Vandaag word ik 41 jaar. Jullie mogen luidop HOERA roepen bij wijze van felicitatie. Nou, dank jullie wel alvast! Ik wil dit moment aangrijpen om te zeggen dat ik blij ben dat ik weer een jaartje ouder ben. Dat ik dankbaar ben dat ik überhaupt jaartjes ouder mag worden en ook nog eens in topconditie ben (op wat stramme spieren na).
Een verjaardag is altijd een heuglijke dag die gevierd moet worden: het is één van de basiswaarden van mijn familie. Ik heb me er dan ook altijd tegen verzet om iemand te zijn die het niet leuk vindt om de teller te zien verspringen. Eerlijk gezegd werden mijn dertiger jaren daar best door geteisterd: een tikkende klok. Was ik nu echt wéér een jaar ouder geworden? Wat had ik eigenlijk gedaan met die tijd? Me daar druk over maken: dat was pas echt een verspilling van tijd! Ik heb mijn ouders nooit weten klagen over hun leeftijd, integendeel. En het is echt zo, hoe ouder ik word: hoe leuker ik het vind om ouder te zijn.
Dit zijn 4 dingen die ik leerde waarderen aan mezelf door ouder te worden:
Mijn haar: vaak weerbarstig en met een eigen leven, wat rommelig als ik gefietst hebt, dankzij de juiste snit altijd helemaal mezelf!
Mijn voeten: zowel esthetisch als anatomisch zijn het topvoeten die me al ver en veel hebben gebracht.
Mijn humor: ik vind mezelf een grappige vrouw, mijn gevoel-voor-humor-radar staat scherp afgesteld.
Mijn mening: ik ben blij dat ik mondig ben en mijn mond durf open te trekken.
Door jaren op de teller te krijgen, leer je beter hoe dat kan: een leven leven. Ik kijk mijn veertiger jaren dan ook vrolijk tegemoet. Ik bedoel: ik heb inmiddels een fantastische man en dus een huwelijk! We hebben het mooiste huis ter wereld gekocht! Ik krijg op professioneel vlak de kans om te strijden voor wat ik belangrijk vind. Ik kan nog steeds lang en veel lopen in heel goed gezelschap. En als ik mij eens slecht voel, vind ik altijd troost.
De lotgevallen van mensen uit Club 85 tonen aan dat het leven soms bikkelhard kan toeslaan. Niet voor iedereen is 40 het nieuwe 30. Ik denk aan de pijnlijke dood van Jason Arday die dit voorjaar op 41-jarige leeftijd het leven voor bekeken hield. Ik put hoop uit het verhaal van Silvia Salis: 4 dagen jonger dan ik, ex-Olympiër en sinds vorig jaar burgemeester van Genua. Ook de Nederlandse band Rowwen Hèze, gesticht in het wonderlijke jaar 1985, toont aan dat goede liedjes heel lang mooi kunnen klinken.
Felicità bijvoorbeeld! Een topper uit de jaren 80 van Al Bano en Romina Power. Italiaanse levensvreugde met een allerbelangrijkste levensles: geluk zit in de kleine dingen. Laat dat nu het verhaal zijn van de liefde tussen Hans en mij. Geluk is een attent bericht of een spontaan gesprek. Geluk is samen een koffie drinken en proosten op het leven. Geluk is samen aan tafel zitten en beseffen dat je nooit uitgepraat bent. Wij zijn vandaag in Den Haag, waar de kleine gelukjes voor het rapen liggen.
Als je me echt een plezier wil doen, zet dan Felicità op of Kom terug van Spinvis! Ik klink vandaag op mijn en jullie gezondheid. Op heel veel klein geluk, nog veel jaren lang!
Omstreeks het middaguur trekt het wolkendek misschien helemaal open. Gaat de zon stralen als een gek. Misschien ook niet. Valt de regen met bakken naar beneden. Of moeten we het doen met gemiezer. Op de weergoden kan je nooit echt rekenen. Hoe dan ook ben ik er zeker van dat er een heel grote roze wolk boven het stadhuis dan wel het stadspark zal hangen. Waar je ook bent, kijk maar eens heel goed. Ik ben 40 jaar en ik ga morgen trouwen met Hans, de man waarvan ik nooit kon dromen omdat ik niet wist dat hij bestond, daarom zonder meer de man van mijn leven.
Huh, trouwen? Jij? Hoe, wat, waarom???
Waar andere kinderen zich afvragen hoe een vogel kan vliegen, was ik vooral geboeid door de Grote Thema’s des Leven. Ik luisterde graag naar de gesprekken onder volwassenen om te horen wat zij voor interessants te bespreken hadden met elkaar. Als ik geen vragen stelde over die thema’s, dan zat ik er in mijn hoofd op te broeden. Zo vroeg ik ooit aan mijn papa waarom mama en hij eigenlijk getrouwd waren. Omdat je een keer moet zeggen dat het voor echt is. Een mooi antwoord. Eentje waar je ook meteen kritiek op kan geven, want is je relatie of je band echt echter als je getrouwd bent? Is het niet gewoon een ordinaire knieval voor de ambtenarij? Zwichten voor een plechtige setting om iets te officialiseren wat eigenlijk heel intiem is? Een ouderwets en achterhaald ritueel dat misschien juist moet compenseren dat er een gebrek aan echtheid is?
Ik heb heel wat jaren kunnen sjieken op die kwestie: de zin en onzin van trouwen. Omdat ik lang alleen ben geweest, verdween het trouwgebeuren in een doos ergens in de kelder. Ook toen Hans het toneel van mijn leven opkwam. Wij hadden elkaar gevonden, dat was het allerbelangrijkste. Waarom zouden wij moeten trouwen? Wat wij hadden was zo helemaal echt in alles. Tot ik dus afgelopen december droomde dat ik ging trouwen met Hans! Ik werd wakker met een gelukzalig gevoel. Het denken kwam verrassend tot een eind. Ik voelde wat ik wilde. Trouwen dus. We hadden geen van beide een officieel aanzoek nodig om dat een heel romantische gedachte te vinden: om dan voor echt man en vrouw te zijn.
We trouwen dus voor de romantiek. Uiteraard bestaat daarnaast ook een realiteit en moet je over onprettige dingen gaan nadenken als je voor een huwelijk kiest. Maar eigenlijk moet je dat altijd doen als je voor echt voor elkaar kiest. Ik vind het zoveel jaren na datum nog steeds een heel mooie uitleg van mijn papa. Zelf kwam ik niet heel veel verder toen ik aan Leah vroeg of zij eigenlijk wist wat trouwen was. Ik had het over opschrijven dat je dan écht bij elkaar hoort.
3 jaar geleden gingen Hans en ik op de laatste vrijdag van augustus een koffie drinken en toen was er geen houden meer aan. Aardplaten verschoven, de maan was het noorden kwijt. Wij vonden elkaar door te lezen en te schrijven. Wij beleefden onze eigen Murakami-roman. Wij zullen elkaar altijd blijven vinden en ontdekken door elke dag opnieuw voor elkaar en die grote liefde te kiezen.
Zou het niet fantastisch zijn als we overal ter wereld zouden kunnen samenleven zoals het op de camping kan? Een plaats waar je faciliteiten moet delen, op een beperkte ruimte samenzit en dat met respect voor het groen en sociale controle om u tegen te zeggen. Iedereen leeft er op hetzelfde gezapige ritme: vanaf 8u wordt het leven op gang getrokken, om 22u is het stil en ligt iedereen in bed. De camping is een dynamische plek met een heterogene populatie die continu in beweging is. Mensen komen en gaan, elke dag weer. Je hebt de passanten en de residenten. De campers en de tenten of kampeerders in de auto. De einzelgängers, families en vriendengroepen. Volg mij naar de camping!
Ik heb een verleden met de tent. In mijn tienerjaren gingen we in de zomervakantie met het gezin kamperen in Engeland. Hoewel het Engelse winderige, onvoorspelbare weer niet altijd mijn ding was, sliep ik graag in een tent en heb ik veel mooie herinneringen aan onze vakanties. Dank je wel dus, oudertjes. Maar eerlijk is eerlijk: ik keek toen al met grote ogen naar wat wij een mobilhome noemden. Dat was toch allemaal dat tikje meer dan ons tentenkamp. Minder gedoe met in- en uitpakken, met je installeren en weer vertrekken. Enkele decennia jaren later kan ik dat alleen maar beamen. Ik vind de camper ideaal omdat je de charme van kamperen combineert met het comfort van een huis(je). Je zit altijd droog, warm en beschut. Je kan overal licht maken en dus ook ’s avonds in bed nog lezen. Je hebt veel kastjes zodat je niet uit je valies moet leven. Je hebt een mini keuken met koelkast en vriesvak. Je bent altijd verzekerd van een propere wc. Je kan je vakantietijd optimaal benutten omdat je meteen thuis bent als je ergens toekomt.
Er zijn veel redenen waarom ik hou van het campingleven. Allereerst het inkijkje in andermans leven. Hoe vullen mensen hun ontspanning in? Hoe maken ze het gezellig? Maar ook: hoe zit het met de onderlinge relaties? Er ontstaat een inspirerende kruisbestuiving tussen verschillende mensen en manieren om je vakantie in te vullen. Blijf je elke dag op de camping in je ligstoel of trek je sportieve schoenen aan? Bijzonder vind ik ook hoe je heel snel een (soms stille) band opbouwt met je tijdelijke buren. Je respecteert elkaars rust en privacy, maar helpt waar het nodig is. De camping is bovendien een plek waar je elkaar schaamteloos kan kopiëren en dus van elkaar kan leren. De luifel gaat daar dicht, er komt wellicht stevige wind aan. (Hans was Chef Luifel). Op onze eerste dag in Martigny vielen we door de mand: we waren een afwasteiltje vergeten. Toch een onmisbaar kampeerattribuut. Gelukkig bracht de Coop redding en vielen we niet langer uit de toon.
Het allerleukste is het eenvoudige buitenleven dat je leidt op een camping. De wandeling naar het sanitair bijvoorbeeld met je handdoek rond je nek en toilettas onder de arm. Heerlijk! Ik had veel te veel kleren mee, want uiteindelijk hield ik het ook daar basic. Net zoals het potje dat je kookt, net wat eenvoudiger is dan thuis, maar er niet minder om smaakt. Je hebt ook altijd iets om naar te kijken in je omgeving. Het buitenzijn filtert heel wat prikkels weg, waardoor je het perfecte evenwicht bereikt tussen rust en reuring om je heen. Je zit daar allemaal samen, ieder doet z’n ding en dan is het leven helemaal prima.
We deden nog enkele vaststellingen over het campingleven. Noem een voorwerp en het bestaat in campingversie ofte opvouwbare vorm: ik denk hierbij aan een wasmand, emmer en natuurlijk het afwasteiltje. Een tent die we meermaals zagen is een model van Quecha waarbij de tentstokken vervangen zijn door een opblaasbare constructie. Staat sneller recht, naar het schijnt, al blijft het een tent. Een tentrits die open en dicht gaat, het is een geluid dat je uit de 1000 herkent. Maar vergis je niet, mensen: de tent is echt op z’n retour. Tegenwoordig zijn het de campers (in alle soorten en maten) die de boventoon voeren. Kampeerders met een tent zijn moedige mensen (gedreven door nostalgie?). Zonder foeteren leggen ze zich neer bij de tijd die het kost om hun kamp georganiseerd te krijgen. Huisdieren maken daar soms ook deel van uit. Het klinkt aantrekkelijk, maar de hond staat doorgaans garant voor gedoe. Denk aan nachtelijke plasjes en blaffen naar soortgenoten. In Valnontey zagen we één kat die mee op vakantie was in de camper en die leek het wel naar haar zin te hebben.
Wij huurden in juli dus een camper en waren twee weken onderweg van Zwitserland naar en door het noorden van Italië. We overnachtten op 5 verschillende campings en 1 tankstation. Je maakt een reis met de camper zo avontuurlijk en geïmproviseerd als je zelf wil. Wij reserveerden alles op voorhand, behalve de laatste camping op de terugreis. Ik deel graag hoe die verschillende campings ons bevallen zijn.
Om een idee te geven van wat dat kost, vermeld ik telkens de prijs per nacht voor 2 personen met een kleine camper, de afname van elektriciteit en toeristenbelasting. Daarbovenop hadden wij nog de kosten van brandstof (we reden 2385 km), heel veel tolwegen en – als je daarvoor kiest – de toegang tot een tunnel in plaats van de weg over de pas. Voor een camperreis betaal je ongeveer het equivalent van de huur van een vakantiehuis. Een tent is absoluut een budgetvriendelijkere keuze. Uiteindelijk geldt natuurlijk zoals steeds: het is wat je zelf belangrijk vindt en waar je je geld wel of niet aan wil besteden.
Aire de Saverne-Monswiller in Eckartswiller (Frankrijk): gratis We kwamen al 2x op dit tankstation met wat extra faciliteiten (want dat is het uiteindelijk), toen we vorig jaar naar Martigny gingen en dit voorjaar naar de Elzas. Geloof het of niet (mijn zussen moesten ermee lachen), dit is wat ik een gezellig tankstation noem. Je bent in een relatief groene omgeving (ze hebben een rozentuin en zicht op een bergje), het is een schoon terrein met voldoende passage. Er heerst een vredige sfeer. Ik voelde me er veilig. Het was een bewuste keuze om hier te overnachten. We hadden een kleine 800 km te gaan tot Martigny en die wilden we niet in één keer afleggen, deze aire lag net over de helft. De eerste nacht in de camper slapen was voor mij wel weer een beetje wennen, maar de omgeving van ons favoriete tankstation stelde wederom niet teleur. We hadden er een gezellig dinertje bij lantaarnlicht en ontbijt in de zon. Een aanrader in z’n genre!
TCS Camping Martigny (Zwitserland): 55 euro per nacht Dit is een camping die heel typerend is voor Martigny: het is zeker niet de allermooiste camping van Zwitserland, maar je hebt er alles wat je nodig hebt, alles is netjes en je zit in het dal omgeven door bergen. Het sanitair is hier echt top! Brandschoon door een ijverige schoonmaakploeg en bezoekers die het proper willen houden. Een greep uit de campinggasten. De ijdele vijftigplusser die er elke dag op uit trok met de koersfiets. Grootouders met kleinkinderen en de hond, wiens puppyfoto in het groot op de camper vereeuwigd was (opschrift: immer dabei). Een koppel uit West-Vlaanderen die het met heel weinig woorden toch heel gezellig hadden samen. Een gezin met twee mama’s en twee overprikkelde kleuters die sliepen in een auto met daktent. Zij verdienen van onze hele reis absoluut de medaille voor Moed en Zelfopoffering omdat ze er tussen de crises door altijd het beste van bleven maken. Eveneens genomineerd voor deze prijs: de jonge ouders die overnachtten in hun Tesla en elke avond rondjes over het campingterrein moesten maken om hun baby in slaap te krijgen (makkelijk 1 uur). De TCS camping is heel klassiek en voelt voor mij nu al nostalgisch aan.
