De gedachte – Over zeeën van tijd

Naar aanleiding van Singles’ Day begon ik in november 2022 aan een blogconcept met de werktitel Over alleen zijn. De 11e dag van de 11e maand bestaat uit vier 1’tjes op rij die de singles overal ten velde willen vieren en hen vooral aan het kopen wil krijgen. Ik haalde mijn neus op voor deze marketinghype die uit China kwam overwaaien. Op dat moment was ik al geruime tijd een singletje, al zal je mij dat woord enkel horen gebruiken binnen de context van de jaren 90 toen ik met mijn zakgeld cd-singles ging kopen*. Nog steeds word ik lichtjes geagiteerd als ik het woord single hoor als aanduiding voor iemand die zich niet in een amoureuze relatie bevindt. Ik wilde de cultus rondom het single-dom zijn pluimen ontnemen. Ik vind het nog steeds raar dat er een etiket bestaat voor iemand die geen relatie heeft, maar dat de pendant double niet bestaat. Discriminatie op semantisch niveau die zich ook maatschappelijk liet voelen. Bovendien voelde ik verzet tegenover alles wat het alleen-zijn verheerlijkte: de single-status als lifestyle, ik was niet mee. Ik maakte die blogtekst nooit af omdat ik me ergens ook een enorme zeikerd zou voelen als ik eens haarfijn zou gaan uitleggen waarom single zijn geen lachertje is. 

Het zegt vooral veel over hoe ik me op dat moment voelde. Ik was graag alleen en ik vond van mezelf ook dat ik goed alleen kon zijn. Tijdens een drukke dag kon ik verlangen naar het moment dat ik alleen zou zijn, veilig in mijn thuishaven van waaruit ik dagelijks met mijn bootje vertrok en er weer naartoe roeide als het mij te veel werd. Het kostte mij geen enkele moeite om avonden alleen te spenderen, in de zetel met een boek bijvoorbeeld. Om een weekend geen sociale afspraken te hebben en helemaal alleen te kunnen beslissen hoe ik mijn sportieve activiteiten zou inplannen. Ik kon zo vroeg opstaan als ik zelf wilde. De rommeltjes in huis waren helemaal alleen van mezelf. Ik kon elke dag kiezen wat de pot schafte. Bovendien werd ik graag gezien door mijn nabije omgeving. Ik was sociaal liefdevol omringd. Er was altijd iemand die met mij een koffie wilde gaan drinken. Ik was een plantrekker die in haar eigen wereldje de baas was. Ik vond dat ik best goed kon thuiskomen bij mezelf.

Er was ook een keerzijde aan de medaille. Ik voelde vaak een onbestemd, maar wel heel groot gemis. Mijn thuis was net zo goed een plek waar ik mezelf in hardheid onderdompelde. Ik werd soms doodmoe en besluiteloos omdat ik werkelijk over alles moest nadenken en elke beslissing er één van mezelf was. Voor iemand die al een neiging heeft tot overpeinzen is de denklast als alleenwonende bijzonder hoog. Ik kon geen enkel klusje uitbesteden. Ook financieel voelde ik veel druk. Ik moest bovendien vaak de aanname ontkrachten dat ik meer tijd zou hebben dan iemand die een gezin had. Een huishouden van één persoon draaiende houden met één persoon is net zo goed heel veel werk. De norm lijkt te zijn dat je niet alleen bent en dat versterkte het gevoel dat ik me onbegrepen, ongehoord of irrelevant voelde. Ik voelde me best vaak eenzaam en ik moest ook steeds harder mijn best doen om dat voor mezelf te blijven ontkennen.

Ik ken een raadsel over eenzaamheid, het gaat als volgt: wat doet pijn en telt voor twee? – Spinvis

Ik heb echt heel gezellige kerstdagen met mezelf beleefd waarbij ik vooral blij was met de vrijheid die ik had om mijn eigen feestje vorm te geven. Wat steeds vaker pijn ging doen was om thuis te komen bij alleen mezelf nadat ik een weekend met zussen of ander goed gezelschap had gespendeerd. Ik had dan wel huisdieren die blij waren met mijn thuiskomst, maar ik werd ook weer teruggeworpen op het bikkelharde regime dat ik mezelf had opgelegd. Thuis kon ik mijn wagentje niet aankoppelen aan dat van een ander. Ik verzeilde vaak in aanslepende interne dialogen met een ontmoedigende ondertoon. Mijn vrijheid ging behoorlijk beklemmend aanvoelen omdat mijn referentiekader alleen op mezelf was afgestemd. De tijd die voor me lag leek eindeloos, maar de eisen die ik stelde aan de opvulling ervan waren torenhoog.

Ik hou van de zee en ik hou ook van de muziek van de Nederlandse singer-songwriter Froukje. Haar recentste album Noodzakelijk Verdriet zou ik een jankplaat in positieve zin durven noemen. Er is de afgelopen weken nog geen dag voorbij gegaan dat ik niet naar Froukje heb geluisterd. Het nummer Zeeën van liefde katapulteerde me helemaal terug naar de periode in mijn leven dat ik alleen was. Van alles dat erg is, is het alleen doen het ergst – het allerergst. Herkenbaarheid alom. Hoe vaak ik me reddeloos en afgedreven voelde. Dat ik echt niet wist wat ik in hemelsnaam aan moest met zeeën van tijd. Ik zal de verdrietige kant van die periode niet snel vergeten en dat hoeft ook niet. Het was immers niet al kommer en kwel. Ik leerde ook heel veel over mezelf en daar heb ik nog dagelijks iets aan. 

Zoals dat hier tegenwoordig gaat op mijn blog krijgt een initieel triestig verhaal een sprookjesachtige wending. Ik ben nu niet meer alleen, ik ben samen met Hans en wij zijn toch echt wel het koningspaar van de sfeer en gezelligheid. Ik ervaar nu hoe fijn het is om met z’n tweeën te zijn, om de zeeën van tijd op te vullen met zeeën van liefde. Om samen aan zee te zijn, er samen te wandelen en te lopen. Soms uitgelaten pratend, soms zwijgzaam zij aan zij. Ik heb nu een echt klankbord. Iemand die met mijn grapjes lacht en mij ook aan het lachen brengt. Iemand om ’s avonds mee in de zetel te zitten, ieder weggedoken in een boek, maar wel arm tegen arm om te voelen dat we niet alleen zijn. We zijn elk een 1’tje, maar samen zijn we zoveel meer dan 2. 

*Mijn eerste single kreeg ik op mijn 12e: het onnavolgbare La tribu de Dana van Manau, een Franse hit nota bene. Ik zal dat schijfje voor eeuwig bewaren, daar kan geen Spotify tegen op.

De gedachte – Over dromen

Het is vandaag Dag van de Mentale Gezondheid, een dag die van wereldbelang is en ook mijn persoonlijke aandacht nog steeds verdient. Een dag om hier even stil te staan bij de angsten waar ik mee leef en het trauma dat daaraan ten grondslag ligt. Het is nu het derde jaar dat ik dit moment aangrijp om iets meer over mezelf en mijn psychische kwetsbaarheid te vertellen. Op mijn blog kan je lezen wat mijn agenda bepaalt, wat mij bezighoudt en wat ik onderneem. Soms kan je hier letterlijk lezen hoe het écht met mij gaat, soms lees je dat eerder tussen de regels door. Lang verhaal kort: het is niet altijd gemakkelijk, maar bovenal wil ik dankbaar zijn voor alles wat ik heb in het leven. 

