De gedachte – Ja, ik zweet

Ik ben een zweter. Dat is geen bekentenis, maar een eenvoudige vaststelling. Je hoeft mij niet per se in een sportieve context tegen het klamme lijf te lopen om dat te beamen. Ook in het dagelijks leven ben ik al eens een beetje of een beetje heel bezweet te spotten. In principe zou dit geen waardig onderwerp zijn om over te schrijven, laat staan een gedachte te formuleren. Zweten is immers des mensen. Het feit dat je haar groeit, je handdoeken gewassen moeten worden en je boodschappen doet, heeft net zo weinig nieuwswaarde. In de realiteit blijkt zweten echter geen non-issue te zijn. Ik kreeg al subtiele en minder subtiele opmerkingen over mijn bezwete kop. Niet nader te bepalen mensen die het niet konden nalaten om mij erop te wijzen dat ik had gezweet. Euhm ja en dan? Ik ben me er van bewust dat ik zwetend niet de meest florissante verschijning ben (het zou vreemd zijn als dat wel zo was). Zweten in het bijzijn van andere niet-zwetenden voelt ongemakkelijk aan omdat je het gevoel krijgt dat je je ergens over moet schamen. Alsof er fijntjes wordt opgemerkt dat je in een hondendrol bent getrapt. Hoewel zweten een natuurlijk en gezond proces is, blijkt het voor sommigen een bizar en ronduit gênant verschijnsel te zijn.

Begrijp me niet verkeerd. Liefst van al ruik ik fris en fruitig alsof ik net een uur in bad heb liggen weken. Liefst van al ligt mijn haar dan ook nog eens in de juiste plooi. Liefst van al zweet ik dus niet. De ingenieuze werking van het menselijke lichaam heeft lak aan die persoonlijke voorkeuren. Elk lichaam kan zweten, het ene excelleert er al meer in dan het andere. Bij ons in de familie zit zweten onomstotelijk in de genen: wij zijn een familie zweters. Al generaties lang, ook mijn Oma zaliger kon er wat van. Dankzij die genen beschikt mijn lijf over een uitstekend warmteregulatiesysteem, waardoor de zweetmodus een feit is wanneer ik het warm krijg: sportgerelateerd of niet, met die conventies houdt mijn lichaam geen rekening. Transpireren is een efficiënte methode om af te koelen: het vocht verdampt op je huid en dat koelt af. Naar aanleiding van de extreme hitte las ik hier in De Morgen dat zweten de enige manier is om af te koelen als de temperatuur hoger is dan je lichaamstemperatuur. En ook hier kon ik lezen dat zweten goed en gezond is voor je lichaam. Niet elke mens of sporter zweet evenveel en niet elk zweet stinkt. Het is juist abnormaal als je nooit zweet.

Reclame voor deodorant wil ons overtuigen dat je met een simpele spray of roller maar liefst 24 uur lang niet zou zweten. Je reinste nonsense! Deodorant kan je poriën niet dichtmetselen (gelukkig maar). Ik gebruik deo omdat het een fris gevoel geeft en een opkomend zweetgeurtje in de kiem kan smoren, want nee: liefst van al ruik ik dus niet naar zweet. Zulke reclames tonen aan dat zweten wordt beschouwd als iets dat je absoluut moet vermijden. Vreemd, want dat is dus niet mogelijk. Er zijn voldoende middelen om zelfs als ernstig zweter fris door het leven te gaan. Wie zweet is niet onhygiënisch, wie zich nooit wast is dat wel.

IMG_0435b

Waar ik al helemaal de kriebels van krijg, is het feit dat zweten binnen een sportieve context iets is wat je zou moeten verstoppen. Het eufemistische onderschrift I don’t sweat, I sparkle, dat je al eens kan aantreffen bij foto’s van sporters op sociale media, is daar een mooi voorbeeld van. Kijk, het is eenvoudig: een sporter beweegt (intensief) waardoor de lichaamstemperatuur stijgt en het lichaam door middel van transpiratie gaat afkoelen, mogelijk heeft dat een geurtje. Je krijgt daarbij vaak een rode kop omdat je bloedvaten aan de oppervlakte wijder worden om het zweetproces mogelijk te maken. Het is dus absurd dat je als het ware verantwoording moet afleggen voor het feit dat je tijdens een sportieve activiteit wat anders oogt. Vaak is er op zulke zogenaamde sportfoto’s ook niet meer waar te nemen dan enkele perfect gestileerde parelvormige zweetdruppeltjes op het voorhoofd dat dankzij de juiste filters ook helemaal niet rood is te noemen. Voor het esthetische aspect van een foto is het te begrijpen dat je zweet wat probeert weg te moffelen. Het jammere is dat je daardoor afbreuk doet aan het bevrijdende van sport: dat het even echt helemaal niks uitmaakt hoe je eruit ziet. Je hebt gewoon je loopschoenen aangetrokken, een heel fijn uur lichaamsbeweging gehad en wat anderen daar van vinden doet er echt niet toe. Ik kan me niet voorstellen dat ik me vlak na een marathon bezig moet houden met een spontane, maar toch zweetvrije foto te maken.

Toen Roos en ik onze eerste marathon liepen in Leiden, hing er ergens langs de kant van de weg een bord met het opschrift zweet is slechts vet dat huilt. Een originele vondst om te zeggen dat zweet bij de inspanning hoort. Tijdens de hittegolf in Parijs heb ik bovendien gemerkt dat ik dankzij dat zweten uitstekend tegen die extreme temperaturen kan. Bij ons in de familie is zweten al eens een gespreksonderwerp. Zo introduceerden we de term nazweten en sturen Roos en ik elkaar soms waarschuwingsberichten voor zogenaamd zweetweer. Veel weertypes kunnen onder die noemer vallen. Onthou: een voorbereid zweter telt voor twee. We don’t sparkle, we sweat!

 

De gedachte – Brief aan Chris Froome

Dear Christopher
Lieve Froome-Froome

Je zal niet op onze afspraak zijn in Brussel als daar over twee weken het Tourpeloton voorbij dendert. Je staat niet aan de Brussels grand départ en Roos en ik zullen op 28 juli niet proosten op een nieuwe Touroverwinning van onze Froompie. Helden hebben veel namen. Helden zijn er om te bewonderen. Helden vliegen soms. Helden vallen af en toe ook heel hard. Vorige week knalde je tijdens de verkenning van de tijdrit in de Dauphiné tegen 60 kilometer per uur tegen een muurtje. Een doodsmak wordt dat genoemd. Het verdict: meerdere breuken, waaronder een dijbeenbreuk. Tegen de grond gaan is part of the job voor een coureur. Soms ben je opgelucht dat het slechts pijnlijke schaafwonden zijn, bij een horror crash ben je opgelucht dat je nog leeft.