Campeggio Lo Stambecco in Valnontey (Italië): 34 euro per nacht Wauw! dacht ik toen we het terrein van Lo Stambecco (de steenbok) opreden. Ik denk dat iedereen die hier verblijft een groot hart heeft voor de bergen en het buitenleven op de camping. Het terrein is gevarieerd: je hebt grotere, open plaatsen, waar je meer bij elkaar staat, maar ook kleine plaatsen tegen de helling aan met meer beschutting van bomen. Overal waar je komt, is het zicht fenomenaal. Onze buren waren drie Duitse jongemannen die hoofdzakelijk in stilte verdiept zaten in een boek. Wat later kwamen ook twee Italiaanse families met kinderen toe, die zorgden voor wat meer leven in de brouwerij. Minder succesvol was het balspel dat de kinderen (Pietro, Marco, Iwan, Bianca en Elena) speelden. Wij stonden namelijk lager en een bal heeft de neiging te rollen. Ze hadden in ieder geval een fijne tijd samen. Wat hogerop zaten twee zwijgzame Nederlanders die alles aanschouwden.
De camping wordt gerund door een sympathieke broer en zus. Ze kregen hulp van een jongeman die veel te netjes gekleed was (witte broek en polo van Lacoste), in onze fantasie was dat hun neef uit Milaan. Het sanitair van Lo Stambecco is eenvoudig, wat charmant in elkaar geknutseld. Ook hier werd alles weer heel proper gehouden. Zeker ook een meerwaarde: de bar! Je kon er voor amper 5,5 euro een spritz drinken en kreeg daar een plankje met hapjes bij. We leerden daar ook de man kennen die we De Wandelaar noemden. Rond aperotijd zat hij op het terras verdiept in zijn kaarten waarop hij routes aanduidde. Hij leefde uit de rugzak en overnachtte in een minimalistische tent. Voor mij weer maar eens een les in licht reizen. Je kan niet anders dan gecharmeerd zijn door het authentieke karakter van deze camping. Dit is een parel!
Camping Milano (Italië): 49,5 euro per nacht Zonder de twijfel de minst leuke plaats. We verbleven er ook maar 2 nachten omdat we 1 dag Milaan wilden bezoeken. Dat is meteen de troef van de camping: je kan heel vlot met de bus en metro naar de grote stad. De camping zelf ligt op 10 km van het stadscentrum, naast een waterpark in een troosteloze wijk. Het terrein op zich is niet slecht: er staan heel veel bomen en de percelen zijn ruim. De camping pakt uit met hun **** die ze hebben omdat er – op papier – zoveel faciliteiten zijn. Daar knelde het schoentje. Je hebt er zogezegd alles, (restaurant, speeltuin, kinderboerderij, modern sanitair), maar dat alles is onderkomen door gebrekkig onderhoud en gasten die er niets om geven. De helft van de kranen bij de afwas lekte, eentje verloor zelfs continu stromend water (every drop counts!). Er waren ook wc’s die bleven doorlopen. Het sanitair oogde bovendien niet fris en vertoonde te veel sporen van anderen. Niet wat je wil.
Bij aankomst hing er ook een vreemde vibe. Langs onze camper stopte een auto en het leek alsof kinderen daarmee gingen rijden. We werden aangevallen door de muggen, een zomerprobleem van Milaan door de vele rijstvelden in de Po-vlakte. De sfeer sloeg wel positief om toen er langs ons een Frans gezin de tent opzette. Zij waren erop gebrand om het gezellig te maken. We zijn blij dat we weer in Milaan zijn geweest. Camping Milano is een functionele camping op doorreis.
Naturcamping Lärchwiese in Vals (Italië): 86,5 euro per nacht De laatste 3 nachten brachten we door op de duurste en chiqueste kampeerplek van onze reis. Lärchwiese is een relatief nieuwe **** camping op een prachtige locatie: een kabelbaan, Oostenrijkse architectuur en een adembenemend bergplaatje. Echt alles is mooi en stijlvol aangelegd met gebruik van de lärch, een naaldboom uit de streek. Bij reservatie kozen we één van de grootste kampeerplaatsen omdat het prijsverschil relatief klein was. We kregen een idyllisch plekje wat hoger op de camping toegewezen. Over de faciliteiten niks dan lof! Denk bij alles de woorden “sfeer- en smaakvol”: de bar met terras waar ze wijnen uit de streek serveren, de shop waar ze alles verkopen wat je nodig kan hebben (van een souvenir tot lippenbalsem) tot zelfs de (af)wasplaats. Het sanitair was luxueuzer dan wat we thuis hebben. Ik geef toe dat ik daar heel lekker op ga: een gevoel van esthetiek waarbij alles tot in de puntjes klopt.
Er is ook een “maar”. Een camping als deze trekt een publiek aan dat op vakantie wil zijn, meer dan dat ze van het basic campingleven houden. Het ging er daarom allemaal wat afstandelijk aan toe. Er werd niet gegroet of geknikt. Ieder zat op zijn grote stukje grond alleen te wezen. Ieder voor zich dus. Zo bleek ook uit het gebruik van het sanitair. Helaas werd dat minder schoon achtergelaten door de campinggasten. In plaats van te denken: ik laat de lavabo proper achter voor degene die na mij komt, was de mindset eerder: straks komt de poetsploeg om hier weer schoon schip te maken. En dat is eigenlijk toch wel heel jammer.
Ook hier zagen we weer het fenomeen van kersverse ouders die met een baby gaan kamperen, inclusief volledige volksverhuizing van babyspullen. Er waren 2 koppels die ’s avonds eindeloos bleven wandelen om de baby in slaap te wiegen. Hadden ze zich dit idyllischer voorgesteld? Of denken ze: ik zit hier met dezelfde zorgen van thuis, maar ik heb tenminste zicht op de bergen? Op deze camping waren de campers vaak erg groot. Denk richting een paardenvervoer of bus van een wielerploeg. Er was ook een jonge meid van een jaar of 7 die vaak met de gsm aan haar oor over het terrein wandelde, heel casual in een gesprek verwikkeld. Ik vraag me nog steeds af met wie zij zo’n lange telefoongesprekken voerde. Op het hoogste punt van onze trail maakten we kennis met 2 sympathieke Nederlanders die heel toevallig de kampeerplek onder ons hadden. We konden wel wat Nederlandse openhartigheid gebruiken! Tot slot was ik onder de indruk van het effect dat het bergwater op mijn haar had. Ik ging ’s avonds slapen met een ongeziene wave in mijn haar en ’s ochtends zat die er nog net zo in, er kwam geen borstel aan te pas. Lärchwiese was kortom een geslaagde afsluiter van onze vakantie.
Camping Büttelwoog in Dahn (Duitsland): 28 euro per nacht* We reden terug via Oostenrijk en Duitsland. Het plan was om weer op een tankstation te overnachten omdat we de volledige rit niet in één keer wilde rijden. Na een file voor de grenscontrole om Duitsland binnen te rijden, maakten we een koffiestop op een tankstation met Frauenparkplatzen. Dat heeft niets met parkeervaardigheid te maken, wel met veiligheid. Het zijn plaatsen die vrouwen een verhoogd gevoel van veiligheid willen bieden. Ze bevinden zich dicht bij het gebouw (zodat je niet over de hele parking moet) en er is camerabewaking. Op zich een mooi initiatief, maar het werkt bij mij juist een gevoel van onveiligheid in de hand. We belandden uiteindelijk op de uitzichtloze B10 waar geen enkele stopplaats bleek te zijn. Zo ontstond spontaan het idee om op zoek te gaan naar een camping voor de nacht.
We kwamen terecht bij Camping Büttelwoog. De eigenaar was stug, zelfs onvriendelijk en ze aanvaardde enkel cash geld, maar er was nog plaats en dat was wat telde. Het bleek wederom een bijzondere plek te zijn. We waren immers in het Pfälzerwald. Een bosachtig gebied met rode rotsformaties waar gezichten in gebeiteld lijken te zijn. Voor een laatste keer werden we helemaal ondergedompeld in “het echte” campinggevoel. Waarbij het sanitair misschien wat primitiever is, maar wel kraaknet. Waar iedereen altijd en overal gedag zegt. Laat ik daar meteen onze conclusies aan verbinden. Een goede camping trekt mensen van allerlei slag aan die één ding delen: ze houden van het campingleven zonder franjes. Er is veel respect voor de omgeving en oog voor elkaar. Samen maak je de camping. Dan hangt er iets in de lucht, een stukje ziel en eigenheid dat een doordacht businessplan en degelijk beleid overstijgt. Ik zei het al: de camping is een voorbeeld van hoe het zou kunnen zijn.
Een ander landschap doet bij mij de meest simpele vragen rijzen. Hoe en wanneer zijn de bergen ontstaan? Vroeger had ik mijn papa voor dat soort vragen, nu Hans die de juiste kennisgebieden weet aan te boren. Dan keer ik terug naar de aardrijkskunde lessen en herinner ik me het begrip platentektoniek en de kaarten in de atlas die daarbij hoorden. Kennis van de middelbare school ga je doorgaans pas op latere leeftijd naar waarde schatten. De bergen die ik ken van de Ardennen en de Vogezen, dat zijn bergen die ik van het bostype noem. De berg is deel van een boslandschap. Een gebergte als de Alpen, dat weet ik nu, is een landschapstype op zich. Als ik terugdenk aan de adembenemende uitzichten, dan komt vooral het gevoel terug van hoe mijn ogen tekort schieten om het beeld écht te vatten. De natuur is er helemaal anders. Het gras stugger en scherper, de bomen grilliger tot aan de boomgrens en dan zijn ze er gewoon niet meer.
Ik neem jullie verder mee op onze reis naar Zwitserland en het noorden van Italië. We bleven 3 nachten in Martigny en reden dan met de camper door naar Aosta, de dichtstbijzijnde stad in de buurt van onze bestemming in de bergen. Het toeval wil dat de UTMB Monte Rosa hier diezelfde avond zou vertrekken. Ah, Italia! We gingen boodschappen doen bij Gros Cidac, een supermercato à la Carrefour en we banjerden door de stad. Voor 1,8 euro een cappuccino drinken en de meest levendige Italiaanse gesprekken op net iets te luide toon horen: dat is vakantie. De rit van Aosta naar de camping was ongeveer 30 km. Meteen al een heel mooi voorproefje van het landschap. Ook in de auto hield ik soms even mijn adem in als ik naar beneden keek, maar ik vertrouwde volledig op de rijkunsten van Hans (en de vangrails in geval van nood). Via het kleine Cogne kwamen we aan in Valnontey op camping Lo Stambecco, onze thuis voor de komende dagen.
Valnontey ligt op 1667 meter hoogte in het Parco Nationale del Gran Paradiso. Je zit dus tussen de bergen en kijkt er niet gewoon op uit. De camping heeft ook wat hoogteverschillen. Het terrein is aangelegd met veel respect voor de plaatselijke natuur. (Later deze week wijd ik een aparte blogtekst aan mijn campingervaringen.) We krijgen op Lo Stambecco een idyllisch plekje toegewezen en wanen ons in het paradijs! Al vrij snel stellen we vast dat de natuur hier anders is. Er hangt een soort mos als baardhaar in de bomen. We horen het vertrouwde geluid van de vink, maar die zegt niet suskewiet. Het kost mij 2 dagen om een onomatopee te bedenken voor de Italiaanse variant. De vink zegt namelijk op verschillende plaatsen iets anders. Ik kom uiteindelijk uit bij centi! met een langgerekte e. De bergen verwennen ons met een gematigde temperatuur. Overdag een zonnige 20 graden en ’s avonds mag de sweater aan voor de gezelligheid.
Na onze bewogen hoogtemeters in Zwitserland hebben we na de reisdag een ontspannen dag op de camping. We gaan te voet naar Cogne, een schattig stadje 2 kilometer verder, maar houden er geen rekening mee dat de winkels een middagpauze van 3 uur nemen. Het kan de pret niet drukken. Mijn eerste gevoel bij deze plek is dat het gebrek aan architecturale smaak, waar wij in België ernstig mee kampen, hier op overschot ligt. Werkelijk alles is mooi! Ik geef mijn ogen de kost aan de stenen daken, de vormgeving van de balkons en de algehele schattigheid waarin alles gehuld is. Met het oog op onze geplande trailtocht de volgende dag baart het me wel zorgen dat ik nog heel stijf ben. We liepen in Martigny bijna 2000 meter naar beneden. Zoals gezegd, hakt dat stevig in de spieren. Bij het opstapje van de camper moet ik me met beide handen vasthouden om nog wat controle te hebben. Het is vaak schuifelen wat ik doe. Ik voel me kortom niet kakelfris voor een nieuw trailavontuur.
Ondanks dat lichamelijk ongemak heb ik wel echt zin om weer te gaan kijken hoe het op de bergen is, in plaats van er alleen maar naar te kijken. Deze keer heeft Hans voorkennis: 5 jaar geleden was hij hier al eens. Toen ondernam hij in alle vroegte een tocht naar “de hut”. Et voilà, dat gaan wij nu ook doen. We willen rekening houden met de lessen die we geleerd hebben in deel 1 van dit beoogde drieluik. Voldoende zonnecrème smeren dus en handelen naar de moeilijkheidsgraad van een pad. Zeker niet overmoedig worden! De vooropgestelde route die Hans heeft voorbereid (inspiratie komt wederom van Komoot) zullen we daarom aan een kritische blik onderwerpen om niet weer koud gepakt te worden door ons gebrek aan ervaring in de bergen. Het plan is eenvoudig: de route naar de hut is een toegankelijk wandelpad van 5,8 km serieus omhoog. Nadien kunnen we eventueel nog een beetje verder gaan – als het niet te gevaarlijk is – om het bergmeertje te zien. Via dezelfde weg dalen we dan weer tot in Valnontey. Simple comme bonjour! Vandaag geen waaghalzerij op het programma.
We vertrekken rond een uur of 10 met een ideale temperatuur. Wandelen is hier uiteraard een populaire bezigheid, daarvan getuigen de vele wandelroutes die ook effectief heel wat wandelend volk op de been brengen. Van mijn stijfheid merk ik gelukkig weinig als we bergop hiken. Mijn stokken zijn weer een grote hulp en zo gaan we aan een heel aardig tempo de berg op, telkens vriendelijk bongiorno-end met al wie ons pad kruist. We steken via een brug (een detail dat later in dit verhaal niet zomaar een detail zal zijn) de waterval over die we vanaf de camping kunnen zien. Schitterend! Hoewel het soms steil omhoog gaat, is het pad echt wel toegankelijk. Ja, er liggen uiteraard stenen in alle soorten en maten, maar er niks gevaarlijks aan. Ik heb dus de tijd om alles goed in me op te nemen. Wat vooral opvalt zijn de blinkende zilveren stenen. Alsof Leah hier haar pot met glitters heeft laten vallen, om het met de woorden van Hans te zeggen.
Zonder slag of stoot, maar vooral met veel ooh’s en aah’s bereiken we na anderhalf uur stijgen Rifugio Vittorio Sella, de hut dus. Ik weet niet wat jullie voor je zien bij het woord “hut”. In mijn hoofd (hier val ik weer maar eens door de mand als niet-bergenkenner) is dat iets heel primitiefs. Deze hut is veel meer uit de kluiten gewassen dan wat ik in mijn hoofd had. Het is een groot gebouw waar je iets kan eten of drinken. Er zijn naar het schijnt 161 slaapplaatsen. Het is met andere woorden een fijne plaats voor de dagwandelaar, die als doel heeft van het uitzicht te kunnen genieten met een drankje in de hand, maar ook voor de meerdaagse trekkers die van hut naar hut lopen en er overnachten. Ik drink een cappuccino (hoe luxe op 2588 meter hoogte), Hans een cola. We vragen aan de barvrouw of de wandeling tot aan het Lago del Lauson moeilijk is. Volgens Komoot is dat namelijk een T3-pad en wij zijn vastberaden ons daar niet meer aan te wagen. We worden wat meewarig aangekeken. Not difficult, is het antwoord, wat ons betreft een go! om verder te gaan.
