De gedachte – Over 10 jaar voor de klas

Ik had deze week een jubileum te vieren. Maandag 3 januari 2011 was namelijk mijn eerste schooldag als leerkracht. Ik sta dus welgeteld 10 jaar voor de klas. Toen ik afstudeerde als literatuurwetenschapper, werkte ik eerst in een restaurant en vervolgens in de boekensector. Mijn ouders gaven hun leerkrachtengenen echter aan hun eerstgeborene mee en het was dus onvermijdelijk dat ik leerkracht zou worden. In december 2010 ging ik solliciteren op mijn oude, vertrouwde middelbare school: Atheneum De Ring in Leuven. Tot op heden nog steeds de plaats waar mijn onderwijshart sneller gaat slaan. Mijn eerste lesopdracht bestond uit Engels in het vierde en Nederlands in het vijfde jaar. Die klas in het vierde jaar bezorgde me meteen ernstige kopzorgen en twijfels. Ik leerde veel, laten we het daarop houden. Mijn leerkrachtendroom bleef gelukkig overeind. Van mijn eerste schooldagen en -weken als leerkracht herinner ik me vooral hoe herkenbaar de sfeer en dynamiek in een klas was. Ik werd terug gekatapulteerd naar mijn eigen puberjaren en alle worstelingen die daarbij horen. Niet alleen mijn lesopdracht veranderde door de jaren heen (ik gaf les in alle leerjaren), ook het onderwijslandschap doorstond het één en ander. Ter ere van mijn jubileum ontkracht ik met plezier 10 hardnekkige mythes rond onderwijs. Niet omdat ik de wijsheid in pacht heb, wel omdat ik nu eenmaal graag over mijn week vertel.

Leerkrachten zijn niet lui, integendeel: het merendeel van mijn collega’s beschouw ik als hardwerkend, ijverig en doelgericht. Ik kwam op een school terecht met een gedreven lerarenteam dat me wegwijs maakte én inspireerde. Collega’s die een luisterend oor boden en me ook m’n eigen ding lieten doen. Ik kreeg er vrienden voor het leven bij. Natuurlijk zijn er ook leerkrachten die niet vanuit dezelfde overtuiging voor de klas staan, die liever lui dan moe zijn. Zulke werknemers vind je in elke sector. Nee, wij zijn dus niet lui omdat we op woensdagnamiddag “vrij” hebben en we “slechts” 20 à 21 uur lesgeven. Onze lesvrije momenten besteden we aan allerhande voorbereidend werk, evaluaties en administratie. Als je een leerkracht ’s avonds opbelt, dan is de kans groot dat ie aan het werk is, alleen ziet niemand dat.

IMG_4464b
Op jaarlijkse schooluitstap naar Parijs met de vierdejaars!

Leerlingen zijn niet ongeïnteresseerd, op hun leeftijd is het gewoonweg niet makkelijk om openlijk interesse te tonen. Soms liggen de aanknopingspunten bij hun leefwereld voor het grijpen, soms zal je wat meer moeite moeten doen om ze mee te krijgen. Als je geen respons krijgt, betekent dat niet per se dat je ze niet bereikt. Je mag je vooral niet laten tegenhouden door het gebrek aan enthousiasme dat sommige leerlingen uitstralen. Er sijpelt mogelijk meer binnen dan je aanvankelijk denkt.

Achter elk (lastig) gedrag schuilt een persoonlijkheid die je niet uit het oog mag verliezen. Gedrag is de buitenste – zichtbare – schil van een leerling. Het is een misvatting dat de meeste pubers gruwelijk irritant en dwars zijn. Leerlingen die de grenzen aftasten vind je in elke klas, maar dat betekent niet dat ze je het bloed van onder de nagels halen. In mijn carrière is er slechts een handvol leerlingen dat mij uit mijn lood kon slaan, die me een écht onbehaaglijk gevoel bezorgden waardoor ik niet wist hoe ze te benaderen.

IMG_1091
Ik ben het er niet mee eens. Vallen van Anne provoost is echt geen k*tboek.

Leerlingen zijn bang van teksten, waardoor een boek lezen gelijk staat aan een marathon lopen. Sociale media hebben er ongetwijfeld aan bijgedragen dat leerlingen steeds minder geconfronteerd worden met grotere teksthoeveelheden. Een smartphone is een constante bron van afleiding die een wereld creëert waarin alles snel gaat en dus kort moet zijn. Al is het ook flauw om te pretenderen dat voor de opkomst van de smartphone elke jongere wél boeken las. In elke klas zijn er nog steeds boekenjongens en -meisjes te vinden die boeken verslinden en bibliotheken uitlezen. Je mag de hoop voor een lezende jeugd nooit opgeven.

Elke leeftijd heeft zijn voor- en nadelen, de kunst is om je te focussen op het positieve. Na mijn eerste negatieve ervaring met een vierde jaar bleef het lang aan mij plakken dat ik geen les kon geven in dat jaar. Inmiddels vind ik net die leeftijd (15 à 16 jaar) de bijzonderste, mooiste en uitdagendste. Jongeren balanceren daar op een dunne koord tussen kind-zijn en de volwassenwereld. Bovendien heeft onderzoek aangetoond dat het welzijn van leerlingen een dip bereikt in het vierde jaar en de schoolmotivatie een dieptepunt bereikt. Neem daarbij de impulsiviteit die eigen is aan die leeftijd en je krijgt een explosieve cocktail die al eens een verhitte discussie of een uit de hand gelopen spelletje oplevert. Daarnaast staat een heel grote puurheid die prachtige wijsheden en inzichten voortbrengt. Het ene moment noemt een leerling je per ongeluk mama, een tel later roept iemand iets onbeleefd door de klas. Lesgeven is nooit saai.

IMG_1524b

Alles begint met een goed gesprek, of je nu lesgeeft of een conflict moet oplossen. Je moet onbevangen kunnen luisteren en openstaan voor andere invalshoeken. Als je wil dat leerlingen interesse tonen voor jou en je vak, dan moet je je ook interesseren voor hun bezigheden en leefwereld.

Je moet je eigen vak het allerbelangrijkste vinden, maar dit ook altijd kunnen relativeren. Ik geef elk leerstofonderdeel van mijn vak graag. Zo kan ik op 15 verschillende manieren uitleggen hoe de vervoeging van werkwoorden in elkaar zit (en dat dat eigenlijk best logisch is), desgewenst nog een 16e keer omdat iemand niet oplette. Ik kan met evenveel enthousiasme vertellen over passieve zinnen als over poëzie. Als het over boeken gaat, barst ik echt los. Het is fijn als leerlingen affiniteit hebben met de leerstof, maar ook geen ramp als dat niet zo is. Je kan iedereen iets leren, al leer je niet iedereen evenveel.

Je hebt niet 100% de aandacht omdat je vooraan in de klas staat, je bent slechts een deel van het geheel. Lesgeven aan jongeren is in niets te vergelijken met een presentatie geven. De aandacht krijgen en vasthouden is één van de moeilijkste dingen om te leren omdat er geen hapklaar succesrecept is. Het is altijd weer zoeken naar manieren om iedereen te betrekken bij de les. Ik heb vooral geleerd om te durven overdrijven en me niet in te houden om een grapje te maken, ook als niemand het echt grappig vindt. De allerbeste manier om de aandacht te krijgen, is trouwens iets over jezelf te vertellen.

IMG_3440b

Je moet streng zijn, maar tegelijkertijd ook vriendelijk, behulpzaam en geduldig. Streng zijn betekent niet dat je op elk moment je autoriteit uitspeelt door te straffen en te roepen. Streng zijn betekent dat je het klasgebeuren in goede banen leidt en dat je kordaat optreedt als dat nodig is. Wat ik tijdens mijn opleiding leerde over pedagogiek en didactiek hielp me om bepaalde mechanismen te gebruiken en te doorzien, maar elke situatie en ook elke leerkracht is anders. Je mag geen rol spelen die te ver van jezelf ligt. Het is goed dat elke leerkracht anders is. Je moet ook niet “leuk” willen zijn. Je bent begaan met je leerlingen, maar het zijn geen vrienden. Een leuke leerkracht word je door een veilige leeromgeving te creëren, een plaats waar het fijn is om te zijn.  