Ik had het je zo gegund: een vijfde Touroverwinning waarmee je het legendarische rijtje Anquetil, Merckx, Hinault en Indurain zou aanvullen. Zevenvoudig Tourwinnaar Lance Armstrong werd geschrapt van de tabellen. We weten allemaal hoe dat komt. De vergiftigde erfenis van een door doping gedomineerd wielertijdperk moet jij al jaren op je frêle schouders torsen. Je bent een Brit, spreekt Engels en voor het Franse publiek ben je dus bij voorbaat een bedrieger. Bovendien valt dat hedendaagse wielrennen bij velen niet in de smaak. Jouw ploeg Ineos (vroeger Team Sky) kan dankzij de nodige financiële middelen het Tourpeloton domineren. Je bent het type renner dat doordacht te werk gaat. Niet alleen ben je tot in de puntjes voorbereid en blijf je altijd gefocust op je wattagemeter, je neemt geen onnodige risico’s, schat je opponenten in en slaat pas toe op het allerlaatste moment. Het wielrennen in de 21e eeuw is saai en dat is blijkbaar allemaal jouw schuld.

De afgelopen jaren heb ik met lede ogen toegekeken hoe je – zowel letterlijk als figuurlijk  – heel wat bagger over je heen kreeg. De stokken liggen voor het rapen voor wie de gedoodverfde zondebok wil slaan. Zo is er niet alleen kritiek op je zogenaamd passieve koersmentaliteit, maar wordt er ook gespot met je ietwat vreemde houding en het typerende kleine verzetje dat je draait. In 2016 werd je bekritiseerd omdat je de Tour won zonder ritoverwinning. Je was het mikpunt van spot toen je in diezelfde Tour een eindje liep omdat je door toedoen van dolgedraaide toeschouwers op Chalet Reynard zonder fiets kwam te staan. Als je iedereen verrast met een sterke afdaling, worden je bijzondere daaltechniek en -houding op de korrel genomen. Het Franse publiek kan na al die jaren niet aan je wennen. Keer op keer raakt het mij hoe je telkens weer wordt beschimpt. Niemand verdient dat, jij zeker niet.

Ook op persoonlijk gebied moest je het zwaar ontgelden. Als je een dankwoord in het Frans begint, ben je de risee van de avond omdat je geen charisma zou hebben. Niemand leek je te geloven toen je vorig jaar verklaarde blij te zijn met de gele trui – en uiteindelijk ook Tourwinst – van ploeggenoot Geraint Thomas. Nee inderdaad: we kunnen dan beter een voorbeeld nemen aan dopingzondaar, publiekslieveling én Fransman Richard Virenque, die in de jaren 90 het mooie weer maakte in de bolletjestrui tot in 1998 de Festina-affaire in alle hevigheid losbarstte. De Festina equipe verliet de Tour, Virenque zei op een persconferentie al huilend dat het hem speet en al zijn zonden waren in één klap vergeten en vergeven. Het is absurd dat een eersteklas bedrieger vandaag de dag nog steeds de vrolijke Frans mag uithangen in het professionele wielercircuit en dat jij het moet ontgelden met een zee van boe-geroep.

Al drie keer was ik in Parijs toen de Tour daar aankwam. De eerste keer was in 2015. Roos en ik maakten er een erezaak van om je zo vaak mogelijk te spotten tijdens de plaatselijke rondes. En ja, nadien dronken we dus echt prosecco om te proosten op jouw overwinning. We fantaseerden hoe de grote kampioen thuis een gewone mens is die geen afstand kan nemen van zijn gele trui en daar in blijft rondlopen, tot grote ergernis van Michelle. Ik zie een aimabele en intelligente man die donders goed weet waar hij mee bezig is in de bikkelharde topsportwereld. Iemand die verdomme hard traint en honger lijdt omdat elke gram vet die mee de berg op moet er één te veel is om vervolgens elke vraag over mogelijk dopinggebruik sereen en met de glimlach te beantwoorden.

Voor mij ben je wel degelijk een symbool van het nieuwe wielrennen, al ben ik me ervan bewust dat het een risico is om je te vertrouwen. Rond elke wielrenner hangt een zweem van wantrouwen, bij jou is dat ook salbutamol. Ik laat mijn toeschouwersplezier niet bederven door de mogelijkheid dat jij ook niet zuiver op de graat bent. Net als ik dateer je uit het degelijke bouwjaar 1985. Je zal volgend jaar dus 35 jaar zijn: min of meer bejaard voor een ronderenner. De grote vraag is of je nog terugkeert naar het wielerpeloton en of dat dan in de hoedanigheid van kandidaat-Tourwinnaar zal zijn. Voor jou is dat op dit moment net zo goed een vraagteken. Eén ding weet ik zeker: helden krabbelen ook altijd weer recht.

Ik wens je een spoedig herstel en een mooie zomer met je vrouw en kinderen.

Cheers op het leven!

P.S. Het is me inderdaad zelfs na drie pogingen niet gelukt om een foto van je te maken in Parijs.

IMG_2417b

 

De gedachte – Over lopen als verslaving

Je hoeft je niet op sociale media te begeven om te ervaren hoe hard mensen voor elkaar kunnen zijn. Soms bekruipt mij het gevoel dat we continu verantwoording moeten afleggen over het leven dat we leiden: wat je doet en laat, zegt iets over je wezenlijke ik en is geenszins ontstaan uit een toevallige samenloop van omstandigheden. Zo beland je al eens in een eng en krap hokje. Er zijn enkele parameters ingesteld om identiteit in te vullen. Eet je soms havermout? Gezondheidsfreak! Maak je geen verre reizen? Saaie huismus! Heb je een oude wagen? Milieuvervuiler! Ook de loper moet het soms ontgelden. Iemand die loopt is natuurlijk niet gewoon iemand die een fijne vorm van ontspanning heeft gevonden. Lopers zijn betweters die steevast anderen verwijten dat ze niet lopen en tegelijkertijd hun eigen lijf in de vernieling lopen. Om over marathonlopers nog maar te zwijgen. Toen ik vorig jaar zichtbaar geblesseerd met een kruk rondliep, bleek maar wat vaak uit de reactie van mijn medemens dat het mijn eigen schuld was. Op televisie wordt er positief bericht over de sfeer op grote loopevenementen, maar daar tegenover staat de nodige duiding over alle gevaren die om de hoek loeren voor wie zich op het gladde ijs van het lopersleven begeeft.

Daags na de 10 Miles in Antwerpen deed een gesprek in Van Gils & gasten mijn wenkbrauwen tot ongekende denkrimpels fronsen. De loophype werd op de korrel genomen en behandeld alsof het een regelrechte aanslag was op de volksgezondheid. Kilometervreter en sportjournalist Maarten Vangramberen was de loopambassadeur van dienst. Presentatrice Bieke Ilegems gold als het ultieme voorbeeld van de schade die lopen kan aanrichten. In september liep zij namelijk onvoorbereid de marathon van Berlijn. Enter het gevaar van de runner’s high. Door de marathonroes had ze niet gevoeld dat ze godbetert twee teennagels verloor. Sterker nog, door die gevaarlijke roes voelde ze zich de weken daarna keigoed tot ze abrupt in een dipje terecht kwam. Sindsdien liep ze niet meer. Sportarts Tom Teulingkx bevestigde dat een marathon voor velen de ultieme sportieve uitdaging is. De 3 miljoen Vlaamse solo-sporters zijn vogels voor de kat die zonder begeleiding op zoek gaan naar grootse doelen. Grote loopevenementen zetten volgens Teulingkx wel aan tot beweging, maar ze hebben ook een keerzijde. Met de nodige ernst ging presentator Lieven Van Gils dieper in op de dramatiek van het woord keerzijde. Sommige lopers komen onvoorbereid aan de start, laten zich meeslepen door de massa, finishen doodop en zijn de dag nadien geblesseerd.