Een bergmeer, dat heb ik nog niet gezien! De route ernaartoe valt inderdaad goed mee qua techniciteit. We komen er aan met ongeveer 7 km op de teller. Een magische plek! De combinatie van de schittering op het helderblauwe water omgeven door bergen. Dit is iets van postkaarten. Wauw! Het bijgestuurde plan is dus om van hieruit terug te keren over exact dezelfde route. We kunnen dan via een relatief beloopbaar pad dalen en eindigen met 14 km op de teller. Er is een grote, dikke “maar”. Het pad tot aan het meer is helemaal niet zo moeilijk als we vreesden, waardoor het initiële plan om de uitgestippelde route te volgen en dus een lus te lopen, toch weer aanlokkelijk wordt. Bijkomend voordeel is ook dat we dan in totaal meer dalende kilometers hebben dan stijgende. Dat gaat niet over snelheid, wel over de hoop om onze benen minder kapot te moeten lopen op die fel dalende stukken. Dit is met andere woorden het punt waarop we ons weer laten verleiden door het Avontuur met hoofdletter A.
Avontuurlijk is het zeker wel. Het pad loopt wederom langs een diepte, maar deze keer hebben we op de rechterkant de bergflank die beschutting en houvast geeft. Er is een wat gevaarlijkere passage waar een touw hangt en ook eentje met een laddertje bevestigd aan de rots. Ik zou dit “avontuur met beleid” noemen. We kunnen mentaal ook beter om met de hoogte. Het is pure mindfulness, alleen maar bezig zijn een pad te volgen. Ons zelfvertrouwen is ook gegroeid. Tot daar dan het eerste echte obstakel is. Een waterval! Het is te zeggen: ik noem het een waterval, maar volgens de wandelaar die we later zullen kruisen is het een ruisseau. Laten we het erop houden dat de waarheid in het midden ligt. Het is een stroom die zich over een lang steil stuk naar beneden over rotsblokken stort, waardoor op sommige plaatsen een watervaleffect ontstaat. Met veel lawaai ook tot gevolg.
We doen 43 minuten over kilometer 10. Dat moet wel een traagheidsrecord zijn. Het probleem is dus de watervallende stroom. We zien waar het pad aan de andere kant verderloopt, maar niet waar je bedoeld wordt de stroom over te steken. We hebben geen schrik voor natte voeten, wel voor het genadeloze water. De stroming is op sommige plaatsen heel sterk. We durven geen enkel risico te nemen. Ook de bedding is steil en bestaat uit grote stenen. We klimmen dus een paar keer op handen en voeten naar beneden en boven langs de stromende waterval op zoek naar de veiligste plaats om over te steken. Dit moet ons lukken. Uiteindelijk krijg ik een idee. Op één plaats liggen twee heel grote rotsblokken wat tegen elkaar. We kunnen daar veilig naast gaan staan. In Martigny leerde ik dat als iets akelig is, zittend dalen meer grip en houvast geef. Mijn idee is daarom om schrijlings over de stenen naar de andere kant te schuiven. Met mijn paardrij-ervaring is het logisch dat ik eerst ga. Het gaat vlotter dan gedacht, Hans volgt zonder problemen.
Er gaat een enorme adrenalinestoot door mijn lichaam omdat we dit geflikt hebben! Niks staat ons nu nog een voortvarende tocht in de weg, denk ik, toch weer naïef eigenlijk. We stijgen verder door en na een kilometer worden we met een prachtig uitzicht vanaf één van de toppen beloond. Als bij wonder komen er langs de andere kant twee wandelaars naar boven. Niet alleen handig omdat ze een foto van ons kunnen maken, maar ook omdat we zo te weten kunnen komen wat ons nog te wachten staat. Hun boodschap is duidelijk: het is niet altijd duidelijk waar het pad is en je moet alert zijn. Wij waarschuwen op onze beurt voor de cascade die door de man (hij kent de route) dus een stroom wordt genoemd. Vol goede moed zetten we onze tocht verder. Als deze mensen van vlees en bloed langs de andere kant naar boven zijn gekomen, dan is het doenbaar. We hebben er 9 km opzitten, nog 11 te gaan in dalende lijn.
De kilometers gaan traag voorbij door de grilligheid van het pad. 1 kilometer kost makkelijk 25 minuten. Gelukkig hebben we tijd, is het weer goed en hangt er geen onweer in de lucht. We blijven echter niet gespaard van waterproblemen. Er volgt een volgende stroomoversteek, een stroompje is het eigenlijk maar. Het probleem is deze keer dat de passage steil is en de grond rond de stroom heel los en modderig. Je hebt er met andere woorden amper grip. We proberen wederom een analyse te maken van de mogelijkheden. Ik probeer weer om zittend naar het water toe te schuiven, waarbij ik meteen een klein beetje naar beneden glij. Hans beleeft hier een doodsangst. Hij wil me helpen door zijn stok uit te steken, want in een flits ziet hij mij naar beneden de dieperik mijn dood tegemoet glijden. Zelf ben ik niet bang omdat ik me gecontroleerd kan laten zakken. Ik slaag er zo vrij snel in om tot bij een oversteekpunt te komen waar ik vlot de overkant kan bereiken. Ik heb daar ook een beter overzicht en kan Hans helpen de route te bepalen, die hij niet zittend en glijdend moet maken, maarmet relatief vaste grond onder de voeten. Hehe, ook dit is weer gelukt! We beseffen nu dat terugkeren geen optie meer is en dat we werkelijk geen idee hebben wat ons nog te wachten staat. Dat is dan toch weer wat beangstigend.
Ik laat de chronologie hier even los. Het wordt namelijk moeilijk reconstrueren in welke volgorde nadien wat gebeurd is. Ja, er staat ons namelijk nog wel één en ander te wachten. Ik spoel even door naar de laatste 3 km die we relatief vlak langs het water kunnen lopen. We passeren daar een bord waarop staat dat het trailpad is afgesloten (non percorribile!) omdat de overstromingen in 2024 alle bruggen hebben weggespoeld. Denk hier een emoji bij die heel grote ogen trekt. Dat bord hing er NIET in de richting die wij gelopen hebben! Wij zouden nooit – jamais – no way een route hebben gevolgd die afgesloten was omdat er geen bruggen meer waren. Het verklaart dus wel één en ander. Na onze 2 spectaculaire wateroversteken, zullen we nog 2x water over moeten zonder brug. Gelukkig zijn die technisch niet lastig en houden we er enkel natte voeten aan over. We zien daar ook de restanten van een brug: de pijlers die er nog staan met wat verderop de weggespoelde oversteek.
De overstromingen hebben ook op andere plaatsen hun sporen nagelaten. Soms is het pad bedolven onder een steenlawine. Op zich is het niet per se moeilijk of gevaarlijk om over stenen te klauteren. Lastiger zijn de steilere hellingen waar een water- of modderstroom het pad weggespoeld heeft. Je moet je voorstellen dat je op een steile flank een meter of 3 moet zien over te steken die enkel bestaat uit los zand en stenen. Ik probeer nog eens de truc met het zitvlak. Op mijn poep probeer ik beheerst naar de zijkant te kruipen. Het lukt aardig, tot ik een pijnlijke steek onderaan mijn kuit voel. Ik zie rond mijn voeten tientallen wespen cirkelen. Mijn benen liggen in een wespennest! Ik roep iets naar Hans en op de één of andere manier slaag ik er spiderman-gewijs in om een stukje naar boven te klimmen. Hans heeft allergiepilletjes mee, waar ik er meteen één van neem om een mogelijke reactie tegen te gaan. Ik ben uiteindelijk 3x gestoken in mijn onderbenen. Het is geen agressieve wespensoort zoals we die hier kennen. Hun nest lijkt in de berg te zitten. De pijn valt mee, maar ik ben wel even helemaal klaar met het avontuur. Ik moet bekomen van deze schrik.
We zijn niet de enige gekken onderweg. Na de wespen kruisen we een vrouw en man. Fietsers! Niet bepaald wat je op dit terrein verwacht. Ze zijn op de fiets aan hun route begonnen en dragen hier op een steile, technische klim allebei een elektrische mountainbike op hun rug. We kunnen niet anders dan hen waarschuwen. Ze zijn onderweg naar de hut. Dat is nog minstens 6 km klimmen en water oversteken! We vinden hen veel te optimistisch kijken naar wat hen nog te wachten staat. Met alles wat wij hebben gezien, weten we dat er van fietsen niet veel in huis zal komen. Het is vooral klimmen en klauteren, goed uit je doppen kijken. Je hebt je handen echt wel nodig en het gewicht van een zware e-bike in je nek kan je dan missen. Ondanks onze waarschuwing, gaan ze vrolijk verder. We hebben de dagen erna nog vaak aan dit stel gedacht. Hoe en wanneer zouden ze die hut bereikt hebben?
Er zijn ook andere hoopgevende tekenen van menselijke aanwezigheid. Hoe dichter we bij het dal komen, hoe meer gestapelde stenen we tegenkomen. Die stapeltjes tonen waar het pad is. Het heeft iets ontroerends. Alsof anderen ons hier bij de hand nemen en naar de uitgang leiden. De stenenstapels zijn welkom, want het blijft lastig om met het oog te zien waar het pad loopt. We maken ook kennis met de plaatselijke fauna. Zo staan we bijna oog in oog met een gems die ons guitig aankijkt en alsof het niks is in 3 tellen 10 meter over rotsblokken stijgt. Vanuit zijn uitkijktoren blijft hij ons nastaren, alsof hij (ik denk dat het een jongen is) op zijn beurt verbaasd is waarom het ons moeite kost om over die stenen heen te geraken. Van nog dichterbij zie ik een schattige marmot die tussen een hoop stenen aan het loeren is. Ze schrikt harder van mij dan ik van haar (ik denk dat het een meisje is). In de allerlaatste kilometers is er nog een ree die met niet al te veel haast de benen neemt voor ons.
De laatste kilometers lopen we met onze stokken. Heerlijk! Bij mij blijft de schrik erin zitten dat we alsnog een halsbrekende rivieroversteek voorgeschoteld zullen krijgen. Niets van dat! Het is over de brug in Valnontey dat we weer veilig en wel onze camper bereiken. Waar we in Martigny met de daver op het lijf een pittige klim zijn aangegaan, zijn we nu vooral op een positieve manier onder de indruk van ons avontuur. Wat een verhaal, mensen! De bruggen waren weggespoeld en wij wisten van niks! We hebben intens kunnen genieten van de diversiteit van het Alpen-landschap: de stilte, het oorverdovende water, de uitzichten op die waanzinnige bergen en de geur van wilde kruiden. Ik ben heel trots op hoe we dit weer samen hebben aangepakt. Hans en ik geloven in elkaars kunnen, zorgen voor elkaar en beseffen hoe bijzonder het is om dit te kunnen delen. Daar drinken we er ’s avonds eentje (en nog eentje) op!
Nadien zien we ook hoe de schade van de overstromingen tot in Cogne zichtbaar is. De rivier heeft er hele stukken van de bergflank meegesleurd, er hangen nog steeds bomen in het water, er liggen gigantische rotsblokken in de rivier. De kracht van de natuur is verwoestend. Ik vraag me nu nog af hoe ze in hemelsnaam ooit die bruggen hersteld gaan krijgen. Hoe begin je aan zoiets? We hebben ook weer lessen geleerd voor de volgende bergentrail. 1) We zijn niet verbrand door de zon, lang leve het bijsmeren! Enter de noodzaak om een lippenbalsem met UVF-bescherming mee te nemen. Mijn lippen hebben het zwaar te verduren gekregen door de wind. 2) Je weet eigenlijk nooit wat je écht kan verwachten. Juich dus niet te vroeg als je denkt: deze T3 valt keigoed mee, dat zal de komende kilometers ook wel zo zijn. Het avontuur zit in een heel klein hoekje, altijd klaar om als een duveltje uit een doosje tevoorschijn te schieten en je keihard te verrassen. De ene T3 is de andere niet. En daarbij kan je op zoveel andere problemen stuiten.
Tot slot nog de cijfers. We legden uiteindelijk 21,13 km af in 6 uur en 40 minuten. Het hoogste punt bereikten we op 2678 meter, voor ons beide een nieuw hoogterecord. In totaal stegen we 1239 meter en liepen we die ook weer naar beneden.
Volgende week lezen jullie over de laatste etappe van ons drieluik in de Alpen. We bereiken in de Dolomieten het dak van onze Tour de Trail. Ik beloof jullie veel vredige koeien, een indrukwekkend bergmeer en een ski-achtige afdaling in Oostenrijkse sfeer. In Italië welteverstaan!
Vakantie! Dat is lezen en vooral niet te veel willen doen. Het leven laten gebeuren, proeven van een andere omgeving om daar dan weer nieuwe gewoontes op te bouwen. In mijn geval toch. 4 jaar op rij ging ik in de zomer naar mijn geliefde Den Haag. Ik kon er verblijven in het fantastische huis van mijn neef Maarten. Toen ik niet alleen meer was, kwam Hans mee. Onvergetelijke zomers beleefde ik in Den Haag. Dankzij Hans kreeg ik ook de kans om mijn horizon wat te verbreden. Zo liepen we de marathon in Milaan en kwam ik eindelijk eens Italië. Wat een ervaring! Vorig jaar trokken we voor een lang weekend naar Zwitserland om iets van de UTMB mee te pikken. Het camperavontuur smaakte naar meer en zo kreeg onze vakantie voor de zomer van 2026 vorm. Met dank weer aan Hans, want die heeft én camperervaring én organisatieskills om een mooi reisje in elkaar te steken. Ik moest enkel enthousiast zijn en foto’s van campings bekijken.
We zijn 2 weken weggeweest met Benny, onze gehuurde camper. De reis was een combinatie van bergen en een beetje stad, van Italië en een beetje Zwitserland. Van tijd om te niksen en te hangen en tijd om er sportief eens heel serieus op uit te trekken. Dit meisje van de zee zou kortom helemaal ondergedompeld worden in de pracht van de Alpen. Ik beloof dat het een lang en meerdelig verhaal zal worden, maar ik kan nu al heel kort zeggen: ik ben verkocht! Ik ben zot van de bergen, ik ben gefascineerd door de chaos van Italië en het leven in het dal. We hebben zoveel ongelooflijk indrukwekkende dingen gezien. Zoveel boeiende levens zijn onze weg gekruist. Ik denk er nog dagelijks aan en kan nog heel lang teren op al die indrukken.
Laat ik beginnen bij het begin. We zouden op 4 plaatsen verblijven. In Milaan zouden we slechts één volledige dag zijn en stond er dus geen sportieve activiteit op de planning. De 3 andere verblijfplaatsen vormden het unieke decor voor een drieluik in de Alpen. Ook hier gaat weer alle applaus naar Hans die 3x een route uitstippelde, telkens tussen de 20 en 25 km. In de bergen ben je daar al gauw een dag mee bezig. Het is misschien gek om uitgerekend in je vakantie zo’n sportieve onderneming aan te gaan. Conditioneel kunnen we dat prima aan en is het voor ons een uitgelezen kans om trails te lopen in “de echte bergen”. Bovendien kan je op relatief korte tijd heel veel gezien hebben van dat berglandschap, net wat meer dan aan een gemiddeld wandeltempo.
