De vraag – Is een marathon lopen gezond?

Antwoord: 42,195 kilometer lopen levert geen bijdrage aan je gezondheid, maar een doordachte voorbereiding en de actieve levensstijl die daarmee gepaard gaat kunnen je heel wat gezondheidsvoordelen opleveren.

Ik krijg vaak ongevraagd naar mijn hoofd geslingerd dat zoveel lopen toch niet meer gezond is. In maart pikkelde ik rond met een kruk nadat ik me blesseerde tijdens een halve marathon. Op subtiele of minder subtiele wijze kreeg ik toen te horen dat veel lopen ongezond is. Kortom: eigen schuld, dikke bult dat ik tijdelijk als mindervalide door het leven moest gaan. Ronduit grof en vooral erg pijnlijk. Alsof ik me niet al continu afvroeg hoe ik dit onheil had kunnen voorkomen. Een blessure heeft zelden één duidelijk aanwijsbare oorzaak. Het is een combinatie van factoren die ervoor zorgt dat het evenwicht tussen inspannen en herstellen op een bepaald moment verstoord wordt. Een duidelijk signaal van je lichaam dat het even niet meer mee kan en dat rust en verandering noodzakelijk zijn.

Wie zich op een marathon voorbereidt of gewoonweg beslist om meer te gaan lopen, verlegt lichamelijke grenzen. Lopen heeft een behoorlijke impact op je lichaam door de schokken die het bij elke pas moet opvangen. Het is daarom een sport met een hogere belasting dan pakweg fietsen of zwemmen. Dat valt niet te ontkennen. Als je vaker en langer gaat lopen, bestaat het risico dat je de grens overschrijdt van wat je lichaam op dat moment aankan. Spieren hebben enkele maanden nodig om zich aan te passen, botten en bindweefsel zelfs jaren. Recent onderzoek heeft trouwens aangetoond dat lopers niet vaker knieproblemen krijgen op latere leeftijd dan niet-lopers. Een blessure hoeft niet altijd desastreuze gevolgen te hebben. Ik begon zelf op niet zo verantwoorde wijze te trainen voor de 20 kilometer van Brussel. Dat leverde me een overbelastingsblessure aan de achillespees op, maar door een kordate aanpak was die snel weer van de baan. Een blessure mag je niet minimaliseren, maar moet je ook niet dramatiseren. Stijve spieren zijn niet schadelijk voor je gezondheid. Een keer buiten adem zijn evenmin. Je voelt dan waar de grens ligt en moet niet overhaast concluderen dat je lichaam naar de vaantjes is.

In mijn ogen is iets ongezond wanneer het je gezondheid schade toebrengt. Zo worden de gevaren van alcohol steeds duidelijker in kaart gebracht. Een katerdagje wordt nog te vaak beschouwd als een onschuldig gevolg van een dolle stomdronken avond. Vreemd, want je kan geen duidelijker signaal krijgen dat je een grens overschreden hebt als je niet meer kan functioneren en je lichaam tijd eist om te herstellen. De schadelijke gevolgen van roken zijn onbetwistbaar, maar ook onze passieve levensstijl en steeds ongezondere eetpatroon veroorzaken meer gezondheidsproblemen. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie zal in 2030 maar liefst 89% van de Belgische vrouwen met overgewicht kampen. Daar zijn ernstige gezondheidsrisico’s aan verbonden. Als ik dan toch voor moraalridder aan het spelen ben, haal ik graag mijn stokpaardje van stal: zitten is het nieuwe roken. En dat heb ik niet eens zelf bedacht.

Ik begrijp dus niet hoe een zogenaamde overdaad aan sport in een zelfde schaal van ongezondheid zou passen als de bewezen boosdoeners. Het is namelijk niet omdat je je lichaam kan forceren als loper dat je het onherroepelijke schade toebrengt. Een actieve levensstijl vormt een essentieel onderdeel van onze gezondheid. Een menselijk lichaam is gemaakt om te bewegen. Lees Born to Run maar eens van Christopher McDougall. Voor velen wringt daar het schoentje: een actievere levensstijl bestel je niet via Bol.com. Het vraagt inspanningen en verandering. Een onverklaarbaar pijntje wordt dan als excuus aangegrepen om niet te moeten bewegen, want stijfheid of een beetje pijn zijn een teken van ongezondheid. Lopen is zeker geen must, bewegen is dat wel. We zouden dus wat vaker uit onze luie stoel moeten kruipen en niet meteen met ons vingertje staan zwaaien over wat anderen doen en laten.