Ik viel bijna uit mijn zetel door zoveel kort-door-de-bocht-isme. Zoals ik hier al zei: nee, een marathon lopen an sich is niet gezond. Belangrijker: ja, lopen werkt een gezonde levensstijl in de hand. Ik had het ook al eens over het prestige van de marathon, wat voor mij nooit een drijfveer is. Wie een gelopen marathon beschouwt als een statussymbool heeft weinig respect voor zijn lichaam en begrijpt niet wat de schoonheid van duursporten is. BV’s vallen daar gemakkelijker aan ten prooi, aangezien de onbekende loper niet zomaar eventjes een startbewijs bemachtigt voor een wereldmarathon zoals Berlijn. De runner’s high wordt vaak beschouwd als het geheime wapen van loopplezier. Hiermee wordt het proces aangeduid waarbij endorfines (een opiumachtige stof) in je lichaam vrij komen. Dat zogenaamde gelukshormoon met pijnstillende werking komt vrij bij lange duurinspanningen die je loopt aan een niet te hoge intensiteit. Onderzoek heeft aangetoond dat dit pure chemie is en geen fabeltje. De schaduwzijde van dit wetenschappelijke verhaal is dat endorfines eveneens in verband worden gebracht met allerhande verslavingen, psychische aandoeningen en depressies. Geen wonder dat lopen door sommigen als een gevaarlijke verslaving wordt beschouwd.

Wie zwicht er niet voor een natuurlijke dosis geluksstoffen die je een gevoel van euforie en onoverwinnelijkheid bezorgen? Lopers zouden pijnsignalen negeren omdat ze gedrogeerd zijn door die verduivelde endorfines. De impact van de runner’s high wordt echter overschat. Ik kan me inderdaad in een flow of roes bevinden als ik aan een rustig tempo loop. Ik geef me over aan de eentonige cadans van mijn voeten, ga op in de muziek en laat mijn gedachten ontspannen rond dwarrelen, waardoor er soms uit het niets ideeën opborrelen. Hoe fijn dat ook is: ik liep nog nooit per ongeluk 50 kilometer omdat ik geen afstand kon doen van mijn roesmiddel. De runner’s high werkt een ontspannen geest in de hand. Er schuilt een veel groter gevaar in de geldingsdrang die sociale media in de hand werken. Zoals dokter Teuglinkx aanhaalde in de uitzending geldt voor veel sporters: als het niet op Strava staat, is het niet gebeurd. De meet- en zichtbaarheid van sportieve prestaties kan onzekerheid in de hand werken. Je sport in je eentje terwijl je omgeving mee gluurt. Niet de stofjes in je hoofd zijn gevaarlijk, maar de schermpjes waar menigeen aan verknocht is.

In bepaalde mate kan lopen een verslavend effect hebben. Elke mens zoekt op de één of andere manier ontspanning in het leven, maar bijlange niet iedereen is daar even fanatiek in. Zo heb ik zelf nogal de neiging om heel erg op te gaan in bepaalde bezigheden als ik gebeten ben door iets. Door lopen bijvoorbeeld. Voor mij is dat een manier om mijn hoofd en lijf te verfrissen zodat ik er met een sterkere geest weer tegen aan kan. Lopen is een totaalpakketje mindfulness dat zoveel verder reikt dan een simpele runner’s high. Ik kan net zo goed volledig opgaan in een perfecte koffie maken en ik keek ook al eens heel veel films van Leonardo DiCaprio in een kort tijdsbestek omdat ik het als mijn taak beschouwde om zijn oeuvre te kennen. Juist daarom vond ik Ren voor je leven zo verrijkend. Klaas Boomsma was jarenlang verslaafd aan drugs en alcohol en gaf zijn leven een heel andere wending door onder andere te beginnen lopen. Toen hij clean was, kwam hij zichzelf ook tegen als obsessieve loper.

Een verslaving is een ernstige ziekte die je levenskwaliteit ondermijnt en je leven op het spel zet. Lopen is dat niet, zelfs niet met een runner’s high. Lopen brengt je niet in een sociaal isolement. Integendeel. Wie verantwoord sport voor het eigen welzijn, brengt zijn gezondheid geen schade toe. Integendeel. Zelfs intensief sporten niet. Integendeel: wie intensief sport, leeft 5 jaar langer dan de gemiddelde niet-sportende mens. Ik heb behoorlijk wat loopschoenen, maar ik heb vooralsnog geen mensen bestolen om aan mijn spul te komen. De loopmicrobe is hooguit besmettelijk. Al zijn sommigen genetisch benadeeld met een aangeboren immuniteit. Laat mij nu maar even fijn in het hokje van de moraalridders zitten. Echt gezellig hier!

De gedachte – Over snelle schoenen

Ik bezit een uitgebreide collectie loopschoenen. Dat kan ik ook legitimeren omdat ik op jaarbasis zo’n drie paar loopschoenen verslijt. Ik hou niet bij hoeveel kilometers een paar op de teller heeft staan, maar ik voel het wel als het einde nabij is. Veellopers doen er goed aan om verschillende types schoenen (bij voorkeur van verschillende merken) af te wisselen omdat elke schoen je spieren op een andere manier belast. Die variatie verkleint de kans op blessures weer een beetje. Wie tegenwoordig loopschoen gaat kopen, kan rekenen op een professionele loopanalyse. Al die technologie ten spijt toonde onderzoek aan dat de meesten enkel op gevoel net zo goed een geschikte loopschoen uitkiezen. Goede loopschoenen zijn zonder meer een doorslaggevende factor inzake loopcomfort en blessurepreventie. De vraag is in welke mate schoenen een snelle wedstrijd kunnen beïnvloeden.

Ik kan me emotioneel hechten aan loopschoenen. Het doet pijn als een favoriet paar fin de carrière is. In 2017 liep ik drie marathons met de Adidas Ultraboost. Ik kreeg het nog niet over mijn hart om ze weg te doen. Soms doe ik ze gewoon nog eens aan en dan lijk ik de herinnering te voelen. Een zelfde geluksgevoel overvalt mij als ik de Nike Zoom Fly aantrek. Dat is de betaalbare versie van dé schoen der schoenen waarmee Kipchoge & Co in 2017 een ultieme poging waagden om onder de magische marathongrens van 2 uur te duiken. Dat lukte net niet, maar Koning Kipchoge toonde met zijn op maat gemaakte Nike Vaporfly 4%’s wel aan dat ze een klein verschil kunnen maken. De revolutie zit in de gebogen carbonplaat in de zool, waardoor de schoen je afzet krachtiger maakt en je dus meer energie terugkrijgt. Critici relativeerden die innovatie door te verwijzen naar Hoka One One dat al langer met carbon in de schoen werkt. De 4% duidt op de gemiddelde verbetering van de loopeconomie die de Vaporfly garandeert. Hiermee is niet gezegd dat je ook daadwerkelijk 4% sneller zal lopen. De effectieve winst wordt geschat op zo’n 2%: dat is nog steeds behoorlijk wat voor een marathonloper. Het prijskaartje van de Vaporfly is navenant: je telt 250 euro neer voor een paar ultrasnelle schoenen. Aangezien je slechts 250 kilometer met de Vaporfly’s kan afleggen, zijn de schoenen in verhouding dus ongeveer 8x zo duur als een gewoon paar.

