvreugde leidt. Ik heb plezier gehaald uit mijn trainingen. Geen enkele loopkilometer voelde aan als een verspilling van mijn tijd. Integendeel. Net nu komt de essentie van lopen eens zo hard binnen: een inspanning voor de ontspanning, om het hoofd vrij te maken en frisse lucht op te snuiven.

PSFM8278
Ook als ik loop, gebruik ik liefst handgebaren om mijn verhaal te vertellen.

Ik had dus voldoende redenen om mijn geplande lange duurloop van 30 kilometer afgelopen zondag niet te lopen. Ik deed dat natuurlijk wel. Omdat ik ook hiervoor getraind heb. Omdat het ideaal loopweer was. Omdat het heel fijn is om van de woning van mijn ene zus Roos via de Demer en de Hagelandse veloroute naar mijn andere zus Marike te lopen. Omdat Roos mij begeleidde op de fiets, Marike mij tegemoet liep en mama ook nog een stuk mee fietste. De eerlijkheid gebiedt me wel om te zeggen dat die duurloop niet helemaal van een leien dakje verliep. In elk van mijn benen zat nog 10,5 kilometer verzuring van mijn snelle halve marathon. Zelfs dat had een voordeel: het werd echt een rustige duurloop aan een lage hartslag. Hoe train je dus voor een marathon die je niet loopt? Door veel deugd te hebben van de loopkilometers die je nu nog wel kan maken en er het beste van te maken.

 

De race – Een nieuw PR op de halve marathon in Den Haag

Soms beleef je een moment waarop alles – volstrekt onverwacht – in de juiste plooi valt. Alle opgestapelde bekommernissen en stress ebben weg en wat overblijft zijn schelpjes van dankbaarheid omdat je hebt kunnen doen wat je het liefste doet. In mijn geval is dat (hard) lopen, een klein beetje de grenzen opzoeken en vooral heel veel bij mijn familie zijn. Zondag 8 maart 2020 was zo’n dag. Ik liep de halve marathon van de CPC Loop in Den Haag in een nieuw PR van 1:33:56. Ondanks de harde wind en de angst voor blessureleed die mij al ruim een week in een stevige greep hield. Ik maakte dus schoon schip met mijn traumatische ervaring tijdens de CPC twee jaar geleden. Toen stond ik na exact 3,15 kilometer langs de kant van de weg met een kapotte enkel. Ik kon niet meer steunen op mijn linkerbeen. Stappen werd hinkelen. Mijn voorjaar van 2018 viel volledig in het water. De impact van die gebeurtenis is tweeledig. Langs de ene kant werd ik een bewustere en daardoor ook wel gelukkigere loper. Langs de andere kant hou ik in mijn hoofd altijd rekening met een doemscenario. Zondag was eindelijk de dag aangebroken dat mijn CPC-trauma werd omgezet in een CPC-triomf.

Zoals de traditie het wil, zakten Roos en ik zaterdag af naar Den Haag om tijd te spenderen met onze neef Maarten en zijn gezin. Een korte toer door het geweldige Den Haag mocht niet ontbreken op ons programma. Zondagochtend werden we wakker in de junglekamer van ons neefje Lev, die samen met zijn broer Senne zou deelnemen aan de 2,5 kilometer. Levs enthousiasme was eerder beperkt. Een uur voor de start vroeg hij hoopvol of de CPC niet was afgelast (net zoals vorig jaar), maar helaas voor hem: zelfs het coronavirus kon niet beletten dat er gelopen zou worden. Zo vertrokken we voor een eerste keer richting Malieveld om Lev en Senne aan te moedigen tijdens hun wedstrijd. Die neefjes van ons deden dat fantastisch, ook al liepen ze onder een bewolkte hemel met een heel strakke wind. Na een koolhydraatrijke lunch trokken Roos en ik weer richting Malieveld. Nu om Maarten aan te moedigen op de 10 kilometer. In tegenstelling tot zijn zoon Lev had Maarten er wel zin in. Dat hij amper had getraind, was dan ook een klein detail. Zijn prognose was om op karakter te finishen rond het uur. Uiteindelijk konden wij onze oudste neef nog een stevige high five geven richting finish, die hij na 51 minuten bereikte. Een knappe prestatie!