Onze eerste bestemming: Martigny in Zwitserland! Bij de trouwe lezers doet dat wellicht een koebelletje rinkelen. In augustus was ik er nog niet klaar mee. Ik moet nog een keer terugkomen. En of het een blij weerzien was, mensen! We dronken onze geliefde Petite Arvine bij l’Adresse alsof we nooit écht waren weggeweest. Er was nu tijd om meer van “de stad” te zien en van “de Zwitser” die er woont. Martigny samenvatten is niet zo moeilijk. De stad heeft één winkelstraat (met boekenwinkel) en één gezellig plein, daar vind je de enige gebouwen met historisch karakter. Voor de culturele beleving moet je bij Fondation Gianadda zijn. Vorige jaar opende Barryland, een belevingscentrum rond de Sint-Bernardshond. Het Château de la Bâtiaz zou ik eerder een toren met bijgebouwen dan een kasteel noemen, maar je hebt er wel een mooi zicht op de stad als je niet per se je wandelschoenen wil aantrekken (ik deed de klim op mijn goudkleurige slippers). Na 1 dag was het glashelder: Martigny is zeker niet de mooiste Zwitserse stad, net daarom is er ook niets toeristisch. Martigny is bekend omdat het dichtbij andere – bekendere – plaatsen ligt zoals Chamonix. Die vaststelling deed voor mij niets af aan de intense beleving. Je zit er alsnog in een prachtig decor, omgeven door indrukwekkende Toblerone-bergen en wijngaarden in alle soorten en maten. Ik ben er nog altijd niet uit wie nu “de Zwitser” is die in Martigny woont.
Het is op dag 2 dat we ons in trailoutfit hullen. Helaas wordt het een warme dag. 30 graden is niet wat je nodig hebt als je de berg op gaat, ook al is het daar koeler. Het eerste deel van de tocht is een kopie van vorig jaar: de klim naar de Col de la Forclaz. Op 8,5 km stijg je ongeveer 1000 meter tot 1500 meter hoogte. Hoe lyrisch ik vorig jaar ook was – ik neem er geen woord van terug – dit is niet het echt trail-of bergengevoel. Vanaf de camping lopen we 3 km over asfalt tot Martigny-Combe om dan nog 2 km te stijgen door een residentiële wijk, voornamelijk over asfalt. De laatste 3,5 km zijn wat meer bosachtige paadjes langs chalets en weides, maar je bent nog steeds niet in of tussen de bergen. Je kan namelijk ook gewoon met de auto tot aan de Forclaz rijden. Door de warmte hakt dit begin er bij ons steviger in dan vorig jaar (toen ik “gehaast” was om Seppe te zien). We doen er nu ongeveer anderhalf uur over.
Hoe dan ook is het bijzonder om weer aan te komen op de Col de la Forclaz. De hut is open, dus we kopen een colaatje en vullen ons water bij aan de bron. Aan herinneringen geen gebrek. Dan kan het echte werk beginnen. Vorig jaar stegen we na Seppes passage tot de Mont de l’Arpille. Dit jaar nemen we de andere kant. Hans vond op Komoot een route van een kleine 10 km die ons naar de top Pointe Ronde zal brengen, nog eens bijna 1000 meter omhoog. De eerste paar 100 meters stijgen, geven al meteen een fenomenaal zicht op de gletsjer. Overal waar ik kijk, denk ik: dit is ongezien! En ook: wat ben ik blij met dit pad! Het is steil, maar ook breed en niet moeilijk qua ondergrond. Als je wat ambitie hebt, duw je hier een buggy naar boven. We worden vrij snel beloond voor onze inspanning. Het eerste echte uitzichtpunt smaakt naar meer. Er staat ook een houten kruis en als we wat hoger en verder kijken, zien we nog een kruis. We vermoeden dat dit de top is waar we naartoe gaan.
Tot hiertoe geen noemenswaardige problemen. We kunnen alles aan. In de verte zie ik een bende koeien staan. Ik voel me wat geïntimideerd. Zelfs de mieren die hier over de grond kruipen zijn kleine bodybuilders. Zo ook deze koeien. Ze zijn donker van kleur, hebben een massief lichaam en héél grote horens. Sam vertelde ons tijdens de Chouffe trail een verhaal met fatale afloop over een stel wandelaars dat werd aangevallen door koeien. Het is de voedingsbodem voor mijn angst. Onze route loopt dwars door hun wei heen. Ik duik vrij snel onder het kleine schrikdraadje om toch iet of wat bescherming te hebben. Na een blik op de gpx stelt Hans vast dat we dit stukje ook kunnen afsnijden zodat we niet dwars door de koeienkudde moeten. Hij voelt mijn angst. Er is bovendien een koe die parallel met ons mee naar boven loopt. Ik voel me geviseerd. Deze meid met horens ziet niet vaak mensen. Ik ben een grote dierenvriend, maar je moet altijd voorzichtig zijn met dieren. Je wil niet de toerist zijn die te zelfverzekerd op een bende wantrouwige koeien afloopt. Ik ben dus blij dat het draadje tussen ons blijft.
Een volgende obstakel is het pad. Als je hier al met een buggy zou zijn, dan had je nu beseft hoe ronduit slecht dat idee was en dan had je hem beter voor de koeienweide kunnen achterlaten. Iemand die in de bergen woont zal ongetwijfeld een uitgebreide woordenschat hebben om bergpaden en stenen te beschrijven, maar jullie moeten het doen met mijn beperkte woorden om ons lastige parket te beschrijven. 1) Het pad is heel smal 2) Het is bezaaid met losse stenen 3) Het is behoorlijk dichtgegroeid met struikgewas 4) Die beplanting duwt je de kant van de afgrond op. Heel geconcentreerd lopen we steeds wat meer omhoog. Hoe fenomenaal deze omgeving ook is, ik krijg schrik als ik rond me kijk. Je voortbewegen en rondkijken in één beweging doe je ook beter niet. Hoe hoog we zitten, merk ik aan de de leegte langs mij. Eén schuiver en je ligt er, niet op het pad, maar de diepte in. Het kruis, dat we als eindpunt zien, lijkt ook niet echt dichter te komen.
Ergens denk je dat het terrein weer toegankelijker zal worden. Het is slechts ijdele hoop. Nu weten we dat het zo niet werkt. De volgende fase is er één van klimmen en klauteren over rotsen. Het is niet duidelijk waar het pad is en daarom kan je dit ook bezwaarlijk een pad noemen. Achteraf zullen we zien en beseffen dat we hier eigenlijk over de graat van de berg naar boven klimmen. Dat geeft letterlijk en figuurlijk geen houvast. We moeten onze handen zetten als we de benen niet vertrouwen. Ook in mijn hoofd ben ik er niet gerust in. Al stijgend heb je weinig overzicht over waar je naartoe gaat. Je ziet niet wat bedoeld is als pad of route. Het enige lichtpuntje is dat we het kruis nu echt wel naderen. We zijn allebei echt niet op ons gemak op dit terrein. Het gaat ons petje te boven. Je wil niet de toerist zijn die de koeien vredig achter zich liet, maar na een valpartij per helikopter van de berg gehaald moet worden (als je het dan nog kan navertellen).
Uiteindelijk bereiken we dan toch plots het kruis. We hebben nu in totaal 12 kilometer gestegen, dat is amper 3,5 km vanaf de Forclaz. De wind is zo fel dat we niet durven recht te staan op dit topje. Er is ook amper plaats. We zitten naast elkaar en maken toch maar wat foto’s. Het uitzicht is niet te vatten, alsof het niet echt is en iemand met wat Caran d’Ache potloden bergen heeft getekend. We hebben nu ook een beter zicht op “het pad” dat we gevolgd hebben en hoe dat over de ruggengraat van de berg loopt. Het is onvoorstelbaar dat wij hierover naar boven zijn gekomen. We mogen dan ervaren traillopers zijn, niet van het Alpen-kaliber. Dit is echter nog niet het eindpunt van de vooropgestelde toer. We zien nu wat een akelige bult de Pointe Ronde is, nóg eens 300 meter stijgen over een pad dat er eigenlijk niet is. Nog grilliger en kaler dan wat we achter de rug hebben. We besluiten dus heel snel om terug te keren langs dezelfde weg. Je wil niet de koppige toerist zijn die met gevaar voor eigen leven per se verder wilde.
Het dalen voelt gelukkig comfortabeler aan dan het stijgen. We moeten nog steeds heel goed kijken waar we onze voeten zetten, maar de ergste schrik is er af. Ik ben dolblij als ik de boze koeien terugzie. Als het dit maar is. Ik kruip terug onder het draadje. We zijn opgelucht dat we weer vaste grond onder de voeten hebben. Onze keuze om terug te keren is trouwens dubbel verstandig, want donkere wolken pakken zich samen. Het begint te regenen. Over het begaanbare pad kunnen we gelukkig redelijk vlot naar beneden lopen tot aan de Col de la Forclaz. Dalen is zoveel pijnlijker dan stijgen. De impact op je spieren, zeker bij gebrek aan een degelijke daaltechniek, is enorm. We moeten nog eens 1000 heel steile meters naar beneden. Het doet pijn! We voelen het ook weer heter worden naarmate we het dal naderen.
Als we veilig en wel onze camper bereiken, gooien we ons met enig gevoel voor dramatiek in onze plooistoel. Jongens, wat was dat! Wat hebben wij gedaan! We zijn totaal kapot. Nu we zeker zijn dat het écht is afgelopen, durven we pas uit te spreken hoe bang we waren dat het fout zou gaan. De schrik maakt ook ruimte voor trots en dankbaarheid. We kunnen onze “daarboven” min of meer zien vanaf de camping. We zijn op een heel bijzondere plaats geweest, die inmiddels mythische en magische proporties heeft aangenomen. Het kruis met zicht op de Pointe Ronde, een avontuur om nooit te vergeten.
Voor onze volgende trail in de bergen hebben we 2 belangrijke lessen geleerd. 1) We zijn allebei verbrand in onze nek en Hans ook op zijn hoofd, we hadden ons onderweg nog eens moeten insmeren met zonnecrème. 2) Je kan in Komoot na wat zoeken en doorklikken een indicatie vinden hoe moeilijk een bepaalde route is. Wij hebben ons zowaar gewaagd aan een oranje route of T3-pad! Een T1 en T2 indicatie duiden op een wandel- of bergpad dat duidelijk gemarkeerd is en waar je niet echt een aangepaste uitrusting of ervaring voor nodig hebt. Een T3 is gevaarlijker terrein waarbij het pad niet altijd zichtbaar is. Tredzekerheid is hierbij belangrijk, ervaring in de bergen vereist, net zoals een aangepaste uitrusting. Het deel van onze tocht dat we hebben overgeslagen was zelfs T4 (= rood), daarvoor is alpiene ervaring vereist.
Voor jullie denken dat we helemaal gek zijn geworden, toch nog even benadrukken dat we niet helemaal onvoorbereid aan deze trailtoer begonnen zijn. Hans heeft echt zijn best gedaan om op voorhand een inschatting te maken van de moeilijkheidsgraad. We hadden allebei onze trailstokken en-vest mee met voldoende water en eten, een tweede (warme) bovenlaag en een regenjasje. Hoewel het soms gevaarlijk was, hebben we geen roekeloze risico’s genomen. We checkten ook telkens bij elkaar of we het nog zagen zitten. We waren niet uitgeput, op of leeg, wel onder de indruk en daar hebben we ook naar gehandeld.
Tot slot de cijfers. We liepen in totaal 24,86 km in 5 uur en 23 minuten. We overwonnen 1898 hoogtemeters. De Col de la Forclaz ligt op 1526 meter hoogte. Het kruis dat we uiteindelijk bereikten is het Croix de Prélayes op 2385 meter hoogte. Als je echt wil zien hoe het eruitzag: op YouTube vond ik dit indrukwekkende filmpje (amper 8 minuten) van twee wandelaars die 8 jaar geleden de tocht van Forclaz via Prélayes tot Pointe Ronde in beeld brachten. Er is een hond mee die doodleuk overal rondsnuffelt alsof hij in het park is. Ik krijg er weer een beetje de riebels van als ik het bekijk.
Volgende week neem ik jullie mee op Tour de Trail naar Italië! Daar proberen we in de praktijk te brengen wat we hebben geleerd van Zwitserland, om dan toch weer verleid te worden door het avontuur…
De Big Chouffe is een magnum fles gevuld met 1,5 liter blond Chouffe bier. Het kost wat moeite om zo’n fles op te heffen. De inhoud nuttigen doe je niet alleen, maar met vrienden: het is een mooie samenvatting van de Big Chouffe trail. Hans, Sam en ik kregen elk zo’n fles Big Chouffe omdat we na 16 uur en 47 minuten de finish haalden met 100,72 km op de teller en 3085 hoogtemeters. Ons avontuur was eveneens eentje van het zware, maar smakelijke soort in heel goed gezelschap. Om jullie een idee te geven van hoe die uitzonderlijke zaterdag 4 juli 2026 verliep, licht ik er 8 onvergetelijke momenten uit. Een fragmentarisch sfeerverslag waarbij ik – zoals dat gaat met herinneringen – de chronologie helemaal loslaat. Bij deze dus een impressie van de Big Chouffe 2026.
De koffie in Warempage Na 5 uur en 11 minuten bereiken we de derde bevoorrading met 36,3 km in de benen. De post in Warempage is tekenend voor de kwaliteit van de ravito’s tijdens deze editie van de Chouffe trail: ruim voldoende plaats, een goed en netjes gehouden buffet én betrokken vrijwilligers. Dit was de enige ravito waar enkel de 100k lopers passeren. Nieuw dit jaar zijn de (mobiele) wc’s op elke bevoorrading. Een must! De organisatie is gegroeid (en dat moest ook). De absolute klapper is de koffie in Warempage. Ja, mensen, koffie. Ook als je zweet en het 25 graden is kan er niks op tegen de boost van koffie. De bevoorrading bevindt zich in de loods van SportEvents en ik neem meteen van de gelegenheid gebruik om mijn appreciatie voor de koffie kenbaar te maken bij de grote baas van de organisatie. Verder drink ik tijdens het hele avontuur weer véél cola (een liter of 4), véél water (een liter of 8) en eet ik handenvol chips en wine gums.
De finish in het donker Eindigen met een zonsondergang en dan nog een uurtje in het donker lopen, dat is gewoon prachtig als je een hele dag op pad bent. Het is met de hoofdlamp op dat we, na een heerlijk stuk op de ravel, voor de laatste 5 km nog eens het bos induiken. Een wat avontuurlijker pad, allemaal geen probleem. De allerlaatste klim is daarentegen wel een héél pittige. Met 98 km in de benen gaan de dingen doorgaans niet meer heel fluks (behalve als je Sam heet). Ik moet echt diep tasten om kracht op te halen en mezelf deze steile klim op te hijsen. Bovendien is het jammer dat we de hete adem van de lopers van de 23k race constant in onze nek voelen. Ze hebben doorgaans weinig geduld en zijn niet altijd even hoffelijk. Ach ja, wij zijn op weg naar die memorabele drie getallen. Vorig jaar kwamen we toe in de regen onder een finishboog waar amper volk stond. Dit jaar is het om 22u47 sfeer troef in Houffalize. We maken samen de laatste vertrouwde afdaling om dan eindelijk onder de nieuwe Chouffe-boog door te lopen. Hand in hand. Stokken in de lucht! Wij hebben dit samen geflikt. En hoe! We eindigen op een verdienstelijke 120e plaats. Vanaf de 2e bevoorrading zijn we stelselmatig 55 plekken naar voren geschoven, een mooie remonte.
