Marathonpraat – Wat ik over mezelf leerde uit 10 marathons

In een marathon komen zowel de saaiheid als de heroïek van het leven samen. Uren aan een stuk lopen is namelijk een eentonige activiteit die geen specifieke vaardigheid vereist. De volharding die dat vergt, is echter wel een heldhaftige prestatie. Op mijn palmares staan ondertussen welgeteld tien marathons te blinken. Tien stuks: dat is toch een aardige bibliotheek aan verhalen omdat elke marathon garant staat voor een uniek verhaal. Misschien niet altijd bijster interessant, maar wel voldoende stof tot (na)vertellen en overpeinzen. Alles begint met de weg naar marathondag – trainingen die al eens wat hobbeliger verlopen, de laatste etappe tot de grote dag – als de zenuwen het overnemen, de marathonrace – de strijd met jezelf – en vooral de lessen die dat proces oplevert. Door marathons te lopen leerde ik in eerste instantie mezelf als sporter kennen. Ik wist aanvankelijk niet dat er iets atleetwaardig in mij huisde. Uiteindelijk leerde ik mezelf vooral als mens beter kennen. Of hoe de metaforische waarde van de marathon onuitputtelijk is.

Marathontrainingen kosten zelden bloed en tranen, maar vooral veel zweet. In mijn geval ongetwijfeld ettelijke liters. Waar ik in het prille begin simpelweg veel liep om me voor te bereiden, kreeg ik door de jaren heen duidelijker omlijnde ideeën omtrent de ideale marathonvoorbereiding. Hoe strakker de plannen in mijn hoofd vorm kregen, hoe moeilijker het werd om eraan te voldoen. Ik leerde zowel de kwaliteiten als de zwakke plekken van mijn lichaam kennen. Hierdoor ging ik beseffen hoe ondoorgrondelijk het menselijk lichaam in wezen is. Alles lijkt bovendien meetbaar te zijn door de overdaad aan informatie die beschikbaar is. De waarheid is dat niemand exact kan vertellen wat het beste werkt voor jouw lijf. Een marathontraining blijft een complexe evenwichtsoefening waarbij basisprincipes als kapstok dienen en je op menselijke experts kan vertrouwen om uiteindelijk zelf aan te voelen wat goed is. Geen enkele marathonvoorbereiding verloopt 100% naar wens. Dat kan frustrerend zijn, maar in principe is het de keerzijde van de medaille voor wie kennis en ervaring bezit. Hoe meer je weet over een bepaald onderwerp, hoe meer hiaten je in die kennis zal ontdekken en hoe meer vraagtekens er zullen rijzen. De kunst is om te kijken naar wat je al kan en weet. Koester dus de boeken die je al gelezen hebt en de kilometers die je liep.

Ik las eens dat de marathon in bed wordt gewonnen door voldoende te slapen. Wie een actief leven leidt, moet ook kwalitatieve rustmomenten inbouwen. Er is aan mij geen groots bedligger verloren gegaan. Geef mij de ochtend, de dag én ook de avond om bezig te zijn. Ik liep marathons met een vakantieweek als voorbereiding en marathons waar een werkweek aan vooraf ging. Werken staat gelijk aan minder rust, maar die afleiding werkt een positieve ingesteldheid in de hand. Tijdens een vakantieweek stort ik me soms nogal overdreven op de voorbereidingen van de marathon. Dan vind ik plots dat ik nog een nieuwe jas moet maken, om maar iets te noemen. Je zal me kortom nooit een dag met de benen omhoog in de zetel aantreffen. Uiteraard zijn rust en slaap belangrijk in de week voor je een uitputtende fysieke inspanning zal leveren. Ik denk echter dat de juiste verhouding tussen spanning en ontspanning belangrijker is dan netto uren bedrust. Je moet gefocust doch ontspannen toeleven naar een marathon. Ik hoop telkens weer om veel en goed te slapen de avond voor de grote dag, maar de realiteit is dat ik dan telkens weinig slaap. Soms gewoon in mijn eigen bed, soms verrassend goed op een krakende luchtmatras met mijn zus en soms heel slecht in een hotelbed. Een goede focus compenseert een gebrekkige nachtrust moeiteloos.

Zoals je je lichamelijk op een marathon voorbereidt, zo moet je dat ook mentaal doen. Als ik het zwaar heb tijdens trainingen, stel ik me voor dat ik me op een bepaald punt in de marathon bevind en dat ik ook dan zal moeten doorzetten. Er is namelijk geen weg terug als je eenmaal aan het lopen bent. Door delen van de marathon te simuleren probeer ik mijn mentale weerbaarheid te trainen. Het geeft vertrouwen als ik in zware omstandigheden gewoon blijf lopen. Ik kan ook kippenvel (en vleugels) krijgen als ik me inbeeld dat ik naar een marathonfinish toe loop. Daarnaast is ook parcourskennis niet te onderschatten. Ik verdeel een marathon in stukken en plaats die in een bepaalde categorie: wat is leuk en interessant om te lopen, wat is saai en wat wordt ronduit lastig en zwaar. De gemakkelijke kilometers worden hierdoor nog unieker (over de Champs-Elysées lopen is nog bijzonderder dan in je gedachten), de saaie stukken toch wat minder eentonig en de lastige delen niet zwaarder dan wat je je hebt voorgesteld. Als je de vinger kan leggen op wat je precies vervelend vindt en dat vervolgens kadert, valt dat doorgaans erg mee.

Tot slot kan ik nu ook de rustige periode na de marathon waarderen. Waar ik vroeger zo snel mogelijk ging lopen met stramme spieren en mijn neus in de richting van een volgende sportieve prestatie, besef ik nu dat een verminderde stijfheid niet de enige indicatie is van een goed herstel. Mijn lichaam is beter aangepast aan duursporten na vier jaar marathons lopen, maar een marathon blijft een zware inspanning die de nodige hersteltijd vraagt. Het is jammer dat ik in het verleden te weinig stil stond bij de geleverde prestatie omdat ik me meteen op een volgend avontuur stortte. Mijn lichaam mag inmiddels min of meer gemaakt zijn om te lopen, dat betekent niet dat ik het elke dag moet doen om me een marathonloper te voelen en daar trots op te zijn. Ik ben de eerste om de marathon te relativeren: het is ook gewoon maar lang aan een stuk lopen. Langs de andere kant moet je een beetje heroïek kunnen omarmen in de alledaagsheid van het leven. Wees dus schaamteloos trots op de gevoerde strijd, geniet ervan en gun je lichaam wat rust.

IMG_4354b
Ada haalt haar neus op voor al die marathons.

Het moment – De magische mijl

Ik liet jullie al kennismaken met twee lopende leerlingen om trots op te zijn, maar elke leerling is uniek op haar of zijn eigen manier. Loper of gamer. Lezer of wetenschapswonder. Voorbeeldleerling of hangjongere. Dat is geen pedagogisch gezwets. Ik ben daar oprecht van overtuigd. Lesgeven vraagt veel geduld en overtuiging. Je moet soms wat meer moeite doen om de persoon achter het gedrag te ontdekken. Buiten het klaslokaal leer je de leerlingen vaak op een andere manier kennen. En zij jou. Daarom vind ik het een meerwaarde om tijdens de middagpauze met mijn leerlingen te gaan lopen. Niet alleen omdat beweging belangrijk is, maar omdat samen bewegen een verbindende activiteit is die de klasbanden aanscherpt. Ik heb het geluk dat ik op mijn school Koninklijk Atheneum De Ring goed omringd ben met enthousiaste collega’s die ook bereid zijn om hun sportiefste beentje voor te zetten. Vorige week werd het startschot gegeven voor de One Mile uitdaging die al aan zijn derde jaargang toe is.