Dit wordt het jaar waarin jij voor jezelf gaat leren zorgen, het waren de gevleugelde woorden van mijn psycholoog aan het begin van dit jaar dat een bewogen start kende. Hij heeft (uiteraard) gelijk gekregen. Met vallen en opstaan leer ik steeds beter om mezelf te aanvaarden in al mijn gelaagdheid, inclusief de donkere kantjes die daarbij horen. Oktober is altijd een bewogen maand. Enerzijds een periode van rouw en herdenking, waarbij spoken van het verleden hun best doen om mij van de wijs te brengen. Een maand waarin het letterlijk steeds donkerder wordt en het dan de kunst is om daar de gezelligheid van in te zien. Door op zondag soep te maken bijvoorbeeld. Oktober is ook dé marathonmaand bij uitstek, waar verhalen van verbinding en avontuur ontstaan. Het is kortom een maand waarin alle emoties samenkomen. En dat is helemaal goed zo.

In het voorjaar las ik Untamed van Glennon Doyle, een inspirerend boek over hoe je dat doet “jezelf zijn”. Aan de hand van haar eigen levensverhaal vertelt ze hoe we de meest ongetemde versie van onszelf moeten durven zijn, zoals het kind dat vrij van alle verwachtingspatronen eenvoudigweg is wie het is. Ik vond het boek soms net ietsje té inspirational voor mijn nuchtere ik, maar ik kon er ook niet omheen dat het op sommige vlakken een eye opener van jewelste was. Ik denk er nu vaak aan, hoe ik als kind was. Ik stel mezelf dan de vraag hoe ik als kind op een bepaalde situatie gereageerd zou hebben. Ik sta vaker stil bij wat mij als kind blij maakte en dan kom ik tot de conclusie dat de grote Joke nog heel dicht bij de kleine Joke kan staan. Ik ben nog steeds de kleine Joke.

Ik was als kind al een enorme dromer met een intens gevoelsleven. In mijn volwassen leven raakte ik ervan overtuigd dat ik nu maar eens moest stoppen met al dat gefantaseer. Ik dacht dat mijn dromen en wat daarachter schuil ging een afleiding waren van de essentie, van het echte leven en de echte ik. Ik vond mezelf altijd wat naïef en theatraal omdat ik me zo graag in mijn eigen hoofd terugtrok. Door altijd maar te willen lezen bijvoorbeeld en te leven en denken in verhalen. Ik beschouwde mijn rijke verbeelding als een belemmering om mezelf te zijn en een echt leven te leiden. Ik had ongelijk. Ik wil juist altijd blijven dromen en ook intens voelen. Er gaat een enorme kracht uit van je eigen verbeelding. Dromen is geen vorm van zwak escapisme, maar een noodzaak om je leven vorm te geven. Imagination is not where we go to escape reality, but where we go to remember it, om het met de woorden van Glennon Doyle te zeggen.

The Everly Brothers wisten het al in de jaren 50: All I Have To Do Is Dream. Als ik mijn jongere ik dus één levensbelangrijk advies zou geven dan is het om te blijven dromen. Het is ook wat ik jullie op deze bijzondere dag toewens: mooie en zoete dromen, elke nacht en elke dag. Hoe donker of licht het op dat moment ook is. Ik spreek uit ervaring als ik zeg dat dromen je hoofd fris houden. 

Dreaming, after all, is a form of planning – Gloria Steinem

Tegenwind, wegenwerken en een streepje muziek

Maart 2023 was niet mijn maand. Er was de belofte van het sportieve voorjaar en een zonnige lente. Plannen om naar toe te leven. Genoeg klein geluk om mijn hartje aan op te halen, om eens goed mee te lachen ook. Ik besef dat ik ergens onderweg de licht- en luchtigheid ben verloren. Misschien viel die geruisloos uit mijn broekzak tijdens een looptraining. Mogelijk waaide ze met een ruk weg als een pet waarbij de wind onder de klep schiet. Donkere wolken pakken zich samen boven mijn gemoed. Ik bevind me al langer in turbulente tijden. In het najaar was er geen ontkennen meer aan en zette ik stapjes terug. De voet moest van het gaspedaal. Weg met de vermijding, ik leerde hulp te aanvaarden. Mijn houvast was de doldwaze sportieve flow waar ik me in bevond. De ene na de andere unieke ervaring diende zich aan. Mits wat moeite leek het onmogelijke mogelijk. Ik trek gelukkig nog steeds met plezier mijn loopschoenen aan. Lopen is nog steeds wat mij blijer en frisser maakt, zoveel meer dan een uitlaatklep. Het vraagt echter steeds meer om mezelf staande te houden. Op 16 dagen voor de Rotterdam Marathon had ik dat liever anders gezien, al besef ik ook dat het nu eenmaal niet anders is.

Hét nieuws van de maand was dat onze Frank Deboosere met pensioen ging. De eeuwig optimistische weerman die er een halszaak van maakte om zich nooit, maar dan ook echt nooit, negatief uit te laten over het weer. De natuur kon immers regen gebruiken, jeej! De windmolens zijn toch zo blij met die wind, joepie! Ik liet mezelf wel eens een oogrol ontvallen als Frank weer overdreven enthousiast een barslecht weerbericht de wereld in stuurde. Nochtans zou ik mezelf ook omschrijven als een meteorologisch positivist. Als grote fan van de Vier Seizoenen (en dan vooral Vivaldi’s Summer in G Minor) ben ik ervan overtuigd dat elk seizoen z’n voordeel heeft. De maat is echter vol: ik ben helemaal klaar met de grilligheid van maart. Sinds mijn CPC-strijd is met name de wind mij een doorn in het oog. Kan het nu alsjeblieft eindelijk eens stoppen met waaien?! Zowel tijdens mijn looptrainingen als mijn dagelijkse steenwegritten op de fiets word ik geteisterd door wind. Of het nu strakke winden, dan wel rukwinden of windstoten zijn: ik ondervind daar last van. Zo ook afgelopen zondag tijdens de halve marathon in Gent waar ik samen met Roos en Sam aan de start stond. Het was een regenachtige dag en als het regent, lieve mensen, dan waait het doorgaans ook. Neem daarbij een parcours met behoorlijk wat draaien en keren, lastige steentjes incluis, een Gent dat grijs afstak tegen de koninklijke allures van Den Haag en je begrijpt dat ik er niet de halve marathon van m’n leven liep. Dankzij de lead-out van Sam kon ik nog afklokken op een 1:25, maar een echt goed gevoel hield ik er niet aan over. Roos daarentegen, die ging weer als een speer. Ze verbeterde haar amper 2 weken oude PR van de CPC met weer een minuutje. She’s on a roll! Volgend jaar gaat ze Karel Sabbe achteraan in de Barkley Marathon, let op mijn woorden.

SQQH0117

Ik word ook geplaagd door wegenwerken. Op mijn fietsroute naar school liggen drie stukken weg open. De situatie: mobiele lichten die altijd op rood staan, autobestuurders die zich ergeren, wachten, nog wat wachten en dan over een geïmproviseerd fietspad voorbij de werf. Het wegdek wordt weer wat opgelapt, fundamenteel wordt de mobiliteit op de steenweg er zelden beter van. Lastig, maar niks waar ik van wakker lig. De echte terreur zijn de wegenwerken die in mijn hoofd plaatsvinden. Sinds een paar maanden volg ik een intensief therapeutisch traject om de PTSS aan te pakken waar ik al veel te lang mee leef. Enerzijds is er de opluchting dat ik mijn verregaande angst en stress gerelateerde klachten bij de wortels aanpak, anderzijds betekent dat ook teruggaan naar de oorzaak ervan. Dat maakt heel veel los. Er worden diepe kraters in het wegdek geslagen. De imposante brokstukken liggen ernaast en ik vraag me af hoe dat ooit weer zal passen. Wat bloot komt te liggen is onontgonnen terrein. Pure chaos. Uitzichtloos, moeilijk voor te stellen dat daar ooit weer een strakke asfaltstrook zal liggen met slechts enkele subtiele breuklijnen die verwijzen naar de bouwval die ooit was. Mijn werk is zowel een afleiding als een vlucht. Sporten is dat ook. Er is op dit moment geen gulden middenweg. Het is wachten bij die wegenwerken (soms geduldig, soms met een vloek), wetende dat ze op een dag minder hinderlijk zullen zijn en ook erop durven vertrouwen dat ze op een andere dag tot de verleden tijd zullen behoren.