Leerkrachten hebben een zwaar onderschat beroep. Daar heb ik verder niets aan toe te voegen.

Over de quotes in mijn klaslokaal gaf ik hier tekst en uitleg.

De gedachte – De tragiek van de steenweg

De steenweg: Vlaams, Vlaamser, Vlaamst. Een functionele verbindingsweg die steden of gemeentes met elkaar verbindt, waar grijs, grauw en groen elkaar ontmoeten, waar levens elkaar routineus kruisen, waar de auto nog steeds baas is. Voor ik hier steenwegen of liefhebbers ervan beledig: ik heb het hier over mijn steenweg, de Tiensesteenweg. Tegenwoordig heb je namelijk ook mooie, leefbare steenwegen die niet langer typerend Vlaams aanvoelen. Dat gaat helaas niet op voor de steenweg tussen mijn woonplaats rond Tienen en mijn werk in Leuven. Sinds ik in het voorjaar verhuisde, bracht ik elke werkdag een uur of twee door op de steenweg. Ik stap ’s ochtends in alle vroegte op mijn zwaarbeladen (volledig door beenkracht aangedreven) stadsfiets om 20 kilometer naar mijn werk te fietsen. 15 kilometer daarvan spendeer ik op steenwegterrein. En na schooltijd fiets ik uiteraard weer naar huis. De afgelopen maanden kreeg ik kortom uitgebreid de tijd om het steenwegleven te observeren. Het leven op de steenweg dat ligt nooit stil.

IMG_3917b

Voor ik jullie uitleg wat mij zo fascineert aan de steenweg, beantwoord ik een veelgestelde vraag: dagelijks 40 kilometer op een glooiende steenweg fietsen, is dat niet vreselijk lang en vermoeiend? Ik geef daarop steeds het ietwat filosofische antwoord: nee, dat is geen opgave omdat het in mijn hoofd niet lang is. Kijk, de eerste week dat ik de fietstocht naar mijn werk ondernam, was ik continu bezig met de weg en vooral met hoe ver het nog was. Ik zat nog niet in de routine, dacht nog te veel na. Ja, toen heb ik dus best wel gezucht, gevloekt en gefrustreerd op mijn pedalen gestampt. Ironisch genoeg reed ik juist die eerste weken ook belachelijk snel. Mijn record (ahum) verbeteren was namelijk een bezigheid die voor afleiding zorgde. Hoewel dat resulteerde in belachelijk snelle fietstochten, moet ik er inmiddels niet meer aan denken om wedstrijdgewijs naar school te fietsen. Nu is het kinderlijk eenvoudig: ik stap op de fiets, ik duw op mijn pedalen en ik kom thuis aan. Soms met wind en regen. Soms met de zon. Maar ik kom altijd thuis aan. 

IMG_3900b

Van thuis uit is de weg náár de steenweg een droom van een fietspad die 4,5 kilometer duurt. Denk: een volledige afgescheiden én nieuw aangelegd pad langs het groen. De steenwegpret of -miserie begint onder de naam Leuvenselaan, dat wordt de Leuvensesteenweg om dan onvermijdelijk te veranderen in dé Tiensesteenweg. De logica achter de naamgeving kan de erbarmelijke fietsinfrastructuur niet verhullen. Armoe troef vat het zowat samen. Het grootste deel fiets ik tussen lijnen de naam fietspad niet waardig. Uitgerekend voor dit gegeven schopte “moordstrookje” het met enig cynisme tot Woord van het Jaar in 2018. Het wegdek bevindt zich bovendien ook nog eens in slechte staat, waardoor ik scheuren, barsten en bobbels moet trotseren. Als zwakke weggebruiker moet ik altijd alert zijn, heb ik ogen in mijn rug en fiets ik met een fluohesje en fietshelm in de hoop dat ik daardoor voldoende beschermd ben tegen (vracht)verkeer dat veel te dicht langs mij voorbij raast.

IMG_3891b

Ik verbaas me nog dagelijks over de diversiteit aan handelszaken die de steenweg huisvest. Voor de hand liggend zijn de medische en paramedische praktijken, de frituren, bloemenwinkels, broodjeszaken en krantenwinkels. Er is echter ook een speciaalzaak voor danskleding, een casino en zelfs een rendez-vous hotel. Met een totaal van 12 stuks zijn de kapperszaken het best vertegenwoordigd. Een bijzondere vermelding gaat naar Bajwa’s nachtwinkel die onder de noemer “algemene voeding” respectievelijk “tabak, alcohol, groenten en fruit” verkoopt. Na verloop van tijd kreeg ik ook inzicht in het mierennest aan gewoontes dat de steenweg herbergt. Kinderen wachten op de bus, werkmannen in hun camionette. Er is de man die op zijn balkon staat te roken (er wordt echt heel veel gerookt op de steenweg), het pubermeisje dat eenzaam op de schommel zit in een kale tuin, het meisje met de roze jas op de te kleine fiets en de kat die alles nauwlettend in de gaten houdt vanachter het raam. De alledaagsheid van de steenweg vind ik nog steeds boeiend. Vraag me niet waarom. 

IMG_3894b

Minder alledaags zijn de magische steenwegmomenten die ik al beleefde. Die hebben altijd te maken met de natuur die ook bijzonder goed vertegenwoordigd is. In september zag ik tientallen ooievaars op lantaarnpalen zitten die in Kumtich (of all places!) hadden overnacht tijdens hun trek naar het zuiden. Ik zag al prachtige zonsopkomsten. Ik zag een betoverend in mist gehuld landschap. Ik zie dagelijks stoere bruine koeien, een merrie met veulen en een weide vol witte herten. Ook toen ik foto’s maakte om deze tekst van beeldmateriaal te voorzien, viel het me op hoeveel pittoreske plaatjes ik kon schieten. Van de natuur, maar ook van de prachtige woningen, de ene al bewoonbaarder dan de andere, die het steenweglint van een sierlijke touch voorzien. Vergis u niet: de steenweg an sich is lelijk, de streek die hij doorkruist is dat geenszins.

IMG_3907b

Ik was eerst van plan om het te hebben over de romantiek van de steenweg. Omdat er heus ook wel hoffelijkheid bestaat. Omdat er dezer dagen heel wat symbolen van verbindende aard te vinden zijn. Maar vooral omdat ik toch wel een klein beetje heel erg van mijn lelijke steenweg ben gaan houden. Het kleinmenselijke dat de steenweg biedt, staat echter in schril contrast met de groezelige en ronduit levensgevaarlijke kant van dat fameuze grijze lint. Een informatiebord langs de weg leerde mij dat er in de maand oktober maar liefst 612 zware boetes werden uitgedeeld op een plaats waar je 70 km/u mag sjezen. Er zijn te veel roekeloze chauffeurs die de steenweg voor Francorchamps aanzien. Het mag dan ook niet verbazen dat ik al meerdere aanrijdingen zag. Daarbovenop is er ook heel veel werfverkeer, (langs de steenweg wordt altijd gewerkt), waardoor er behoorlijk wat bouwmateriaal in de berm belandt. Je zal als fietser op de moordstrook maar een gyprocplaat tegen je hoofd krijgen. Ik zie veel te veel road kill dan goed is voor mijn gevoelig dierenzieltje. Ik voel plaatsvervangende schaamte voor het zwerfvuil in de berm, het wc-papier dat in de struiken hangt en de vuilniszakken die worden gedumpt. De steenweg is een plaats waar de mens zich ook van zijn smerigste kant toont.