LLYU8167

De CPC Loop was dit jaar aan zijn 45e editie toe, nadat de geplande feesteditie vorig jaar werd afgelast door het voorspelde stormweer. Het was dus drie jaar geleden dat ik de finish kon halen van deze halve marathon die van de Haagse city naar de Scheveningse pier terug de city in loopt: CPC dus. In maart 2017 had ik daar 1 uur, 35 minuten en 25 seconden voor nodig. Een PR dat drie jaar lang onaantastbaar en duizelingwekkend snel leek. Zowel Roos als ik voelde de zenuwen stevig door ons lijf gieren. We werkten nog een smerig banaantje weg en bespraken onze racetactiek. Voor Roos was het simpel: zij wilde haar PR van 1:40 evenaren dat ze liep in Brussel en waaraan ik een bijdrage kon leveren. Zelf was ik er nog steeds niet uit wat mijn raceplan zou zijn. Enerzijds wilde ik lekker saai op veilig spelen: finishen in een acceptabele tijd zonder iets te forceren, zonder kans op een toptijd, zonder kans op enige vorm van teleurstelling. Anderzijds besefte ik ook dat dit het uitgelezen moment was om voor eens en altijd komaf te maken met het CPC-spook uit mijn verleden door een harde halve marathon uit mijn benen te schudden. Dat zou bovendien een mooie opsteker zijn richting Rotterdam marathon.

Stiekem heb ik altijd wel geweten dat ik het volle pond zou geven, met het risico dat ik op seconden of zelfs minuten van dat PR zou stranden. Het leven is aan de durvers, dus ik ging er snel van door toen het startschot weerklonk. Door allerlei omstandigheden had ik de afgelopen week een heel beperkt aantal kilometers gemaakt, waardoor mijn benen fris aanvoelden. Ik ging hard, maar liep soepel. Na twee kilometer stevende ik regelrecht af op de plek des onheils: de Groot Hertoginnelaan, waar ik in 2018 abrupt tot stilstand kwam en een DNF achter mijn naam liet optekenen. Heel even voelde ik de paniek van toen. Ik kon die ook weer snel achter me laten door met een stevige vaart verder over het parcours te denderen. Rond kilometer 8 kreeg ik een eerste aanmoediging van Maarten. Ik stelde vast dat mijn benenwagen het nog uitstekend deed.

IMG_2240b

Vroeger kon ik schijnbaar moeiteloos snel lopen. De enige verklaring die ik heb voor dat fenomeen is onbezonnenheid. Dat feestje blijft echter niet eindeloos duren. Op een dag kom je jezelf eens goed tegen en sluipen er onzekerheden in je hoofd. Onbesuisd hard lopen lukt dan niet meer. Je hebt wat naïviteit nodig om een snelle race te kunnen lopen. Zondag lag die in mijn onwetendheid omtrent het kilometertempo waaraan ik mijn vorige halve marathon in Den Haag gelopen had. Ik dacht dat dit rond de 4’25” moest liggen. Na 10 kilometer concludeerde ik daarom dat ik een heel klein beetje voor lag op mijn recordschema. Ik dacht dus dat het erom zou spannen. Halverwege de wedstrijd waren we nog steeds op weg naar de zee. Moeiteloos snel lopen zat er niet meer in. Ik hoopte dat ik mijn verval zou kunnen beperken tot aan kilometer 15. Vanaf dan zouden we immers de wind in de rug hebben. Misschien kon ik dan nog wat tijd terug winnen. Tussen kilometer 11 en 15 was het bikkelen geblazen. Ik stampte mij een weg over de boulevard (de dijk, zoals we in België zeggen), probeerde wat te genieten van de zon die scheen, maar ik voelde vooral mijn benen branden. Ik slaagde er behoorlijk in om mijn focus niet te verliezen. Ik klampte me vast aan het vooruitzicht van die 15 kilometer en ploegde dus voort. In plaats van 4’25” plakte ik eerder tegen de 4’30” aan. Ik probeerde mezelf op te peppen en wilde niet teleurgesteld zijn als ik mijn 1:35 barrière niet kon doorbreken.