Het Daily Mile project (vroeger One Mile a Day) werd in 2012 opgestart door Elaine Wyllie om leerlingen op basisscholen in het Verenigd Koninkrijk aan het bewegen te krijgen. Ze bedacht om de schooldag te beginnen door met alle leerlingen samen één mijl (1,6 km) te lopen. Loopplezier en samenzijn staan daarbij centraal. Ook in België werd het project opgepikt. Inmiddels nemen er al 7800 basisscholen verspreid over heel Europa aan deel. Toen we twee jaar geleden in april een sportdag organiseerden voor onze vierdejaars vond ik het een goede opwarmer om de week daarvoor dagelijks een mijl te gaan lopen. Voor schooltijd: vrijblijvend en van harte aanbevolen. Om leerlingen om 8u op school te krijgen om te gaan lopen, rekende ik niet alleen op mijn enthousiasme, maar bedacht ik ook enkele extraatjes. Elke dappere ochtendloper kreeg een gezonde versnapering na afloop en bij wijze van spelelement was er ook een klassencompetitie. Bovendien kon elke klasgroep een ontbijt verdienen als elke leerling een keertje mee kwam lopen. Tijdens die week kwamen er dagelijks zo’n 20 leerlingen van het vierde jaar lopen. Of dat aan mijn overtuigingskracht, dan wel aan de beloningen lag, laat ik het in het midden. Het project was geslaagd.

Vorig jaar zag ik het wat grootser: het project liep over meerdere weken met twee loopdagen per week waarop er zowel ’s ochtends om 8u als ’s middags om 13u gelopen kon worden. Ik blonk van trots toen bleek dat er op beide loopmomenten telkens een aanzienlijke groep van zo’n 30 leerlingen aan de start stond. Bovendien was ik klastitularis van een bijzonder sportieve klasgroep waar de One Mile een erezaak geworden was. Uiteindelijk ging maar liefst 95% van de vierdejaars eens mee lopen. Op de afsluitende sportdag werden de leerlingen die elke dag gelopen hadden nog eens in de bloemetjes gezet. Wederom een geslaagde sportieve missie. Dit jaar besloot ik er weer wat vroeger aan te beginnen, zodat bewegen op school een vaste waarde kan worden. Vorige week gingen we van start. Aanvankelijk met een bescheiden, maar wel heel enthousiaste groep lopers. Afgelopen dinsdag waren er 26 leerlingen van de partij. Tel ze maar na op de foto.

Dat ik die mijlmomenten magisch vind, is niets overdreven. Moeilijker is het om uit te leggen wat daar nu precies zo bijzonder aan is. Onze school ligt aan de ring in Leuven wat niet meteen een inspirerend parcours oplevert. Integendeel: we lopen langs de ring en moeten meestal twee keer bij het stoplicht wachten om over te steken. Door de jeugdige explosiviteit moet ik al meteen in turbomodus gaan om de eersten te kunnen volgen. Ik pas ook wijselijk voor de sprint die de die hards de laatste 100 meter inzetten. In mijn eentje zou ik niet op die manier 10 minuten lopen. Dat is echter helemaal ondergeschikt aan de positieve sfeer van samenhorigheid die er heerst gedurende die 1,6 kilometer. We doen iets heel eenvoudigs, maar het gebeurt samen. Hoewel we niet samen finishen, is er geen winnaar of verliezer. De koplopers leggen hun mijl af met twee vingers in de neus en zonder een druppel zweet te verliezen. De gezelschapslopers laten zich begeleiden door een stevige beat en met gebabbel. De doorzetters zijn elke dag weer blij dat het laatste stuk wat bergaf loopt.

Het valt op dat als er in een klas een harde kern van lopers ontstaat het project helemaal tot leven komt in die klas. Elke leerling voelt zich dan betrokken en wil zijn steentje bijdragen. Omgekeerd geldt ook dat als er minder animo is, het moeilijker wordt om de trein op gang te krijgen. Ik bekijk het zo dat elke leerling die mee komt een overwinning is. Aanmoedigingen en complimentjes geven: dat werkt voor ons allemaal immers stimulerend. Ik kijk uit naar nog meer magische mijlen. En wie er nog aan mocht twijfelen: een mijl kan je ook in jeansbroek lopen.

 

De gedachte – Over jongeren en beweging #2

Beweging werkt, dat was de titel van de studiedag die ik dinsdag bijwoonde over beweging op school of beter gezegd: het gebrek daaraan. De Vlaamse overheid richtte de studiedag in om de resultaten van het pilootproject Scholen in beweging te bespreken en concrete tips aan te reiken voor één ieder die zich op zijn school wil engageren voor een bewegingsbeleid. Dat mag zich namelijk niet beperken tot de lessen lichamelijke opvoeding. Ik voelde me dus aangesproken (duh). Het was een leerrijke dag waarbij ik met mijn neus op de harde feiten werd gedrukt. Ik kreeg heel wat ideeën om meer beweging te integreren in de klaspraktijk. Zoals ik al eens vertelde organiseer ik tijdens de middagpauze op mijn school  – Koninklijk Atheneum De Ring in Leuven: beter gekend als de beste school van het land – een eigen versie van het One Mile project. Ik geef Nederlands en ik beschouw het dus als een uitdaging om ook tijdens het reguliere lesgebeuren een dynamische werkomgeving te creëren waar er letterlijk ruimte is voor beweging.

Terug naar Brussel, waar in de voormiddag cijfers en theoretische kaders centraal stonden. Directieleden en leerlingen deelden hun ervaringen als pilootschool die een gemoderniseerd bewegingsbeleid op poten zette. Het zal niemand verbazen dat die ervaringen overwegend positief waren. Bovendien bevestigden zij mijn gevoel: maar liefst 90% van de ondervraagde jongeren gaf aan meer te willen bewegen op school. Dat is zonder meer goed nieuws. Hou je vast, want nu volgt het slechte nieuws. De onthutsende realiteit is dat kleuters de beste leerlingen van de klas zijn met slechts 48% die dagelijks voldoende beweegt. Geen reden tot feest dus. Vanaf dan gaat het alleen maar bergafwaarts. Het absolute dieptepunt ligt bij de leerlingen waar ik les aangeef. Bij de jongens tussen 15 en 18 jaar heeft amper 15,6% dagelijks voldoende beweging. De meisjes in diezelfde categorie doen het nog slechter met een bijzonder pijnlijke 7,1%. Volwassenen scoren met 40% wel beter, maar dat is nog steeds een dikke onvoldoende. Auch.