Is lopen dan nooit schadelijk voor de gezondheid? Jawel. Wie van helemaal niet lopen op enkele maanden tijd naar de marathon gaat, speelt hoog spel met zijn gezondheid. Ook occasionele lopers die onder het mom van een weddenschap plots een dubbel zo lange afstand willen afleggen in een veel te snelle tijd zonder fatsoenlijke voorbereiding, zijn niet verantwoord bezig. Je kan ervan afkomen met een week spierpijn, achterblijven met een blessure of gedehydrateerd en onwel eindigen in de EHBO-post. Ja, er vallen helaas af en toe (dodelijke) slachtoffers op grote loopevenementen, maar dat betekent nog steeds niet dat we meteen moord en brand moeten roepen dat lopen oh zo gevaarlijk is. Waar duizenden mensen samenkomen, ontstaat een verhoogd risico op ongelukken. Kerngezonde jonge mensen kunnen ook in hun slaap kunnen sterven. Dat maakt slapen niet levensbedreigend.

Ik pleit voor de aanpak van het gezond verstand. Wie verantwoord sport, zal zijn grenzen ongetwijfeld eens op zachte of harde wijze tegenkomen. Dat is niet per se schadelijk of nadelig. Een actieve levensstijl zorgt ervoor dat je je lichaam leert kennen en het bovenal gaat respecteren. Zo had ik een veel ongezondere levensstijl toen ik nog geen loper was. Ik ging meer zorg dragen voor mijn lichaam toen ik actiever werd door gezonder en bewuster te eten bijvoorbeeld. Niet omdat het zo hoort, maar omdat ik voelde dat het werkte, zowel voor als na de trainingen. Ik ben als loper meer buiten, heb meer energie en slaap beter. Lopen maakt mij gelukkig, dat zal ik tot in den treure blijven herhalen. Dit compenseert ruimschoots de belasting die ik van mijn lichaam vraag, want ja: die neiging tot overdrijven is nu eenmaal eigen aan mijn karakter.

Vorig jaar liep ik vier marathons én een ultratrail op 7,5 maand tijd. Dat is absurd veel en ik zou het niet meteen opnieuw doen en al helemaal niet aanraden. Niet omdat mijn gezondheid eronder geleden heeft, maar omdat het pure loopplezier niet meer centraal stond. Een marathon lopen is hoe dan ook een aanslag op je lichaam, maar eentje die dat lichaam wel aankan als je het goed hebt getraind en gesoigneerd. Volgens mijn zus en kinesitherapeut Marike is het nog altijd beter om af en toe overmatig te sporten dan helemaal niet. Wie zich nooit op glad ijs begeeft, zal nooit een slipper maken, maar zal ook nooit leren schaatsen. Mijn idool Klaas Boomsma loopt morgen de Amsterdam marathon nadat hij vijf weken geleden een toptijd liep in Berlijn. Hij schreef een blogpost over twee marathons op korte tijd met de veelzeggende titel Don’t try this at home. Ik ben het volmondig eens met zijn wijze woorden: wees verstandig en marathon met mate. Loop omdat je ervan geniet en luister naar wat je lichaam te vertellen heeft.

De kleurrijke vedetten van het najaar

Potiron, pumpkin of Kürbis: in eender welke taal klinkt pompoen als pure poëzie. Een ode aan de pompoen als de herfst zijn intrede doet: bijster origineel is het niet. Het doet echter niets af aan de oprechte gevoelens die ik koester voor één van de mooiste en ook meest veelzijdige groenten. Als Le Creuset liefhebber hou ik van oranje in de keuken. Bovendien kan je met pompoen niks verkeerd doen. Het is een dankbaar ingrediënt dat zich in elk potje laat verwerken. Lang leve het seizoen van de pompoen!

Ik heb pompoen te lang geassocieerd met de veel te dikke, melige en smakeloze soep die in de lagere school gemaakt werd als het herfstfeest was. Het heeft tijd gekost om mij over die traumatiserende smaakervaring te zetten. Toen ik jaren geleden eens een pompoen kreeg (een pompoen in de groentetuin komt namelijk nooit alleen), wist ik niet beter dan er soep van te maken. Die soep leek in de verste verte niet op de brij die ik lang geleden moest wegwerken. Zo kreeg de pompoen een nieuwe kans in mijn leven. Het geheim van goede soep is zelfgemaakte bouillon en voldoende kruiding. Mijn overheerlijke P4-soep bestaat uit prei, pastinaak, pompoen en puntpaprika. De groenten aanstoven in een grote kookpot en overgieten met groentebouillon. Zachtjes laten pruttelen, mixen en kruiden. Serveren kan met linzen of kikkererwten, eventueel koriander en een toefje ricotta.