Rond kilometer 16 kreeg ik nogmaals een aanmoediging van Maarten. Ik sprak met mezelf af dat ik niet op mijn horloge zou kijken naar de tijd die genadeloos weg tikte, kwestie van mezelf niet te veel op te jagen. Dat hield ik vol tot kilometer 18. Mijn verbazing was groot toen een eenvoudige rekensom me leerde dat ik perfect op schema lag om een nieuw record te lopen. De laatste 3 kilometer waren echter allesbehalve een walk in the park. De wind deed er alles aan om tegen te zitten. We liepen in een rechte lijn, die eindeloos leek te duren, op ons doel af. Met de wind pal op de neus drie kilometer buigen, maar niet breken: het leek schier onmogelijk te zijn. Van mijn gewenste versnelling was geen spoor te bekennen. Ik dacht nog aan SIA’s Unstoppable, maar in plaats van een Porsche with no breaks, leek ik eerder een Citroën met de handrem op. Uiteindelijk kwam die laatste bocht naar links er dan toch en liep ik af op de finishboog. Een laatste blik op mijn horloge zei me dat ik nog onder de 1:34 kon duiken als ik mij Usain Bolt gewijs richting de meet zou pushen. Mijn sprint leek op die van een stervende zwaan. Ik perste het laatste restje karakter uit mijn benen en klokte af op 1:33:56. WAUW. Dit had ik niet zien aankomen! Ik liep anderhalve minuut van mijn drie jaar oude PR. 21,22 kilometer liep ik aan een gemiddeld tempo van 4’26”. Nog steeds klinkt dat onwezenlijk snel.

IMG_2232b
Roos heeft het nog steeds zwaar.

Na de finishzone was het wachten op Roos. Haar blik sprak boekdelen. Ze finishte in een snelle tijd van 1:42:56, maar dat kleine zusje van mij was toch vooral teleurgesteld. Ze was slachtoffer geworden van het vuile spel dat de wind had gespeeld. Vooral tijdens die ellendige laatste kilometers had ze tijd verloren. Het voelde daar alsof ze geen meter vooruitkwam omdat ze een kar moest voorttrekken. Gelukkig had ze veel steun gekregen van Maarten, die ons gevoel bevestigde dat de wind het ons knap lastig had gemaakt. Hij merkte ook fijntjes op dat Roos nog steeds gemiddeld veel sneller had gelopen op haar halve marathon dan hij op de 10 kilometer. Met Maarten als gids op de fiets kregen we nog een laatste sightseeing tour door Den Haag.

Mocht het nog niet duidelijk zijn: Den Haag is een stad die een bezoek verdient. De CPC is een wedstrijd die op de bucketlist van elke loper hoort te staan. Ik ben diep gegaan tijdens mijn halve marathon. De verzuring in mijn benen is zelfs na twee rondjes loslopen nog steeds aanwezig. Wat overheerst is de euforie. En of de Rotterdam marathon nu wordt afgelast of niet: dit pakken ze mij niet meer af.

 

Waarom de marathon het mooiste atletieknummer is

Voor mij is de marathon het aller-aller-allermooiste atletieknummer. Zowel in lengte (kwantiteit) als in pure schoonheid (kwaliteit) kent onze Griekse vriend zijn gelijke niet onder de andere loopnummers. Eén van zijn troeven is van historische aard: een Griek zou zichzelf te pletter hebben gelopen om een boodschap van Athene naar Marathon te brengen. Bovendien zal iedereen die ooit de finish haalde van een marathon beamen dat er enkel winnaars zijn en geen verliezers. Het is dan ook geoorloofd om 48 uur lang blij als een klein kind met een medaille rond je nek te pronken. Ik bedacht nog tien andere redenen waarom de marathon de onbetwiste nummer 1 van de Schoonheidswedstrijd der Atletieknummers is.