Ik heb heel veel lieve mensen om me heen die me met zorg omringen, maar ook in de muziek vind ik troost en afleiding. Mijn Spotify playlists werden weer wat uitgebreid met respectievelijk De Janklijst, De Troostlijst en De Vechtlijst. Bovendien maakte ik ook een 90’s Throwback lijst die mij helemaal terug katapulteert naar mijn jeugdjaren. De tijd dat ik keihard Self Esteem van The Offspring meebrulde (I’m just a sucker with no self esteem), wij met z’n allen Britney Spears en Christina Aguilera leerde kennen, Aqua muzikaal hoge toppen scheerde met Barbie Girl, maar Seppe en ik ook fan waren van Krezip, Nirvana, The Radios en Eminem. Kortom een gezellig bont allegaartje.

Begin februari gingen Roos en ik naar het concert van First Aid Kit in de AB. Johanna en Klara Söderberg zijn Zweedse zussen met een gitaar die fantastisch zingen, een folkduo wordt dat blijkbaar genoemd. We waren het erover eens dat ik eerder Klara was en Roos Johanna (we zagen het al helemaal voor ons hoe wij samen een band zouden vormen). Je zou hun songs wat melancholisch en triestig kunnen noemen. Toch behoren ze wat mij betreft absoluut tot de troostende hoopgevende categorie. Hun recentste album Palomino bevat alleen maar pareltjes, vooral het meeslepende Out of My Head luisterde ik al honderden keren. Dezelfde vibe vind ik ook bij een heel wat ouder album: Temple Of Low Men van Crowded House. Niet toevallig de plaat van Four Seasons in One Day, wat ik vorig jaar bombardeerde tot voorjaars-janklied. Voor de French touch heb ik dan weer Zaz, wiens stem nooit verveelt, of ze nu over Parijs of over de liefde zingt. Tot slot kleurt ook I Don’t Live Here Anymore van The War On Drugs mijn voorjaar. Wat een topplaat! Als het echt tijd is voor wat licht- en luchtigheid in het leven, dan is er gelukkig nog The Masked Singer. Dankzij Minotaurus ben ik weer helemaal verslingerd aan Queen en dan vooral The Show Must Go On. Drama doet het altijd goed, ongeacht de tijd of het moment.

Ziezo, het is paasvakantie. Tijd om rust te nemen. Ik ga de verbinding en vriendschap opzoeken. Koffie drinken, lezen en lopen. Wat creatieve projecten hervatten. Wind mee of tegen, de kriebel om helemaal naar die Rotterdam Marathon toe te leven komt eraan. On a river, I’m floating down the stream and back again om het met de zusjes Söderberg te zeggen. Zussen hebben eigenlijk altijd gelijk.

De gedachte – Over veerkracht

Een jaar geleden vertelde ik naar aanleiding van World Mental Health Day een heel persoonlijk verhaal over mijn psychische kwetsbaarheid en hoe ik die leerde te aanvaarden als een deel van wie ik ben. Dankzij de hartverwarmende reacties die ik daarop kreeg, blik ik met een warm gevoel terug op oktober 2021. Ik dacht dat mijn verhaal was verteld. Voor wie hier vaker leest of mij in het echt kent, zal het niet als een totale verrassing komen dat ik al eens worstel met het leven. Mijn enthousiaste en ondernemende kant heeft een gespannen en angstige keerzijde. Ook hier kregen mijn sportieve verhalen de laatste tijd vaker een ondertoon van knagende onzekerheid. Waar ik dacht mijn kwelgeesten onder controle te hebben, moet ik nu vaststellen dat ze al enkele jaren bezig zijn mij de dieperik in te praten. Op 1 september begon ik vol goede moed aan het schooljaar om vrij snel te ervaren dat het helemaal op was. Het-ging-niet-meer. Mijn hoofd zat overvol. Rust nemen was een noodzaak.

In vergelijking met vorig jaar vind ik het nu een pak lastiger om over mijn hoofd en ik te vertellen. Toen kon ik vanuit mijn sterkte over mijn interne winkel spreken. Vanop afstand ook. Ik was niet de crisis, maar de observator. Nu bevind ik me in het oog van de storm. Op het eerste zicht ben ik een goed functionerende vrouw. Sterker nog, op sportief vlak ben ik in topvorm: ik won dit jaar heel wat wedstrijden, verzamelde tal van podiumplekken en liet het ene na het andere PR optekenen. Voor mezelf vind ik het behoorlijk lastig om die mentale turbulentie te kunnen rijmen met een lichaam dat wel kan presteren, laat staan hoe ik dat aan de buitenwereld kan uitleggen. Of eerder verantwoorden, want zo voelt het. Ik vind het kortom erg moeilijk om te accepteren dat het fysiek wel lekker kan lopen, maar mentaal voor geen meter. En dat ik dat net zo goed serieus moet nemen. Net daarom besloot ik om in deze Week van de Mentale Gezondheid toch weer iets neer te schrijven. Omdat ik een gezicht wil geven aan mentale kwetsbaarheid. Omdat ik eerlijk en oprecht wil zijn. Niet door alles van mezelf zomaar te grabbel te gooien, wel door een genuanceerd beeld te schetsen van mij als persoon.

Ik heb lang gedacht dat ik veerkrachtig was omdat ik zogenaamd alles aankon. Ik ben de persoon met het gigantische draagvlak die altijd plankgas kan geven. Veerkrachtig zijn stond voor mij gelijk aan altijd hoge toppen scheren of dat toch op z’n minst ambiëren: presteren op professioneel vlak, als loper, als lezer, als zus, als vriendin. Om die reden vind je in mijn huishouden geen weessokken, vergeet ik nooit een verjaardag en zal je mij niet kunnen betrappen op een spelfout. Elke dag wil ik als mens groeien door mijn idealen na te streven. Ik wil altijd sterk en dapper zijn. Ik heb de teugels graag strak in handen. Voor een heel groot deel is dat echt wie ik ben. Hoe ik als kind ook was: iemand die er voldoening uithaalt om zichzelf te verrijken en uit te dagen. Ik heb er altijd van gehouden om heel veel projecten te hebben en daar eisen aan te stellen. Anderzijds is het gaandeweg ook een vorm van vermijding geworden. Ik ben bang dat het de enige rol is waarvoor ik waardering zal krijgen, zowel van mezelf als van mijn omgeving. Het is ook een strategie geworden om mezelf staande te houden in de complexiteit van het leven.

Door elke dag mijn stinkende best te doen, sta ik de laatste jaren altijd “aan”. Mijn gedachtemolen blijft op volle kracht verder malen zonder pauzeknop. Ik kan mezelf helemaal verliezen in overpeinzen en (over)analyseren. De traumatische ervaring uit mijn studententijd heeft mij gesterkt in de overtuiging dat denken mij wapent in het leven. Als ik maar ver genoeg vooruit denk en rekening houd met alle mogelijke doemscenario’s ben ik voorbereid op wat er mis kan gaan. Ik voel me vaak angstig. Somber ook, want het kan heel donker zijn in mijn hoofd. Door al dat rumineren verlies ik soms de voeling met de realiteit. Mijn angstmonsters zijn een steeds prominentere rol gaan spelen in mijn dagelijks functioneren. Ik kan niet anders dan toegeven aan de akelige gedachten die in mijn bovenkamer gegenereerd worden. Er is overal een dreiging. Mijn meest dierbare bezit lijkt altijd in gevaar te zijn. Ik moet paraat staan om op elk moment te kunnen vluchten of vechten. Ik overleef meer dan dat ik kan leven.