IMG_3913b

Ondanks dat tragische aspect ben ik gehecht aan de steenweg omdat ik er als eenzame fietser soms kromgebogen over haar stuur in alle anonimiteit kan opgaan in het landschap. Stevig ingepakt vanonder mijn fietshelm durf ik al eens luidop meezingen en zelfs gesticuleren. Ik kan intens genieten van de muziek die ik op de heenweg luister en de podcast op de terugweg. Heel soms moet ik de neiging onderdrukken om kei hard te schreeuwen: zwijg nu allemaal eens! Hoe tegenstrijdig het ook klinkt, die steenwegruis bezorgt mij op de één of andere manier een dagelijks rustmoment van en naar mijn werk. De steenweg en ik, we zijn aan elkaar overgeleverd. Tussen ons is het van moeten, maar daarom niet minder van harte.

IMG_3422b

 

De gedachte – Over intermittent fasting of dagen zonder ontbijt

Periodiek vasten of intermittent fasting is wijdverbreid en, mocht je er nog aan twijfelen, helemaal in. De ene na de andere lyrische getuigenis van een ervaringsdeskundige (al dan niet sporter) steekt de kop op. Periodiek vasten betekent dat je periodes niet of nauwelijks eet en die afwisselt met gewone eetmomenten. Als iets trending is, dan kan het bij mij twee kanten op: de rebel in mij verkettert het en weigert zich neer te leggen bij de mainstream. Ik doe lekker tegendraads dus niet mee. Die houding kan echter ook omslaan in: ik moet dit geprobeerd hebben om er een mening over te vormen die proefondervindelijk gefundeerd is. De heersende vorm van periodiek vasten is de 16/8 variant: je eet minstens 16 uur niet, gevolgd door een periode van 8 uur waarin je gewoon eet. Je zou zo beter leren luisteren naar je hongergevoel, waardoor je automatisch minder gaat eten. Bovendien zou je lichaam tijdens de vastenperiode overschakelen op vetverbranding en verlies je ook daardoor gewicht. Bij wijze van experiment besloot ik om tijdens de laatste werkweek voor de herfstvakantie twee dagen mijn ontbijt over te slaan. En dan zou ik wel weten hoe het zat. De twee dagen werden vier dagen en deze week ging ik er tijdens mijn vakantie vrolijk mee verder.  Waarom ik uiteindelijk zwichtte en hoe het me beviel, dat leg ik jullie graag uit.

Ik zal maar meteen toegeven dat ik niet helemaal aan mijn proefstuk toe ben wat betreft vasten. Enkele jaren geleden gaf ik toe aan het 5:2 dieet. Daarbij eet je vijf dagen per week volledig “normaal”, zonder enige restrictie en vast je twee dagen. Op die vastendagen mag je telkens 500 calorieën nuttigen. In de praktijk kwam het erop neer dat ik die dagen niet ontbeet en een héél héél lichte lunch en diner nuttigde. Denk: veel droge rauwkost met iets van eiwitten erbij. In eerste instantie was ik hier positief over. Ik worstelde toen stevig met gewichtsissues, zat niet fantastisch in mijn vel en dit dieet leek op het eerste zicht heel erg haalbaar, als in: je moet slechts twee dagen per week doorbijten. Na goed een half jaar hield ik het echter voor bekeken omdat ik merkte dat ik steeds meer begon op te kijken tegen de vastendagen. Een dag amper eten is echt geen pretje als je in se heel graag eet. Bovendien verloor ik er niet echt gewicht mee, wat wel het initiële doel was. Als een dieet je slechtgezind maakt en je er geen gewicht mee verliest, dan heeft het geen zin om door te zetten. Ik beloofde mezelf plechtig dat ik mezelf dit niet meer zou aandoen.

Periodiek vasten zou je naast gewichtsverlies ook een scherpere geest en een betere nachtrust opleveren. Sommigen gaan nog een stapje verder en beweren dat je hierdoor heel wat akelige ziektes kan vermijden. Ik las vaak dat het natuurlijker is voor je lichaam om langere tijd niet te eten. De oermens, lieve lezers, die at soms da-gen niets om zich dan te goed te doen aan een overdaad bessen of een stevige mammoetbiefstuk. Het is dus een oeroud mechanisme dat honger ons scherper en alerter maakt. Verteren daarentegen maakt ons slomer en net dat is voor onze oermens levensbedreigend. Ik vind het behoorlijk onzinnig om mijn lichaam vandaag de dag te vergelijken met dat van de oermens een dikke 100.000 jaar geleden. Alsof de mens en zijn lijf initieel zo bedoeld waren en wij daar zoveel jaar later terug naar moeten grijpen om goed bezig te zijn. Vreemd.

De meeste volgers van het 16/8 vasten slaan hun ontbijt over en eten rond 12 uur een eerste maaltijd. Je mag dan eten tot 20 uur. Dat klinkt heel acceptabel, ware het niet dat ik altijd gezegd heb dat ik nooit, maar dan ook nooit zou vasten omdat ik net zo graag ontbijt. Ik vind dat oprecht één van de gezelligste momenten van de dag. Bovendien is mijn ontbijt redelijk uitgebreid, sta ik op om 5u30 en fiets ik 20 kilometer naar school. Als het middag is, heb ik er kortom al een lang en actief dagdeel op zitten. Maar goed, ik zou periodiek vasten in alle objectiviteit een kans geven. Ik stond vorige week dus op om 5u30 en dronk een zwarte koffie (dat mag dus wel). Het voordeel van niet ontbijten is dat je meer tijd hebt. Tijd bijvoorbeeld om echt van die koffie te genieten en nog wat te werken. De ochtend was er niet per se minder gezellig om. Ik had geen slappe benen op de fiets. Door de drukte van de schooldag stond ik amper stil bij het feit dat ik nog niet gegeten had. Nee, ik werd dus niet overmand door een hongergevoel van jewelste. ’s Middags ging ik op nuchtere maag lopen en bijgevolg at ik vlotjes 17 uur niet omdat dat praktisch zo uitkwam. So far, so good.

Ik kan niet precies uitleggen waarom ik toch zwichtte voor het 16/8 intermittent fasting. Noem het nieuwsgierigheid en de behoefte om mijn gewoontes onder de loep te nemen. Met gewichtsverlies probeer ik niet meer bezig te zijn. Omdat het vasten zo makkelijk was toen ik ging werken, besloot ik om tijdens mijn vakantieweek ook eens na te gaan of het ontbijt overslaan me even goed zou bevallen. Het voordeel was dat ik niet zo vroeg moest opstaan. Het nadeel dat ik niet de afleiding van de werkdag heb en het misschien toch zou voelen als aftellen tot de middag. De afgelopen dagen stond ik op om 7u30, maakte een koffie die ik in bed opdronk met een goed boek en de katten erbij. Rond een uur of 11 ging ik dan nuchter lopen of fietsen. Zware trainingen zonder vooraf te eten worden sowieso afgeraden omdat je dan niet goed kan herstellen. Daar hield ik me braaf aan. Zowel de ontspannen ochtenden zonder ontbijt, maar mét koffie, als de training erna bevielen me erg goed.