De marathon is het enige atletieknummer waarbij wereldtop en recreanten samen aan de start staan. Debutant en ervaringsdeskundige. Man en vrouw. Oud en jong. De marathon kent een divers deelnemersveld. Je staat natuurlijk niet gewoon achter een Abdi Nageeye of Eliud Kipchoge, maar je loopt wel identiek dezelfde wedstrijd en kan zo letterlijk in de voetsporen van de professionele atleten treden. Hierdoor krijgt ook het moment dat je staat te wachten in het startvak een extra dimensie.

Toeschouwers moeten geen cent betalen om heel veel sport in een prachtig decor te zien. Omdat je in, door en rond een stad of plaats loopt, krijgt eenieder die de race langs de zijlijn volgt de kans om ook interactief aan marathonkijken te doen. Je kan je als toeschouwer verplaatsen (een vaardigheid waarin mijn familie uitblinkt) om lopers op tactische plaatsen te zien en aan te moedigen. De omgeving is boeiend en levert gegarandeerd mooiere plaatjes op dan het eentonige piste-oranje.

Op marathons lopen staat geen leeftijd. Of toch bijna niet. Je hebt geen jeugdige explosiviteit nodig, wel wat maturiteit. Elke loper die goed voor zichzelf zorgt, kan decennia lang marathons lopen. Je loopt per jaar natuurlijk slechts een beperkt aantal marathons (jammer, zou dit bij wet zijn vastgelegd?), maar je kan dat wel jaren aan een stuk blijven doen. Een marathonloper kan op elke leeftijd boven zichzelf uitstijgen.

Het is meteen duidelijk wie als eerste aankomt. Je kan zonder geavanceerde techniek en met het blote oog waarnemen wie uiteindelijk die 42,195 kilometer het snelst heeft afgehaspeld. Je hoeft bovendien ook als loper of supporter niet kundig te zijn om te tellen met tienden en honderdsten van seconden. Uren en minuten volstaan.

Je loopt een marathon meer tegen jezelf dan tegen anderen. De grootste opponent zit tussen je oren. Ik kan me heel veel finale-marathonmomenten voor de geest halen waarbij ik volledig in mezelf gekeerd stap voor stap dichter bij die finish probeerde te komen. Als je dan eens rond je kijkt, dan zie je dat ieder voor zich een soortgelijke strijd aan het voeren is. In het hoofd. Samen alleen lopen dus.

Het gewone leven gaat door tijdens de marathon. Je moet drinken en eten. Je snuit je neus eens. Als het echt moet, kan je zelfs naar de wc gaan. Je kan praten met mensen die langs je lopen. Je familie is aanwezig en leeft met je mee. Soms is het geweldig leuk. Soms begrijp je echt niet waar je mee bezig bent. Op het einde komt alles meestal goed.

Techniek is van ondergeschikt belang. Je marathon staat of valt niet met de perfecte afzet bij de start. Dat mag je trouwens ook letterlijk nemen: in 2018 werd onze Belgische topper Bashir Abdi knap achtste op de marathon van Rotterdam nadat hij bij de start hard ten val was gekomen. Looptechniek is uiteraard niet helemaal onbelangrijk, maar tijdens je marathon is het toch vooral zaak om gewoon te blijven lopen.

Je hebt tijd genoeg om het beste en sterkste in jezelf te vinden. Je moet geen schrik hebben om te finishen met het idee dat je niet alles gegeven hebt. Na uren lopen heb je immers altijd alles gegeven. Dat betekent ook dat je nooit te behoedzaam kan beginnen. Zelfs als je na 40 kilometer nog over ultra frisse benen lijkt te beschikken, dan heb je nog een dikke 2 kilometer om die volledig in de verzuring te lopen.

Geen enkel atletieknummer is even saai als dat het heroïsch is. De grote marathons die op tv worden uitgezonden kijk ik altijd integraal. Als ik zelf gaan lopen ben, neem ik ze op en bekijk ik ze nadien volledig. Ik ga daar echt voor zitten, zelfs als ik de uitslag ken. De eenvoud van die inspanning creëert juist een zekere spanning. De vraag is altijd wanneer je de eerste tekenen van vermoeidheid zal ervaren of waarnemen. Niet is zo heldhaftig als de strijd met de eentonigheid.