Door tijdelijk een stap terug te zetten, besef ik dat veerkracht iets heel anders betekent. Het is toelaten dat het minder gaat of zelfs helemaal niet. Het is toegeven aan mijn soms alles verlammende verdriet. Een soort verdriet dat heel onverwacht kan toeslaan en mij in alle hevigheid overmant. Veerkrachtig zijn betekent nu om een troostende schouder te zoeken en te aanvaarden. Om te proberen met mildheid naar mezelf te kijken. Het is schaamteloos kunnen genieten van het plezier dat lopen mij schenkt waardoor het volume van de denkmolen even getemperd kan worden. Veerkracht is gas terugnemen. Loslaten ook. Het is – ondanks de angst dat dit het is en dat het altijd zo zal zijn – er ook op durven vertrouwen dat het uiteindelijk wel goed komt.

Hoe lastig deze periode ook is, ik wil dit momentum aangrijpen om dingen fundamenteel anders aan te pakken (zonder ook daar weer een enorme uitslover in te zijn). Om te beginnen door niet altijd in mijn eigen hoofd te kruipen als het wat minder gaat. Om nog meer verbinding te zoeken met mijn omgeving. Buiten mijn sociale vangnet kan ik terecht bij mijn huisarts en ga ik tweewekelijks naar de psycholoog. Ik ga nu meer dan ooit de confrontatie aan met alles wat ik de voorbije jaren heb vermeden omdat ik mezelf een zorgelozer leven gun. Ik doe kortom wat ik denk dat nodig is om te herstellen. Morgen ga ik terug aan het werk en, geloof het of niet, daar heb ik veel zin in. Het mag dan tegenstrijdig klinken, ik beschouw mezelf nog steeds als een enorme gelukzak. Net nu ervaar ik ook hoeveel liefde er om mij heen is en dat ik echt wel graag gezien word om de persoon die ik ben in al haar facetten. Ik kan niet anders dan daar ontzettend dankbaar voor zijn.

Het moment – Wat een week!

Goh, wat was het me een bijzondere week. Uitgerekend op de dag dat ik mijn persoonlijke verhaal deelde over het trauma in mijn studententijd en hoe ik leerde omgaan met mijn kwetsbaarheid, knalde ik naar een 17e plaats op de 10 Miles in Antwerpen. Ik legde een dikke 16 kilometer af in 1u05 met een gemiddelde van 3’59” per kilometer. Nog steeds kan ik dat moeilijk vatten (ik val in herhaling, maar het is echt zo). De afgelopen week werd ik overladen met positieve reacties uit bekende en onbekende hoek. Ofwel omwille van die sportieve tour de force, ofwel om het heel persoonlijke verhaal dat ik deelde. Juist die combinatie van het heftige verhaal met iets volstrekt onbenulligs als een snelle loopwedstrijd deed de puzzel even helemaal in elkaar passen.

Over Antwerpen nog dit. Een dag met Roos op pad zijn dat is sowieso een cadeau. Het was een uitstap met alles erop en eraan: sportief vermaak, samen koffie drinken en supporteren, veel lachen en nog meer verhalen. We dansten samen toepasselijk op Rise van Lost Frequencies in het startvak. Over een momentum gesproken: ik heb helemaal niks met dansen, er moet iets speciaals gebeuren om dat lijf van mij aan het shaken te krijgen. Mijn 10 Miles waren niet alleen de snelste, maar ongetwijfeld ook de meest bewuste die ik ooit liep. Ik besefte ten volle dat dit weer één van die dingen is die weer kunnen en hoeveel plezier ik daaraan beleef. Ik nam alle aanmoedigingen in dank aan. Antwerpen, u was geweldig.

Over mijn persoonlijke verhaal nog dit. Eén van de redenen die me altijd tegenhield om het te vertellen, was dat ik wist hoe het mensen zou aangrijpen. Ik wilde niet dat iemand met mij zou inzitten. In veel opzichten is het een triestig verhaal over een lelijke en akelige kant van de wereld waarin we leven. Gelukkig kreeg ik meermaals te horen dat juist de krachtige stem van de veerkracht de bovenhand nam. Heel lang heb ik overigens niet getwijfeld of ik dit al dan niet zou publiceren. Pakweg een maand geleden zag ik in World Mental Health Day de ideale aanleiding. Sindsdien begon ik na te denken over wat ik precies wilde vertellen. De tekst ging rijpen in mijn hoofd en later op het digitale papier. Ik werd niet uit evenwicht gebracht toen ik dit verhaal opschreef. Ik ging dus niet door een emotioneel dal. De eerste keer dat ik typte dat ik werd aangerand, was ik me wel heel bewust van de lading van die woorden en van het feit dat ik dat nooit eerder opschreef. Op de één of andere manier werkte het wel verhelderend om alles in woorden te vatten. Ik probeerde er een samenhangend, niet al te langdradig geheel van te maken dat door iedereen gelezen mag worden. Ik ben er best trots op dat me dat aardig is gelukt.

Mijn dank gaat naar jullie. Ik zou hier voor mezelf kunnen schrijven, maar dat mijn schrijfsels gelezen en gewaardeerd worden, dat die betekenis krijgen en geven, dat heb ik aan mijn lezers te danken. Merci voor alles!

De gedachte – Over mijn hoofd en ik

Het is vandaag World Mental Health Day, een bijzonder noodzakelijke dag waarvan we gelukkig steeds meer het belang inzien. Naast een lijf waar we voor moeten zorgen, hebben we ook allemaal een hoofd dat op volle toeren draait en dat de beste zorgen verdient. Bij mijn leerlingen merk ik ook dat mentale gezondheid steeds meer een ding is: het taboe dat rust op psychologische begeleiding bijvoorbeeld en de (on)toegankelijkheid ervan. Helaas zie ik het aantal jongeren dat worstelt en uitvalt op school met mentale klachten steeds toenemen. Vaak vallen ze tussen de mazen van het vangnet door. Hun klachten zijn niet urgent genoeg om meteen hulp te krijgen, maar ze zitten wel muurvast. Te vaak wordt het niet meer mee kunnen beschouwd als een teken van zwakte, als iets om je over te schamen. Ik maak me daar ook schuldig aan. Liever heb ik het over wat ik zoal onderneem dan over hoe ik soms worstel met het leven in al z’n complexiteit en hoe dat soms genadeloos hard op mij afkomt. Ook zwijg ik liever over het gevoel van leegte en gemis dat ik soms ervaar en zitten de spoken van mijn verleden doorgaans achter slot en grendel. Vandaag niet.

Een aanleg tot overpeinzing en piekergedrag heeft er bij mij altijd ingezeten. Als kind kon ik al te lang stilstaan bij de dingen. Stemmingen, emoties en beelden konden heel lang aan mijn vel blijven plakken. Met dit semi-onschuldige verhaal over Free Willy kan ik inmiddels hartelijk lachen, maar ik kan je verzekeren dat het destijds geen pretje was om wekenlang het verdriet van een Amerikaanse tiener en zijn orka te dragen. Ik ben nochtans opgegroeid in een heel warm nest waar er geen gebrek was aan liefde en troost, nu nog steeds trouwens. Alleen had ik als kind de neiging om mijn besognes te internaliseren. Ik liet ze in mijn hoofd hangen, veilig bij mij en dan ging het wel voorbij.

Daarnaast is er ook een traumatische gebeurtenis die mij getekend heeft. Ik was 19 en studeerde in Leiden toen ik op een maandagavond alleen in het donker langs de prestigieuze rechtenfaculteit (oh ironie) liep, waar ik door drie studenten werd bedreigd met een mes, vernederd en verkracht. Als een hoopje miserie werd ik op de stoep achtergelaten. Wat volgde was een aangifte bij de politie, heel veel tranen van onmacht, reddeloosheid, ook heel veel troost en dan toch altijd weer opnieuw tranen. Slechts met mondjesmaat lukte het mij om de draad van mijn leven weer op te pikken. Ik had slaapproblemen, durfde de straat niet meer op en kampte met dwangstoornissen. Een ellendige en donkere periode die ik niet alleen moest doormaken. Mijn familie en vrienden waren er elk op hun eigen manier om me op te vangen en op te vrolijken. Ik ging jarenlang naar de psycholoog om die gebeurtenis een plaats te geven. Dankzij de onvoorwaardelijke steun van mijn omgeving én professionele begeleiding slaagde ik erin om dit trauma te verwerken.