Wat zijn mijn bevindingen na twee weken 16/8 vasten? Allereerst, het hongergevoel dat ik als geroutineerd ontbijtlover vreesde, is verwaarloosbaar. Het grootste voordeel is de rust die ik kreeg door niet met eten bezig te zijn. Op werkdagen sta ik toch onder lichte tijdsdruk fruit te snijden of een eitje te koken. Als dat wegvalt, komt er tijd vrij. Nuchter lopen of fietsen ging heel vlot, maar dat is wellicht ook te wijten aan mijn algehele staat van ontspanning nu ik even weg ben van de schooldrukte. Ik voelde me verder niet anders dan anders. Of ik gewicht verloren ben, daar heb ik het raden naar. Ik word niet gelukkig van op een weegschaal te gaan staan, dus daar heb ik ook nu voor gepast. Wel had ik nooit last van een opgeblazen gevoel, wat me anders wel eens kan overkomen. Ik wil dus graag geloven dat ik door periodiek vasten mijn lichaam de kans geef om te resetten, te herstellen en vet te verbranden. Al blijf ik ook mijn bedenkingen hebben. Periodiek vasten wordt strikt genomen geen dieet genoemd omdat het niet voorschrijft wat je wel en niet mag eten. Juist daar wringt voor mij het schoentje. Ik geloof in bewust eten en niet in punten, calorieën of uren tellen. Bij periodiek vasten kan je in principe nog steeds kiezen voor niet-voedzame maaltijden of snacks. Ik zou dus alleen voor deze levensstijl kiezen als die je helpt om bewuster te eten (en leven). Blijf echter ook nuchter en realistisch. Temper je verwachtingen. Mijn leven is er niet manifest anders door geworden, waarschijnlijk omdat ik al bewust met mijn lijf en gezondheid omga.

Tot slot, wil ik jullie na deze uiteenzetting over niet-eten niet op jullie honger laten zitten. Daarom volgt hier het recept van mijn niet te versmaden en erg voedzame frambozencake. Meng in een kom 160 gram havermout, 90 gram speltbloem (of wat je verkiest), 50 gram kokospoeder, 100 gram suiker en 2 eetlepels bakpoeder. Voeg er 2 eieren, 60 ml (haver)melk en 60 gram gesmolten kokosolie aan toe. Als dit een mooi beslag is, voeg je er nog eens 320 gram plattekaas of volle yoghurt aan toe. Stort de helft van het deeg uit in een cakevorm met bakpapier, voorzie het van een laagje diepgevroren frambozen en uiteindelijk de rest van het beslag. 55 à 60 minuten afbakken op 190 °C. Smakelijk!

IMG_3678b

De gedachte – Bravo, dappere leerkracht!

Het is vandaag Dag van de Leerkracht. Exact een jaar geleden zag ik weinig reden tot feest, laat staan blijdschap. Ik schreef toen iets wat ik nu zonder meer een noodkreet durf te noemen. Het was eventjes helemaal op bij mij. September hakte er in, alles kwam op me af en ik leek de grip te verliezen. Ik stelde mezelf de vraag waarom ik leerkracht was geworden. In oktober liep ik dan wel een goede marathon als haas van Roos, maar ik was moe. Heel moe. Ja, ik stond nog graag in mijn klas, maar het kostte me meer energie dan anders. Ik had het idee dat ik mijn leven niet meer georganiseerd kreeg en dat de schoolstress alles overheerste. Dat ging zo verder tot in december 2019. Ik vond mijn esprit echter helemaal terug aan het begin van 2020. Tijdens de lockdown begin maart wist ik me prima bezig te houden, maar ik miste mijn klas en de leerlingen vrijwel meteen. Ik beschouwde dat als een uitermate positief teken.

De twijfel over mijn beroepskeuze is intussen als sneeuw voor de zon verdwenen. De hemel is opgeklaard. Ik zit soms weer eens op mijn roze wolk. Voor alle duidelijkheid: dat komt niet omdat de druk op leerkrachten is afgenomen, omdat we betere ondersteuning krijgen of omdat er anders naar onderwijs tout court gekeken wordt. De verwachtingen en de druk zijn nog steeds torenhoog. Als er iets is dat de corona-onderbreking van het afgelopen schooljaar aantoonde, dan is het wel dat leerkrachten uitblinken in flexibiliteit en improvisatievermogen. Hoe gek en bevreemdend die periode ook was, we deden met z’n allen verder en we deden dat best goed. We blijven doorgaan, niet omdat Ramses Shaffy dat zegt, maar omdat wij hardnekkig blijven geloven in ons onderwijs. Geen OESO-rapport dat daar tegenop kan.

Omdat het vandaag onze dag is, schuif ik mijn bescheiden aard aan de kant en prijs ik alle leerkrachten de hemel in. Een leerkracht is een circusartiest die elke dag letterlijk en figuurlijk op hoog niveau over een koord moet lopen. Alle blikken zijn op haar gericht. Ze kan in de diepte storten of perfect balanceren. Lesgeven dat is namelijk elke dag weer een evenwicht zoeken tussen inspireren, coachen, streng en behulpzaam zijn, aanmoedigen, geduldig zijn, corrigeren, zelf bijleren en blijven functioneren. Om het beste in je leerlingen naar boven te halen, moet je ook het beste in jezelf kunnen aanboren. Dat lukt de ene dag al beter dan de andere. Soms lijkt er nauwelijks spanning op onze koord te staan, dan val je en moet je vertrouwen op het vangnet van de school. Soms loop je schijnbaar moeiteloos over dat touw. Dan maak je al jonglerend met vijf ballen een pirouette of een dubbele axel. Dan lach je daar nog heel spontaan bij en vertel je en passant een goeie grap. Je wordt geen leerkracht voor dat unieke momentum dat je soms creëert. Je wordt leerkracht omdat je elke dag weer graag iets over je vak vertelt aan jongeren.

Ik ben weerbaar en flexibel omdat ik deel uitmaak van een fantastisch schoolteam dat wordt aangevoerd door een ijzersterke directie. Zonder mijn lieftallige collega’s zou ik vandaag maar half de leerkracht zijn die ik met 10 jaar ervaring geworden ben. Een speciale vermelding gaat naar An, Ellen, Kirsten, Murielle, Bart, Gunter, Pieter-Jan, Stijn en Zefir. Stuk voor stuk topleerkrachten die bevlogen en ambitieus, doch realistisch zijn. Zij geven les met de voeten op de grond, maar wel recht uit het hart. Zij zijn mijn rotsen in de branding telkens als ik denk dat we weer eens recht op de klippen afvaren. Met hen aan mijn zijde durf ik gerust nog 30 jaar voor de klas te staan. Natuurlijk gaat mijn appreciatie ook naar mijn beide ouders die leerkracht zijn. Zij hebben me niet alleen opgevoed tot het flinke meisje dat ik nu (meestal) ben, ze gaven ook al hun leerkrachtengenen (en dat zijn er heel wat) mee aan hun oudste kind. Mijn eeuwige dank daarvoor.

Als je vandaag een leerkracht ziet: bekijk haar of hem eens goed. Je gelooft het misschien niet, maar dit is echt een mens.

De gedachte – Over de zomer van 2020

Morgen begint het nieuwe schooljaar en zit mijn zomervakantie er dus definitief op. Een kersvers schooljaar: dat is iets om reikhalzend naar uit te kijken. Ik zou liegen als ik beweer dat de zomer van 2020 significant anders dan anders was. Het grootste verschil was de nieuwe omgeving waar ik sinds enkele maanden van kan genieten: meer groen, meer plaats en meer rust. De corona-maatregelen gooiden zo nu en dan wel een klein beetje roet in het eten. Het was namelijk de zomer zonder zussentrip naar Parijs en zonder familieweekend (+ trail) in Houffalize. Het gemis van Parijs konden Roos en ik een beetje compenseren met Den Haag. Voor Houffalize was de La Chouffe blanche plaatsvervanger van dienst. Met mate uiteraard. De zomer van 2020 zal ik me herinneren als de zomer van rustiger aan en ironisch genoeg daardoor soms ook van onrustiger in het hoofd. Hoe ik mijn werk als leerkracht zou moeten uitvoeren in september, dat was namelijk heel lang een groot vraagteken. De zomer voelde soms een beetje leger aan, soms een beetje doellozer, maar uiteindelijk toch zonnig en deugddoend genoeg om er blij van te worden. Dit is wat mij zal bij blijven.