De race tegen de klok (die er eigenlijk geen bleek te zijn) Tijd en ultralopen hebben tegelijkertijd heel veel en heel weinig met elkaar te maken. Je vergeet de reguliere tijd van de klok. Hoe laat het is? Daar denk je wel eens aan, maar het maakt eigenlijk niet uit of het 12u of 14u is. Je leeft in een soort van eigen tijdsuniversum. Anderzijds dient tijd juist om richting te geven aan je avontuur. Je weet hoeveel tijd je hebt om de finish te halen en je weet dus ook hoeveel kilometers je gemiddeld per uur moet wegwerken. Aangezien Hans en ik vorig jaar in Bouillon minder dan 16 uur nodig hadden om een gelijkaardig parcours af te werken, was de 18 uur die we nu ter beschikking kregen ruim genoeg om het rustig aan te doen, maar ook weer niet té rustig. Vanaf kilometer 60 begon die tijd wel een dingetje te worden. Om 5 km/u te halen mag je 12 minuten over 1 kilometer doen. Ik hield toen per kilometer bij hoeveel marge we uitbouwden op het tijdsschema. Uiteindelijk namen we tussen kilometers 68 en 78 maar liefst 20 minuten marge. Dat gaf mij heel veel vertrouwen en rust dat we het zouden halen. Vanaf km 79, toen we terug in Houffalize waren, liet ik de tijd dus weer los. Uiteindelijk hadden we meer dan een uur op overschot.
De herrijzenis van Achouffe Halverwege nemen we een pauze van een half uur op de bevoorrading in Engreux. We vertrekken vol goede moed. Iedereen goed bijgetankt, zo lijkt het althans. Hans heeft de laatste tijd vaker last van een gebrek aan energie in de benen. Het is een verschijnsel dat op eender welk moment kan opduiken. Zelfs als hij voldoende gegeten heeft, komt die brandstof niet in de benen terecht en loopt hij met een totaal leeg gevoel. Op de open, zonnige stukken slaat de vermoeidheid bij hem daarom ook eens zo hard in. Het tempo zakt, lopen gaat steeds moeizamer. Het duurt lang voor we de waterpost in Mormont bereiken. We hebben dan dik 9,5 uur gelopen op 60,5 km.
De volgende bevoorrading is aan de brouwerij van Achouffe. Over de Vallée des Fées gaat het nu noodgedwongen nog trager. Nochtans vertrouwd terrein voor Hans, maar hij hangt aan de rekker. Mentaal is dit een dieptepunt. Ik besef hier dat de tijd begint te dringen. Als je geen puf in de benen hebt, maar wel hoogte te verwerken, is 5 km/u halen geen eenvoudige opdracht. Ik spreek daarom met Sam af dat hij alleen verder moet als blijkt dat we de cut-off niet zullen halen of als het té nipt wordt. Ik laat Hans sowieso niet achter. Liefst van al finishen we natuurlijk gewoon met z’n drietjes. Nauwlettend hou ik de klok in de gaten. We komen na 68 km aan op de drukke bevoorrading van Achouffe. Getreuzel kunnen we ons niet permitteren. En dan gebeurt het mirakel toch weer: Hans breekt er helemaal door. Op de eerstvolgende klim komt hij mij aan een rotvaart voorbij gehiket. Helemaal back in business. Opgestaan uit de doden en weer zo fris als een hoentje. Ongelooflijk.
De trage kilometers langs de Ourthe Een rivier oversteken draagt bij aan het avontuurlijke gehalte van een trail. In tegenstelling tot vorige Chouffe edities, moeten we nu niet door het water van de Ourthe. Dat mag dan verfrissend zijn, het is vaak dieper dan gedacht en altijd uitkijken geblazen dat je niet onderuit glijdt. Net zo hard moeten we opletten als we langs het water lopen. Het zijn relatief vlakke kilometers die tergend traag vooruit gaan. Zelfs ultra positivo Sam noemt dit ronduit ellendige stukken: heel veel rotsachtige stenen in alle formaten die langs alle kanten uitsteken en heel smalle paadjes door hoog gras of dichte begroeiing. Onze Ourthe-kilometers situeren zich vooral rond het middengedeelte. En net als je denkt dat het dit jaar wel meevalt, krijg je altijd een lastiger stuk voorgeschoteld. Tijd voor een goed gesprek! Sam krijgt uitgebreid antwoord op de vraag hoe Hans de financiële crisis in 2008 beleefd heeft. Ik onthoud: solvabiliteitscrisis, liquiditeitscrisis en de golden boys uit Londen. Zelf haal ik herinneringen op aan de Chouffe trail met Pieter, meer bepaald aan die ene keer dat ik langs dat water 2x zwaar ten val kwam. Zou het echt de ervaring zijn dat dat me nu niet overkomt?
Het oponthoud van de kraan We vertrekken om 6 uur en dat is helemaal prima. Er zijn een goeie 200 lopers op de 100k en nog eens een 100-tal op de 77k. Het loopt allemaal best lekker eigenlijk, al is de start ook niet heel snel en leggen we in het eerste uur 7,5 km af. Vlak voor de eerste bevoorrading in Bonnerue (15 km) wordt de weg versperd door een kraan die stapvoets over een smal pad rijdt. Tot frustratie van heel wat lopers. Sommigen proberen op een ruimte van een halve meter toch voorbij de rupsbanden te springen. Heel gevaarlijk! Sam en ik lopen een stuk voor Hans uit. De kraan doet ons vertragen. Er zit niks anders op dan geduld te hebben. Hans vindt daardoor terug aansluiting bij ons. We zijn ons wat verloren in een gesprek over ADHD, wat niet zo fijn is voor Hans die een moeizame start kent. Die kraan was er dus niet zomaar, het was een noodzakelijk signaal om de rem erop te zetten, zodat we weer voluit voor het “samen uit, samen thuis” principe kunnen gaan.
Het plezier van de stokken Ik heb tijdens deze trail meer dan in de Elzas ervaren hoe heerlijk het is om met trailstokken te lopen. Het is logisch dat je ze gebruikt als het (steil) bergop gaat, je kan je er dan mee naar boven trekken. Ik gebruikte ze nu ook om meer grip te hebben bij steilere afdalingen. Bijvoorbeeld op het beruchte BMX-parcours dat we nu rond 75 km voor de benen krijgen. Nooit eerder ging ik zo gezwind over dat verduivelde stuk van het parcours. Tijdens onze laatste 30 km heb ik mijn stokken quasi continu gebruikt. Ook op de goed beloopbare stukken kon ik er mijn verzuurde benen net dat tikkeltje meer comfort mee bieden. Ze fungeren dan als een soort extra demping die de scherpe randjes eraf neemt. Bovendien kom ik daardoor soms in een soort van stokkentrance. Het enige waar ik me dan nog op concentreer is het ritmische getik.
De roze bril van Sam Het zou verstandig zijn om niet te veel lof in het rond te strooien over Sam. Reclame maken zou namelijk mogelijks als gevolg kunnen hebben dat iedereen nu trails met hem wil gaan lopen en dan zijn wij ons maatje kwijt! Geloof ons maar als ik zeg dat Sam zonder ons makkelijk uren sneller binnen zou zijn. Wij geloven hem dan maar dat hij hier nooit in z’n eentje aan zou beginnen. Het is daarom eens zo bijzonder dat we zijn debuut op de 100k mee mochten waarmaken. Bijna 17 uur onderweg zijn, dat is niet één en al lachen en vrolijkheid. Het is een dag intensief samen zijn in de goede en minder goede tijden. Sam is altijd helpend, luisterend en ondersteunend. Hebben we ooit een tatoeage overwogen? Lopen we soms met een zonnebril? Hoe hebben we onze puberteit beleefd? Het is slechts een greep uit de vragen die aan bod kwamen. Dat we zo goed met elkaar kunnen babbelen en dat we het beste in elkaar naar boven brengen, dat is denk ik de kracht van onze unieke vriendschap. Geen Chouffe trail zonder Sam!
De laatste schooldag blijf ik een bijzondere dag vinden. In het onderwijs werken betekent nochtans dat je steeds dezelfde cyclische beweging maakt. Het is dus altijd weer een nieuw begin met wat is en een afscheid van wat was. Ik word daar een beetje emo van. Dat heeft ook te maken met het feit dat er tegenwoordig heel veel gepraat, dan wel geschreeuwd wordt over scholen, leerlingen en leerkrachten. Plannen en meningen vliegen in het rond. Alsof het niks is en een hervorming in een vingerknip gebeurd is. Dat het over mensen gaat, lijkt er niet toe te doen. Je kan niet anders dan vanuit betrokkenheid werken met jongeren, maar het doet pijn als je tegen de beperkingen van een log systeem aanloopt.
Ik rond nu mijn 2e schooljaar als leerondersteuner af. Het afgelopen schooljaar ondersteunde ik jongeren van 11 tot 18 jaar. Hier vertelde ik wat meer over het belang van motivatie en hier over opvoeden. Om dit schooljaar een plaats op het schap te geven, vertel ik jullie graag wat me is bijgebleven. In de eerste plaats is dat heel veel van de jongeren die ik begeleid heb. Omwille van privacy-redenen kies ik er echter bewust voor om (bijna) niets over hen persoonlijk mee te geven. Het schooljaar 2025-2026 in een onderwijskundige notendop dus.
Op een studiedag over kansrijk onderwijs volgde ik een keynote van Bruno Vanobbergen, pedagoog en grote baas van Katholiek Onderwijs Vlaanderen. De cijfers zijn onverbiddelijk hard. Het lerarentekort blijft een structureel, steeds diepergeworteld probleem. 1 op de 8 kinderen haalt geen diploma van het lager onderwijs. In de A-finaliteit kampen we met een schooluitval tot 30%. Het aantal alarmerende opvoedingssituaties neemt toe en er wordt steeds vaker beroep gedaan op crisisjeugdhulp.
We hebben nood aan een horizon, vervolgde Vanobbergen zijn betoog. Hij verduidelijkte daarom zijn visie op “Scholen voor iedereen”: met een gefaseerde aanpak werken we toe naar volledig inclusieve scholen tegen 2040. Dat betekent niet per se dat het buitengewoon onderwijs volledig afgeschaft zal worden, noch dat het simpelweg verplaatst wordt naar een andere campus. Wel dat er een intensievere samenwerking is op verschillende niveaus, een structureel partnerschap op scholen, onder andere door multidisciplinaire teams. We kunnen kortom veel van elkaar leren. Een kritische bedenking blijft hoe dat concreet allemaal haalbaar is.
ADHD blijft een lastige ontwikkelingsstoornis om begrip voor te kweken. Het uit zich naar de buitenwereld toe als een gebrek aan discipline, een vorm van luiheid of nonchalance. Eerder een niet willen dan niet kunnen. Het zijn vaak kinderen die door het leven lijken te fladderen, dus zo veel last kan die toch niet hebben van ADHD? Die negatieve benadering heeft echter een grote impact op hun gedrag en zelfbeeld.
De complexiteit van een kind met ASS is doorgaans duidelijker, al wordt er nog heel vaak in de grote (film)clichés gedacht. Daardoor is de groep jongeren die erin slaagt zich aan te passen, door zich “normaal” (= neurotypisch) te gedragen en op die manier hun ASS (bewust of onbewust) te camoufleren of maskeren, onderbelicht. Het vreet energie en breinruimte om je constant anders te moeten voordoen.
50% tot zelfs 70% van de mensen met ASS zou ook ADHD hebben. Het zijn doorgaans de kenmerken van ASS die meer in het oog springen, waardoor het concentratieprobleem minder prominent aanwezig lijkt te zijn. In beide gevallen zijn structuur, voorspelbaarheid en rust van cruciaal belang om te kunnen functioneren in een schoolse context.
Football unites the world. Hahaha, wat een grap! Niet alleen in de echte wereld, maar ook op een school is voetbal de hoofdoorzaak van ruzies en incidenten op de speelplaats. Het grootste probleem is doorgaans het gebrek aan een goede scheidsrechter (of toezichthouder) en dan mondt een spelletje voetbal steevast uit in eindeloze discussies waarbij er geen beroep op een VAR gedaan kan worden. Het zijn frustraties die diep zitten en ook blijven aanslepen.
Je hoort het elke expert zeggen: een kind kan alleen maar tot leren komen als er verbinding is. Een leerkracht die dus zonder meer les komt geven zonder aandacht te hebben voor de individuen in de klas en voor de groepsdynamiek, kan net zo goed tegen de muren praten. Zeker in het secundair onderwijs wordt het belang van verbinding schandalig onderschat. Investeren in de relatie met je leerlingen wordt te snel weggezet als tijdsverlies, terwijl het je juist in staat stelt om een enorme leerwinst te boeken.
Maarten Vansteenkiste schreef met Het ABC van motivatie een interessant boek dat een leidraad vormt om kinderen warm en mee te krijgen in het verhaal dat je als leraar vertelt. Motiveren maakt het lesgeven tot een ware ambacht. Helaas tonen cijfers aan dat leerkrachten zich doorgaans laag inschalen als het gaat over hun bekwaamheid om leerlingen te motiveren. Motivatie wordt al te vaak verward met moet-ivatie (je doet iets omdat het moet). Autonomie, verBondenheid en Competentie zijn volgens Vansteenkiste de drie pijlers die intrinsieke motivatie mogelijk maken. Heel logisch eigenlijk.
Ongewenst gebabbel of op een negatieve manier de aandacht trekken: elke leerkracht krijgt dagelijks te maken met dit (kleine) storende gedrag dat veel energie vraagt. Gedragsexpert Kees van Overveld heeft één ultieme regel voor alle vormen van storend gedrag in de klas: hou de regie in handen. Wacht dus niet tot het stil wordt, stel geen vragen waarop je geen antwoord wil. Blijf emotioneel neutraal en zeg wat je bedoelt. Gedrag verandert in kleine stapjes.
Ik leerde van een 12-jarige dat je drie verschillende soorten regen hebt: koude, lauwe en warme regen. Ze verschillen niet alleen in temperatuur, maar vooral ook in de grootte van de druppels. De lauwe regen is het best te verdragen. Die voel je het minst scherp op je huid omdat de druppels het grootst zijn. De koude regen zijn pijnlijke speldenprikken. Diezelfde leerling nomineerde mij ook voor Leraar van het Jaar. Wat een ongelooflijke eer!
Het was weer hoog tijd om naar Den Haag te gaan. De timing zat helemaal goed: in hittegolftijden is de kust een plek waar je wil zijn. Dit verhaal heeft wellicht weinig nieuws te vertellen, maar is juist daarom het vertellen waard. We kwamen toe op vrijdag en gingen borrelen bij Café Emma. Nadien fietsten we de zeebries tegemoet naar het Zuiderstrand om met eigen ogen te zien dat de strandtenten terug van weggeweest waren. Het zit namelijk zo: de horeca langs de kustlijn verdwijnt volledig langs het Zuiderstrand van oktober tot maart om de natuur rust te gunnen. Hoewel dat vragen doet rijzen over duurzaamheid en toerisme, betekent het dus dat het strandtentseizoen beperkt is. Ik zeg trouwens strandtent of strandbar omwille van het casual karakter, officieel is het een strandpaviljoen, wat ietsje chiquer klinkt. In ieder geval was het die vrijdagavond een heerlijke gezelligheid op het strand. We eindigden met de mezze van Ali onder de verfrissende airco in onze verblijfstek.