Ik heb me heel lang geschaamd over wat mij overkomen is in Leiden. Ik vond het dom van mezelf dat ik niet aan de andere kant van de straat was gaan lopen toen ik die jongens zag staan. Ik vond mezelf naïef om zo vol in het gevaar te trappen. Bovendien nam ik het mezelf ook kwalijk dat ik niet de minste poging had ondernomen om mezelf te verweren. Ik had niet geschopt toen ik in bedwang werd gehouden, ik had niet eens geprobeerd om mijn keel open te zetten. Verstijfd van angst had ik hun handen op mijn lijf ondergaan (en daarom toegestemd?). Ik had dit kunnen voorkomen als ik oplettender was geweest en als ik actie had ondernomen, die gedachte bleef jarenlang sluimeren. Het heeft echt heel lang geduurd (zeg maar een jaar of 10) tot ik besefte dat ik geen enkele schuld droeg. Toch bleef er nog steeds een zweem van schaamte hangen rond die gebeurtenis. Ik wilde namelijk niet dat anderen mij als een slachtoffer zouden zien. Ik wilde ook niet de sterke vrouw zijn met het zielige verhaal. Ik wilde geen medelijden om wat mij overkomen was of complimenten om hoe ik daarmee omging. Het leek daarom gemakkelijker om het er gewoon niet meer over te hebben. Ik was “het” te boven, “het” leek niet meer relevant. Waarom zou ik “het” delen?

In mijn hoofd distantieerde ik me van de 19-jarige Joke. Zij was een slachtoffer. Zij had iets ergs meegemaakt. Ik besef nu dat zij net zo goed nog een deel van mezelf is, net zoals het kind dat treurde om Free Willy. Het verdriet van toen heeft een plaats gekregen, maar ik heb nog steeds af en toe verdriet om het verdriet van toen. Om de Joke die iets vreselijks overkomen is. Om de impact die dat voorval gehad heeft op mijn leven als prille twintiger en dat van mijn familie. Op de relationele keuzes die ik nadien maakte. En ja, mijn trauma heeft sporen nagelaten. Ik leerde mezelf aan om continu in een staat van paraatheid te verkeren. Mijn veiligheidsgevoel is uitgerust met een hypersensitieve sensor die begint te knipperen als ik ergens te gerust in ben of als ik naïef gelukkig ben. Door alert te zijn, constant op scherp te staan, zou ik het gevaar detecteren dat zich in elk hoekje kan verschuilen. Een negatieve denkoefening in “Wat Als” om me te wapenen tegen de boze buitenwereld. Het geeft mij het valse gevoel van controle over de situatie. Ik kan dit mechanisme inmiddels bij mezelf herkennen en benoemen, wat helpt om ermee om te gaan. Je kan niet voorbereid zijn op alles. Je kan geen geweld voorkomen door er steeds rekening mee te houden. Als je een eigen leven wil leiden moet je de onvoorspelbaarheid erbij nemen.

Dat ik nu al enkele jaren alleen woon heeft er ook toe bijgedragen dat ik harder geconfronteerd word met mezelf, in positieve en negatieve zin. Meestal heb ik het reuzegezellig met mezelf. Ik kan mezelf echt heel goed vermaken met al mijn projecten. Ik ben best graag alleen. Ik voel me niet eenzaam omdat ik veel liefde en verbinding om me heen heb, maar ik kan verdorie ook zo bikkelhard zijn voor mezelf. Voor mijn lijf ken ik dan geen genade. De enige weg is die vooruit. Sporten wordt een beetje vluchten. Ook dat is een strategie om me te wapenen in het leven. Door uit elke dag het maximale te persen, heel hard te gaan in het positieve en de lat zo hoog te leggen dat ik ze eigenlijk niet meer zie. Tot zowel mijn hoofd als lijf op een bepaald moment genoeg hebben van die hectiek. Dan trek ik me terug in de veilige cocon van mijn huis om weer voeling te krijgen met mezelf. Als ik de dag dan begin met te lezen, lijkt de wereld niet verder te reiken dan de warmte van mijn bed, het uitzicht op de bomen en het verhaal van mijn boek.

Gelukkig is er ook een heel zonnige kant aan dit verhaal. Ik heb dus echt geen schrik in het donker. Ik geloof godzijdank nog steeds in het goede van de mens en sta noch cynisch noch rancuneus in het leven. Ik wens dus niet dat de nooit gevonden daders opgeknoopt worden, dan wel wegrotten in een kerker. Zij worden namelijk levenslang met een veel pijnlijkere waarheid geconfronteerd: ze weten waar mensen toe in staat zijn. Ik daarentegen ben doorgaans goedgemutst en positief ingesteld. Ik barst van de energie. Ik ben een expert in plantrekkerij en zelfredzaamheid. Ook de eenzame lockdownperiodes kwam ik heel goed door in mijn uppie. Ik heb lang een leven geleid waarin ik bescherming zocht bij iemand, waarin ik mezelf wegcijferde omdat ik bang was om mezelf tegen te komen. Pas toen ik helemaal op mezelf was aangewezen, besefte ik dat er een enorme kracht naar bovenkwam als ik die kwetsbaarheid gewoon liet bestaan. Door die te omarmen als een deel van wie ik ben, slaag ik erin om een rijk leven te leiden, met pieken en dalen. Ik durf te kiezen voor mijn eigen geluk, ook al is dat niet de gemakkelijkste weg. Hoe akelig ik het soms ook vind, ik woon wel alleen in een mooi en groot huis dat mij gelukkig maakt.

Als ik een conclusie moet distilleren uit mijn verhaal dan is het dat ik liever vol in het leven sta met de blutsen en builen die het mij sowieso oplevert dan dat het uitgevlakt passeert. We dragen allemaal een rugzak met gevoeligheden en onzekerheden. We zijn allemaal soms bang. Zoals je zorg moet dragen voor je lijf omdat je er maar één hebt, zo moet je dat ook doen voor je hoofd. Door het dagelijks te ventileren, door je te omringen met mensen waar je iets aan hebt en door professionele hulp in te schakelen als je daar ook maar de kleinste behoefte aan hebt. En voor iedereen die op de één of andere manier geconfronteerd wordt met seksueel grensoverschrijdend gedrag: roep de schaamte een halt toe, praat erover met wie jij wil, maar hou het niet voor jezelf. Mocht je er nog aan twijfelen, al bij al ben ik echt een tevreden mens. Zo zwaar kak als ik het leven soms vind, zo intens kan ik er ook van genieten. Ik zou het niet anders willen.

Loperspraat – Het verraderlijke hart

Ik vind het soms een akelige gedachte dat mijn hart non-stop aan het werk moet blijven en dat ik het quasi dagelijks vraag om een bijkomende inspanning te leveren. Het is daarvoor gemaakt, dat weet ik wel, maar toch vind ik het confronterend om stil te staan bij de kwetsbaarheid die uitgaat van dat ene orgaan. Gelukkig heb ik vooralsnog geen redenen om te denken dat mijn hart het gaat begeven. Twee jaar geleden werd ik medisch binnenste buiten gekeerd toen ik in het ziekenhuis belandde met een longembolie: dat hart van mij werd na tal van onderzoeken helemaal goedgekeurd. Sinds ik met een sporthorloge loop (nu zo’n 6,5 jaar) heb ik ook altijd met een hartslagmeter gelopen. Inmiddels is de Garmin Forerunner 230 mijn trouwe metgezel tijdens loop- en fietstochten, steeds met een klassieke hartslagband rond de borst. Het laatste half jaar liep ik echter zonder hartslagmeting en dat bracht met tot enkele inzichten.