Kennen jullie trouwens de bewegingsdriehoek van het Vlaams Instituut Gezond Leven al? De rode zone met boter en biefstuk in de voedingsdriehoek wordt in dit model vervangen door grote boosdoener stilzitten. Het advies is om na 30 minuten zitten even recht te staan. Beweging wordt ingedeeld volgens drie categorieën. Licht intensief bewegen moet je dagelijks doen: bijvoorbeeld de trap nemen of een stukje te voet gaan. Elke dag zou je ook matig intensief moeten bewegen. Hieronder valt een verplaatsing met de fiets of in de tuin werken. Hoog intensief bewegen levert je de meeste gezondheidsvoordelen op en zou je wekelijks moeten doen. Sporten dus: een keer gaan lopen of je uitleven op de sportclub. Elke stap telt, dat is het motto. Over de fameuze 10.000 stappen wordt overigens met geen woord gerept. Dat voor sommigen heilige aantal is op geen enkele manier wetenschappelijk onderbouwd. Het staat buiten kijf dat kinderen en jongeren dagelijks meer moeten bewegen dan 10.000 stappen. Bovendien druisen zittende lesuren van 50 minuten in tegen de aanbeveling. Enter de bewegingstussendoortjes. Zonder twijfel het woord van de dag.

Tot op zeker hoogte kan ik genieten van een ritje op de theoretische denktank-trein om me te laten meevoeren naar pakweg een gezondheidsmatrix. Achter zulke modellen gaat vaak veel logica schuil die iemand met een analytische geest heeft samengebracht in een standaardmodel. De doener in mij kreeg na verloop van tijd echter een overdosis aan beleidswerking op papier en een draagvlak creëren als toverformule. Ik bereikte een breekpunt toen een Nederlandse onderzoeker uit de doeken kwam doen wat haar onderzoek naar onderzoeken (ja serieus) over het verband tussen beweging en schoolresultaten had opgeleverd. Een onderbreking van de zitmodus leverde een verbetering van de concentratie op, maar geen enkel onderzoek kon aantonen dat beweging ervoor zorgde dat leerlingen betere schoolresultaten haalden. Ja en dan? Evaluaties zijn een middel, geen doel op zich. Ik ga met mijn leerlingen lopen omdat een gezonde geest in een gezond lichaam huist. Voldoende bewegen hoort bij een gezonde levensstijl en daar moeten wij op school het goede voorbeeld in geven. Bovendien geldt samen bewegen als een verbindende activiteit die de klassfeer en het individuele welzijn ten goede komt. Onrechtstreeks kan dit alles bijdragen aan verbeterde schoolprestaties. Ik heb geen cijfers nodig om die positieve ervaringen te bekrachtigen.

Iemand vergeleek een bewegingsbeleid met een tank: een lomp ding dat maar mondjesmaat vorderingen maakt. Naar mijn idee een pessimistische visie. Akkoord, je kan soms beter even nadenken vooraleer je jezelf verliest in te ambitieuze plannen waardoor er na een blitzstart niets meer gebeurt. Het ligt echter meer in mijn aard om vol enthousiasme eerst wat dingen uit te proberen in de klas, mijn bevindingen te delen en die vervolgens met collega’s uit te werken tot de eerste stappen van een beleid. Hier duiken de bewegingstussendoortjes weer op. Ik wil wel eens zien wat het geeft als je na 30 minuten de les onderbreekt voor een korte energizer of een ademhalingsoefening om het zitpatroon te onderbreken. Ook met de klasinrichting wil ik experimenteren door leerlingen de mogelijkheid te geven om de les afwisselend zittend en staand te volgen. In Scandinavische landen (het onderwijs walhalla) behoort dit al tot de standaard. Voor mij is het een grote uitdaging om dit te realiseren met beperkte middelen. Gelukkig borrelen er al heel wat creatieve ideeën in mijn hoofd. Ik zal dus eerst mijn eigen draagvlak zijn.

Maandag was de kick-off van het One Mile project bij ons op school. Leerlingen van het vierde jaar kunnen vrijwillig aan het begin van de middagpauze een mijl gaan lopen onder begeleiding van enkele geëngageerde collega’s. Met de juiste aanpak zijn leerlingen echt geen luie donders. Het kan geen toeval zijn dat net deze week de zon doorbrak. Beweging werkt, wees daar maar zeker van. Doe het gewoon eens.

De gedachte – Weg met Blue Monday!

Morgen is het Blue Monday. Blue Watte? Deprimaandag: zogenaamd de meest deprimerende dag van het jaar. Heel toevallig valt die dag elk jaar op de maandag van de laatste volle week van januari. Jawel. Het concept werd in 2005 bedacht door een PR-bureau om de commercie na de feestperiode weer aan te zwengelen. We moeten natuurlijk iets kopen om die donkere dag te kunnen verslaan. Et voila: de portemonnee kan ongegeneerd worden geopend. Zulke doorzichtige verkoopspraatjes kunnen maar beter overgoten worden met een wetenschappelijke saus. De Britse psycholoog Cliff Arnall liet zich rijkelijk vergoeden om een wetenschappelijke formule te bedenken en zijn naam aan Blue Monday te verbinden. Een slimme carrièrezet was het niet, want de universiteit van Cardiff distantieerde zich van Arnall en diens uitspraken. Blue Monday: dat is je reinste onzin. En ik zal het bewijzen ook.

Arnalls zogenaamde formule is opgebouwd uit de volgende elementen: het weer, de af te lossen schulden, het maandelijkse salaris, het aantal dagen tot het weer kerst is en het motivatieniveau. We zouden ons morgen dus massaal depressief voelen omdat we ten volle beseffen dat we die goede voornemens niet hebben kunnen waarmaken en dat we nog een aardig bedrag van de hypotheek moeten afbetalen. Bovendien zou het ook slecht weer zijn en moeten we nog ruim 11 maanden wachten tot de feestdagen hard op de deur komen kloppen. Wie niet in het bezit is van een huis, kan zich wellicht daar uitgerekend morgen ernstige zorgen over maken. Wie deze maand net opslag heeft gekregen, zal wellicht op meer hebben gehoopt. Dat we morgen een mooie zonnige winterdag voorgeschoteld krijgen, doet de geloofwaardigheid nog meer kelderen. Kortom: het kleinste kind voelt dat de formule rammelt langs alle kanten.

Het is een misvatting van formaat om te veronderstellen dat we het hele jaar toeleven naar de feestdagen. Alsof dat de ultieme dagen zijn waarop we ons opperste geluk beleven omdat we zogenaamd niets moeten doen, behalve dan veel eten. Alsof dat de uiterste vorm van zingeving is in onze levens. Ik denk dat weinig mensen De Feestdagen op hun lijstje plaatsen met gebeurtenissen waar ze zoal naar uitkijken in 2019. Die periode heeft absoluut z’n charme, maar niemand wil toch dat het altijd Kerstmis is? Vergeet niet dat velen vooral blij zijn dat ze de feestdagen weer zijn doorgekomen. Of hoe de zogezegd gezelligste periode van het jaar ook veel gemis en eenzaamheid in de hand werkt. De zomer is op dit moment veel dichterbij dan de donkere decembermaand. Van een lichtpuntje gesproken.

Misvatting nummer 2 is dat maandag de zwaarste dag van de week is. Die dag is immers het verst van het weekend verwijderd. Alsof we alleen in het weekend echt kunnen leven. Alsof we onze voldoening louter halen uit weekendactiviteiten. Vrije dagen zijn zo aangenaam juist omdat je werkgerelateerde activiteiten hebt en een weekroutine. Maandag is in mijn ogen dan ook geen lastige dag. Sterker nog: ik ben doorgaans bijzonder productief op maandagen. Vaker beleef ik een dinsdagdip omdat ik vaak dan pas een klopje krijg van de inspanningen van het weekend. Wie kent trouwens niet het typische zondagsgevoel? Maandag kan dan alleen maar aanvoelen als een opluchting.