Marathonlopers zijn sympathieke mensen met vaak markante verhalen. Iedereen heeft Bashir Abdi en Koen Naert in de armen gesloten. Daarnaast zijn er heel veel straffe verhalen van iconische marathonvrouwen. Dichter bij huis toonde de Nederlander Michel Butter aan dat een marathon in een bloedstollende thriller kan eindigen.

Het moment – Wat ik leerde in februari

We krijgen vandaag een extra februaridag cadeau. Een schrikkeldag die probeert om in de voetsporen te treden van zijn beduchte voorgangers in deze turbulente weermaand. Behalve een hittegolf werden we geconfronteerd met zowat elk denkbaar klimatologisch element. Voor de actieve buitensporter is het adjectief uitdagend hier dan ook op zijn plaats. Dat nam niet weg dat februari, in tegenstelling tot het slakkengangetje van januari, aan sneltreintempo voorbij raasde. Het was een leerrijke maand op verschillende fronten. Op school verbaasden mijn leerlingen me met hun kennis over het coronavirus en hun pessimistische blik op de toekomst. Ik kan jullie vertellen dat de klimaatbezorgdheid nog steeds leeft onder de jeugd. Daarnaast trainde ik vrolijk verder voor mijn Rotterdam marathon die nu met rasse schreden nadert. Vandaag liep ik een halve marathon en tikte ik in februari zo eventjes 275 loopkilometers af. Er was het afgelopen anderhalf jaar geen maand waarin ik meer kilometers liep. Hier volgen mijn lessen van februari 2020.

10 graden is een ellendige temperatuur
Vorig jaar eindigde februari met temperaturen die verdacht veel op zomer leken. Ik ging in korte broek fietsen in een kurkdroog bos. Natuurlijk zette het weer ons toen vakkundig op een vals spoor. Er volgde nog een winterprik in maart. De afgelopen februarimaand kenmerkt zich door de verraderlijke temperatuur van 10 graden: voor een zweter als ik is dat te warm om je echt winters te kleden, maar ook te koud om het idee te hebben dat het voorjaar wordt. Noch-vlees-noch-vis-temperaturen kortom. Tel daar wat regen en wind bij op en je lijkt op elk moment verkeerd gekleed te zijn.

Sluit je niet op omdat het stormt
Pistolets op zondag werd vervangen door storm op zondag. Elke stormdag heb ik gefietst en gelopen, waardoor ik durf te concluderen dat het uiteindelijk wel meeviel. Op de fiets beperkte ik mijn verplaatsing tot wat praktisch noodzakelijk was. Al lopend legde ik mezelf geen beperkingen op. Ook vandaag werd ik tijdens mijn halve marathon getrakteerd op een scherpe tegenwind tijdens mijn laatste kwart. Mijn ervaring is dat je niet heel veel trager loopt in de wind. Als je alleen loopt, boet je wel wat in aan loopplezier. Toen ik vorige week samen met Roos de wind pal op de neus kreeg langs de Demer kon dat de pret absoluut niet drukken. Wie zijn gezond verstand gebruikt, kan heus de deur wel uit tijdens stormweer.

Sneeuw is niet één en al romantiek
Woensdag begon idyllisch. Ik stapte mijn bed uit, zag sneeuwvlokjes dwarrelen en heel voorzichtig vormde er zich een bescheiden sneeuwtapijtje. Op de radio weerklonk De eerste sneeuw van Jan De Wilde. Ik was helemaal klaar voor twee dagen sneeuwpret. Na de middag stond er een looptraining met versnellingen op het programma. Ik stelde vast dat de sneeuw vooral nattigheid genereerde op de paden en tegen beter weten in hoopte ik dat ik donderdag alsnog door de sneeuw zou kunnen lopen. Wat toen echter uit de lucht viel, was het slechtste van twee werelden: extra natte en ijskoude regen. Ik liet me niet tegenhouden en trok naar het bos voor wat een ontspannen loopje zou moeten worden. Donderdag 27 februari gaat de geschiedenis in als depri-loopje van 2020. Het bos lag er mistroostig bij. Mijn kleding werd al snel nat en zwaar. Ik dacht zelfs dat ik het koud zou gaan krijgen. In plaats van loslopen, leep ik mijn benen juist stijf te lopen. De eerste sneeuw was niet wat ik ervan verwacht had.