Ik heb geen Vaporfly’s, maar wel Zoom Fly’s: het betaalbare, iets minder geavanceerde broertje. De kostprijs daarvan is 150 euro, maar een slimme shopper kan koopjes doen. Voor mij is het de ideale marathonschoen omdat hij stabiel aanvoelt, veel demping biedt en toch ultralicht is. Op mijn Zoom Fly’s vlieg ik over asfalt of door het bos en deze week legde ik op een afgedragen paar ook heel wat kilometers te voet (en al lopend) af in Parijs: kortom een echte allrounder die meteen mijn hart stal. Recente studies laten er geen twijfel over bestaan dat recreanten effectief snellere marathons lopen met de dure Vaporfly’s. De netto winst zou drie à vijf minuten bedragen. Ik heb overwogen om een paar aan te schaffen voor de marathon in Parijs, maar ik deed dat niet omdat ik 250 euro nog altijd te veel geld vind voor schoenen met een extreem korte levensduur.

Zou ik mijn marathon in Parijs enkele minuten sneller hebben gelopen op Vaporfly’s? Een interessante vraag die nooit eenduidig beantwoord kan worden. Je kan immers niet eerst een marathon lopen op gewone schoenen en vervolgens nog eentje op zogenaamd snelle schoenen om te vergelijken wat het je netto oplevert. Is die winst ook gegarandeerd op een zwaar parcours? En vergroot je niet het risico dat je alsnog jezelf in de vernieling loopt omdat je te snel vertrekt op die snelle schoenen? Sommigen zijn er bovendien van overtuigd dat zowel de Zoom Fly als de Vaporfly enkel tijdswinst opleveren voor heel snelle lopers en voorvoetlanders: niet ik dus. Daarenboven is de marathonloper altijd onderhevig aan verschillende factoren en blijft de vraag in welke mate schoenen nog doorslaggevend zijn als je een marathon moet lopen met een sterke tegenwind in de gietende regen. Misschien is juist de illusie van een verhoogde snelheid veel waard.

Ik schrok toen sportjournalist Hans Vandeweghe in De Morgen daags na het kersverse Belgische record van Bashir Abdi uithaalde naar de snelle schoen van Nike. Het zal niemand verbazen dat de huidige wereldtop en ook onze Belgische toplopers hun marathons lopen op de Vaporfly’s. Volgens Vandeweghe zijn al die recente successen te verklaren door de snelle schoen. It’s the shoes, stupid: de Nikes zijn volgens hem een vorm van technologische doping. Hij vergelijkt de snelle schoen met de LZR Racer van Speedo: het ultrasnelle zwempak waarmee 10 jaar geleden zowat alle zwemrecords sneuvelden en dat inmiddels verboden werd. Die vergelijking wringt langs alle kanten. In de eerste plaats omdat in eender welk zwembad de omstandigheden altijd zo goed als identiek zijn. Een marathon loop je in de buitenlucht: de omstandigheden zijn altijd anders, wat de impact van schoenen beperkt. Bovendien is een marathon een veel langere inspanning die je niet zo zeer technisch, maar wel tactisch moet aanpakken. Ook de tijden van wereldrecordhouder Kipchoge zijn niet simpelweg in te delen volgens een pre- en post-Vaporfly-tijdperk. Kipchoge liep zijn eerste marathon in 2013 en won 11 van de 12 marathons waar hij aan deelnam. Hij liep de marathon van London in 2016 zónder Vaporfly’s bijna een halve minuut sneller dan de marathon van Berlijn in 2017 mét Vaporfly’s.

Volgens Vandeweghe is de progressie van zowel Koen Naert als Bashir Abdi hoogstonwaarschijnlijk volledig toe te schrijven aan de atleet. Daar kan ik hem in bijtreden. De snelle schoen zal een minimale bijdrage leveren aan hun prestaties, maar het omgekeerde is zonder enige twijfel onwaar. Hun prestaties zijn niet enkel te herleiden tot een snelle schoen. Beide toppers zijn 30 jaar: een logische leeftijd om te pieken als marathonloper. Bashir Abdi verbeterde het 24 jaar oude Belgische record met amper 17 seconden. Wie beweert dat hij dat record verpulvert dankzij een snelle schoen, doet de straffe atleet die Bashir is grote oneer aan. Technologische vooruitgang hoort bij sport. Het werelduurrecord van Victor Campenaerts is daar een mooi voorbeeld van. De marathon heeft echter zijn eigen wetten en kent vooral geen genade. Hoe snel of traag je schoenen ook zijn, het is en blijft de atleet die het verschil maakt.

IMG_4510b

Rechts: de nieuwe Nike Zoom Fly Flyknit: het bovenwerk daarvan is gebreid en heeft dus de structuur van een sok. Links: trouwe lezers zullen de blauwe Nike Zoom Fly’s herkennen als de schoenen waar ik de marathon van Parijs op liep. Met dank aan Roos voor het decor en de fotohulp.

De gedachte – Over jongeren en beweging #2

Beweging werkt, dat was de titel van de studiedag die ik dinsdag bijwoonde over beweging op school of beter gezegd: het gebrek daaraan. De Vlaamse overheid richtte de studiedag in om de resultaten van het pilootproject Scholen in beweging te bespreken en concrete tips aan te reiken voor één ieder die zich op zijn school wil engageren voor een bewegingsbeleid. Dat mag zich namelijk niet beperken tot de lessen lichamelijke opvoeding. Ik voelde me dus aangesproken (duh). Het was een leerrijke dag waarbij ik met mijn neus op de harde feiten werd gedrukt. Ik kreeg heel wat ideeën om meer beweging te integreren in de klaspraktijk. Zoals ik al eens vertelde organiseer ik tijdens de middagpauze op mijn school  – Koninklijk Atheneum De Ring in Leuven: beter gekend als de beste school van het land – een eigen versie van het One Mile project. Ik geef Nederlands en ik beschouw het dus als een uitdaging om ook tijdens het reguliere lesgebeuren een dynamische werkomgeving te creëren waar er letterlijk ruimte is voor beweging.

Terug naar Brussel, waar in de voormiddag cijfers en theoretische kaders centraal stonden. Directieleden en leerlingen deelden hun ervaringen als pilootschool die een gemoderniseerd bewegingsbeleid op poten zette. Het zal niemand verbazen dat die ervaringen overwegend positief waren. Bovendien bevestigden zij mijn gevoel: maar liefst 90% van de ondervraagde jongeren gaf aan meer te willen bewegen op school. Dat is zonder meer goed nieuws. Hou je vast, want nu volgt het slechte nieuws. De onthutsende realiteit is dat kleuters de beste leerlingen van de klas zijn met slechts 48% die dagelijks voldoende beweegt. Geen reden tot feest dus. Vanaf dan gaat het alleen maar bergafwaarts. Het absolute dieptepunt ligt bij de leerlingen waar ik les aangeef. Bij de jongens tussen 15 en 18 jaar heeft amper 15,6% dagelijks voldoende beweging. De meisjes in diezelfde categorie doen het nog slechter met een bijzonder pijnlijke 7,1%. Volwassenen scoren met 40% wel beter, maar dat is nog steeds een dikke onvoldoende. Auch.