Hoe het ook zij, we lijken wel nood te hebben aan het idee van een depridagje, ook al wordt Blue Monday met de nodige ironie aangekondigd in de media. Slechts één dagje per jaar mogen we ons dus schaamteloos depressief voelen. Lastig. Het sluit aan bij de maakbaarheid van ons leven. Mijn advies: doe niet aan goede voornemens. Wacht niet tot in januari om het over een andere boeg te gooien. Zoek een echte motivatie in plaats van wat anderen je opleggen. Durf ambitieus te zijn, maar wees vooral ook realistisch. Weet dat het 20 dagen kost om een gewoonte te veranderen. Lang leve de routine en structuur van het dagdagelijkse leven. Hoera voor de wekker die afgaat zodat we iets van onze dag kunnen maken. Ik breek een lans voor elke maandag!

 

De gedachte – Over gezond zijn

Het is een huizenhoog cliché dat met stip op nummer één prijkt op het lijstje met nieuwjaarswensen: een goede gezondheid, want dat is toch het allerbelangrijkste? Jazeker. Een mens kan pas intense geluksmomenten, verrijkende ervaringen en sportieve successen beleven als het lichaam gezond is. Dat is althans wat we veronderstellen. Wie ongezond of ziek is, mag dan nog zoveel meevallers hebben: ze zullen niet onder de allesoverkoepelende noemer geluk vallen, want je kan er niet van genieten. Met de veelgehoorde nieuwjaarswens wordt in de eerste plaats bedoeld dat je in het nieuwe jaar niet te veel dagen in bed gekluisterd zal moeten doorbrengen en dat je vooral gespaard mag blijven van een ernstige ziekte. Gezondheid omvat echter meer dan niet ziek zijn. De vraag rijst dan ook in welke mate een goede gezondheid maakbaar is en of die ook effectief bijdraagt aan ons geluksgevoel.

Wat betreft het lichamelijke aspect zijn er de nodige medische parameters om na te gaan of iemand gezond is. Iemand die fysiek gezond verklaard wordt, voelt zich daarom nog niet goed in zijn vel. Een goede geestelijke gezondheid is moeilijker te definiëren. Aan welke voorwaarden moet voldaan worden opdat een mens zich goed voelt? Het antwoord op die vraag zal individueel verschillen. Bovendien gaat het vaak over een gevoel waar je moeilijk de vinger op kan leggen. Denk je er te veel over na, dan kan het al vervlogen zijn. Zo kan iemand met een ongezonde levensstijl als een gelukkige mens sterven op een mooie leeftijd. Je kan met andere woorden ongezond, maar wel gelukkig zijn. Omgekeerd kan een fysiek gezonde persoon een ongelukkig leven leiden. Er bestaat een wisselwerking tussen de mentale en fysieke component, maar je goed voelen laat zich niet vangen in een formule.

Waar gezondheid vroeger werd gezien als iets wat je automatisch had als je niet ziek was, is werken aan een goede gezondheid tegenwoordig het ultieme streven. Hiervan getuigen, samen met de nieuwjaarswensen, de vele goede voornemens omtrent gezonder gaan leven. We lijken er nu van uit te gaan dat een gezonde levensstijl ons per definitie gelukkiger zal maken. Al te vaak maken we bovendien de denkfout dat gezondheid af te meten is aan sportieve prestaties die geleverd moeten worden met een slank lichaam. Er wordt verwacht dat je pogingen onderneemt om ’s middags een verantwoorde salade met avocado te eten in plaats van een eenvoudige boterham met kaas. In je voorraadkast verberg je beter de hagelslag door er quinoa, chiazaad en goji-bessen voor te plaatsen. Je hebt een stappenteller nodig om dagelijks voldoende te bewegen en o wee als je op een dag slechts 9.000 stappen aftikt in plaats van de vooropgestelde 10.000.

In zijn boek Ziek van gezondheid (2013) schetst gezondheidsfilosoof en ethicus Ignaas Devisch (Universiteit Gent) een onthutsend beeld van de toenemende medicalisering van onze maatschappij. We nemen met z’n allen steeds meer medicatie. Het aantal ziektes en stoornissen neemt in sneltreintempo toe. Volgens Devisch belijden we gezondheid als een orthodox geloof. Dit houdt in dat we gaan leven volgens de regels van een strenge gezondheidsreligie. Gezondheid is de norm, wie daar niet aan voldoet valt buiten de duidelijk gemarkeerde lijnen van de maatschappij. Slank zijn is een statussymbool waaruit blijkt dat je een gedisciplineerd en succesvol leven leidt. Het aantal gevallen van orthorexia nervosa neemt toe: een eetstoornis waarbij iemand geobsedeerd is door gezond eten. De slinger slaat met andere woorden te hard door, vooral bij de hoogopgeleide tweeverdieners in de stad. Gezondheid is niet langer een middel om doelen te kunnen bereiken, maar een doel op zich geworden.

Het slaat natuurlijk nergens op dat wie slank is, ook gezond is. Laat staan gelukkig. Elk lichaam is anders. Geluk en gezondheid druk je niet uit met een getal op de weegschaal. Ik ben de eerste om te roepen dat lichaamsbeweging deel uitmaakt van een gezonde levensstijl omdat ik zelf aan den lijve heb ondervonden wat het positieve effect is van een actieve ingesteldheid. Ik loop en beweeg omdat ik daar een gelukkigere mens van word. Dat betekent niet dat we allemaal marathons moeten lopen om gezond en goed bezig te zijn. Dat betekent ook niet dat ik altijd gelukkig ben. Ieder lichaam is anders en iedere persoon. Gelukkig maar. In de weg als loper die ik tot nu toe aflegde, trapte ik al meermaals in de valkuil van het gezonde leven en slanke lichaam als doel op zich. Ik werd daar nooit gelukkig van. Ondertussen besef ik dat wie veel van z’n lichaam vraagt er goed moet naar luisteren, al was het een goede vriend. Je moet lief zijn voor je lichaam en er zorg voor dragen, ongeacht wat je ermee doet. Je hebt er uiteindelijk maar één voor een heel leven. Ik vergaloppeerde me dus al eens in het gezonde en sportieve leven dat ik leid. Nooit omdat ik sport en gezondheid als een statussymbool beschouw, maar omdat het soms nu eenmaal verleidelijk is om te denken dat alles maakbaar is. Je hebt heel wat factoren zelf in de hand hebt om in een goede vorm te verkeren, maar er is ook een mysterieus ingrediënt wat maakt dat alle puzzelstukjes op hun plaats vallen en je simpelweg tevreden bent.

In clichés zit doorgaans een kern van waarheid. Laten we elkaar dus vooral een goede gezondheid blijven wensen zodat we de energie en zin hebben om onze dromen na te jagen en onze tijd naar eigen goeddunken plezierig in te vullen. Laten we vooral ons gezond verstand gebruiken om gezond te zijn.