Zaterdag begint eveneens met een rondje Haagse gewoontes. We kopen kaartjes in de Piet Heinstraat en slaan wijn in bij Marius. We gaan langs bij kookwinkel Oldenhof en boekhandel Van Stockum voor de allerlaatste van Lieke Marsman. Ook De Bijenkorf mag niet ontbreken, waar we ons volop in de feestkleding oriënteren. Ons rondje stad eindigt bij een pop-up kiosk tegenover het Buitenhof, waar de iced latte verkoeling brengt. Op dit punt maken we een heel andere keuze dan het gewoonlijke. We gaan namelijk geen rondje lopen, maar kiezen voor een paar uur strandliggen. Ja echt! Mijn strandtas is gewapend met maar liefst 5 tijdschriften, 2 leesboeken, 2 handdoeken en 2 verschillende soorten zonnecrème. We zijn kortom helemaal klaar voor onze strandervaring. De eerste opdracht bestaat eruit om een goed plekje uit te kiezen. Je wil niet te ver van de zee, maar ook niet te dichtbij. Het zand liefst niet te heet, maar ook niet te nat. De betere dilemma’s des levens. We hakken de knoop door en spreiden onze handdoek uit. Et voilà! Het gebeurt zowaar. Wij liggen op het strand. En wat een gelukzakken zijn wij toch! Dit is echt het ideale weer! Niet te warm, niet te koud, hier en daar wat bewolking. Hoe goed kan je het treffen? De 2 soorten zonnecrème worden gesmeerd en het strandse genieten kan beginnen.
Elk z’n boekje erbij en lezen maar op die handdoek. Rondom ons beginnen mensen de stranddag juist af te ronden. Handdoeken worden uitgeklopt. Het afval verzameld. Het kamp afgebouwd. Gek eigenlijk, als je weet hoeveel drukker het gisteren was rond dit tijdstip. Maar ach ja, meer strand voor ons! In de verte hangen wat donkere wolken. Hans is meer weerman Bram dan dat ik weervrouw Jacotte ben. Fijntjes merkt hij op dat het in de verte aan het regenen is. De buienradar wordt er bijgehaald. Er is net een flinke storing door Rotterdam gepasseerd. Wij zullen het droog houden, al kruipen we door het oog van de naald. Dapper als hij is, gaat Hans zelfs de zee in om zich niet te laten bepalen door de weerselementen. De zon verdwijnt stilaan achter de wolken en het begint zachtjes te druppelen. Het zeeklimaat laat zich niet vatten in een ordinaire weersvoorspelling. We moeten deze lichte regen uitzitten, niets aan te doen. Koppig hou ik mijn zonnebril op, want dan ziet het leven er altijd zonniger uit.
Hoe goed ik voorzien ben op ontspanning, zo slecht ben ik voorbereid op frisser weer. Gelukkig is er wel wat afleiding rondom ons. Op een meter of 10 krijgen we een vrouw en man in het oog. Aan hun lichaamstaal (vooral -houding) valt af te leiden dat ze op date zijn. Het is op die momenten dat je beseft dat wat er rondom je gebeurt interessanter is dan de stapel tijdschriften die je meezeult. Hij spreekt Engels, lacht luid en ook met alles. Zelfs met 10 meter afstand ertussen neemt hij veel ruimte in beslag op het strand. Haar pose naar hem is verleidelijk te noemen. Haar rug is naar ons gericht, dus we hebben het raden naar haar aandeel in het gesprek. Terwijl de wind opsteekt (het is inmiddels weer droog) en ik me toch echt zorgen begin te maken over mijn gebrek aan kleding, gaat zij naar de wc in de strandtent, terwijl ze nog eens lachend achterom kijkt. Hij onderneemt verwoede pogingen om een sigaret op te steken. Doet hij dat stiekem, letterlijk achter haar rug? Zij komt terug, de sigaret gaat uit. Het spel van de verleiding zet zich verder.
Het is bijna 18 uur als mijn optimisme over het weer strandt in een pijnlijke desillusie. Dat iedereen zowat een uurtje geleden begon op te kramen, had wel degelijk een reden. Het regent nu heel dikke druppels. Wij zien geen andere schuilmogelijkheid dan onze handdoeken te gebruiken als een soort van tentje. Bij onze eerste daters kan het de pret niet drukken. Die gaan samen de zee in. Het brengt ons bij een volgende dilemma. We hebben om 19u30 gereserveerd bij strandpaviljoen ZUID. Wat is nu wijsheid? Terug de fiets op om iets warmers te gaan halen, maar dan strandtijd verliezen? Of optimistisch op dat strand blijven liggen met het risico een koude avond tegemoet te gaan? Het potentiële stelletje in wording is niet bezig met keuzes maken. Ze halen een beachball set tevoorschijn en gaan vrolijk balletjes slaan naar elkaar. Afwisselend in het Engels en Nederlands tellen ze hoe vaak ze de bal over en weer kunnen spelen. Vlotjes halen ze de 35.
Hans en ik pingpongen ook nog eens over en weer. We nemen een beslissing: een extra laagje is echt nodig om de koele zeewind aan te kunnen. We staan dus op en schudden onze klamme handdoeken uit. En dan spreekt de zee tegen ons en breekt de zon door. Hoera, het is weer warmer! We gooien het roer nog eens om en gaan gewoon wat vroeger naar de strandbar. Wisselvallig weer betekent namelijk ook dat het daar minder druk is. Er wordt voor ons een regensafe tafeltje geregeld. We klinken op onze eerste date van het jaar in ZUID. Wat een leven! Alleen jammer dat we nu niet zullen weten hoe het onze daters vergaat. Al zijn we ook nu weer omringd door interessante gezelschappen. Twee vriendinnen (denken we) zijn verwikkeld in een intens levensgesprek. Ze zullen dat de komende uren doen op een 0,75 liter fles water. Aan het andere eind van het spectrum zit een man alleen met een grote pint voor zich die daar ook nog eens een dubbele whiskey bij besteld.
Er wordt ook weer Engels gepraat. Achter mij zitten drie gezinnen waarvan de kinderen in hun zwemkleding zo nu en dan over het terras racen naar hun ouders, die zich duidelijk niet bewust zijn van het feit dat hun lieftallige kroost zich ophoudt in de duinen. Ik heb zicht op die duinen en zie hoe die lieve kinderen onder een prikkeldraad door kruipen, langs een bordje met verboden toegang. Ze hebben heel veel lol met de zandbergen op en af te klimmen. Het is het soort pret dat je niet wil bederven. Ik knijp dus niet alleen een oogje dicht voor de zon. We genieten van een heerlijke pizza met portobello en van de Grüner Veltliner die we die middag ook bij Marius hebben gekocht. Om stiekem toch een beetje te tonen dat we niet zomaar toeristen zijn, vertellen we dat we diezelfde wijn in zesvoud diezelfde middag bij Marius hebben gekocht. De jongeman die ons bedient antwoordt op alles met Gelukkig! En het mooie is dat hij het nog meent ook, je voelt zijn opluchting.
Bij onze achterburen wordt het steeds gezelliger. Er wordt een verjaardagscake tevoorschijn getoverd. De jarige komt met zijn aanhang uit de duinen om de kaarsjes uit te blazen, waarna het gezelschap met een stuk cake in de hand weer het zand in klimt. Cake en zand is eigenlijk nog best een logische combinatie. Net zoals daten en de strandtent. Wie komt er pal tegenover mij zitten aan een romantisch tafeltje? Onze daters! Hij bestelt een biertje, zij een glas rosé en ze nemen er allebei een glaasje limoncello bij. In de strandbar maken ze gekkere dingen mee. Na het vertier op het strand, lijken ze nu tijd te maken voor de serieuzere gesprekken. Hij doet zijn best om zijn stem te dempen, zij om hem af en toe eens diep in de ogen te kijken.
Verdrinken in elkaars ogen, dat kunnen Hans en ik als geen ander. Wij zitten helemaal op onze roze strandwolk. Het leven is echt prachtig in de strandtent. Je zit met of zonder schoenen op een houten vloer met zand. Je ziet de meeuwen rondvliegen tegen de avondzon. Je ziet, hoort en voelt de zee in alles. Wat hebben we dit gemist! Achter ons wordt het steeds gezelliger en daar heeft alcohol niks mee te maken, want de ouders zitten aan de Leffe 0,0. De twee vriendinnen kijken meewarig in de verte. Onze Engelse boy legt zijn hand op haar bovenbeen. Hangt hier nu echt love in de lucht? Of is dit het klassieke spel van de eerste ontmoeting? We hebben er het raden naar (en dat doen we ook volop). We bestellen nog koffie en tiramisu en klinken nog eens op een fantastische dag in Den Haag.
Het moge duidelijk zijn, ik ben een heel grote fan van strandbar ZUID. Mocht uit dit verhaal nog niet helemaal blijken waarom, dan vat ik het graag nog even samen. Je kan naar ZUID fietsen via de duinen of wandelen over het strand. Je moet dan zijn bij strandslag 11. Qua entree kan dat tellen. De zaak heeft voldoende hipster-gehalte om mijn stijlgoedkeuring weg te dragen, maar is tegelijkertijd ook heel nonchalant. Je bent er nooit underdressed. Of je er nu alleen een koffie komt drinken of met een heel gezelschap aan de pizza gaat, je valt ook nooit uit de toon. De ene medewerker is al wat vaardiger met borden en plateau dan de andere, maar de bediening is altijd superaardig. In die relaxte sfeer kan je bovendien heel lekker eten en drinken zonder daarvoor de hoofdprijs te betalen. Voor iemand die best gesteld is op haar rust en privacy is een strandtent misschien niet de meest prikkelarme omgeving. Ik krijg er echter zoveel unieke inkijkjes in mensenlevens tegen de ruimte en lichtheid van de zee dat ik er mijn hartje helemaal kan ophalen. Niks dan liefde voor strandtent ZUID!
Martine Prenen stierf op 26 mei aan kanker. Ze was 62 jaar. Een televisiegezicht uit mijn jeugd, presentatrice van De rode loper aan de zijde van wijlen Yasmine. Een warme vrouw omgeven door een aura van positivisme. Zou niet iedereen een beetje Martine Prenen willen zijn? En zou de wereld ook niet een beetje mooier zijn als we allemaal een beetje Margriet Hermans konden zijn? Goedlachs en non-conformistisch. Spontane tv bestaat niet, maar wel met Margriet. Ze stierf op 3 juni, een paar weken nadat bij haar een agressieve vorm van kanker werd vastgesteld. 72 jaar en dan word je uit het leven weggerukt.
Hoe lang de dag ook leek, het was een snipper. Hoe kort de dag ook lijkt, er is nog tijd.
Lieke Marsman
Lieke Marsman kon zich jaren voorbereiden op een leven dat jong zou stoppen. Ze deed dat zoals je verwacht van een schrijver en dichter. Door met de pen in de hand het leven warm en vast te houden. Door tegen de wetenschap in te blijven ontdekken. En hopen, vooral dat. Niet tegen beter weten in, maar om zich beter te voelen. Op 3 juni stierf ze aan de gevolgen van kraakbeenkanker. 36 jaar. Dat doet pijn. Net zoals het overlijden van Marjane Satrapi op 4 juni. In haar beeldverhaal Persepolis vertelt ze hoe ze in Iran opgroeide voor en na de revolutie, wat het betekent om vrouw en vrij te zijn. Marjane Satrapi werd 56 jaar. Een jaar geleden verloor ze haar man Mattias Ripa. Volgens haar familie stierf ze aan verdriet.
Er is heel veel wat een mens kapot kan krijgen. Er is ook heel veel wat een mens laat bloeien.
Als kind was ik gefascineerd door de tourist offices in Engeland. De rekken vol kleurrijke folders oefenden een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op mij. Niet om al die dingen te gaan bezoeken (dat was mij te avontuurlijk, ik las liever gewoon een boek), wel omwille van het informatieve en organisatorische karakter. Ik verzamelde heel veel folders en thuis opende ik dan mijn eigen kantoor om op maat tripjes en reizen uit te stippelen voor mijn familieleden. Ik begin daarom met een toeristische boodschap van algemeen nut: ga eens naar de Elzas! Denk aan folders vol kastelen. Postkaarten met vergezichten vol wijngaarden zover je oog reikt. De streek ademt kleurrijke rustieke charme. Onze uitvalsbasis was Obernai, net toeristisch genoeg om je er als buitenstaander welkom te voelen, voldoende kleinschalig om trouw te blijven aan de couleur locale. Het doel: de Ultra Trail des Païens by UTMB van 110 km tot een goed einde brengen in een heel kronkelende lijn van Orschwiller naar Obernai met 23 beklimmingen en dik 4000 hoogtemeters. Voor mij zou dat een nieuw afstandsrecord betekenen. De moeite dus om er met het nodige gerief op uit te trekken.
De vroege uurtjes Om bij de roze startboog in Orschwiller te komen, moeten we om 5 uur op de bus van de organisatie zitten. De wekker gaat om half 4. We ontbijten deze keer met een grote bak rijstpap, die vlotjes en zelfs met smaak naar binnen schuift. Door een donker en verlaten Obernai wandelen we richting de bus. Het is onwezenlijk dat het grote avontuur nu echt bijna gaat beginnen. Nog een medische update: Hans kampt nog steeds met uitstralingspijn in zijn linkerbil en -been, waardoor een half uur op de bus zitten een uitdaging vormt. Ik zit wat te knikkebollen. Het is nog donker, dus heel veel valt er niet te zien. De sfeer op de bus is sereen, gelaten zelfs. Er wordt eigenlijk niet gepraat. Van de adrenaline voor het avontuur is weinig te merken. Rond half 6 bereiken we onze eindbestemming (die dus het vertrek is). Er wordt nog steeds amper een woord gezegd als we met tientallen lopers de plaatselijke feestzaal worden binnengeleid. Hier laten we onze drop bags achter. Het is dan in dat gekkige sfeertje wachten geblazen tot we echt van start gaan.
7u Orschwiller 0 km Het is eventjes zoeken, maar na een korte wandeling door het überschattige Orschwiller vinden we de startzone. De ambiance hier is alvast heel goed. Er is gratis koffie voor de lopers! Net de kick die ik nodig heb om deze dag echt op gang te trappen. We kijken nog wat rond en gaan dan in ons startvak staan. Tijd voor een fotootje. Ik word aangesproken door iemand van de organisatie (herkenbaar aan het klembord) dat ik helemaal vooraan mag gaan staan bij de profs. Waarschijnlijk omdat ze voldoende vrouwen in beeld willen brengen bij de start. Ik knik van ja, maar doe van nee. Ik ben niet zo gek om me de eerste 500 meter door honderden lopers voorbij te laten razen. Met een bewolkte 5 graden is het trouwens best fris. Ik heb daarom van de gelegenheid gebruik gemaakt om mijn jasje aan te trekken: een duur jasje van Salomon dat ik kocht voor de verplichte uitrusting. Het voelt dan ook goed om het nu al aan te hebben. We zullen de komende kilometers 500 meter stijgen, dus op de berg zal het nog frisser zijn. Wauw, zo cool! Ik ga zowaar lopen met een jas aan! Dit voelt als een extra lading avontuur, want ik loop nooit met een jas. De echte startceremonie toont waar UTMB voor staat: voldoende showgehalte, veel superlatieven voor de adembenemende streek die we zullen doorkruisen en 3 minuten epische muziek. Alles wordt in het werk gesteld om ons het gevoel te geven dat we iets extraordinaire gaan doen. Nou en of!