Kennen jullie trouwens de bewegingsdriehoek van het Vlaams Instituut Gezond Leven al? De rode zone met boter en biefstuk in de voedingsdriehoek wordt in dit model vervangen door grote boosdoener stilzitten. Het advies is om na 30 minuten zitten even recht te staan. Beweging wordt ingedeeld volgens drie categorieën. Licht intensief bewegen moet je dagelijks doen: bijvoorbeeld de trap nemen of een stukje te voet gaan. Elke dag zou je ook matig intensief moeten bewegen. Hieronder valt een verplaatsing met de fiets of in de tuin werken. Hoog intensief bewegen levert je de meeste gezondheidsvoordelen op en zou je wekelijks moeten doen. Sporten dus: een keer gaan lopen of je uitleven op de sportclub. Elke stap telt, dat is het motto. Over de fameuze 10.000 stappen wordt overigens met geen woord gerept. Dat voor sommigen heilige aantal is op geen enkele manier wetenschappelijk onderbouwd. Het staat buiten kijf dat kinderen en jongeren dagelijks meer moeten bewegen dan 10.000 stappen. Bovendien druisen zittende lesuren van 50 minuten in tegen de aanbeveling. Enter de bewegingstussendoortjes. Zonder twijfel het woord van de dag.

Tot op zeker hoogte kan ik genieten van een ritje op de theoretische denktank-trein om me te laten meevoeren naar pakweg een gezondheidsmatrix. Achter zulke modellen gaat vaak veel logica schuil die iemand met een analytische geest heeft samengebracht in een standaardmodel. De doener in mij kreeg na verloop van tijd echter een overdosis aan beleidswerking op papier en een draagvlak creëren als toverformule. Ik bereikte een breekpunt toen een Nederlandse onderzoeker uit de doeken kwam doen wat haar onderzoek naar onderzoeken (ja serieus) over het verband tussen beweging en schoolresultaten had opgeleverd. Een onderbreking van de zitmodus leverde een verbetering van de concentratie op, maar geen enkel onderzoek kon aantonen dat beweging ervoor zorgde dat leerlingen betere schoolresultaten haalden. Ja en dan? Evaluaties zijn een middel, geen doel op zich. Ik ga met mijn leerlingen lopen omdat een gezonde geest in een gezond lichaam huist. Voldoende bewegen hoort bij een gezonde levensstijl en daar moeten wij op school het goede voorbeeld in geven. Bovendien geldt samen bewegen als een verbindende activiteit die de klassfeer en het individuele welzijn ten goede komt. Onrechtstreeks kan dit alles bijdragen aan verbeterde schoolprestaties. Ik heb geen cijfers nodig om die positieve ervaringen te bekrachtigen.

Iemand vergeleek een bewegingsbeleid met een tank: een lomp ding dat maar mondjesmaat vorderingen maakt. Naar mijn idee een pessimistische visie. Akkoord, je kan soms beter even nadenken vooraleer je jezelf verliest in te ambitieuze plannen waardoor er na een blitzstart niets meer gebeurt. Het ligt echter meer in mijn aard om vol enthousiasme eerst wat dingen uit te proberen in de klas, mijn bevindingen te delen en die vervolgens met collega’s uit te werken tot de eerste stappen van een beleid. Hier duiken de bewegingstussendoortjes weer op. Ik wil wel eens zien wat het geeft als je na 30 minuten de les onderbreekt voor een korte energizer of een ademhalingsoefening om het zitpatroon te onderbreken. Ook met de klasinrichting wil ik experimenteren door leerlingen de mogelijkheid te geven om de les afwisselend zittend en staand te volgen. In Scandinavische landen (het onderwijs walhalla) behoort dit al tot de standaard. Voor mij is het een grote uitdaging om dit te realiseren met beperkte middelen. Gelukkig borrelen er al heel wat creatieve ideeën in mijn hoofd. Ik zal dus eerst mijn eigen draagvlak zijn.

Maandag was de kick-off van het One Mile project bij ons op school. Leerlingen van het vierde jaar kunnen vrijwillig aan het begin van de middagpauze een mijl gaan lopen onder begeleiding van enkele geëngageerde collega’s. Met de juiste aanpak zijn leerlingen echt geen luie donders. Het kan geen toeval zijn dat net deze week de zon doorbrak. Beweging werkt, wees daar maar zeker van. Doe het gewoon eens.

De gedachte – Weg met Blue Monday!

Morgen is het Blue Monday. Blue Watte? Deprimaandag: zogenaamd de meest deprimerende dag van het jaar. Heel toevallig valt die dag elk jaar op de maandag van de laatste volle week van januari. Jawel. Het concept werd in 2005 bedacht door een PR-bureau om de commercie na de feestperiode weer aan te zwengelen. We moeten natuurlijk iets kopen om die donkere dag te kunnen verslaan. Et voila: de portemonnee kan ongegeneerd worden geopend. Zulke doorzichtige verkoopspraatjes kunnen maar beter overgoten worden met een wetenschappelijke saus. De Britse psycholoog Cliff Arnall liet zich rijkelijk vergoeden om een wetenschappelijke formule te bedenken en zijn naam aan Blue Monday te verbinden. Een slimme carrièrezet was het niet, want de universiteit van Cardiff distantieerde zich van Arnall en diens uitspraken. Blue Monday: dat is je reinste onzin. En ik zal het bewijzen ook.

Arnalls zogenaamde formule is opgebouwd uit de volgende elementen: het weer, de af te lossen schulden, het maandelijkse salaris, het aantal dagen tot het weer kerst is en het motivatieniveau. We zouden ons morgen dus massaal depressief voelen omdat we ten volle beseffen dat we die goede voornemens niet hebben kunnen waarmaken en dat we nog een aardig bedrag van de hypotheek moeten afbetalen. Bovendien zou het ook slecht weer zijn en moeten we nog ruim 11 maanden wachten tot de feestdagen hard op de deur komen kloppen. Wie niet in het bezit is van een huis, kan zich wellicht daar uitgerekend morgen ernstige zorgen over maken. Wie deze maand net opslag heeft gekregen, zal wellicht op meer hebben gehoopt. Dat we morgen een mooie zonnige winterdag voorgeschoteld krijgen, doet de geloofwaardigheid nog meer kelderen. Kortom: het kleinste kind voelt dat de formule rammelt langs alle kanten.

Het is een misvatting van formaat om te veronderstellen dat we het hele jaar toeleven naar de feestdagen. Alsof dat de ultieme dagen zijn waarop we ons opperste geluk beleven omdat we zogenaamd niets moeten doen, behalve dan veel eten. Alsof dat de uiterste vorm van zingeving is in onze levens. Ik denk dat weinig mensen De Feestdagen op hun lijstje plaatsen met gebeurtenissen waar ze zoal naar uitkijken in 2019. Die periode heeft absoluut z’n charme, maar niemand wil toch dat het altijd Kerstmis is? Vergeet niet dat velen vooral blij zijn dat ze de feestdagen weer zijn doorgekomen. Of hoe de zogezegd gezelligste periode van het jaar ook veel gemis en eenzaamheid in de hand werkt. De zomer is op dit moment veel dichterbij dan de donkere decembermaand. Van een lichtpuntje gesproken.