P.S. Op de foto zien jullie een overheerlijke salade met knolselder, wortel, puntpaprika, bloemkool, veldsla en rode bietenhummus als finishing touch. Freekeh is trouwens het nieuwe quinoa. Getest en goedgekeurd!

De vraag – Is een marathon lopen gezond?

Antwoord: 42,195 kilometer lopen levert geen bijdrage aan je gezondheid, maar een doordachte voorbereiding en de actieve levensstijl die daarmee gepaard gaat kunnen je heel wat gezondheidsvoordelen opleveren.

Ik krijg vaak ongevraagd naar mijn hoofd geslingerd dat zoveel lopen toch niet meer gezond is. In maart pikkelde ik rond met een kruk nadat ik me blesseerde tijdens een halve marathon. Op subtiele of minder subtiele wijze kreeg ik toen te horen dat veel lopen ongezond is. Kortom: eigen schuld, dikke bult dat ik tijdelijk als mindervalide door het leven moest gaan. Ronduit grof en vooral erg pijnlijk. Alsof ik me niet al continu afvroeg hoe ik dit onheil had kunnen voorkomen. Een blessure heeft zelden één duidelijk aanwijsbare oorzaak. Het is een combinatie van factoren die ervoor zorgt dat het evenwicht tussen inspannen en herstellen op een bepaald moment verstoord wordt. Een duidelijk signaal van je lichaam dat het even niet meer mee kan en dat rust en verandering noodzakelijk zijn.

Wie zich op een marathon voorbereidt of gewoonweg beslist om meer te gaan lopen, verlegt lichamelijke grenzen. Lopen heeft een behoorlijke impact op je lichaam door de schokken die het bij elke pas moet opvangen. Het is daarom een sport met een hogere belasting dan pakweg fietsen of zwemmen. Dat valt niet te ontkennen. Als je vaker en langer gaat lopen, bestaat het risico dat je de grens overschrijdt van wat je lichaam op dat moment aankan. Spieren hebben enkele maanden nodig om zich aan te passen, botten en bindweefsel zelfs jaren. Recent onderzoek heeft trouwens aangetoond dat lopers niet vaker knieproblemen krijgen op latere leeftijd dan niet-lopers. Een blessure hoeft niet altijd desastreuze gevolgen te hebben. Ik begon zelf op niet zo verantwoorde wijze te trainen voor de 20 kilometer van Brussel. Dat leverde me een overbelastingsblessure aan de achillespees op, maar door een kordate aanpak was die snel weer van de baan. Een blessure mag je niet minimaliseren, maar moet je ook niet dramatiseren. Stijve spieren zijn niet schadelijk voor je gezondheid. Een keer buiten adem zijn evenmin. Je voelt dan waar de grens ligt en moet niet overhaast concluderen dat je lichaam naar de vaantjes is.

In mijn ogen is iets ongezond wanneer het je gezondheid schade toebrengt. Zo worden de gevaren van alcohol steeds duidelijker in kaart gebracht. Een katerdagje wordt nog te vaak beschouwd als een onschuldig gevolg van een dolle stomdronken avond. Vreemd, want je kan geen duidelijker signaal krijgen dat je een grens overschreden hebt als je niet meer kan functioneren en je lichaam tijd eist om te herstellen. De schadelijke gevolgen van roken zijn onbetwistbaar, maar ook onze passieve levensstijl en steeds ongezondere eetpatroon veroorzaken meer gezondheidsproblemen. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie zal in 2030 maar liefst 89% van de Belgische vrouwen met overgewicht kampen. Daar zijn ernstige gezondheidsrisico’s aan verbonden. Als ik dan toch voor moraalridder aan het spelen ben, haal ik graag mijn stokpaardje van stal: zitten is het nieuwe roken. En dat heb ik niet eens zelf bedacht.

Ik begrijp dus niet hoe een zogenaamde overdaad aan sport in een zelfde schaal van ongezondheid zou passen als de bewezen boosdoeners. Het is namelijk niet omdat je je lichaam kan forceren als loper dat je het onherroepelijke schade toebrengt. Een actieve levensstijl vormt een essentieel onderdeel van onze gezondheid. Een menselijk lichaam is gemaakt om te bewegen. Lees Born to Run maar eens van Christopher McDougall. Voor velen wringt daar het schoentje: een actievere levensstijl bestel je niet via Bol.com. Het vraagt inspanningen en verandering. Een onverklaarbaar pijntje wordt dan als excuus aangegrepen om niet te moeten bewegen, want stijfheid of een beetje pijn zijn een teken van ongezondheid. Lopen is zeker geen must, bewegen is dat wel. We zouden dus wat vaker uit onze luie stoel moeten kruipen en niet meteen met ons vingertje staan zwaaien over wat anderen doen en laten.

Is lopen dan nooit schadelijk voor de gezondheid? Jawel. Wie van helemaal niet lopen op enkele maanden tijd naar de marathon gaat, speelt hoog spel met zijn gezondheid. Ook occasionele lopers die onder het mom van een weddenschap plots een dubbel zo lange afstand willen afleggen in een veel te snelle tijd zonder fatsoenlijke voorbereiding, zijn niet verantwoord bezig. Je kan ervan afkomen met een week spierpijn, achterblijven met een blessure of gedehydrateerd en onwel eindigen in de EHBO-post. Ja, er vallen helaas af en toe (dodelijke) slachtoffers op grote loopevenementen, maar dat betekent nog steeds niet dat we meteen moord en brand moeten roepen dat lopen oh zo gevaarlijk is. Waar duizenden mensen samenkomen, ontstaat een verhoogd risico op ongelukken. Kerngezonde jonge mensen kunnen ook in hun slaap kunnen sterven. Dat maakt slapen niet levensbedreigend.

Ik pleit voor de aanpak van het gezond verstand. Wie verantwoord sport, zal zijn grenzen ongetwijfeld eens op zachte of harde wijze tegenkomen. Dat is niet per se schadelijk of nadelig. Een actieve levensstijl zorgt ervoor dat je je lichaam leert kennen en het bovenal gaat respecteren. Zo had ik een veel ongezondere levensstijl toen ik nog geen loper was. Ik ging meer zorg dragen voor mijn lichaam toen ik actiever werd door gezonder en bewuster te eten bijvoorbeeld. Niet omdat het zo hoort, maar omdat ik voelde dat het werkte, zowel voor als na de trainingen. Ik ben als loper meer buiten, heb meer energie en slaap beter. Lopen maakt mij gelukkig, dat zal ik tot in den treure blijven herhalen. Dit compenseert ruimschoots de belasting die ik van mijn lichaam vraag, want ja: die neiging tot overdrijven is nu eenmaal eigen aan mijn karakter.

Vorig jaar liep ik vier marathons én een ultratrail op 7,5 maand tijd. Dat is absurd veel en ik zou het niet meteen opnieuw doen en al helemaal niet aanraden. Niet omdat mijn gezondheid eronder geleden heeft, maar omdat het pure loopplezier niet meer centraal stond. Een marathon lopen is hoe dan ook een aanslag op je lichaam, maar eentje die dat lichaam wel aankan als je het goed hebt getraind en gesoigneerd. Volgens mijn zus en kinesitherapeut Marike is het nog altijd beter om af en toe overmatig te sporten dan helemaal niet. Wie zich nooit op glad ijs begeeft, zal nooit een slipper maken, maar zal ook nooit leren schaatsen. Mijn idool Klaas Boomsma loopt morgen de Amsterdam marathon nadat hij vijf weken geleden een toptijd liep in Berlijn. Hij schreef een blogpost over twee marathons op korte tijd met de veelzeggende titel Don’t try this at home. Ik ben het volmondig eens met zijn wijze woorden: wees verstandig en marathon met mate. Loop omdat je ervan geniet en luister naar wat je lichaam te vertellen heeft.