Ik heb nu dus een tuin. Eentje waarin behoorlijk wat groeit en woekert. Rozen, hortensia’s en cyclamen bijvoorbeeld, maar ook heel veel netels. Om de strijd met die hardnekkige sfeerkillers aan te gaan, kreeg ik versterking uit professionele hoek. Niemand minder dan mama en Roos kwamen met heel wat tuingereedschap een namiddag hard labeur leveren. Met verenigde krachten wonnen we zo toch al een veldslag van het onkruid. Voor het eerst in mijn leven heb ik een composthoop.

Composteren, het is een vak op zich

Op creatief gebied liet ik me volledig gaan met schuurpapier en lakverf. Ik besefte weer eens hoe graag ik meubels opschuur en van een fris kleurtje voorzie. Zo voorzag ik twee stoelen, wat wijnkistjes en tal van kleinere decoratie-items van een semi-vakkundig likje lak. Geloof me: dat is het ultieme DIY-project! De laatste weken bracht ik ook weer behoorlijk wat tijd door in mijn ruime crea-atelier, waarover later ongetwijfeld meer.

Er werd natuurlijk ook ernstig gelezen. Dankzij mijn nieuwe uitgebreide boekenkast staat elk boek nu echt te pronken in mijn salon. Dat moest dan weer het gebrek aan culturele uitjes compenseren. Waar ik vorige vakantie mijn Museumpas maximaal probeerde te benutten, bleef het nu bij lezen over cultuur en veel muziek luisteren via Spotify. Hopelijk biedt september nog de mogelijkheid tot een museumbezoek.

Vooral in augustus was ik veel op de fiets te vinden. Er was natuurlijk de ontdekking van de LF6 en de ravel, maar ik ging ook aan de slag met fietsknooppunten en ontdekte zo echt de meest idyllische weggetjes op een boogscheut van mijn huis. Wie er nog aan twijfelt: er is dichtbij ook zoveel moois te ontdekken.

Ik maakte ook al wat voorzichtige plannen voor het najaar. De Hel van Kasterlee zou doorgaan, de nodige maatregelen indachtig. En ja, die marathon moet en zal ik echt lopen in oktober. Het kriebelt te hard en als het kriebelt, dan moet je een marathon lopen. Ik voegde dus weer duurlopen toe aan mijn weekprogramma. Bij een +20 km kan het verschillende kanten opgaan. Tussen de extremen alles zit mee of alles zit tegen bevindt zich een scala aan mogelijke scenario’s. Vrijdag liep ik 27 km en het was een duurloop van de extreme alles-zit-tegen-soort: wind (tegen natuurlijk), te veel hoogtemeters, een gevaarlijke weg, buikkrampen en opbouwende stramheid in mijn hamstrings. Kortom nog maar eens een les in volharding en tijd om weer een bezoek te brengen aan de kinesitherapeut. Inmiddels kan dat weer.

Op sociaal vlak was het een povere zomer, daar moeten we niet onnozel in doen. Contact onderhouden gebeurde voornamelijk digitaal. Ik ging niet lunchen of koffiedrinken met mijn vriendjes. Bezoeken waren schaars en de familiemomenten beperkt binnen de bubbel. Gelukkig kon ik de vakantie wel in schoonheid afsluiten dankzij een looprondje in Rotselaar in gezelschap van mijn zussen, metekindje en papa. We hadden best veel bekijks met ons looppeloton. Ofwel is dat omdat een schattig kind als Leah nu eenmaal alle aandacht trekt, ofwel omdat mijn zussen zo knap zijn ofwel omdat we luid praten als we onder ons zijn.

Team Odeyn op pad!

Wanneer begint die Indian summer nu precies?

De gedachte – Hoe zou het zijn met?

Aan hoofdrolspelers was er geen gebrek tijdens de coronacrisis. Er zijn de zorgverleners, de winkelbediendes, de postbezorgers, de vuilnisophalers en het onderhoudspersoneel dat ettelijke malen – geheel terecht – in de bloemetjes werd gezet. De witte lakens en lieve berichten aan tal van woningen zijn daar nog steeds stille getuigen van. De crisis leverde ook figuranten aan die via sluikse weg hun stempel op de afgelopen periode konden drukken. Of juist niet. Hoe zou het hen eigenlijk vergaan?

Hoe zou het zijn met de hamsteraars?
Zijn ze nog steeds overtuigd van hun grote gelijk? Denken ze met weemoed terug aan de Slag om de Supermarkt die ze bevochten begin maart? Checken ze dagelijks hun geheime voorraad alcoholgel en handzeep in de hoop die aan woekerprijzen te kunnen verkopen? Of eten ze nu dagelijks erwten, wortelen en boontjes uit blik met het schaamrood op de wangen? Decoreren ze hun woning met zelfgemaakte mozaïekjes van gedroogde spliterwten en linzen? Zijn ze al maandenlang creatief in de keuken met spirelli en farfalle? Vullen ze hun zwembad niet met kraanwater, maar met de flessen bronwater die ze aansleepten?

Hoe zou het zijn met Eliud Kipchoge?
Zat hij de afgelopen maanden eenzaam op z’n berg in Kenia op anderhalve meter afstand van zijn collega-lopers? Hoe reageert het competitiebeest in hem op de gedwongen wedstrijdloze periode die hij nu doormaakt? Liet hij zich echt geen welgemeende f*ck ontvallen toen de London Marathon werd afgelast? Bleef hij spartaans kalm toen hij hoorde dat het rechtstreekse duel met Kenenisa Bekele, die in september op amper twee seconden van Kipchoges wereldrecord op de marathon strandde, niet zou plaatsvinden? Eet hij zijn ugali nog steeds met evenveel smaak, niet wetende wanneer hij zijn volgende marathon zal lopen? Of is De Filosoof stiekem blij dat hij nu eindelijk tijd heeft om boeken te lezen en zijn uitgebreide schoenenkast op te ruimen?

Hoe zou het zijn met alle enthousiastelingen die tijdens de quarantaine halsoverkop begonnen te sporten?
Blikken ze louter nostalgisch terug op al die quarantaine-kilometers? Zijn ze geveld door blessures en blijft hun lichaamsbeweging beperkt tot de verplaatsing naar de kinesitherapeut? Liggen de loopschoenen ergens achterin een kast (die sinds april ook niet meer werd opgeruimd) te verpieteren? Staat hun racefiets inmiddels te koop? Of zijn ze nu volledig verknocht aan hun nieuwe tijdverdrijf? Beseffen ze hoe heerlijk het is om op de fiets te stappen en er eventjes helemaal tussenuit te zijn? Nemen ze niet langer de auto om naar de bakker twee kilometer verderop te gaan? Hebben ze de smaak echt te pakken en dromen ze van 10 Miles, 20 kilometers van Brussel en volledige marathons? Hebben ze echt geproefd van wat sportgeluk betekent?

Hoe zou het zijn met de Arc de Triomphe en mijn andere stenen vrienden in Parijs?
Wie waren de bezoekers die op 15 juni voor het eerst terug de Arc de Triomphe mochten beklimmen? Hoe zag de iconische, en vooral chaotische, rotonde Etoile eruit toen je je slechts op straat mocht begeven met het juiste papier en de vereiste stempel? Werd er pro forma nog geclaxonneerd? Gebruiken chauffeurs nu wel hun richtingaanwijzers? Hebben de wonden die de gilets jaunes achterlieten kunnen helen? Was er tijd om noodzakelijke klusjes op te knappen? Hoe dicht of ver staan de terrasstoelen echt van elkaar op de smalle Parijse stoepen?