Misvatting nummer 2 is dat maandag de zwaarste dag van de week is. Die dag is immers het verst van het weekend verwijderd. Alsof we alleen in het weekend echt kunnen leven. Alsof we onze voldoening louter halen uit weekendactiviteiten. Vrije dagen zijn zo aangenaam juist omdat je werkgerelateerde activiteiten hebt en een weekroutine. Maandag is in mijn ogen dan ook geen lastige dag. Sterker nog: ik ben doorgaans bijzonder productief op maandagen. Vaker beleef ik een dinsdagdip omdat ik vaak dan pas een klopje krijg van de inspanningen van het weekend. Wie kent trouwens niet het typische zondagsgevoel? Maandag kan dan alleen maar aanvoelen als een opluchting.

Hoe het ook zij, we lijken wel nood te hebben aan het idee van een depridagje, ook al wordt Blue Monday met de nodige ironie aangekondigd in de media. Slechts één dagje per jaar mogen we ons dus schaamteloos depressief voelen. Lastig. Het sluit aan bij de maakbaarheid van ons leven. Mijn advies: doe niet aan goede voornemens. Wacht niet tot in januari om het over een andere boeg te gooien. Zoek een echte motivatie in plaats van wat anderen je opleggen. Durf ambitieus te zijn, maar wees vooral ook realistisch. Weet dat het 20 dagen kost om een gewoonte te veranderen. Lang leve de routine en structuur van het dagdagelijkse leven. Hoera voor de wekker die afgaat zodat we iets van onze dag kunnen maken. Ik breek een lans voor elke maandag!

 

De gedachte – Over gezond zijn

Het is een huizenhoog cliché dat met stip op nummer één prijkt op het lijstje met nieuwjaarswensen: een goede gezondheid, want dat is toch het allerbelangrijkste? Jazeker. Een mens kan pas intense geluksmomenten, verrijkende ervaringen en sportieve successen beleven als het lichaam gezond is. Dat is althans wat we veronderstellen. Wie ongezond of ziek is, mag dan nog zoveel meevallers hebben: ze zullen niet onder de allesoverkoepelende noemer geluk vallen, want je kan er niet van genieten. Met de veelgehoorde nieuwjaarswens wordt in de eerste plaats bedoeld dat je in het nieuwe jaar niet te veel dagen in bed gekluisterd zal moeten doorbrengen en dat je vooral gespaard mag blijven van een ernstige ziekte. Gezondheid omvat echter meer dan niet ziek zijn. De vraag rijst dan ook in welke mate een goede gezondheid maakbaar is en of die ook effectief bijdraagt aan ons geluksgevoel.

Wat betreft het lichamelijke aspect zijn er de nodige medische parameters om na te gaan of iemand gezond is. Iemand die fysiek gezond verklaard wordt, voelt zich daarom nog niet goed in zijn vel. Een goede geestelijke gezondheid is moeilijker te definiëren. Aan welke voorwaarden moet voldaan worden opdat een mens zich goed voelt? Het antwoord op die vraag zal individueel verschillen. Bovendien gaat het vaak over een gevoel waar je moeilijk de vinger op kan leggen. Denk je er te veel over na, dan kan het al vervlogen zijn. Zo kan iemand met een ongezonde levensstijl als een gelukkige mens sterven op een mooie leeftijd. Je kan met andere woorden ongezond, maar wel gelukkig zijn. Omgekeerd kan een fysiek gezonde persoon een ongelukkig leven leiden. Er bestaat een wisselwerking tussen de mentale en fysieke component, maar je goed voelen laat zich niet vangen in een formule.

Waar gezondheid vroeger werd gezien als iets wat je automatisch had als je niet ziek was, is werken aan een goede gezondheid tegenwoordig het ultieme streven. Hiervan getuigen, samen met de nieuwjaarswensen, de vele goede voornemens omtrent gezonder gaan leven. We lijken er nu van uit te gaan dat een gezonde levensstijl ons per definitie gelukkiger zal maken. Al te vaak maken we bovendien de denkfout dat gezondheid af te meten is aan sportieve prestaties die geleverd moeten worden met een slank lichaam. Er wordt verwacht dat je pogingen onderneemt om ’s middags een verantwoorde salade met avocado te eten in plaats van een eenvoudige boterham met kaas. In je voorraadkast verberg je beter de hagelslag door er quinoa, chiazaad en goji-bessen voor te plaatsen. Je hebt een stappenteller nodig om dagelijks voldoende te bewegen en o wee als je op een dag slechts 9.000 stappen aftikt in plaats van de vooropgestelde 10.000.

In zijn boek Ziek van gezondheid (2013) schetst gezondheidsfilosoof en ethicus Ignaas Devisch (Universiteit Gent) een onthutsend beeld van de toenemende medicalisering van onze maatschappij. We nemen met z’n allen steeds meer medicatie. Het aantal ziektes en stoornissen neemt in sneltreintempo toe. Volgens Devisch belijden we gezondheid als een orthodox geloof. Dit houdt in dat we gaan leven volgens de regels van een strenge gezondheidsreligie. Gezondheid is de norm, wie daar niet aan voldoet valt buiten de duidelijk gemarkeerde lijnen van de maatschappij. Slank zijn is een statussymbool waaruit blijkt dat je een gedisciplineerd en succesvol leven leidt. Het aantal gevallen van orthorexia nervosa neemt toe: een eetstoornis waarbij iemand geobsedeerd is door gezond eten. De slinger slaat met andere woorden te hard door, vooral bij de hoogopgeleide tweeverdieners in de stad. Gezondheid is niet langer een middel om doelen te kunnen bereiken, maar een doel op zich geworden.

Het slaat natuurlijk nergens op dat wie slank is, ook gezond is. Laat staan gelukkig. Elk lichaam is anders. Geluk en gezondheid druk je niet uit met een getal op de weegschaal. Ik ben de eerste om te roepen dat lichaamsbeweging deel uitmaakt van een gezonde levensstijl omdat ik zelf aan den lijve heb ondervonden wat het positieve effect is van een actieve ingesteldheid. Ik loop en beweeg omdat ik daar een gelukkigere mens van word. Dat betekent niet dat we allemaal marathons moeten lopen om gezond en goed bezig te zijn. Dat betekent ook niet dat ik altijd gelukkig ben. Ieder lichaam is anders en iedere persoon. Gelukkig maar. In de weg als loper die ik tot nu toe aflegde, trapte ik al meermaals in de valkuil van het gezonde leven en slanke lichaam als doel op zich. Ik werd daar nooit gelukkig van. Ondertussen besef ik dat wie veel van z’n lichaam vraagt er goed moet naar luisteren, al was het een goede vriend. Je moet lief zijn voor je lichaam en er zorg voor dragen, ongeacht wat je ermee doet. Je hebt er uiteindelijk maar één voor een heel leven. Ik vergaloppeerde me dus al eens in het gezonde en sportieve leven dat ik leid. Nooit omdat ik sport en gezondheid als een statussymbool beschouw, maar omdat het soms nu eenmaal verleidelijk is om te denken dat alles maakbaar is. Je hebt heel wat factoren zelf in de hand hebt om in een goede vorm te verkeren, maar er is ook een mysterieus ingrediënt wat maakt dat alle puzzelstukjes op hun plaats vallen en je simpelweg tevreden bent.

In clichés zit doorgaans een kern van waarheid. Laten we elkaar dus vooral een goede gezondheid blijven wensen zodat we de energie en zin hebben om onze dromen na te jagen en onze tijd naar eigen goeddunken plezierig in te vullen. Laten we vooral ons gezond verstand gebruiken om gezond te zijn.