Snel lopen zit net zo goed tussen je oren
Ter voorbereiding van mijn marathon loop ik wekelijks intervals op mijn marathontempo. De eerste intervaltrainingen overtroffen mijn verwachtingen ruimschoots. Mijn benen voelden fris en quasi moeiteloos kon ik in drie blokken een stevig tempo aanhouden. Vorige week liep de benenwagen stroever en gooide ik het idee van een intervaltraining aanvankelijk overboord. Ik kwam op die beslissing terug en hield me voor te beginnen met één kilometer te versnellen. Dat ging beter dan verwacht. Uiteindelijk legde ik dezelfde training af als de weken voordien en evenaarde ik de tijden die ik liep met de superbenen van toen. Gisteren voelde mijn benen weer minder fris, maar ook deze keer kon ik nog steeds behoorlijk hard lopen. Dat is geen pleidooi om tekenen van vermoeidheid te negeren, wel dat een eerste gevoel bedrieglijk kan zijn. Als een bepaald tempo eenmaal in je benen zit, heb je niet altijd superbenen nodig om dat van stal te kunnen halen.

Luister eens naar een podcast
Mijn broer Seppe heeft naast een blog ook een podcast met zijn vrienden van De Jogclub. Elke vrijdag verschijnt er een nieuwe aflevering van De Jogclub met een andere gast. De afgelopen week heb ik de tijd genomen om achterstallige podcasts bij te luisteren. Zo heb ik me laten inspireren door de avonturen van onder andere Matthieu Bonne (één van de achttien Belgen die het kanaal overzwom en later ook deelnemer van Kamp Waes), Michel Wuyts (naast wielerverslaggever ook gedreven marathonloper), Olivier Sels (over de 1200 kilometer lange fietsuitdaging Parijs-Brest-Parijs) en Willem Van Schuerbeeck (Belgische topmarathonloper). Warm aanbevolen!

 

 

 

Loperspraat – Dilemma’s op dinsdag #1

Toen ik nog een klein Joketje was, deelde ik een stapelbed met mijn broer. Ik was de oudste en mocht dus boven liggen. We sliepen, lazen heel wat boeken en voerden de gekste gesprekken. Onze creativiteit had geen ludieke kaarten of dinsdag nodig om elkaar de meest onmogelijke dilemma’s voor te leggen. Eén van onze dilemma’s luidde als volgt: zou je liever een steen opeten of heel de winter buiten blijven? We hadden het er dan over dat je de steen wel mocht vermalen, maar dat gruis mocht niet gemengd worden met ander eten. Als kind was ik best een koukleum en ik kon me dus iets te levendig voorstellen hoe ik lag te rillen in onze fietsenstalling terwijl iedereen lekker warm binnen rond de tafel zat. De voorkeur ging dan toch uit naar de steen. Ik vind het nog steeds fascinerend dat wij destijds niets viezer te eten konden bedenken dan een steen. Hoe dan ook, het is vandaag dinsdag en ik bedacht vijf loopgerelateerde dilemma’s waar geen steen aan te pas komt. Ik stond mezelf toe om één joker in te zetten.

Lopen of fietsen?
Hoewel ik nu anderhalf jaar loop- en fietstrainingen afwissel, ligt mijn hart toch nog altijd bij het lopen. Tijdens het lopen kan ik soms een alles overweldigend gevoel van geluk en vrijheid ervaren, wat ik op de fiets niet heb. Aan fietsen waardeer ik dat je een tocht maakt en dat je je relatief snel ver van huis kan begeven. Helaas krijg ik ook snel last van een stijve rug als ik langer dan een uur op de fiets zit. Bovendien ben je als fietser veel gevoeliger voor koude, regen en wind: weerselementen waar ik als loper mijn neus eens voor ophaal. Juan is kortom een fantastische mountainbike en compagnon de route, maar de lichamelijke kick die ik krijg als ik aan het lopen ben, krijg ik niet op de fiets.