Hoe zou het zijn met Miguel Wiels?
Is hij er nog steeds echt van overtuigd dat leerkrachten klagers en luilakken zijn omdat ze tijdens lesvrije weken zogenaamd nauwelijks moesten werken? Kent Miguel Wiels, naast de genoemde hardwerkende zelfstandigen, überhaupt leerkrachten? Weet hij hoe mentaal belastend een schooljaar kan zijn? Beseft hij hoeveel maatschappelijke druk er op de leerkracht is komen te staan en dat zijn bijdrage daar een prachtig voorbeeld van is? Is hij zich ervan bewust dat hij met zijn uitspraken vooral zijn eigen kortzichtigheid in de kijker zet? #foei

 

 

 

De gedachte – Waarom ik school mis

Drie lesvrije weken hebben we er inmiddels op zitten. Ik kan concluderen dat uitleg en instructies geven achter een scherm mijn ding niet is. Ik mis het samenzijn in de klas met mijn leerlingen. Ik mis de interactie. Ik mis de unieke en altijd wisselende klasdynamiek waardoor elk lesuur anders is. Waar ik op drukke lesdagen soms snakte naar een rustmoment, verlang ik nu naar de drukte van het klasgebeuren. Ik ben zelfs zo ver dat ik mijn schoolse leven door een roze en ernstig geromantiseerde bril bekijk. Daarom dit lijstje met wat ik zoal mis.

  • Heel enthousiast met verschillende klemtonen en intonaties goedemorgen! zeggen als mijn leerlingen de klas binnen strompelen.
  • De zo mogelijk nog enthousiastere en welgemeende goedemorgen mevrouw! die daar meestal op volgt.
  • De dramatische manier waarop sommige leerlingen me-vrooooouuuuuw uitspreken: als een mix van hulpeloosheid, radeloosheid en verveling.
  • Leerlingen die me per ongeluk aanspreken met meneer (gênant voor mij) of mama (gênant voor hen).
  • Een attente hoe was uw weekend, mevrouw? en de stille hoop dat ik dan vertrokken ben met een spannend, persoonlijk en liefst ook lang verhaal.
  • De persoonlijke vragen, zoals: neemt u liever een bad of een douche? Ze dachten dat ik eerder een badtype was.
  • Leerlingen die na de les nog even blijven hangen om wat te babbelen en een momentje met mij te hebben.
  • De spitsvondigheden, droge opmerkingen en het gevoel voor humor en dramatiek van mijn leerlingen.
  • Samen aan de boekenkast staan, leesadvies geven en dan zien dat je tips ter harte worden genomen.
  • Samen aan de boekenkast staan, leesadvies geven en dan zien dat vooral het aantal pagina’s van het boek er echt toe doet.
  • Het spervuur van vragen dat soms op mij wordt afgevuurd om duidelijk te maken dat een opdracht echt wel veel te moeilijk is.
  • Het niet bepaald subtiele gegiechel als iets blijkbaar dubbelzinnig geïnterpreteerd kan worden.
  • Op 13 februari, de dag van de minnares, uitleggen wat een minnares is.
  • Het geblader en geritsel van kranten of woordenboeken.
  • Leerlingen die na 10 minuten door hebben dat ze met een woordenboek Nederlands-Engels geen Nederlandse verklaringen kunnen opzoeken.
  • Beschrijvingen van woorden die meestal nog onduidelijker zijn dan het opgezochte woord zelf.
  • De Humo’s in mijn lokaal die altijd toevallig openvallen op pikante tekeningen of mopjes.
  • Het geroezemoes van leerlingen die aanvankelijk ijverig aan het werk zijn, na verloop van tijd zichzelf verliezen in een persoonlijk verhaal, waardoor ongemerkt ook hun volume toeneemt en ze zich een bult verschieten als ik plots inpik.
  • Het gemor dat al eens kan opstijgen als ik zeg neem nu allemaal een blad om te noteren. Soms volgt hier ook blinde paniek op, want het was toch geen toets???!!!
  • Het werk en de tijd die leerlingen hebben gestoken in een presentatie of creatieve opdracht.
  • De trots op hun gezicht als je hen daarvoor de hemel in prijst.
  • De worsteling die sommige leerlingen ervaren als ze hun façade van lui en ongeïnteresseerd niet mogen laten vallen als iets hen echt boeit.
  • De geconcentreerde blik op mijn outfit die grondig bestudeerd wordt en veel interessanter is dan wat ik aan het vertellen ben.
  • Tijdens je uitleg een hand de lucht in zien gaan, denken dat er een goede inhoudelijke vraag gesteld zal worden en dan: mag ik naar de wc gaan?
  • Gemiddeld 5x per dag uitleggen waarom je het is gebeurd met een d schrijft en het gebeurt met een t.
  • De overtuigde nu begrijp ik het! die daar dan steevast op volgt.
  • Gemiddeld 5x per dag vriendelijk vragen zet je je kap af?
  • Gemiddeld 5x per dag vriendelijk vragen heb jij een kauwgom in je mond?
  • De gordijnen die dagelijks een keer of 125 open en weer dicht moeten gaan omdat de zon te hard of helemaal niet schijnt.
  • De temperatuur in mijn klas die ofwel eerder aansluit bij een Siberisch klimaat ofwel eerder tropisch te noemen is. Beide klimaattypes worden uitgebreid van commentaar voorzien.
  • De babbels met mijn collega’s, in het bijzonder die met An, Gunter, Murielle en Pieter-Jan.
  • De veel te straffe koffie in de leraarskamer die soms toch dat noodzakelijke cafeïneshot kan geven.
  • De nog steeds inspirerende quotes in mijn klaslokaal.
  • De oprechte daaaa-haaaag mevrouw als leerlingen de klas verlaten.

 

 

 

De gedachte – Over mijn lijf en ik

Ik hoor het me hier graag zeggen: draag zorg voor je lichaam, want je hebt er maar één. Als je er ook nog eens veel van vraagt dan wordt dat geen aantekening in de marge, maar een belangrijk deel van het verhaal. Ik slaag er behoorlijk goed in om mijn lichaam van de nodige basiszorg te voorzien. Ook kan ik als geen ander uitleggen wat ik van een complete loper (die ik elke dag probeer te zijn) verwacht. Er is echter een andere kant aan het verhaal. Een gevalletje theorie versus praktijk. Ik kan namelijk bikkelhard zijn voor dat lijf van mij. Ik tolereer niet het kleinste teken van moeheid, de enige weg is die vooruit. Het gaat kortom vaak hard. Ik ben soms boos op mijn lijf. Omdat ik het gevoel heb dat de mankementen eraan zwaarder doorwegen dan de pluspunten. Omdat het er niet altijd uitziet zoals ik zou willen. Omdat het me soms in de weg lijkt te zitten. Tegelijkertijd besef ik dat dit onzin is: mijn geest en lijf zijn geen entiteiten die los staan van elkaar. Ik ben mijn lichaam en erop vloeken leidt helemaal nergens toe. Daarom heb ik één goed voornemen. In 2020 zal ik me liefdevoller opstellen naar mijn dierbare lichaam.

De zussen Narain adviseren in Self-Care for the Real World om je lichaam te behandelen als een goede vriend. Voor vrienden doen we immers ons best, zijn we steeds vriendelijk en altijd bereid om het positieve te zien. Ik doe vaak het tegenovergestelde door het negatieve de bovenhand te laten nemen. Aan het begin van mijn loopcarrière was dat nochtans anders. Doordat ik begon te lopen, zag ik mijn lichaam veranderen. Keer op keer verbaasde het mij door te tonen wat het zoal kon. We waren heel dikke vrienden. Tot er een grens was bereikt. De gewenning deed zijn intrede. Onzekerheden slopen geruisloos binnen. Samen met mijn verwachtingen namen ook mijn complexen toe. Ik zag vooral dat mijn lichaam geen typisch afgetraind en vederlicht atletenlichaam is. Dat sportkleding weinig verhult hielp de zaak ook niet bepaald vooruit. Zoals ik hier vertelde, werd ik niet gelukkig door calorieën te tellen. Ik eet en leef te graag. Ik weiger mezelf uit te hongeren voor een hobby waarvan ik zo graag vertel dat ze me gelukkig maakt. Mijn geluk is geen getal op de weegschaal.