De kleurrijke vedetten van het najaar

Potiron, pumpkin of Kürbis: in eender welke taal klinkt pompoen als pure poëzie. Een ode aan de pompoen als de herfst zijn intrede doet: bijster origineel is het niet. Het doet echter niets af aan de oprechte gevoelens die ik koester voor één van de mooiste en ook meest veelzijdige groenten. Als Le Creuset liefhebber hou ik van oranje in de keuken. Bovendien kan je met pompoen niks verkeerd doen. Het is een dankbaar ingrediënt dat zich in elk potje laat verwerken. Lang leve het seizoen van de pompoen!

Ik heb pompoen te lang geassocieerd met de veel te dikke, melige en smakeloze soep die in de lagere school gemaakt werd als het herfstfeest was. Het heeft tijd gekost om mij over die traumatiserende smaakervaring te zetten. Toen ik jaren geleden eens een pompoen kreeg (een pompoen in de groentetuin komt namelijk nooit alleen), wist ik niet beter dan er soep van te maken. Die soep leek in de verste verte niet op de brij die ik lang geleden moest wegwerken. Zo kreeg de pompoen een nieuwe kans in mijn leven. Het geheim van goede soep is zelfgemaakte bouillon en voldoende kruiding. Mijn overheerlijke P4-soep bestaat uit prei, pastinaak, pompoen en puntpaprika. De groenten aanstoven in een grote kookpot en overgieten met groentebouillon. Zachtjes laten pruttelen, mixen en kruiden. Serveren kan met linzen of kikkererwten, eventueel koriander en een toefje ricotta.

Inmiddels is pompoen niet weg te denken uit mijn kookpotten. Het aanbod lijkt dan ook steeds groter te worden. Waar je het vroeger moest doen met een onhandig groot formaat van de gewoonste soort, wordt het pompoengamma in eender welke supermarkt jaarlijks uitgebreider. Ik word daar blij van: die eerste pompoenenoogst in de supermarkt. Dit jaar is ook de oogst van mijn mama’s groentetuin een succes. Al heeft ze wel duchtig gevloekt op de butternuts die de halve moestuin overwoekerden en gekruist waren met de courgettes. Zo werden de buttergettes geboren. Misschien volgend jaar wel dé hype in gezondheidsland.

IMG_3130b

Laat één ding duidelijk zijn: pompoenen zijn voedzaam en gezond. Het is hier geen foodblog (mocht dat even niet meer duidelijk zijn), dus om een lang nutritioneel verhaal kort te maken: er zitten alleen maar goede dingen in pompoenen. Powerbrandstof is het, voor elk lichaam en elke activiteit. Mijn favoriete varianten zijn de kastanjepompoen (potimarron: hoe mooi klinkt dat?) en de butternut, de vader en moeder van de oranje familie. Ze vormen het hoofdaandeel van mijn wekelijkse pompoenconsumptie. Ik draai ze dan ook in quasi elk gerecht. De crown prince is een bijzondere meneer met majestueuze hermelijnen mantel om zijn oranje vruchtvlees en kroonjuwelen te bedekken. Spaghettipompoen kan mij ook bekoren, maar doet me denken aan voedingshypes waarbij we geen koolhydraten meer mogen eten en dan maar moeten zwichten voor de bloemkoolcouscous of spaghettislierten van pompoen.

Als salade voor de lunch kan ik geroosterde pompoen uit de oven van harte aanbevelen. Blokjes pompoen op een bakplaat uitstrooien. Kruiden met tijm, peper, zout en onder de grill zetten. De basis van de salade is geraspte wortel (gekleurde wortels zijn tegenwoordig ook echt in), gekookte sperziebonen en rauwe (punt)paprika. Tja, pompoen en paprika: dat zijn nu eenmaal vriendjes voor het leven. De salade afwerken met wat olijfolie en eventueel ricotta. Soms gaar ik pompoen ook met andere groenten in een ovenschaal. Hou rekening met de gaartijd per groente en snij de stukken dan wat grover of fijner. Olijfolie en kruiden toevoegen, goed mengen en op 180 graden in de oven plaatsen.

Mijn onbetwiste specialiteit zijn pruttel- of stoofpotjes met pompoen. Ik zou hier een aparte blog over kunnen beginnen. Serieus. De mogelijkheden zijn onuitputtelijk. Alles begint met rode ui of prei. Vervolgens pastinaak en een pompoen naar keuze toevoegen en aanstoven, nog wat zoete puntpaprika en pruttelen maar. Ook met rode bietjes, rapen of groene groenten kan de pompoen het uitstekend vinden: spinazie, broccoli, erwtjes of courgette om er maar enkele te noemen. Zo nu en dan moet je overgieten met wat water of bouillon zodat alle ingrediënten garen. Je kan niet echt iets verkeerd doen met de cuisson. Beetgaar of aan de platte kant: het smakenpalet zit altijd goed. Pompoen met curry en kurkuma is een gouden combinatie als je de oosterse toer wil op gaan. Rijst, pasta of zoete aardappel zorgen voor extra brandstof.

Ik kwam de afgelopen week recepten tegen voor pompoencake, – brood en zelfs – pannenkoeken. Daar heb ik me nog niet aan gewaagd. Zo gedreven ben ik nog niet als foodie, maar het zal ongetwijfeld smaken. Is er dan helemaal niets slechts te zeggen over pompoenen? Het enige minpuntje dat ik kan bedenken, is de harde schil van de kastanjepompoen. Geen te grote stukken willen schillen en behoedzaam te werk gaan is hier de boodschap. Mindfulness in de keuken: ook daar zorgt de pompoen voor. Een no-nonsense vedette is het, de ster van elke maaltijd. Smakelijk!

Noot: mijn wekelijkse groenteconsumptie is groot, maar niet zo gigantisch als de afgebeelde compositie.

Loperspraat – Het moment dat ik terug echt een loper werd

Na 7 weken hinkelen, manken, vloeken, vallen (letterlijk), opstaan en uiteindelijk gewoon stappen mocht ik heel behoedzaam terug beginnen lopen. Maandag 30 april 2018 was een heel winderige herfstdag in de lente. In Brussel werd het Terkamerenbos afgesloten omwille van het gure weer. Weercode oranje of niet: als ik van plan ben om te gaan lopen, dan is er bijna niets wat mij daarvan kan weerhouden. Mijn zus Roos ondernam daartoe dan ook geen enkele poging toen ze samen met mij naar het bos trok. Ik zou 5x 1 minuut lopen en tussendoor stappen. De zenuwen gierden door mijn lijf toen ik stond te wachten tot mijn GPS-signaal was opgepikt. Mijn eerste looppassen werden gefilmd, wat meteen weergeeft hoe memorabel dat moment voor mij (ons?) was. Op dat moment voelde ik mij echter geen loper, maar een sukkel. De verzuring in mijn linkerbeen maakte dat mijn kuit meteen als beton aanvoelde. Een tweede adem had ik niet nodig en een eerste adem kon ik niet eens vinden. Het liep kortom voor geen meter en mijn gemiddelde tempo bevestigde dat. Ik zag het pessimistisch in. Anderhalve week later zag ik het zo mogelijk nog zwarter in: ik kon gewoon niet begrijpen waarom mijn lichaam zo moeilijk deed. 10 weken geleden had ik nog 33 kilometer gelopen en nu liep ik met heel veel moeite een mijl in drie fases.