Alles meten of alles op gevoel?
Ik ga altijd lopen met mijn Garmin Forerunner 235, een tophorloge met niet te veel snufjes en meting van de hartslag via een klassieke borstband. In een dilemma gaan we natuurlijk voor uitersten en zou ik altijd een hypergeavanceerd sporthorloge rond mijn pols dragen. Het lijkt me echt vervelend om altijd te weten hoe hoog of laag mijn hartslag is, laat staan hoe weinig ik heb geslapen. Zulke horloges interpreteren die data ook en gaan je dan zeggen of je al dan niet productief bezig bent. Zelfs als je weet dat er een foutmarge op die cijfers zit, blijft het irritant als de getalletjes niet zeggen wat je zou willen. Langs de andere kant zou ik me ook niet kunnen voorstellen dat ik helemaal niets meer meet. Op trainingen kan ik mijn gevoel wel nog min of meer afstemmen op mijn ervaring. Tijdens een marathon is mijn horloge echter onmisbaar om de race goed in te delen. Daarom wordt het dus toch alles meten.

Altijd alleen of altijd samen gaan lopen?
In eerste instantie zou ik meteen altijd alleen zeggen. Ik ben namelijk nooit het type loper geweest dat sociale druk nodig heeft om de loopschoenen aan te trekken en eerlijk is eerlijk: met momenten kan ik een echte einzelgänger zijn à la Laat me van Ramses Shaffy. Langs de andere kant geeft niets mij zoveel energie als een looprondje met mijn zussen Roos en/of Marike. Ik heb nu al zoveel mooie herinneringen aan de kilometers die we gezapig, snoeihard of iets daartussen aan elkaars zijde doorbrachten. Het zou ondraaglijk zijn om dat nooit meer te mogen meemaken. Ik kies dus voor altijd samen en zou dan elke week een heel strakke planning maken met mijn familie om me van het nodige gezelschap te voorzien.

De marathon van Parijs of de marathon van Brussel?
Ik zet mijn joker in omdat ik weiger te kiezen tussen mijn twee darlings. De marathon van Parijs liep ik al twee keer, die van Brussel drie keer. Ik liep ook mijn snelste tijden in die steden. Het zijn allebei marathons met hoogtemeters, een triomfboog, groene omkadering en Grandeur. Brussel is een internationale, maar wel kleinschalige marathon met een beperkt deelnemersveld, waardoor je nog meer op jezelf en je eigen supporters bent aangewezen. Voor mij voelt dat aan als een thuismatch. De rust die daarvan uitgaat, haalt het beste in mij naar boven. In Parijs daarentegen wordt de tweede grootste marathon ter wereld gelopen. Je bevindt je dus altijd onder de mensen, zowel op als langs het parcours. Ook die ambiance doet je boven jezelf uitstijgen. Ik kies dus niet, want kiezen is – zeker in dit geval – verliezen.

Een marathon lopen met blaren of met buikkrampen?
Lees eender welk marathonverslag op mijn blog na en buikkrampen eisen er een rol in op. Slechts één keer eindige ik een marathon met blaren op mijn tenen. Die twee (heel bescheiden) exemplaren kreeg ik in in 2016 tijdens de marathon van Rotterdam. Na ongeveer 25 kilometer voelde ik dat die blaren zich aan het vormen waren. Omdat ik het toen mentaal zwaar had, zag ik alles zwart in. Het bloed zou weldra uit mijn schoenen spuiten. Na de finish zou ik met een brancard weggevoerd worden om de horror aan mijn voeten te laten behandelen. Dat gebeurde dus niet. Mijn passen werden op geen enkele manier belemmerd door de wrijving. Lopen met buikkrampen, geloof me: dat is de hel! Niets is zo vreselijk als lopen met buikpijn waardoor je volledige romp verkrampt. Je kan en wil niet naar de wc gaan en je wil natuurlijk ook niet in je broek doen. Hoe uitzichtloos de situatie soms leek, uiteindelijk herpakte mijn lichaam zich altijd wonderwel vooraleer de echte marathonfinale ingezet werd. Geef mij alsjeblieft dus blaren elke marathon. Met heel veel plezier!