Zowel voor vrouwen als mannen geldt dat geen enkel lichaam hetzelfde is. Uit Stephanie Scheirlyncks Het sportkookboek voor duursporters stak ik een ander waardevol advies op: het heeft geen zin om jouw lichaam te vergelijken met dat van iemand anders. Respecteer je lichaamstype en focus je niet op je gewicht. Ik blijk een combinatie van het meso- en endomorfe lichaamstype te zijn. Dat betekent dat ik krachtig en gespierd ben met een normaal vetpercentage. Niet ideaal voor een marathonloper, maar ik beschik wel over een heel krachtige motor. Waarom klagen over wat vet als het een jaar of 20 geleden is dat ik griep had, ik amper blessureleed heb gekend, ik niet weet hoe het voelt om spierkrampen te hebben en ik er geen flauw benul van heb hoe het is als je hormoonhuishouding het roer overneemt? Stuk voor stuk troeven waar ik mijn sterke gestel dankbaar om mag zijn. Ik zou dat nooit willen inruilen voor een lichtere, maar ook meer kwetsbare versie. Count your blessings, heet dat.

Ik viel dan ook van mijn stoel toen ik vorig weekend in De Morgen de column van Hans Vandeweghe las. Met een ongekende grofheid haalde hij Kim Clijsters door de mangel die werkt aan een comeback op het hoogste tennisniveau, doch volgens Vandeweghe streng aangesproken moest worden op haar vermeende overgewicht. In zijn optiek is de topsportwereld er één van extremen en kunnen we het maar beter accepteren dat wielrenners aan magerzucht lijden. Of hoe sport gereduceerd wordt tot de wet van de magerste. De recente getuigenis van crossfenomeen en atlete Louise Carton over haar eetprobleem verdiende volgens hem niet zoveel aandacht, aangezien overgewicht een veel groter probleem is voor de volksgezondheid. Als sportliefhebber weiger ik graatmagere atleten als de norm te beschouwen. Het moedige verhaal van Louise Carton toont aan tot welke ongezonde levensstijl (top)sport kan leiden. We kunnen daar niet genoeg aandacht aan besteden.

Ook mijn avontuurlijke dag in Kasterlee droeg bij aan het besef dat ik mijn lichaam met mild- en zachtheid moet behandelen. Mensenlief, wat heb ik op mijn lijf gesakkerd. Niet alleen tijdens 115 pittige mountainbikekilometers, ook tijdens mijn afsluitende loopnummer. Ik had toen echt het gevoel dat mijn lichaam me in de steek liet. Hoe durfde dat lijf na 9 uur sporten met zo weinig kracht in de benen te lopen? Hoe was het in godsnaam mogelijk dat ik af en toe moest stappen om op adem te komen? De waarheid is eenvoudig: mijn lichaam was moe van een volledig dagdeel te strijden tegen zichzelf en de modder, zowel mentaal als fysiek. Ik liep niet mijn beste 30 kilometer van het jaar, wel de meest memorabele. Uiteindelijk was het mijn mama die me na mijn zoveelste gebrom en gemopper lief de mond snoerde: stop nu met jezelf zo onderuit te halen, je bent dat hier geweldig aan het doen. Ze had weer maar eens gelijk.

De gedachte – En nog bedankt voor de cultuur!

Het zijn barre, bittere ijskoude tijden voor het culturele landschap in Vlaanderen. Nadat minister-president Jan Jambon bekendmaakte dat er duchtig gesnoeid zal worden in de subsidies voor de culturele sector barstte er hevig protest los. Terecht. Jambon is immers ook cultuurminister. De grootste bezorgdheid is een besparing van 5 miljoen of maar liefst 60% op projectsubsidies. De impact daarvan is enorm. Volgens acteur Michael Pas wordt het voor jonge kunstenaars vrijwel onmogelijk om aan de slag te gaan omdat net die projectsubsidies een kweekvijver vormen voor aanstormend artistiek talent. Vergeet niet dat ook gevestigde gezelschappen ooit klein begonnen. De duimschroeven worden aangehaald en de kaasschaaf vakkundig gehanteerd. De culturele sector bloedt en dat raakt mij.

Naast onderwijs en zorg moet er, wat mij betreft, ook overheidsgeld gebruikt worden opdat ons culturele leven zou floreren. Ik kan mij geen cultuurloos leven voorstellen. Dit jaar ging ik naar de opera (voor het eerst), bezocht ik theatervoorstellingen, concerten en comedyshows. Altijd brengt dat iets teweeg. Ik vind daarin een vorm van ontspanning die ik niet uit sport of mijn dagelijks leven kan halen. Cultuur is voor mij verlichting en een stukje schoonheid. Het geeft mijn leven zowel diepgang als luchtigheid. Ik zie en hoor iets bijzonder, word geraakt, denk na, denk nog wat verder na en ben dan verrast over een gevoel dat uitgesproken is. Je mag dat raar of zelfs belachelijk vinden. Het getuigt echter van geen stijl om mij dan als een elitaire linkse trut te bestempelen, want dat is hoe overtuigde cultuurfanaten dezer dagen worden afgeschilderd. De culturele sector zou slechts een uiterst selecte groep van de Vlaamse bevolking bereiken.

Niemand is verplicht om deel te nemen aan het culturele leven, maar de cijfers liegen er niet om. Cultuur kent een brede waaier aan verschijningsvormen. Je hoeft niet naar de opera of het ballet te gaan om aan cultuur te doen. Ook naar de bioscoop gaan, een monument bezoeken of een musical bijwonen, valt onder de algemene noemer cultuur. Daarenboven tonen de cijfers aan dat cultuur beleven los staat van een politieke voorkeur. Met andere woorden: niet alleen linkse rakkers zijn cultuurliefhebbers. Je kan het daar niet mee eens zijn en de besparingen terecht vinden. Volwassenen kunnen namelijk van mening verschillen. Ze kunnen daar dan over spreken en naar elkaar luisteren. Wat ik echter tenenkrommend vind, is de bagger die theatermakers en acteurs de afgelopen dagen over zich heen kregen. Filip Brusselmans van Vlaams Belang beet op Radio 1 de spits af door acteurs af te schilderen als een stelletje onbekwame speelvogels die zich bij voorkeur naakt op een podium God wanen. Hij beriep zich op de provocatieve voorstelling Mount Olympus van de al even omstreden theatermaker Jan Fabre. Allemaal de schuld van de linkse pamperpolitiek dat dit soort verderfelijk amusement gefinancierd wordt met overheidsgeld. Hoog tijd dus om daar paal en perk aan te stellen.

Ik viel achterover van zoveel klinkklare nonsense. Weet die mens eigenlijk wel wat cultuur inhoudt? Waar haalt hij het lef vandaan om op basis van één ongegronde aanname de volledige theaterwereld door de mangel te halen? Helaas was hij niet de enige die zich laatdunkend uitliet. De denigrerende toon waarop er via diverse media gesproken wordt over acteurs is stuitend en ronduit choquerend. Theater maken is een ambacht. Toneel spelen is een vak. Het is een stiel die onmetelijk veel oefening en toewijding vereist. Aan een theatervoorstelling gaat een maandenlange en vooral ook intensieve voorbereiding vooraf. Acteurs passeren niet royaal langs de kassa nadat ze ocharme twee uur in de spotlights smoelen staan trekken. Ze draaien lange werkdagen op niet-reguliere tijdstippen omdat ze iets mooi en uniek willen geven aan hun publiek. Iets dat vluchtig, maar echt is. Dag na dag, in goede en slechte tijden. Iedereen die daar anders over denkt, zou eens een paar dagen mee op tournee moeten gaan om het het reilen en zeilen van de theaterwereld te ervaren. Vel dan je oordeel.