8u22 Haut-Koenigsbourg 9,5 km Stipt om 7 uur worden we op gang getrapt. Het gaat een beetje omhoog door het sfeervolle Orschwiller en dan al snel de wijngaarden in. Het plezier van het jasje duurt welgeteld 2 kilometer. Ik ben niet gemaakt om met jasjes te lopen en helemaal niet als ze gesealde naden hebben. Ik zweet me de pleuris. Het jasje plakt tegen mijn lijf aan. Vooraleer we echt omhoog gaan, stoppen we even langs de kant zodat het jasje (nat!) uit kan en de stokken erbij worden genomen. Omdat ik nog niet heel veel met mijn stokken gelopen heb, voelt het alsof ik niet door de mand mag vallen als stokkenbeginner. Ik gebruik ze met een air alsof ik nooit anders gedaan heb. We gaan bergop in een lange sliert mensen. De sfeer is nog steeds best ingetogen. Hans en ik zijn de enigen die praten met elkaar. De eerste klim valt beter mee dan gedacht omdat er nog goed beloopbare stukken bij zijn. Via Saint-Hippolyte lopen we de grens over van het departement Bas-Rhin naar Haut-Rhin in een lange bocht linksom naar het kasteel Haut-Koenigsbourg. Op 725 meter hoogte en na 9,5 kilometer bereiken we zo het op 1 na hoogste punt van de race. Mensen in middeleeuwse klederdracht heten ons welkom. We lopen door het kasteel. De eerste bevoorrading die we daar aantreffen kan mij meteen bekoren. Ik kies voor wat stukjes Lion, gezien de temperatuur niet echt een goeie keuze omdat ze aan de harde kant zijn. De eerste cola van de dag vloeit binnen. Een welverdiende 9/10 voor sfeer en gezelligheid!
9u22 Chatenois 18,3 km Vanaf het kasteel gaat het dan weer kilometers lang naar beneden, een stevige afdaling die ik met dichtgeknepen billen loop. Lastig, want ik wil geen boemeltrein zijn die de tgv’s ophoudt, maar als boemel heb ik net zoveel recht om op deze (soms smalle) paadjes te lopen. Het compromis is dat Hans en ik af en toe stoppen op een plek waar dat kan om een peloton lopers voorbij te laten sjezen. We zijn nog maar net op pad en dan is het sowieso altijd zoeken naar een goed tempo. De schrik om te vallen zit erin. Hier een uitschuiver maken, kan grote gevolgen hebben. Zo zou later ook blijken voor Seppe die van start gaat op de 100 mijl wedstrijd. De wijngaarden blijven indruk maken. Wat is het hier mooi! We tikken meteen ons tweede kasteel aan, het Château de Kintzheim, een ruïne die een dierenpark is van roofvogels. (zal vast een leuke folder zijn). Als we in het dal Chatenois zien liggen, horen we ook het gejoel van de toeschouwers aan de bevoorrading. Het zijn er veel! Als helden worden we binnengehaald op de tweede ravito die een pak ruimer is dan de eerste. We maken kennis met de cola-tap die colasiroop mengt met bruisend water, wat veel beter werkt dan je denkt. Ik ga hier naar de wc op de meest luxe versie van een dixi: één met een doorspoelfunctie. Ik eet hier ook voor het eerst van de marmercake die de hoofdmoot zal vormen van mijn voedselplan, zo zal later blijken. De zon schijnt en samen gaan we weer op weg.
11u16 Dambach-la-Ville 30,9 km Hans loopt met ischias, een geknelde beenzenuw die waarschijnlijk veroorzaakt wordt door een hernia. Vooral bij het dalen heeft hij daar last van. Het maakt hem wat onzeker naar het vervolg van de race, maar we kunnen niet meer dan afwachten en hopen op het beste. We lopen Chatenois uit via een relatief vlak stuk, eerst door het stadje en dan via een pad langs het water. Best lekker lopen zo eigenlijk. De zon schijnt trouwens en die voelt ook warm aan, terwijl het maar dik 10 graden is. We hebben ruim 20 km in de benen en dat voel ik zeker wel. Ik probeer niet te veel te denken aan wat nog komen moet. We leven van etappe per etappe. Stiekem kijk ik wel uit naar die 30 op de teller. Dat voelt toch alsof je aan het echte trailwerk begonnen bent. Na een stevige klim met afdaling ligt de volgende bevoorrading voor ons. De aankomst in het bijzonder charmante Dambach-la-Ville is geweldig. Wat een sfeer! De ravito bevindt zich op het pleintje in het midden van de stad en het lijkt alsof iedereen zich hier verzameld heeft. Het maakt de post wel druk, maar de cake glijdt weer lekker naar binnen. Pfff, wat is het warm trouwens. We houden ons hoofd onder de kraan, drinken nog wat cola en genieten van de uittocht van deze prachtige plek.
14u11 Andlau 48,2 km De 17 km die we nu voor de boeg hebben is het langste stuk tussen twee bevoorradingen. Ik ben nog steeds helemaal in mijn nopjes. De eerste uren zijn voorbij gevlogen, ook al halen we een gemiddelde snelheid van “maar” 7 km/u. De eerste klim brengt ons bij het middeleeuwse Château du Bernstein, één van de oudste van de Elzas. De naam zou verwijzen naar de plaats van het kasteel: het is gebouwd op een rots waar een berenfamilie woonde. Het weer begint zich nu van zijn wisselvallige kant te tonen. Het gaat van zonnig naar bewolkt naar zon met regen naar nog meer regen en zelfs hagel. Wij lopen nog steeds in een shirt met korte mouwen. We verbazen ons erover hoe warm anderen zijn aangekleed. Voor een beetje regen bij +10 graden hoef je toch echt geen jasje aan en bij hagel al helemaal niet, want je wordt er niet nat van, aldus Hans. We maken een eerste filmpje voor het thuisfront waarin we onder andere vertellen over de epische start en het indrukwekkende landschap. We stoppen af en toe om een fotootje te nemen, want echt mensen: wat is het hier mooi! We blijven op en neer lopen langs de wijnranken. Waar ik me wel meer aan meer begin te storen zijn de wildplassende mannen in de wijngaarden. Totaal ongepast. Ten eerste: dat is privé-terrein dat je niet mag betreden. Ten tweede: als je dan toch gaat wildplassen (als man of vrouw zijnde), dan moet je altijd de beschutting opzoeken. Langs de kant van de weg gaan staan met je rug naar de anderen toe, dat kan echt niet.
De kilometers beginnen te wegen. Hans klaagt over een totaal leeg gevoel in zijn benen. Geen last van bil, rug of benen, maar een gebrek aan energie. Een Snickers en ultragel moeten redding bieden. Ik probeer het goede gevoel vast te houden. Ik vind écht dat we hoe dan ook goed bezig zijn. Ja, het is zwaar, maar wat hadden we nu eenmaal gedacht? Sommige stukken zijn wat eentoniger, net iets minder boeiend. Juist dan kan ik in een soort van trance komen waarbij het enige in de wereld dat nog bestaat mijn benen en stokken zijn die zich voortbewegen. Lang leve de stokken! Ik denk dat dit de fase is van de overgave aan de trail, pure mindfulness. Mijn schoenkeuze voor de Mafate 4 van Hoka stemt me tevreden. Ze zijn net wat platter en minder dempend dan de dikke carbonzool van de Mafate X, maar ze hebben meer grip. Door de regen is het op sommige plaatsen modderig geworden en is meer houvast echt wel nodig.
De aankomst in Andlau is weer hartverwarmend. Het voelt alsof iedereen is toegestroomd om net jou daar naar binnen te roepen. De bevoorradingspost bevindt zich in een grote sporthal. Het eerste wat we daar doen is naar de wc gaan. Heerlijk op een echte wc-pot! En dan neem ik een koffie. Op elke post is er oploskoffie en dit is het uitgelezen moment om een opkikker binnen te pakken. We eten allebei heel veel. Ik eet 4 stukken cake na elkaar, nog wat bretzels en kaasblokjes. Ik kap 3 bekers cola naar binnen. Ik besef nu pas dat ik honger heb. Deze bevoorrading doet ons allebei héél goed.
16u23 Barr 62,1 km We lijken wel twee andere mensen. Nieuwe benen hebben we en de ischias van Hans speelt hem geen parten meer. Ik stuiter de berg op, genietend van het fantastische uitzicht op Andlau. Ik begin luidop te fantaseren over hoe de inwoners van de nabije dorpjes zich verhouden tot die van Obernai. Is het een soort van Tienen-Leuven verhouding? De dikkenekken van Leuven? De hipsters van Obernai? Alsof het niks is, gaan we weer de berg op. We maken een tweede filmpje voor het thuisfront om over onze herrijzenis te vertellen. Ook dat is traillopen: pas beseffen dat je het zwaar hebt gehad als je je weer beter voelt. En ook dus: nieuwe benen uitvinden met meer dan 50 km in diezelfde benen. We bewonderen achtereenvolgens het Château d’Andlau en Château de Spesbourg, waar Hans gewillig poseert voor een kasteelfoto. Het is aftellen naar het halverwege-punt en ook uitkijken naar de bevoorrading in Barr, waar we onze drop bag met eigen spullen zal klaarliggen.
Via Zotzenberg naderen we Barr. De aangegeven route wijkt af van de gpx, even lichte paniek: zijn we nog wel juist? Je wil echt geen kilometer omweg maken. De paniek blijkt ongegrond. We kronkelen wat door het stadje, maar bereiken dan uiteindelijk de heel drukke ravito. Het is magisch om daar je tas met eigen, schone spullen in handen te krijgen. Ik word er bijna emotioneel van. Hans gaat voor een schoon shirt, kousen en schoenen. Ik heb al besloten om geen schoenen te wisselen. Mijn Mafate X heeft minder grip en dat vertrouw ik niet met wat we nog voor de boeg hebben. Ik doe mijn schoenen wel eens uit om het vuil eruit te schudden en mijn kousen schoon te wrijven. Het is hier heel druk. Er is binnen plaats om te slapen, maar je kan ook kiezen voor een driegangenmenu mét vegetarische opties. We passen voor de käsespätzle, een zwaar gerecht waarvan je nooit helemaal zeker kan zijn hoe het in je buik valt. De cola, cake, pretzels en kaasblokjes schuiven daarentegen wel vlotjes naar binnen. Ik moet er nu niet aan denken om dat (in willekeurige volgorde) weg te stouwen. Vreemd hoe je smaakpapillen anders gaan werken in zware omstandigheden.
19u44 Abbaye de Niedermunster 78,7 km We hebben er nog steeds zin in, al moeten we wel weer een lang stuk overbruggen tot de volgende bevoorrading. Met een prachtig zicht op Barr gaat het meteen weer omhoog. De klim doet echt pijn. Mijn ganzenpootje staat in brand. Daarmee bedoel ik niet één van mijn voeten (die doen ook pijn), maar de binnenkant van mijn linkerknie waar drie pezen samenkomen in de vorm van een ganzenpoot. Met elke stap die ik voorwaarts omhoog zet, trekt het heel erg tegen. Ik voel daardoor ook plots hoe hard de verzuring al heeft gewoekerd in mijn bovenbenen. Pommelien Thijs zingt Het beste moet nog komen, maar ik vrees dat ze hier ongelijk heeft. Het beste zit erop! Dit wordt een lijdensweg! Het gekke is dat je dus in elke hoedanigheid weer een soort van nieuw elan kan vinden. Een dafalgan neemt de scherpe randjes eraf en ik kan zowaar weer vlot lopen op de stukken bergaf. Wat je lopend kan meepakken, mag je niet laten liggen.
Hier volgt een bekentenis. Ik slaag er tijdens dit schrijfproces niet in om de kastelen op de route te plaatsen. Het zijn er veel, ze zijn indrukwekkend, maar geen idee wat waar was! Dat het lijkt alsof ik dat wel kan, heb ik te danken aan het kaartje met hoogteprofiel op de website. Zo kan ik jullie nu dus vertellen dat we op 587 meter hoogte langs het Château du Landsberg lopen. Al die kastelen activeren mijn verbeelding. Ik denk aan de mensen die hier honderden jaren geleden van berg naar berg slopen. Hoe ze erin geslaagd zijn om op die toppen stenen forten neer te poten zonder enige vorm van machinerie. In het avondlicht maak ik een foto van het Château du Birkenfels. De mystiek bereikt haar onbetwiste hoogtepunt als we langs de pelgrimsmuren van de Mont Sainte Odile lopen. Het licht is prachtig, de klokken van de abdij luiden. Als ik ooit in mijn leven dicht bij het goddelijke ben geweest, dan zal het hier zijn.
Er is ook frustratie: we komen aan bij het klooster op 741 meter hoogte en op basis van de kilometeraanduiding in Barr verwachten we hier een ravito… die er niet is. Het gaat weer helemaal naar beneden langs een pad dat aan de steile kant is, nog net beloopbaar, maar heel vervelend omdat er elke 100 meter verraderlijke trappen zijn. In gewone omstandigheden (die waarbij je nog geen +75 km gelopen hebt) doe je dat gezwind. Met stijve pikkels is het een technische uitdaging van formaat. De mystiek herpakt zich. Als we de bevoorrading bereiken, lijkt die ondergedompeld te zijn in sereniteit. We voelen het kouder worden. Hans zit in een dipje en hoopt dat een wc-bezoek en wat eten soelaas kan bieden. Ik drink een koffie en stort me op de chips. Ik snap van mezelf niet dat ik hier zo sta te schransen. Het beruchte jasje van km 2 krijgt een herkansing. Jawel, het gaat toch weer aan.
21u20 Klingenthal 86,2 km We maken een derde filmpje voor het thuisfront waarop je kan zien hoe adembenemend mooi de omgeving is. Hans is er weer helemaal doorgebroken. Waar we eerst uitkeken naar het moment waarop we onder de 30 km te lopen zouden hebben – dat is behapbaar – daalt nu het besef neer dat we nog uren te gaan hebben en dat we al lang onderweg zijn. We zijn weer opgeladen, maar de batterij haalt niet meer de maximale capaciteit. De enige geruststelling is dat we tijd zat hebben om te finishen. Een sanitaire stop in de natuur dient zich aan. In het bos merk je nu dat het donker begint te worden. Wat me weer een reden geeft om op te kijken tegen het moment dat de hoofdlamp aan moet. Genoeg om over te kniezen dus.
Er zijn stukken waar we kunnen lopen en hoewel remmen spiertechnisch onmogelijk is, is de vaart er helemaal uit. En het jasje? Dat is ook nu meteen weer veel te warm. Ik blijk nog steeds over een heel goedwerkende thermostaat te beschikken. De bevoorrading in Klingenthal zou zomaar een hallucinatie kunnen zijn. Een donker rookgordijn van gigantische barbecues beneemt ons de adem. Hier is één of ander volksfeest aan de gang waarbij verbrand vlees en alcohol de hoofdrolspelers zijn. Het is donker en net in die uitdagende omstandigheden moet ik me heel goed focussen. Het jasje moet terug in de vest. Het shirt met lange mouwen moet ik aan met mijn nummer erop vastgespeld. Mijn stinkende shirt moet terug in de vest samen met mijn pet. Mijn muts en hoofdlamp gaan op en aan. Door de rook maken we ons uit de voeten richting een heel donker bos.