Ik vond het aanvankelijk razend interessant om me bezig te houden met de cijfers en getallen die mijn GPS-horloge en hartslagmeter op mij afvuurden. Het werd daarom een gewoonte om altijd met die hartslagband te lopen. Halverwege november vorig jaar liep ik voor het laatst met een hartslagmeter. Simpelweg omdat die het niet meer deed, ook niet met een nieuw batterijtje. Vroeger zou ik meteen een nieuwe hartslagband hebben gekocht. Ik zou het gevoel hebben gehad dat ik bij elk loopje zonder hartslagmeting cruciale informatie miste. Maar kijk, ik ben geëvolueerd als mens en als loper en in een competitie-luwe periode leek het me niet noodzakelijk om bij elk loopje mijn hartslag te meten. Ik heb minder behoefte aan die uitgebreide cijfers. Bovendien heb ik ook het idee dat die cijfers me steeds minder vertellen.

Dat brengt me dus bij de vraag in welke mate mijn hart mezelf nog verraadt om het met Edgar Allan Poe’s The Tell-Tale Heart (in het Nederlands vertaald als Het verraderlijke hart) te zeggen, een kortverhaal dat iedereen trouwens moet lezen omdat het én een klassieker is én heel kort én heel akelig zoals alleen Poe dat kan. Het verhaal gaat over een hart dat door stevig te kloppen een menselijke daad verraadt. Ik kwam tot de conclusie dat mijn hartslag de laatste jaren weinig uitschieters kent. Als ik tijdens trainingen wat dieper of sneller ga, is mijn gemiddelde hartslag logischerwijze wat hoger, maar de marge waar die zich binnen beweegt is beduidend kleiner geworden. Vroeger kon mijn hartslag ook variëren tijdens “gewone” loopjes en vertelde die me dus wanneer ik wat vermoeider was. Nu kan ik bij wijze van spreken per looprondje voorspellen wat mijn gemiddelde hartslag zal zijn, ongeacht de omstandigheden. Ook dat is niet onlogisch. Het wijst erop dat ik jaar na jaar een steeds betere basisvorm kreeg en dat mijn hartslag sneller daalt nadat ik diep ben gegaan.

Een zelfde evolutie zie ik ook bij mijn marathons: mijn gemiddelde hartslag zakt beetje bij beetje, terwijl ik steeds sneller loop. Mijn laatste marathon (de suikermarathon) liep ik met een gemiddelde hartslag van 142. De omstandigheden mochten dan wel redelijk ideaal zijn (geen stress en fris loopweer), ik liep die marathon nog steeds behoorlijk snel over een behoorlijk pittig parcours. Tijdens de CPC Loop waar ik vorig jaar mijn record verbeterde op de halve marathon had ik dan weer een gemiddelde hartslag van 165: stevig, maar niet abnormaal als je ruim anderhalf uur echt diep gaat.

Ik heb nooit specifiek volgens bepaalde hartslagzones getraind. Uiteindelijk denk ik dat als je verantwoord lange afstanden wil lopen het er op neer komt dat je gevarieerd én met plezier moet trainen. Al ben ik ook niet volledig immuun voor cijfers en waarden. Het grootste voordeel van lopen zonder hartslagmeter is dan ook dat mijn Garmin me niet meer vertelt wat mijn VO2-max en hersteltijd zijn: geschatte waarden die me meer beïnvloedden dan ik zou willen. Al weet ik dondersgoed dat ze gebaseerd zijn op je snelheid en gemiddelde hartslag, maar dat ze verder amper rekening houden met individueel afgestemde parameters. Het komt er dus op neer dat Garmin de boel heel wat rooskleuriger voorstelt. Zo zou ik volgens mijn horloge een marathon kunnen lopen in 2u46. Nog eventjes doortrainen en ik zou me dus kunnen kwalificeren voor de Olympische Spelen. Om maar te zeggen dat je de raceprognoses met een heel grote korrel zout moet nemen.

Ik denk dat mijn hartslag vooral verraadt dat ik al enkele jaren een gedreven loper ben. Een hartslagmeter beschouw ik dan ook als een handig instrument om over een langere periode te kijken hoe mijn basisconditie zich ontwikkelt. Voor prestaties waar ik naartoe werk, wil ik ook graag weten met welke gemiddelde hartslag ik ze gelopen heb. Om die reden ben ik van plan om snel weer een hartslagmeter aan te schaffen, want jawel: ik broed op leuke sportieve ideeën voor de korte termijn. Laat dat hart van mij dus maar vrolijk verder kloppen.

De gedachte – Over intermittent fasting of dagen zonder ontbijt

Periodiek vasten of intermittent fasting is wijdverbreid en, mocht je er nog aan twijfelen, helemaal in. De ene na de andere lyrische getuigenis van een ervaringsdeskundige (al dan niet sporter) steekt de kop op. Periodiek vasten betekent dat je periodes niet of nauwelijks eet en die afwisselt met gewone eetmomenten. Als iets trending is, dan kan het bij mij twee kanten op: de rebel in mij verkettert het en weigert zich neer te leggen bij de mainstream. Ik doe lekker tegendraads dus niet mee. Die houding kan echter ook omslaan in: ik moet dit geprobeerd hebben om er een mening over te vormen die proefondervindelijk gefundeerd is. De heersende vorm van periodiek vasten is de 16/8 variant: je eet minstens 16 uur niet, gevolgd door een periode van 8 uur waarin je gewoon eet. Je zou zo beter leren luisteren naar je hongergevoel, waardoor je automatisch minder gaat eten. Bovendien zou je lichaam tijdens de vastenperiode overschakelen op vetverbranding en verlies je ook daardoor gewicht. Bij wijze van experiment besloot ik om tijdens de laatste werkweek voor de herfstvakantie twee dagen mijn ontbijt over te slaan. En dan zou ik wel weten hoe het zat. De twee dagen werden vier dagen en deze week ging ik er tijdens mijn vakantie vrolijk mee verder.  Waarom ik uiteindelijk zwichtte en hoe het me beviel, dat leg ik jullie graag uit.

Ik zal maar meteen toegeven dat ik niet helemaal aan mijn proefstuk toe ben wat betreft vasten. Enkele jaren geleden gaf ik toe aan het 5:2 dieet. Daarbij eet je vijf dagen per week volledig “normaal”, zonder enige restrictie en vast je twee dagen. Op die vastendagen mag je telkens 500 calorieën nuttigen. In de praktijk kwam het erop neer dat ik die dagen niet ontbeet en een héél héél lichte lunch en diner nuttigde. Denk: veel droge rauwkost met iets van eiwitten erbij. In eerste instantie was ik hier positief over. Ik worstelde toen stevig met gewichtsissues, zat niet fantastisch in mijn vel en dit dieet leek op het eerste zicht heel erg haalbaar, als in: je moet slechts twee dagen per week doorbijten. Na goed een half jaar hield ik het echter voor bekeken omdat ik merkte dat ik steeds meer begon op te kijken tegen de vastendagen. Een dag amper eten is echt geen pretje als je in se heel graag eet. Bovendien verloor ik er niet echt gewicht mee, wat wel het initiële doel was. Als een dieet je slechtgezind maakt en je er geen gewicht mee verliest, dan heeft het geen zin om door te zetten. Ik beloofde mezelf plechtig dat ik mezelf dit niet meer zou aandoen.