Laat mij geen vakken vullen in de supermarkt, straten aanleggen, longen transplanteren of de Europese Commissie leiden. Laat mij voor de klas staan. Ieder zijn vak en ook ieder zijn hobby. Elke mens heeft uiteindelijk behoefte aan ontspanning (en ontroering) op zijn eigen manier. Zo heb ik helemaal niets met voetbal, maar betaal ik net zo goed onrechtstreeks voor de veiligheidsmaatregelen die bij zulke wedstrijden genomen moeten worden. Mij goed. Het is echter problematisch dat we een minister van Cultuur hebben die (op Bokrijk na) weinig affiniteit lijkt te hebben met die bevoegdheid. Hij heeft de deur hard dicht geknald terwijl onze vingers er nog tussen zitten en roept pro forma: seg en nog bedankt he! Besparen op cultuur, dat is besparen op ons gevoel. Het is een stukje schoonheid dat verzwolgen wordt in het donkere woud van de verzuring. Omarm de rijke Vlaamse cultuur in al zijn facetten. Koester het acteertalent van onze vruchtbare eigen bodem. Grootmeester Leonard Cohen liet deze week nog postuum van zich horen met zijn nieuwste album Thanks for the dance. In eigen land kan ik alleen maar rechtstaan, hard in mijn handen klappen en vanuit het diepst van mijn hart zeggen: bedankt voor de cultuur. Het is een genoegen om jullie publiek te mogen zijn.

 

De gedachte – Dag van de leerkracht

Ik heb altijd al geweten dat ik leerkracht wilde worden. In mijn ogen was er simpelweg geen mooier en nuttiger beroep dan de lerarenstiel. Ik zou iets concreet kunnen doen met mijn enthousiasme voor taal en literatuur en jongeren iets klein of groot kunnen leren. Tijdens mijn eigen schoolcarrière heb ik meermaals ervaren wat de impact van een leerkracht kan zijn. Wat het teweeg brengt als iemand je wegwijs maakt in een vak dat je niet ligt of juist wel en wat een compliment met je kan doen. Toen ik op mijn 25e uiteindelijk aan de slag ging als leerkracht Nederlands en Engels op de middelbare school waar ik ook zelf leerling was geweest, voelde dat als een droom die uitkwam.

Mijn eerste schooljaren waren zwaar. Gewapend met de nodige diploma’s en – nog belangrijker – met de steun van collega’s en de directie trok ik ten strijde. De enige manier om iets onder de knie te krijgen is door zelf op onderzoek uit te gaan en aan den lijve te ondervinden wat werkt. Ik waadde mij dus een weg door de jungle. Ik leerde luisteren naar leerlingen. Ik kwam mezelf een paar keer goed tegen. Ik betaalde het nodige leergeld. Hoe zwaar dat parcours ook was, mijn inzet werd beloond met de voldoening die ik zelfs in dat prille begin al uit mijn werk kon halen.

Inmiddels ben ik aan mijn tiende schooljaar begonnen. Er is veel veranderd in die tijd. Ik heb in de eerste plaats meer zekerheid en stabiliteit gevonden. Zo heb ik een eigen klaslokaal en geef ik nog maar één vak in twee leerjaren. Als deel van een team slaagde ik erin mijn stempel te drukken op heel wat mooie projecten. Ik kan leerlingen beter inschatten en bijgevolg ook inspelen op hun kwaliteiten. Ik bezit meer instrumenten en vaardigheden om te anticiperen op allerhande situaties. Ik leerde om me niet alles persoonlijk aan te trekken, om school soms ook op school te laten. Door mijn ervaring sta ik steviger in mijn schoenen en ben ik gegroeid als leerkracht.

Ik zag ook het maatschappelijke debat rond onderwijs een andere wending nemen. De toon werd scherper. Het aangekondigde lerarentekort een realiteit. De discussie over of onderwijs al dan niet een zwaar beroep was, raakte heel wat gevoelige snaren. Steeds meer jongeren met grote zorgbehoeften moeten – mits de nodige aanpassingen – kunnen meedraaien in het reguliere schoolsysteem. Er werd heftig gedebatteerd en uiteindelijk ook hervormd. Elke vorm van preventie of opvoeding lijkt bovendien strikt voorbehouden voor het onderwijs. Leraren moeten jongeren wegwijs maken in het verkeer, hen burgerschap bijbrengen, wijzen op de gevaren van sociale media en – als het even kan – ook radicaliserende jongeren detecteren. Je zou haast vergeten dat onze initiële taak eruit bestaat om les te geven over een bepaald vak. Daar zijn we voor opgeleid en dat is waar we in uitblinken. Binnen je eigen vakgebied jongeren iets leren, evalueren en dat proces opvolgen is een voltijdse baan, waar ook bijscholingen en ruimte voor zelfontplooiing deel van uitmaken.

Leraren oefenen een zwaar onderschat beroep uit. We zagen en klagen echt niet omdat we 20 uur per week les geven. Voor de klas staan is slechts een deel van onze job. We zijn tegenwoordig niet langer pedagoog, didacticus, leercoach en vakidioot, maar net zo goed reisorganisator, boekhouder, zorgverstrekker en klasmanager. Alsof dat nog niet volstaat, moeten we ook verantwoording kunnen afleggen voor alles wat we doen en laten. Ik heb het geluk dat ik op mijn school omringd en gesteund wordt door een directieteam dat hard werk levert en steeds klaar staat voor haar leraren. Ook bij mijn collega’s zie ik een grote gedrevenheid om er het beste van te maken.

Het doet immens veel pijn om steeds weer te moeten opboksen tegen het clichébeeld van de gemakzuchtige en klagende leerkracht. Het raakt mij diep als onze job wordt gedefinieerd als pretpedagogie. Wij werken veel en hard omdat we onze taak serieus nemen. De torenhoge verwachtingen staan echter haaks op de schaarse middelen die we ter beschikking krijgen om dat werk uit te voeren. Net zoals mijn hardwerkende collega’s wil ik optimale omstandigheden om het beste onderwijs te kunnen geven aan mijn leerlingen, zodat zij allemaal maximale leerwinst kunnen boeken. De vraag of we moeten gaan voor excellentie of voor de zwakkere leerlingen is dan ook naast de kwestie. We moeten inzetten op alle leerlingen. Als de ondersteuning en waardering navenant zijn kan elke leerling namelijk boven zichzelf uitstijgen.

Voor het eerst in mijn lerarencarrière besef ik dat er ook op mijn kunnen een grens zit. Ik kan niet elk schooljaar nog meer en harder gaan werken. Het kost mij veel energie om me elke dag te weren in het woelige onderwijslandschap. De veerkracht van elke leerkracht kent grenzen. Ik sta nog steeds doodgraag voor de klas, maar ondanks mijn inzet en ervaring lijk ik mijn leerlingen steeds minder goed te kunnen helpen. Ik heb altijd van de daken geschreeuwd dat leerkrachten het mooiste beroep mogen uitoefenen. Nu begrijp ik plots waarom we stilaan met uitsterven bedreigd zijn. Ik zag voor het eerst dat ik niet op een roze wolk zit, maar dat er een stevig onweer in de lucht hangt.

Het water staat ons aan de lippen moet zowat de vaakst gebruikte metafoor zijn van de afgelopen maand. Ondertussen zijn wij met z’n allen al vijf keer kopje onder gegaan en ligt er voorlopig nog geen reddingsboei binnen handbereik. Wat ik hier vertel is niet nieuw. We roepen echt geen moord en brand omwille van een onbenullige schram op de knie. Het onderwijsprobleem is niet op te lossen met een kleurrijke pleister om de pijn te verlichten. De werkdruk moet omlaag. De verwachtingen moeten realistisch zijn. Laat ons weer doen waar we het beste in zijn: voor de klas staan. Geef elke leerkracht terug een roze wolk.