Loperspraat – Klein geluk #2

Vorig jaar deelde ik mijn geluksmomenten toen het bos voorzien was van een royale laag sneeuw. Ik hou van de zon, maar ook van koude en van sneeuw. Omdat de winter tegenwoordig in een identiteitscrisis verkeert, ben ik er niet rouwig om dat ik plots voelde dat (wat moet doorgaan voor) de winter op zijn laatste benen loopt. Ondanks het feit dat zondag duurloopdag de afgelopen weken ook zondag stormdag werd, voelde ik de lente al meermaals de kop op steken. Tijd voor een lijstje van mijn kleine geluksmomenten van de afgelopen weken.

  • na een werkdag gaan lopen zonder ingewikkelde berekeningen te maken om hoe laat je dan het bos uit moet zijn voor de duisternis zijn intrede doet
  • voor je werk gaan lopen, de hele dag met een triomfantelijk gevoel rondlopen en als je thuiskomt van je werk gewoon een koffie drinken
  • het idee dat je de winter ook op sportief gebied hebt overleefd, dat je koppig bent blijven lopen en fietsen, ondanks het donkere en natte weer
  • dat je tijdens de winter een trainingsbodem hebt gelegd en daardoor een voorsprong hebt op de hele wereld
  • mos dat net iets groener lijkt dan anders
  • de geur van bloei en van bloembollen, van lente in de lucht: in de botanische tuin, maar ook in de stad
  • het vrolijke gekwetter van vogels dat ik de laatste maanden enkel hoorde als ik gewekt werd door mijn wake-up light
  • honden die de lente en de wind in hun bol hebben
  • de drie dennenzussen: het botanische evenbeeld van mijn zussen en ik
  • de lucht en wind aan je (veel te witte) blote benen voelen
  • de schittering van de zon op de Vaart die dan oogverblindend is
  • een duurloop met de zon op je kop bij de ideale looptemperatuur
  • mijn gezicht dat nagloeit van de zon
  • de nog grotere verbondenheid die heerst onder lopers en fietsers die de wind trotseren: de knik van samenhorigheid is nog intenser
  • ondanks een fikse tegenwind toch een heel goede duurloop kunnen lopen
  • na stormen Ciara en Dennis in het bos gaan lopen en opgelucht ademhalen dat alle bomen er nog staan
  • twee dagen na elkaar met enkele voorzichtige zonnestralen kunnen gaan lopen als de weersvoorspellingen een grijze wolk met onnoemelijk veel regen aangaven
  • goedgemutst langs chagrijnige autobestuurders lopen
  • mijn muziek van het vorige voorjaar herontdekken, vooral Hozier en Florence stelen de show
  • plannen maken met mezelf en met mijn zussen
  • het marathonseizoen dat nu echt gaat beginnen
  • Eliud Kipchoge en Kenenisa Bekele die allebei de London Marathon zullen lopen op zondag 26 april.
  • aftellen naar mijn volgende marathonavontuur (nog 6 weken en 6 dagen)
  • dagelijks opzoeken of de marathon van Brussel zal doorgaan in het najaar en zo ja: wanneer
  • in mijn agenda schrijven dat ik op 4 oktober 2020 een marathon in Brussel zal lopen met mijn zussen
  • met mijn zussen gaan lopen en dan beseffen dat 45 minuten echt niet lang genoeg is om alles te bespreken
  • met mijn zussen gaan lopen en met z’n drieën synchroon proberen te lopen
  • mijn maatje An, die ook weer aan het lopen is
  • gaan lopen met nieuwe schoenen en het gevoel hebben dat je vliegt
  • gaan lopen met nieuwe schoenen en je route zo uitstippelen dat die schoenen zo proper mogelijk kunnen blijven
  • gaan lopen met afgedragen loopschoenen waar je geen afstand van kan nemen omdat ze zo perfect aan je voeten zitten
  • gaan lopen met modderige schoenen en die dan extra modderig maken