Dat lichaam begon beter mee te werken. Geleidelijk aan verlengde ik de loopblokken. Zo liep ik twee weken later 3x 5 minuten met tussendoor een wandelpauze: goed voor drie volledige loopkilometers. Stilaan groeide het gevoel dat ik echt wel aan het lopen was. Tot mijn grote opluchting merkte ik ook dat mijn conditie niet weg was. Ik vond zowel een eerste als een tweede adem. Sowieso liep ik meer ontspannen omdat ik niet continu op mijn horloge moest kijken om te zien hoe lang ik nog mocht. Zo voelde dat wel: ik mocht weer lopen en ik wilde me daar elke seconde bewust van zijn. Toen ik in mijn derde en vierde herstelweek langer dan een kilometer aan een stuk mocht lopen, voelde ik mij echt de koning te rijk. Ja, dit was lopen.

Die 7 weken dat ik niet mocht lopen, deed ik mijn best om de voordelen van een gedwongen rustperiode te vinden. Ik had in principe meer tijd en moest de deur niet meer uit als het slecht weer was. De restanten van mijn schuurplekken zouden eindelijk eens fatsoenlijk kunnen helen. Ik had beduidend minder wasgoed. Op zondagochtend moest ik bij het ontbijt geen rekening houden met een duurloop. Dit kon het gemis niet compenseren. Ik vond het vreemd om een douche te nemen zonder dat daar een noemenswaardige inspanning aan vooraf gegaan was. Eender welke maaltijd smaakt toch beter na een training. Ik had minder honger en sliep slechter. Alles had wat minder glans. Toen ik begon op te bouwen, begon ik zelf ook weer te blinken. Gek genoeg voelde ik mij weer op en top een loper toen ik omarmde wat ik zogezegd niet gemist had. Zweten! Een bezweet lichaam, rode kop en een tweede zweetuitbraak als ik stop met lopen. Jeuj, ik heb weer een schuurplek op een vertrouwde plaats! Feestje voor de buikkrampen als teken van dehydratatie! Ja, dat is ook lopen.

Toen ik in 2014 op geheel eigen wijze besloot te gaan lopen, deed ik zomaar wat. Ik was me niet bewust van afstand en snelheid, laat staan van de progressie die ik boekte. Het was in mijn ogen vanzelfsprekend dat ik een half uur kon lopen. Daar moest ik mezelf niet voor prijzen. Ik vond het wel bijzonder toen ik voor de eerste keer langer dan een uur liep. De 20 km van Brussel tot een goed eind brengen, voelde toen aan als één groot feest van al die geslaagde trainingen samen. Tijdens dit opbouwproces werd ik herboren als loper. Ik beleefde de verschillende mijlpalen die ik bereikte veel bewuster. Elke kilometer extra die ik kon lopen was een hoera-momentje waard. Dat zal waarschijnlijk niet stoppen tot ik weer eens een marathon heb afgerond. Ook de eerste keer terug op asfalt lopen, voelde als een overwinning. Net zoals deelnemen aan een wedstrijd. Snelheid is nu veel minder een issue. Blessureleed zit in een klein hoekje: dat werd me pijnlijk duidelijk gemaakt en blijft voor ongerustheid zorgen. Het is kortom geen evidentie om zoveel te kunnen lopen. Redenen genoeg om eens zo hard te genieten van al die positieve neveneffecten. Als loper heb ik meer energie, ben ik productiever en kijk ik positiever om me heen. Wie wordt daar nu niet gelukkig van?

De gedachte – Over topsport als beroep

Ik ben een ambitieuze, maar bovenal recreatieve loper. Marathons lopen is niet mijn werk, het is mijn hobby. Een hobby die weliswaar een belangrijke plaats in mijn leven inneemt. Op sommige momenten mijn leven zelfs een beetje domineert. Soms vraag ik me af wat mij drijft als loper. Waarom kan ik er zo in opgaan en is het zo belangrijk voor mij? Dezelfde vragen kan ik ook stellen over mijn beroep. Het antwoord is dan namelijk niet simpelweg omdat ik er mijn geld mee verdien. Voor het gros van de topatleten zal het financiële aspect ook niet de grootste motivatie zijn om op het hoogste niveau te presteren. Als geld je enige drijfveer is, dan is elke job een zwaar beroep. Mijn broer Seppe is professioneel du- en triatleet, maar hij kan niet leven van zijn sport. Hij heeft dus ook nog een gewone job als vertegenwoordiger. Trainen doet hij met andere woorden in zijn vrije tijd. Het maakt er zijn motivatie niet minder om, integendeel.

Ik heb mezelf ook al de vraag gesteld of ik mijn leven zou willen ruilen voor dat van een betaald topatleet. Begrijp me niet verkeerd: ik heb in de verste verte niet het talent om het te maken als topsporter, ook 15 jaar geleden had ik dat niet. De vraag is dus puur hypothetisch, maar het antwoord erop is telkens volmondig nee. Oké, er zijn al momenten geweest dat ik het lastig vond dat lopen niet mijn core business is. Om praktische redenen bijvoorbeeld: als ik op een warme zondagnamiddag met een marathon in de benen uren in de auto moest zitten, om dan de volgende dag amper uit mijn bed te kunnen, maar dan wel een hele dag op mijn benen te moeten staan in een klaslokaal. Of omdat “niet gaan lopen” niet betekent dat je ook daadwerkelijk rust als je fulltime werkt. Ook toen ik geblesseerd was, dacht ik dat het wel voordeliger zou zijn als ik een andere naam zou hebben. Borlée om maar iets te noemen. Ik zou dan niet ruim een week in onzekerheid hebben moeten leven met allerlei rampscenario’s die zich in mijn hoofd afspeelden, om dan te worden weggestuurd met de boodschap dat ik mijn been moest ontlasten. Met een andere naam kon ik zondagavond nog bij de specialist terecht en zou tot op het bot worden uitgeplozen wat er juist scheelde.

De keerzijde van die praktische voordelen is groot. Topsporters maken immense opofferingen om hun sportieve doelen na te streven. Hun sociale leven lijdt onder de strakke trainings- en voedingsschema’s. Rusten is een noodzaak. Een kerstfeest bij de familie Borlée zal waarschijnlijk minder gezellig zijn dan in een andere niet-topsportende familie. De agenda van een topsporter is tot in de puntjes georkestreerd. Je sport dan niet voor je leven. Je leeft voor je sport. Een blessure kan je inkomen hypothekeren. Je bent niet getroost met een eenvoudige volgende keer beter als een wedstrijd niet uitdraait zoals verhoopt. Een tegenvaller op sportief gebied heeft een grote impact op je hele leven en je kan je gedachten niet verzetten door je op je werk te storten.