Periodiek vasten zou je naast gewichtsverlies ook een scherpere geest en een betere nachtrust opleveren. Sommigen gaan nog een stapje verder en beweren dat je hierdoor heel wat akelige ziektes kan vermijden. Ik las vaak dat het natuurlijker is voor je lichaam om langere tijd niet te eten. De oermens, lieve lezers, die at soms da-gen niets om zich dan te goed te doen aan een overdaad bessen of een stevige mammoetbiefstuk. Het is dus een oeroud mechanisme dat honger ons scherper en alerter maakt. Verteren daarentegen maakt ons slomer en net dat is voor onze oermens levensbedreigend. Ik vind het behoorlijk onzinnig om mijn lichaam vandaag de dag te vergelijken met dat van de oermens een dikke 100.000 jaar geleden. Alsof de mens en zijn lijf initieel zo bedoeld waren en wij daar zoveel jaar later terug naar moeten grijpen om goed bezig te zijn. Vreemd.

De meeste volgers van het 16/8 vasten slaan hun ontbijt over en eten rond 12 uur een eerste maaltijd. Je mag dan eten tot 20 uur. Dat klinkt heel acceptabel, ware het niet dat ik altijd gezegd heb dat ik nooit, maar dan ook nooit zou vasten omdat ik net zo graag ontbijt. Ik vind dat oprecht één van de gezelligste momenten van de dag. Bovendien is mijn ontbijt redelijk uitgebreid, sta ik op om 5u30 en fiets ik 20 kilometer naar school. Als het middag is, heb ik er kortom al een lang en actief dagdeel op zitten. Maar goed, ik zou periodiek vasten in alle objectiviteit een kans geven. Ik stond vorige week dus op om 5u30 en dronk een zwarte koffie (dat mag dus wel). Het voordeel van niet ontbijten is dat je meer tijd hebt. Tijd bijvoorbeeld om echt van die koffie te genieten en nog wat te werken. De ochtend was er niet per se minder gezellig om. Ik had geen slappe benen op de fiets. Door de drukte van de schooldag stond ik amper stil bij het feit dat ik nog niet gegeten had. Nee, ik werd dus niet overmand door een hongergevoel van jewelste. ’s Middags ging ik op nuchtere maag lopen en bijgevolg at ik vlotjes 17 uur niet omdat dat praktisch zo uitkwam. So far, so good.

Ik kan niet precies uitleggen waarom ik toch zwichtte voor het 16/8 intermittent fasting. Noem het nieuwsgierigheid en de behoefte om mijn gewoontes onder de loep te nemen. Met gewichtsverlies probeer ik niet meer bezig te zijn. Omdat het vasten zo makkelijk was toen ik ging werken, besloot ik om tijdens mijn vakantieweek ook eens na te gaan of het ontbijt overslaan me even goed zou bevallen. Het voordeel was dat ik niet zo vroeg moest opstaan. Het nadeel dat ik niet de afleiding van de werkdag heb en het misschien toch zou voelen als aftellen tot de middag. De afgelopen dagen stond ik op om 7u30, maakte een koffie die ik in bed opdronk met een goed boek en de katten erbij. Rond een uur of 11 ging ik dan nuchter lopen of fietsen. Zware trainingen zonder vooraf te eten worden sowieso afgeraden omdat je dan niet goed kan herstellen. Daar hield ik me braaf aan. Zowel de ontspannen ochtenden zonder ontbijt, maar mét koffie, als de training erna bevielen me erg goed.

Wat zijn mijn bevindingen na twee weken 16/8 vasten? Allereerst, het hongergevoel dat ik als geroutineerd ontbijtlover vreesde, is verwaarloosbaar. Het grootste voordeel is de rust die ik kreeg door niet met eten bezig te zijn. Op werkdagen sta ik toch onder lichte tijdsdruk fruit te snijden of een eitje te koken. Als dat wegvalt, komt er tijd vrij. Nuchter lopen of fietsen ging heel vlot, maar dat is wellicht ook te wijten aan mijn algehele staat van ontspanning nu ik even weg ben van de schooldrukte. Ik voelde me verder niet anders dan anders. Of ik gewicht verloren ben, daar heb ik het raden naar. Ik word niet gelukkig van op een weegschaal te gaan staan, dus daar heb ik ook nu voor gepast. Wel had ik nooit last van een opgeblazen gevoel, wat me anders wel eens kan overkomen. Ik wil dus graag geloven dat ik door periodiek vasten mijn lichaam de kans geef om te resetten, te herstellen en vet te verbranden. Al blijf ik ook mijn bedenkingen hebben. Periodiek vasten wordt strikt genomen geen dieet genoemd omdat het niet voorschrijft wat je wel en niet mag eten. Juist daar wringt voor mij het schoentje. Ik geloof in bewust eten en niet in punten, calorieën of uren tellen. Bij periodiek vasten kan je in principe nog steeds kiezen voor niet-voedzame maaltijden of snacks. Ik zou dus alleen voor deze levensstijl kiezen als die je helpt om bewuster te eten (en leven). Blijf echter ook nuchter en realistisch. Temper je verwachtingen. Mijn leven is er niet manifest anders door geworden, waarschijnlijk omdat ik al bewust met mijn lijf en gezondheid omga.

Tot slot, wil ik jullie na deze uiteenzetting over niet-eten niet op jullie honger laten zitten. Daarom volgt hier het recept van mijn niet te versmaden en erg voedzame frambozencake. Meng in een kom 160 gram havermout, 90 gram speltbloem (of wat je verkiest), 50 gram kokospoeder, 100 gram suiker en 2 eetlepels bakpoeder. Voeg er 2 eieren, 60 ml (haver)melk en 60 gram gesmolten kokosolie aan toe. Als dit een mooi beslag is, voeg je er nog eens 320 gram plattekaas of volle yoghurt aan toe. Stort de helft van het deeg uit in een cakevorm met bakpapier, voorzie het van een laagje diepgevroren frambozen en uiteindelijk de rest van het beslag. 55 à 60 minuten afbakken op 190 °C. Smakelijk!

IMG_3678b

De gedachte – Hoe zou het zijn met?

Aan hoofdrolspelers was er geen gebrek tijdens de coronacrisis. Er zijn de zorgverleners, de winkelbediendes, de postbezorgers, de vuilnisophalers en het onderhoudspersoneel dat ettelijke malen – geheel terecht – in de bloemetjes werd gezet. De witte lakens en lieve berichten aan tal van woningen zijn daar nog steeds stille getuigen van. De crisis leverde ook figuranten aan die via sluikse weg hun stempel op de afgelopen periode konden drukken. Of juist niet. Hoe zou het hen eigenlijk vergaan?

Hoe zou het zijn met de hamsteraars?
Zijn ze nog steeds overtuigd van hun grote gelijk? Denken ze met weemoed terug aan de Slag om de Supermarkt die ze bevochten begin maart? Checken ze dagelijks hun geheime voorraad alcoholgel en handzeep in de hoop die aan woekerprijzen te kunnen verkopen? Of eten ze nu dagelijks erwten, wortelen en boontjes uit blik met het schaamrood op de wangen? Decoreren ze hun woning met zelfgemaakte mozaïekjes van gedroogde spliterwten en linzen? Zijn ze al maandenlang creatief in de keuken met spirelli en farfalle? Vullen ze hun zwembad niet met kraanwater, maar met de flessen bronwater die ze aansleepten?

Hoe zou het zijn met Eliud Kipchoge?
Zat hij de afgelopen maanden eenzaam op z’n berg in Kenia op anderhalve meter afstand van zijn collega-lopers? Hoe reageert het competitiebeest in hem op de gedwongen wedstrijdloze periode die hij nu doormaakt? Liet hij zich echt geen welgemeende f*ck ontvallen toen de London Marathon werd afgelast? Bleef hij spartaans kalm toen hij hoorde dat het rechtstreekse duel met Kenenisa Bekele, die in september op amper twee seconden van Kipchoges wereldrecord op de marathon strandde, niet zou plaatsvinden? Eet hij zijn ugali nog steeds met evenveel smaak, niet wetende wanneer hij zijn volgende marathon zal lopen? Of is De Filosoof stiekem blij dat hij nu eindelijk tijd heeft om boeken te lezen en zijn uitgebreide schoenenkast op te ruimen?