P.S. Op de foto zien jullie een overheerlijke salade met knolselder, wortel, puntpaprika, bloemkool, veldsla en rode bietenhummus als finishing touch. Freekeh is trouwens het nieuwe quinoa. Getest en goedgekeurd!

De gedachte – Over duatlon

Mijn broer strijdt op dit moment voor de wereldtitel lange afstand duatlon. Een voorbeschouwing kan je hier terugvinden. Ongeacht het resultaat vind ik het bijzonder jammer dat de nationale media amper aandacht besteden aan dit kampioenschap. Je zou haast denken dat we in België struikelen over de (vice-)wereldkampioenen. Enkele weken geleden berichtte Het journaal op Eén nochtans over de kersverse wereldkampioene garnalen pellen. Ja, serieus. Er moeten blijkbaar prioriteiten worden gesteld. Vorig jaar vond ik het dus hoog tijd voor een lezersbrief. Die werd niet gepubliceerd. Of wat had je gedacht?

Beste redactie

Een jaar geleden haalde Seppe Odeyn deze krant. Welgeteld zes zinnen wijdde De Morgen aan de wereldtitel duatlon die mijn broer behaalde op 4 september 2016 in het Zwitserse Zofingen. Jawel, duatlon. Hij moest hiervoor 10 km lopen, 150 km fietsen en nog eens 30 km lopen. Hij kreeg uitgebreide aandacht op 3athlon.be, slechts een korte vermelding op de website van Sporza en een interview op Radio 1. Daarin werd onder andere vermeld dat hij een jaar eerder reeds vice-wereldkampioen duatlon werd. Gisteren behaalde hij een tweede zilveren medaille op de meest prestigieuze aller duatlonwedstrijden. Zijn palmares bevat daarnaast nog Belgische titels en podiumplaatsen op internationale wedstrijden. Het moge dus duidelijk zijn dat mijn broer wereldtop is in zijn sport.

Helaas voor hem is duatlon het kleine, ongekende broertje van triatlon. Een sport die net iets meer bekendheid heeft, maar op zijn beurt ook maar een garnaaltje is in de grote sportzee. Mijn broer leeft en traint als een professionele atleet, maar heeft daarnaast ook gewoon een job om de kost te verdienen. Je wordt met andere woorden geen duatleet om geld te verdienen. Juist daarom is het bijzonder jammer dat een klein land als België een volwaardig (vice)wereldkampioen niet eens het vermelden waard vindt in een programma als Sportweekend. Ironisch, als enkele dagen voordien het zendschema wordt omgegooid omwille van kwalificatiewedstrijden waarin onze nationale voetbalploeg het opneemt tegen voetbaldwerg Gibraltar met de (on)nodige voor- en nabesprekingen. Wikipedia leert mij dat het team van Gibraltar slechts één professionele speler heeft.

Als “zus van” ben ik uiteraard bevooroordeeld. Ik begrijp heus dat duatlon minder spektakelwaarde heeft in vergelijking met sporten die wel volop in de belangstelling staan. Ik ben ook een trouwe volger van de Tour, waar dit jaar volop steen en been werd geklaagd over (veel) te lange en saaie ritten. We vinden het met z’n allen echter niet meer dan logisch dat ook die ritten wel uren zendtijd krijgen met daarbovenop (uitgebreide) samenvattingen en besprekingen omdat het nu eenmaal de Tour is.

Enkele keren per jaar slechts één minuut aandacht op de nationale televisie zou heel wat betekenen voor de professionele duatleten die op het scherpst van de snee met hun sport bezig zijn. Ze zullen niet met champagne in het rond spuiten en ze zullen ook geen luxe auto winnen (ze rijden nadien gewoon zelf naar huis in een geleende mobilhome), want daar doen ze het niet voor. Wel om een klein beetje waardering te krijgen voor het harde labeur dat ze leveren om onze nationale driekleur met glans te vertegenwoordigen.

En als er dan toch geen media aandacht aan deze sport wordt geschonken: geef die atleten dan gewoon een standbeeld.

Met vriendelijke groeten

Joke Odeyn

De gedachte – Over topsport als beroep

Ik ben een ambitieuze, maar bovenal recreatieve loper. Marathons lopen is niet mijn werk, het is mijn hobby. Een hobby die weliswaar een belangrijke plaats in mijn leven inneemt. Op sommige momenten mijn leven zelfs een beetje domineert. Soms vraag ik me af wat mij drijft als loper. Waarom kan ik er zo in opgaan en is het zo belangrijk voor mij? Dezelfde vragen kan ik ook stellen over mijn beroep. Het antwoord is dan namelijk niet simpelweg omdat ik er mijn geld mee verdien. Voor het gros van de topatleten zal het financiële aspect ook niet de grootste motivatie zijn om op het hoogste niveau te presteren. Als geld je enige drijfveer is, dan is elke job een zwaar beroep. Mijn broer Seppe is professioneel du- en triatleet, maar hij kan niet leven van zijn sport. Hij heeft dus ook nog een gewone job als vertegenwoordiger. Trainen doet hij met andere woorden in zijn vrije tijd. Het maakt er zijn motivatie niet minder om, integendeel.

Ik heb mezelf ook al de vraag gesteld of ik mijn leven zou willen ruilen voor dat van een betaald topatleet. Begrijp me niet verkeerd: ik heb in de verste verte niet het talent om het te maken als topsporter, ook 15 jaar geleden had ik dat niet. De vraag is dus puur hypothetisch, maar het antwoord erop is telkens volmondig nee. Oké, er zijn al momenten geweest dat ik het lastig vond dat lopen niet mijn core business is. Om praktische redenen bijvoorbeeld: als ik op een warme zondagnamiddag met een marathon in de benen uren in de auto moest zitten, om dan de volgende dag amper uit mijn bed te kunnen, maar dan wel een hele dag op mijn benen te moeten staan in een klaslokaal. Of omdat “niet gaan lopen” niet betekent dat je ook daadwerkelijk rust als je fulltime werkt. Ook toen ik geblesseerd was, dacht ik dat het wel voordeliger zou zijn als ik een andere naam zou hebben. Borlée om maar iets te noemen. Ik zou dan niet ruim een week in onzekerheid hebben moeten leven met allerlei rampscenario’s die zich in mijn hoofd afspeelden, om dan te worden weggestuurd met de boodschap dat ik mijn been moest ontlasten. Met een andere naam kon ik zondagavond nog bij de specialist terecht en zou tot op het bot worden uitgeplozen wat er juist scheelde.

De keerzijde van die praktische voordelen is groot. Topsporters maken immense opofferingen om hun sportieve doelen na te streven. Hun sociale leven lijdt onder de strakke trainings- en voedingsschema’s. Rusten is een noodzaak. Een kerstfeest bij de familie Borlée zal waarschijnlijk minder gezellig zijn dan in een andere niet-topsportende familie. De agenda van een topsporter is tot in de puntjes georkestreerd. Je sport dan niet voor je leven. Je leeft voor je sport. Een blessure kan je inkomen hypothekeren. Je bent niet getroost met een eenvoudige volgende keer beter als een wedstrijd niet uitdraait zoals verhoopt. Een tegenvaller op sportief gebied heeft een grote impact op je hele leven en je kan je gedachten niet verzetten door je op je werk te storten.