0u58 Rosheim 102,7 km We zijn er ons (nog) niet helemaal van bewust, maar het zwaarste deel van de race dient zich nu aan. Situatieschets: het is donker en we hebben bijna 90 km in de benen. De laatste bevoorrading is nog 16 km ver. In deze fase betekent dat bijna 3 uur onderweg zijn. Onnoemelijk ver. We zullen nu stijgen tot het hoogste punt van de UTDP: Heidenkopf op 775 meter hoogte, 460 meter omhoog op een kilometer of 5. Het terrein is niet al te geaccidenteerd, maar de moed zakt me volledig in de schoenen en dat doet mijn pijnlijke voeten geen deugd. Hans neemt de kop. Ik focus met op de reflecterende elementen op zijn short (dat is het voordeel van lopen in het donker, dat je ziet hoeveel reflecterende details je outfit bevat). Ik probeer niet te veel na te denken. Niet eigenlijk. Gewoon gestaag met de stokken omhoog gaan. Het gaat niet vooruit, dat voel en zie ik ook wel, maar het is wat het is. We moeten hier over en door willen we die finish in Obernai halen.
We stijgen dus echt bijna 5 kilometer aan een stuk. Hans vloekt op zijn Garmin, want waar die belooft dat we dan ein-de-lijk de top hebben bereikt blijkt er nog een heel venijnige staart te zijn met een steil rotsachtig klimmetje. Ook de afdaling gaat geen meter vooruit omdat die bezaaid is met stenen in allerlei formaten. Ik durf niet meer te vertrouwen op mijn benen en probeer de stokken het zoveel mogelijk te laten overnemen. Het is één gestuntel en gepikkel. Als het dan uiteindelijk beter beloopbaar wordt, neem ik stappend weer de kop om tempo te maken. Ik wil op z’n minst het gevoel hebben dat we vooruitgang boeken.
Zo bereiken we verstedelijkt gebied, de bewoonde wereld die er totaal onbewoond uitziet in het holst van de nacht. Ik ga er – voor het gemak – van uit dat we zicht hebben op Obernai by night en dat we daar nu in een héél lange bocht rond zullen lopen. Achteraf zal blijken dat we op weg naar de laatste bevoorrading zicht hebben op Boersch by night. Rosheim wordt omschreven als a romanesque town, maar de romaanse romantiek is ver zoek. Ik zie alleen maar eindeloze donkere straten en steegjes. We bereiken de bevoorrading. Alles doet pijn. We eten toch nog maar wat. Ik drink een koffie. 7 km hebben we nog voor de boeg. Ondanks alles probeer ik de sfeer en een positieve insteek vast te houden. Hans is wat minder vrolijk gestemd. Maar wij gaan dit gewoon samen doen! We schipperen ergens tussen hoop en wanhoop. We verlaten Rosheim voor wat nu toch wel echt de finale is.
2u35 Obernai 110,1 km Al is die laatste etappe echt niet finalewaardig voor alle mystieke pracht die we tot nu toe hebben mogen aanschouwen. Ik zou bijna zeggen: gelukkig is het donker en kunnen we alle grijze, grauwe grintwegen en asfaltstukken niet al te diep in ons opnemen. We lopen door niemandsland, hier nog een stukje bos, daar nog wat stenen. En ja hoor: het gaat uiteraard nog wat omhoog! Maar dan is het écht zo ver: we zien een verlicht Obernai! We torenen helemaal boven de stad uit. Via een heel steile afdaling over asfalt lopen we de stad binnen. Ik moet aan mijn stokken gaan hangen om niet als een rotsblok naar beneden te rollen. Dit doet zoveel pijn! Het gaat – zeer toepasselijk – via het kerkhof en de Rue du Cimetière richting finish. Eerder bevreemdend dan mystiek. We moeten zoeken naar de lintjes om de weg te vinden. Obernai is verlicht, maar er is werkelijk geen mens te bespeuren. Het allerlaatste obstakel dat we moeten nemen is een lange trap die als brug dient om de finish te bereiken. Vooruit, die hoogtemeters kunnen we nog wel aan. Wonder boven wonder staan er nog mensen bij de finish. Ik zou zeggen toch een stuk of 50 en wat zijn ze enthousiast! Dit is echt heel mooi! Het is ruim half 3 als we onder de roze boog lopen. Het zit erop. Het zit er echt op. Wat zijn we diep gegaan, maar wat was dit een onvergetelijke ervaring!
De naweeën Na de finish kent het afzien niet meteen een einde. Doordat het erop zit en je dus volledig stilstaat in het midden van de nacht, vloeit alle strijdkracht uit je weg. We wandelen in alle stilte nog een stukje om onze medaille om de nek te laten hangen. Onze drop bags vragen een ommetje naar een schoolgebouw dat oneindig ver weg lijkt te zijn. Elke meter is er nu te veel aan. Alles doet pijn. Het is doodstil in een donker Obernai. Als we dan eindelijk onze spullen terug hebben, moeten we nog een 500 meter harken en krabben tot aan onze studio. Twee verdiepingen naar omhoog. Met heel veel moeite krijgen we onze kleren uit en spoelen we alle vuil en zweet van ons af. De voetverzorging is voor morgen. Rond half 4 liggen we in bed. We zijn 24 uur wakker. Hoe uitgeput we ook zijn, mentaal lijkt er toch ergens nog wat adrenaline aanwezig te zijn. Het is zoeken om een goede slaaphouding te vinden.
De volgende ochtend zijn we geradbraakt. We worden wakker om 8u30, maar het duurt nog een uur of 2 voor we ons fysiek klaar achten om uit ons gammele zetelbed te komen. Dat de studio (met de toepasselijke naam Petit Biscuit) zo klein is, werkt de mobiliteit niet bepaald in de hand. We gaan blarenpleisters kopen bij de apotheek, we verzorgen onze voeten en eten eindelijk een gewoon ontbijt met dank aan boulangerie Thierry Schwartz (aanrader!). Bewegen is de remedie tegen onze vreselijke spierpijn. Daarom pikkelen we wat rond in de stad. We lijken in een soort waas te leven. We voelen ons niet moe, maar er zit vertraging in ons denken en handelen. Het duurt langer om op een woord te komen, ik verspreek me vaak. We hebben zin in weer “normaal” eten en drinken, maar dan zegt de buik toch al snel dat het genoeg is geweest. We genieten hoe dan ook van onze laatste dag in Obernai, er is heel veel om over na te praten. Zondag nemen we met pijn in het hart afscheid. Au revoir Obernai!
De organisatie Die is ronduit fantastisch en heeft op geen enkel moment teleurgesteld. Op elke post waren de vrijwilligers lief en behulpzaam. We kregen heel veel aanmoedigingen van seingevers. Bovendien is alles op de bevoorrading heel goed aangegeven. Je weet wat je waar kan vinden, je moet niet in de rij staan om je water bij te vullen. Je kan je handen wassen met ecologische poederzeep en kwalitatief naar de wc gaan. De inspanningen om de afvalberg te beperken zijn lovenswaardig, zo drink je cola en bruisend water van de tap. Als je je nummer gaat afhalen krijg je een privé-briefing waar respect voor de natuur centraal staat. Je krijgt bijvoorbeeld een afvalzakje om te vermijden dat je gebruikte toiletpapier onderweg in de natuur belandt. Je krijgt geen goodiebag vol troep die naar de vuilnisbak gaat. Op het parcours is alles duidelijk afgepijld met roze, reflecterende linten en ook met bordjes. Het enige minpunt was de finale. De laatste 10 km deden oneer aan de prachtige 100 kilometers die we al hadden gehad. De spreiding van de bevoorradingsposten is niet ideaal, maar het compromis is wel dat je telkens in een dorp toekomt. Hoe dan ook een heel héél dikke pluim!
De brandstof Ik had in mijn trailvest 8 stuks sportvoeding mee: wat gels en repen. Het enige wat ik daarvan at was een reep Clif bloks. Ik heb deze trail dus helemaal gelopen op wat ik bij de bevoorradingen gegeten en gedronken heb. In totaal zal dat 3,5 liter cola en 6 liter water zijn. Ik ging helemaal los op de marmercake en ik at 2 Snickers. Als zoutje koos ik pretzels, chips of TUC-koekjes. Nieuw voor mij waren de kaasblokjes, het zal ongetwijfeld iets uit de streek zijn geweest. Iets gruyère-achtig, zonder daarmee iemand te willen kwetsen. Trots voor de streek stond ook hier centraal. Bij de pretzels (ze zeggen daar bretzels) stond telkens een bordje dat ze alsacienne waren. Ik probeerde ook een lokale specialiteit: een platte koek die heel taai en kruidig leek te zijn. Niet mijn ding. Voor de droge worst met of zonder noten paste ik uiteraard. Om maar te zeggen: er was echt voor ieder wat wils. Ik had het gevoel dat ik heel veel aan het eten was, maar ik verbrandde ook ongeveer 7000 kcal. Dat krijg je zelfs met cake en chips niet bij elkaar gegeten.
De cijfers Volgens mijn Garmin legde ik 110,11 km af met 4115 hoogtemeters in 19 uur en 35 minuten. Goed voor een 1004e plaats, we lieten een 250 lopers achter ons en hadden nog 5 uur over op de cut-off. Op basis van de 15 uur en 45 minuten die we vorig jaar in Bouillon onderweg waren voor onze 102 km, schatte ik dat we voor deze trail 18 uur nodig zouden hebben. Het was dik anderhalf uur langer. We legden 1000 hoogtemeters meer af dan in Bouillon, dat heb ik onderschat. Op de bevoorradingen spendeerden we in totaal 1u19, gemiddeld 10 minuten per ravito. Het zijn grote plaatsen waar je meters aflegt en als je met twee bent kost het ook daar meer tijd om af te stemmen op elkaars behoeften. Samenlopen betekent dat je je altijd aanpast aan degene die op dat moment het traagst vooruit gaat. En natuurlijk stop je tussendoor nog eens om een fotootje te maken of omdat iemand moet plassen of dat er iets weggestoken moet worden. We hebben ons nooit moeten haasten. Samenblijven en samenzijn, wat er ook gebeurt: dat is gewoonweg de allermooiste manier om zo’n avontuur te beleven.
De mystieke ervaring De Trail Alsace en meer bepaald de Ultra Trail des Païens was één groot avontuur. Eerlijk is eerlijk, dat deze race a mystic experience zou zijn, jatte ik vakkundig van UTMB. Ik geef hen volmondig gelijk. Het goddelijke beperkt zich voor mij tot al die mooie kerken (kerkjes) die we gezien hebben. Net zoals de kastelen zijn dat er heel wat. Omdat we dus telkens van dorp naar dorp liepen, zie je eens te meer hoe nederig we als mens zijn ten opzichte van de natuur. Die grote heuvels, bergen en bossen bepalen waar wij kunnen leven en wonen. Tijdens een ultra trail voel je de dag verstrijken, ook al werkt je tijdsbesef anders. Je kan niet anders dan in het moment te zitten en je kan daardoor plots overvallen worden door hoe mooi de lichtinval ergens is. Mystiek is ook in jezelf gekeerd zijn. Je bent rechtstreeks verbonden met wat je voelt en wat je behoeften zijn, maar je stijgt ook keer op keer weer boven jezelf uit. Een ongemak wat in eerste instantie onoverkomelijk lijkt te zijn, kan op mysterieuze wijze naar de achtergrond verdrongen worden. Toen we terug thuis waren, kon ik ook niet meteen schrijven over ons avontuur. Het leek onmogelijk om er woorden aan te geven. Nu nog steeds vind ik het moeilijk om in taal uit te drukken wat ik heb meegemaakt. Al is dit verslag echt lang: woorden schieten tekort om écht te vatten hoe het was. Ik zou bij elke zin willen zetten: het was zwaar en lastig, het deed pijn, maar ook: en toch was het zo ongelooflijk mooi.
De tips Notities voor mezelf: wat dikkere sokken zijn aan te raden voor een ultra zodat je niet elk vuiltje voelt dat in je schoenen terecht komt (en dat zijn er heel veel). Het is handig om je nummer aan een elastische band vast te maken omdat je al eens van kleding wisselt. Zeker meenemen voor nadien: blarenpleisters! Stressen over de mogelijke controles op de verplichte uitrusting is niet nodig. We waren 100% in orde en werden welgeteld nul keer gecontroleerd, terwijl er duidelijk lopers waren die – op basis van hun quasi lege trailvest -onmogelijk de volledige verplichte uitrusting bij zich konden hebben. Een hoofdlamp zit een pak aangenamer met een muts eronder. Ik hou van mijn stokken! Ik heb ze maar heel weinig kilometers op mijn rug gedragen. De laatste 30 km heb ik ze letterlijk voor elke meter gebruikt.
Nog enkele weetjes
We zetten onze gsm in besparingsmodus, waardoor die het prima een hele dag trok. Mocht het toch nodig zijn, hadden we de nodige kabels in onze drop bag om halverwege te kunnen bijladen.
Seppe liep de langste afstand van 156 km. Hij vertrok 10 uur na ons en 46 km verder om dan dezelfde route af te leggen. In de afdaling van Haut-Koenigsbourg kwam hij ten val en brak hij een beentje in zijn hand. Het kon hem er niet van weerhouden om in zijn race alsnog naar een 8e plaats te lopen. Straf!
We kregen een Belgisch vlaggetje met onze naam om achterop onze vest te hangen. Geweldig toch! De teleurstelling: we kwamen amper lopers tegen met een vlaggetje. Het deelnemersveld bestond hoe dan ook hoofdzakelijk uit Fransen, we kwamen enkele Belgen tegen, maar geen Nederlanders.
Wel ongepast wildplasgedrag, gelukkig geen haantjesgedrag. Heerlijk!
Er was een groepje enthousiaste vrienden dat zich op verschillende plaatsen langs het parcours positioneerde om met heel veel schwung en ambiance lopers aan te moedigen. Een onvergetelijk moment: toen we hen bergop tegemoet liepen op de tonen van She’s a Maniac.
Mijn naam is onuitspreekbaar voor de Fransen. Ze maakten er in het beste geval Jake van. Ik antwoordde werkelijk op élke aanmoediging met merci, merci merci of merci beaucoup. Altijd evenzeer gemeend.
Ik had één superfan die mijn naam juist kon uitspreken: een vrouw die we op heel veel bevoorradingen tegenkwamen en me met veel bewondering aankeek. Haar identiteit zal voor altijd een mysterie blijven.
In het village du coureurs was natuurlijk een grote tent waar je UTMB-merchandise kon kopen. Ik kwam nooit echt in de verleiding om er geld te spenderen. Er waren onder andere hoodies per wedstrijd van de Trail Alsace met daarbij de deelnemerslijst op de rug gedrukt. Er zijn dus honderden mensen die rondlopen met mijn naam en die van Hans.
Ik dacht een heel leuk weetje te hebben gevonden over Château du Bernstein, het werd bekend dankzij de film The English Patient! Jeej! Helaas bleek dat het Burg Bernstein in Oostenrijk te zijn. Bij nader inzien is die berenfamilie ook wel heel leuk.
We waren het erover eens dat van alle bevoorradingsplekken Andlau het meest tot de verbeelding sprak. Wie weet, ooit.
We gingen zaterdag wijn kopen bij de winkel van Domaine Seilly in Obernai. Toen ik vertelde dat we langs de wijngaarden gelopen hadden, deed de verkoper extra zijn best om de plaatsen te benoemen waar de druiven vandaan kwamen zodat we ook echt het gevoel kregen dat we precies daar geweest waren. De Perle Sainte Odile smaakt er eens zo goed door!