Hoe zou het zijn met alle enthousiastelingen die tijdens de quarantaine halsoverkop begonnen te sporten?
Blikken ze louter nostalgisch terug op al die quarantaine-kilometers? Zijn ze geveld door blessures en blijft hun lichaamsbeweging beperkt tot de verplaatsing naar de kinesitherapeut? Liggen de loopschoenen ergens achterin een kast (die sinds april ook niet meer werd opgeruimd) te verpieteren? Staat hun racefiets inmiddels te koop? Of zijn ze nu volledig verknocht aan hun nieuwe tijdverdrijf? Beseffen ze hoe heerlijk het is om op de fiets te stappen en er eventjes helemaal tussenuit te zijn? Nemen ze niet langer de auto om naar de bakker twee kilometer verderop te gaan? Hebben ze de smaak echt te pakken en dromen ze van 10 Miles, 20 kilometers van Brussel en volledige marathons? Hebben ze echt geproefd van wat sportgeluk betekent?

Hoe zou het zijn met de Arc de Triomphe en mijn andere stenen vrienden in Parijs?
Wie waren de bezoekers die op 15 juni voor het eerst terug de Arc de Triomphe mochten beklimmen? Hoe zag de iconische, en vooral chaotische, rotonde Etoile eruit toen je je slechts op straat mocht begeven met het juiste papier en de vereiste stempel? Werd er pro forma nog geclaxonneerd? Gebruiken chauffeurs nu wel hun richtingaanwijzers? Hebben de wonden die de gilets jaunes achterlieten kunnen helen? Was er tijd om noodzakelijke klusjes op te knappen? Hoe dicht of ver staan de terrasstoelen echt van elkaar op de smalle Parijse stoepen?

Hoe zou het zijn met Miguel Wiels?
Is hij er nog steeds echt van overtuigd dat leerkrachten klagers en luilakken zijn omdat ze tijdens lesvrije weken zogenaamd nauwelijks moesten werken? Kent Miguel Wiels, naast de genoemde hardwerkende zelfstandigen, überhaupt leerkrachten? Weet hij hoe mentaal belastend een schooljaar kan zijn? Beseft hij hoeveel maatschappelijke druk er op de leerkracht is komen te staan en dat zijn bijdrage daar een prachtig voorbeeld van is? Is hij zich ervan bewust dat hij met zijn uitspraken vooral zijn eigen kortzichtigheid in de kijker zet? #foei

 

 

 

Het moment – De tol van de onvoorspelbaarheid

En toen werd het dus plots echt stil. Door de verscherpte corona-maatregelen blijven we plichtbewust braafjes thuis en proberen we uit te blinken in social distancing, een begrip waar we tot voor kort nog nooit van hadden gehoord. Waar ik het aan het begin van de week nog onwezenlijk vond dat ik twee weken geleden een halve marathon liep in Nederland, lijkt het nu onvoorstelbaar dat ik vorige week nog met mijn leerlingen in de klas zat, wetende dat de lessen opgeschort zouden worden. Naïef als ik was, kon ik het toen nog ongegeneerd jammer vinden dat mijn voorjaarsmarathon werd uitgesteld. Ik kon nog semi-zorgeloos 30 kilometer lopen en nadien aan tafel zitten met mijn familie. Ondenkbaar in de huidige fase. We staan nu wellicht voor de grootste uitdaging: het gewone leven verderzetten in lockdown light versie.

Mijn persoonlijke coronasituatie is de volgende. Ik woon alleen met mijn twee katten, die zich uiteraard van geen kwaad bewust zijn. In de mate van het mogelijke probeer ik van thuis uit voor school te werken. Ik las al drie boeken. Het stevigere huishoudelijke werk liet ik vooralsnog links liggen. Ik ga dagelijks lopen of fietsen. Ik maak me niet schuldig aan hamsteren en hoop dat ik met mijn 15 rollen wc-papier nog wel eventjes voort kan. Mijn gemoed kent dalen en pieken. Alleen wonen is nu echt wel heel alleen. Het is next level alleen zijn. Hoewel tijd, voorheen nog een kostbaar goed, nu op een plateautje wordt aangeboden, voelt het als een vergiftigd geschenk dat we noodgedwongen moeten aanvaarden. In theorie heb ik nu wel tijd voor de verwaarloosde to-do’s die lang werden uitgesteld onder het mom geen tijd voor. In de praktijk staat mijn hoofd daar (nog) niet naar.

Het coronavirus voelt soms als een zwaard van Damocles dat me boven het hoofd hangt. In De Morgen las ik dat het de onvoorspelbaarheid is die dit virus gevaarlijk maakt: wetenschappers en artsen weten relatief weinig over Covid-19 en hoe het zal evolueren. Voor ieder van ons geldt ongeveer hetzelfde: de onvoorspelbaarheid van deze ongeziene situatie boezemt ons angst in. Wat voordien een vanzelfsprekendheid was, wordt nu een bekommernis. Zo is een eenvoudige bezigheid als boodschappen doen van elke alledaagsheid verheven. Een bezoek aan de supermarkt werpt prangende vragen op. Wanneer ga je? Zal de rij niet te lang zijn? Hoe leeg zullen de rekken zijn? Ik ben geen panikeur, verre van, maar zelfs voor mijn nuchtere ik voelt het ongemakkelijk aan om plannen te maken op lange termijn. Zullen de lessen hervat worden na de paasvakantie? Zullen we in de zomer op vakantie kunnen gaan? Koffiedik kijken moet de vaakst gebruikte uitdrukking zijn van de afgelopen weken. Omdat het onvoorspelbaar is wanneer de besmettingen in België een piek zullen bereiken, weten we ook niet in welke situatie ons land, en dus ook ons individuele leven, zich over een paar weken zal bevinden.

Er is gelukkig ook een positieve kant aan dit verhaal. De natuur kan op adem komen omdat vliegtuigen en auto’s in de garage blijven staan. Huizen worden van onder tot boven opgeruimd. Honden werden nog nooit zo vaak uitgelaten. Small talk bij de bakker voelt aan als een echt gesprek. Met respect voor de social distance haalt een ieder van ons dagelijks moeiteloos de kaap van de 10.000 stappen. Fietsen, loopschoenen en inline skates die eerder nog stof lagen te vangen, worden prompt gebombardeerd tot onze nieuwe beste vrienden. Het knikje onder lopers lijkt hartelijker, het fietsverkeer hoffelijker. Voor velen voelt dit waarschijnlijk aan als een herkansing voor de te vroeg gesneuvelde goede voornemens. We lijken ons massaal klaar te stomen voor een nationale conditie- en gezondheidstest. Hoewel ik het bos niet langer voor mij alleen heb, kan ik die omhelzing van de buitensport alleen maar toejuichen. Op voorwaarde dat we dan niet de auto nemen om naar park of bos te gaan en dat de nodige afstand gerespecteerd wordt.

Ik zei al eens dat de metaforische waarde van de marathon onuitputtelijk is. Zo ook voor de uitzonderlijke situatie waarin we ons nu bevinden. De marathon is een race van alleen en toch ook samen. We zitten allemaal in ons eigen leventje vast, maar iedereen is wel aan boord van hetzelfde schuitje. Alleen door simpelweg de ene voet voor de andere te zetten, zullen we alleen en ook samen de finish bereiken. Daar is wilskracht voor nodig, want die inspanningen wegen eerder mentaal dan fysiek door. We zullen doorgaan, zo luidt het devies van niemand minder dan Ramses Shaffy (en inmiddels ook van Radio 1). We kunnen daar nog een schepje bovenop doen. De heer Shaffy heeft ook een lied met als titel We leven nog. Alleen Ramses Shaffy kan zo overtuigend dramatisch zingen dat je niet anders kan dan er spontaan bij te glimlachen.

IMG_2291b