Een professionele omkadering betekent ook dat je niet alles zelf kan bepalen. Omringd zijn door specialisten wil zeggen dat je ook naar die mensen moet luisteren. Chris Froome mocht in 2012 de Tour niet winnen omdat zijn bazen Bradley Wiggins hadden betaald om de eindzege binnen te halen. Froome was wellicht sterker, maar mocht zijn eigen kans niet gaan. Afgelopen weekend besliste de coach van onze Belgische turnploeg dat ze de ploegenfinale op het EK niet zouden turnen om de dames te sparen met het oog op het nakende WK. Het zijn rationele beslissingen die gemaakt worden binnen een groter plan, maar die ingaan tegen het instinct van de sporter. Topsport betekent jezelf voor een stuk uit handen geven. Ook aan de media en het publiek. Je wordt dan als persoon gemeengoed en voor je het goed en wel beseft, gaan dingen hun eigen leven leiden. In de afgelopen Tour de France werd gedemonstreerd hoe het publiek zich tegen een ploeg en groep atleten kan keren. Het feest dat sport kan zijn, kreeg plots een grimmige invulling.

Aan mij zou een leven als topsporter dus niet besteed zijn. De eentonigheid van een topsportersbestaan zou mij op lange termijn weinig voldoening schenken. Toen ik geblesseerd thuis zat, werd ik het ongelukkigst van het feit dat ik niet eens kon gaan werken. Naast lopen zijn er veel andere uiteenlopende dingen die mij boeien en bezighouden. Ik kan en wil ook niet kiezen om me op één iets te focussen. Mijn interesses zijn met elkaar verbonden en door te lopen krijg ik ideeën en maak ik plannen. Ik word geprikkeld om eens iets anders te proberen. Een blog beginnen bijvoorbeeld. Laat mij dus maar ver uit de spotlights mijn kilometers lopen. Ik zoek mijn grenzen op binnen de mogelijkheden die ik nu heb en ben mijn eigen coach. Dat is van onschatbare waarde.

De gedachte – Over jongeren en sport

Ik ben leerkracht Nederlands in het vierde en vijfde jaar ASO. Hoe langer ik voor de klas sta, hoe meer voldoening ik haal uit mijn werk. Ik ben er trots op om een leerkracht te zijn. Onder de noemer Joke klaagt zou ik gerust een blog kunnen vol pennen over de problemen waar het onderwijs mee te kampen krijgt, maar ik heb geleerd om vooral te kijken naar alle mooie aspecten die bij het leraarschap horen. Als je dat niet meer kan, dan is het tijd voor iets anders. Je moet je eigen vak doodgraag zien en het tegelijkertijd ook kunnen relativeren. De schoolgaande jeugd die voor je neus zit, is net zo belangrijk als dat vak.

De afgelopen jaren werd ik dus steeds een ferventer loper. Aanvankelijk deed ik daar niets mee in de klas. Ik zag er de meerwaarde niet van in. Ik geef geen sport, dus waarom zou ik er over vertellen? Bovendien ligt de interesse van de gemiddelde 16-jarige nu eenmaal niet bij lopen. Gaandeweg besloot ik om mijn passie voor lopen en een actieve levensstijl wel te delen met mijn leerlingen. Ik vertelde al eens dat ik graag liep of dat ik ’s ochtends voor school al was gaan lopen. Ik vertelde over de marathon en mijn sportieve plannen. Ik vertelde over mijn broer, de wereldkampioen duatlon. Het klonk als waanzin in hun oren: vroeger opstaan om te gaan sporten? Uren aan een stuk lopen?? Voor je plezier??? Ze begrepen het niet en waren juist daarom geïnteresseerd in mijn beweegredenen.

Een persoonlijk verhaal doet altijd zijn werk in de klas. Het zou straf zijn om nu te kunnen vertellen dat mijn leerlingen dermate geïnspireerd werden door mijn ervaringen dat ze ook begonnen te lopen. Dat is natuurlijk niet zo. Er was wat meer nodig om hen aan het bewegen te krijgen. Voor een spelletje zijn ze altijd in, maar dat is heel anders dan eentonige fysieke inspanningen leveren. Vorig schooljaar bedacht ik een concreet project toen ik met mijn collega’s voor de leerlingen van het vierde jaar een sportdag organiseerde. Bij wijze van sportieve aanloop zouden de vierdejaars gedurende een week de kans krijgen om voor school onder begeleiding samen een mijl te gaan lopen (gebaseerd op de One Mile Challenge). Geheel vrijblijvend dus. Om hen mee te krijgen in mijn loopverhaal voegde ik er een spelelement aan toe. Het concept was dus een klassencompetitie waarbij vooral veel beloningen te verdienen waren. Dat bleek te werken. Tot mijn eigen verbazing zag ik elke dag een behoorlijke groep leerlingen om 8u verzamelen om samen 1,6 kilometer te lopen langs de ring van Leuven. De voldoening was groot. Afgelopen schooljaar werkte ik het project nog verder uit en er is meer op komst.

Ik heb lang gedacht dat jongeren steeds inactiever worden door de toenemende invloed van sociale media en allerhande games. We hebben al snel de neiging om vroeger te idealiseren: toen moest je je verplaatsen om een sociaal leven te hebben en kinderen speelden meer buiten. Ik denk echter niet dat er in mijn generatie meer jongeren vrijwillig in een sportclub zaten. Het aanbod en de variëteit aan actieve vrijetijdsbestedingen groeit aanzienlijk. Bovendien is het al te gemakkelijk om met de beschuldigende vinger naar jongeren te wijzen als het aankomt op een passieve levensstijl. Luiheid is eigen aan de mens. Als ik om me heen kijk in eender welke omgeving, dan zie ik dat voor de meeste volwassenen geldt dat sport of lichaamsbeweging een opgave is. We spreken liever af met vrienden om een glas te gaan drinken dan dat we samen gaan lopen. Een uur slaap wordt niet ingeruild voor een uur sport. Lichaamsbeweging heeft geen prioriteit in onze agenda. Mooi meegenomen als het kan, tant pis als dat niet zo is.

Net zoals dat we de jeugd verwijten dat ze heel de tijd met hun schermpjes bezig zijn, doen we het zelf niet echt beter. Het is dan ook veel te kort door de bocht om te stellen dat jongeren bij voorbaat geen boodschap hebben aan lichaamsbeweging. Het gegeven dat je een gevoel van ontspanning krijgt na een inspanning is iets wat je moet leren ervaren. Lichaamsbeweging is een gewoonte die je moet leren waarderen. De ene mens zal sneller van dat principe overtuigd zijn dan de andere. Jongeren zijn in mijn ogen dan ook helemaal niet luier of passiever dan de gemiddelde mens. Ze voelen hooguit minder sociale druk om te voldoen aan een bepaald gezondheidsideaal. Alleen als jongeren in hun directe omgeving geprikkeld worden om actiever te zijn, kunnen ze leren dat lichaamsbeweging een meerwaarde is. Op mijn school vond ik gelukkig zonder problemen een draagvlak voor dit sportieve project. Veel fijne collega’s maakten maar al te graag een beetje tijd vrij in hun agenda om het goede sportieve voorbeeld te geven. Practice what you preach heet dat dan.