Een professionele omkadering betekent ook dat je niet alles zelf kan bepalen. Omringd zijn door specialisten wil zeggen dat je ook naar die mensen moet luisteren. Chris Froome mocht in 2012 de Tour niet winnen omdat zijn bazen Bradley Wiggins hadden betaald om de eindzege binnen te halen. Froome was wellicht sterker, maar mocht zijn eigen kans niet gaan. Afgelopen weekend besliste de coach van onze Belgische turnploeg dat ze de ploegenfinale op het EK niet zouden turnen om de dames te sparen met het oog op het nakende WK. Het zijn rationele beslissingen die gemaakt worden binnen een groter plan, maar die ingaan tegen het instinct van de sporter. Topsport betekent jezelf voor een stuk uit handen geven. Ook aan de media en het publiek. Je wordt dan als persoon gemeengoed en voor je het goed en wel beseft, gaan dingen hun eigen leven leiden. In de afgelopen Tour de France werd gedemonstreerd hoe het publiek zich tegen een ploeg en groep atleten kan keren. Het feest dat sport kan zijn, kreeg plots een grimmige invulling.

Aan mij zou een leven als topsporter dus niet besteed zijn. De eentonigheid van een topsportersbestaan zou mij op lange termijn weinig voldoening schenken. Toen ik geblesseerd thuis zat, werd ik het ongelukkigst van het feit dat ik niet eens kon gaan werken. Naast lopen zijn er veel andere uiteenlopende dingen die mij boeien en bezighouden. Ik kan en wil ook niet kiezen om me op één iets te focussen. Mijn interesses zijn met elkaar verbonden en door te lopen krijg ik ideeën en maak ik plannen. Ik word geprikkeld om eens iets anders te proberen. Een blog beginnen bijvoorbeeld. Laat mij dus maar ver uit de spotlights mijn kilometers lopen. Ik zoek mijn grenzen op binnen de mogelijkheden die ik nu heb en ben mijn eigen coach. Dat is van onschatbare waarde.

De gedachte – Over jongeren en sport

Ik ben leerkracht Nederlands in het vierde en vijfde jaar ASO. Hoe langer ik voor de klas sta, hoe meer voldoening ik haal uit mijn werk. Ik ben er trots op om een leerkracht te zijn. Onder de noemer Joke klaagt zou ik gerust een blog kunnen vol pennen over de problemen waar het onderwijs mee te kampen krijgt, maar ik heb geleerd om vooral te kijken naar alle mooie aspecten die bij het leraarschap horen. Als je dat niet meer kan, dan is het tijd voor iets anders. Je moet je eigen vak doodgraag zien en het tegelijkertijd ook kunnen relativeren. De schoolgaande jeugd die voor je neus zit, is net zo belangrijk als dat vak.

De afgelopen jaren werd ik dus steeds een ferventer loper. Aanvankelijk deed ik daar niets mee in de klas. Ik zag er de meerwaarde niet van in. Ik geef geen sport, dus waarom zou ik er over vertellen? Bovendien ligt de interesse van de gemiddelde 16-jarige nu eenmaal niet bij lopen. Gaandeweg besloot ik om mijn passie voor lopen en een actieve levensstijl wel te delen met mijn leerlingen. Ik vertelde al eens dat ik graag liep of dat ik ’s ochtends voor school al was gaan lopen. Ik vertelde over de marathon en mijn sportieve plannen. Ik vertelde over mijn broer, de wereldkampioen duatlon. Het klonk als waanzin in hun oren: vroeger opstaan om te gaan sporten? Uren aan een stuk lopen?? Voor je plezier??? Ze begrepen het niet en waren juist daarom geïnteresseerd in mijn beweegredenen.

Een persoonlijk verhaal doet altijd zijn werk in de klas. Het zou straf zijn om nu te kunnen vertellen dat mijn leerlingen dermate geïnspireerd werden door mijn ervaringen dat ze ook begonnen te lopen. Dat is natuurlijk niet zo. Er was wat meer nodig om hen aan het bewegen te krijgen. Voor een spelletje zijn ze altijd in, maar dat is heel anders dan eentonige fysieke inspanningen leveren. Vorig schooljaar bedacht ik een concreet project toen ik met mijn collega’s voor de leerlingen van het vierde jaar een sportdag organiseerde. Bij wijze van sportieve aanloop zouden de vierdejaars gedurende een week de kans krijgen om voor school onder begeleiding samen een mijl te gaan lopen (gebaseerd op de One Mile Challenge). Geheel vrijblijvend dus. Om hen mee te krijgen in mijn loopverhaal voegde ik er een spelelement aan toe. Het concept was dus een klassencompetitie waarbij vooral veel beloningen te verdienen waren. Dat bleek te werken. Tot mijn eigen verbazing zag ik elke dag een behoorlijke groep leerlingen om 8u verzamelen om samen 1,6 kilometer te lopen langs de ring van Leuven. De voldoening was groot. Afgelopen schooljaar werkte ik het project nog verder uit en er is meer op komst.

Ik heb lang gedacht dat jongeren steeds inactiever worden door de toenemende invloed van sociale media en allerhande games. We hebben al snel de neiging om vroeger te idealiseren: toen moest je je verplaatsen om een sociaal leven te hebben en kinderen speelden meer buiten. Ik denk echter niet dat er in mijn generatie meer jongeren vrijwillig in een sportclub zaten. Het aanbod en de variëteit aan actieve vrijetijdsbestedingen groeit aanzienlijk. Bovendien is het al te gemakkelijk om met de beschuldigende vinger naar jongeren te wijzen als het aankomt op een passieve levensstijl. Luiheid is eigen aan de mens. Als ik om me heen kijk in eender welke omgeving, dan zie ik dat voor de meeste volwassenen geldt dat sport of lichaamsbeweging een opgave is. We spreken liever af met vrienden om een glas te gaan drinken dan dat we samen gaan lopen. Een uur slaap wordt niet ingeruild voor een uur sport. Lichaamsbeweging heeft geen prioriteit in onze agenda. Mooi meegenomen als het kan, tant pis als dat niet zo is.

Net zoals dat we de jeugd verwijten dat ze heel de tijd met hun schermpjes bezig zijn, doen we het zelf niet echt beter. Het is dan ook veel te kort door de bocht om te stellen dat jongeren bij voorbaat geen boodschap hebben aan lichaamsbeweging. Het gegeven dat je een gevoel van ontspanning krijgt na een inspanning is iets wat je moet leren ervaren. Lichaamsbeweging is een gewoonte die je moet leren waarderen. De ene mens zal sneller van dat principe overtuigd zijn dan de andere. Jongeren zijn in mijn ogen dan ook helemaal niet luier of passiever dan de gemiddelde mens. Ze voelen hooguit minder sociale druk om te voldoen aan een bepaald gezondheidsideaal. Alleen als jongeren in hun directe omgeving geprikkeld worden om actiever te zijn, kunnen ze leren dat lichaamsbeweging een meerwaarde is. Op mijn school vond ik gelukkig zonder problemen een draagvlak voor dit sportieve project. Veel fijne collega’s maakten maar al te graag een beetje tijd vrij in hun agenda om het goede sportieve voorbeeld te geven. Practice what you preach heet dat dan.