Inmiddels is pompoen niet weg te denken uit mijn kookpotten. Het aanbod lijkt dan ook steeds groter te worden. Waar je het vroeger moest doen met een onhandig groot formaat van de gewoonste soort, wordt het pompoengamma in eender welke supermarkt jaarlijks uitgebreider. Ik word daar blij van: die eerste pompoenenoogst in de supermarkt. Dit jaar is ook de oogst van mijn mama’s groentetuin een succes. Al heeft ze wel duchtig gevloekt op de butternuts die de halve moestuin overwoekerden en gekruist waren met de courgettes. Zo werden de buttergettes geboren. Misschien volgend jaar wel dé hype in gezondheidsland.

IMG_3130b

Laat één ding duidelijk zijn: pompoenen zijn voedzaam en gezond. Het is hier geen foodblog (mocht dat even niet meer duidelijk zijn), dus om een lang nutritioneel verhaal kort te maken: er zitten alleen maar goede dingen in pompoenen. Powerbrandstof is het, voor elk lichaam en elke activiteit. Mijn favoriete varianten zijn de kastanjepompoen (potimarron: hoe mooi klinkt dat?) en de butternut, de vader en moeder van de oranje familie. Ze vormen het hoofdaandeel van mijn wekelijkse pompoenconsumptie. Ik draai ze dan ook in quasi elk gerecht. De crown prince is een bijzondere meneer met majestueuze hermelijnen mantel om zijn oranje vruchtvlees en kroonjuwelen te bedekken. Spaghettipompoen kan mij ook bekoren, maar doet me denken aan voedingshypes waarbij we geen koolhydraten meer mogen eten en dan maar moeten zwichten voor de bloemkoolcouscous of spaghettislierten van pompoen.

Als salade voor de lunch kan ik geroosterde pompoen uit de oven van harte aanbevelen. Blokjes pompoen op een bakplaat uitstrooien. Kruiden met tijm, peper, zout en onder de grill zetten. De basis van de salade is geraspte wortel (gekleurde wortels zijn tegenwoordig ook echt in), gekookte sperziebonen en rauwe (punt)paprika. Tja, pompoen en paprika: dat zijn nu eenmaal vriendjes voor het leven. De salade afwerken met wat olijfolie en eventueel ricotta. Soms gaar ik pompoen ook met andere groenten in een ovenschaal. Hou rekening met de gaartijd per groente en snij de stukken dan wat grover of fijner. Olijfolie en kruiden toevoegen, goed mengen en op 180 graden in de oven plaatsen.

Mijn onbetwiste specialiteit zijn pruttel- of stoofpotjes met pompoen. Ik zou hier een aparte blog over kunnen beginnen. Serieus. De mogelijkheden zijn onuitputtelijk. Alles begint met rode ui of prei. Vervolgens pastinaak en een pompoen naar keuze toevoegen en aanstoven, nog wat zoete puntpaprika en pruttelen maar. Ook met rode bietjes, rapen of groene groenten kan de pompoen het uitstekend vinden: spinazie, broccoli, erwtjes of courgette om er maar enkele te noemen. Zo nu en dan moet je overgieten met wat water of bouillon zodat alle ingrediënten garen. Je kan niet echt iets verkeerd doen met de cuisson. Beetgaar of aan de platte kant: het smakenpalet zit altijd goed. Pompoen met curry en kurkuma is een gouden combinatie als je de oosterse toer wil op gaan. Rijst, pasta of zoete aardappel zorgen voor extra brandstof.

Ik kwam de afgelopen week recepten tegen voor pompoencake, – brood en zelfs – pannenkoeken. Daar heb ik me nog niet aan gewaagd. Zo gedreven ben ik nog niet als foodie, maar het zal ongetwijfeld smaken. Is er dan helemaal niets slechts te zeggen over pompoenen? Het enige minpuntje dat ik kan bedenken, is de harde schil van de kastanjepompoen. Geen te grote stukken willen schillen en behoedzaam te werk gaan is hier de boodschap. Mindfulness in de keuken: ook daar zorgt de pompoen voor. Een no-nonsense vedette is het, de ster van elke maaltijd. Smakelijk!

Noot: mijn wekelijkse groenteconsumptie is groot, maar niet zo gigantisch als de afgebeelde compositie.

Loperspraat – Het moment dat ik terug echt een loper werd

Na 7 weken hinkelen, manken, vloeken, vallen (letterlijk), opstaan en uiteindelijk gewoon stappen mocht ik heel behoedzaam terug beginnen lopen. Maandag 30 april 2018 was een heel winderige herfstdag in de lente. In Brussel werd het Terkamerenbos afgesloten omwille van het gure weer. Weercode oranje of niet: als ik van plan ben om te gaan lopen, dan is er bijna niets wat mij daarvan kan weerhouden. Mijn zus Roos ondernam daartoe dan ook geen enkele poging toen ze samen met mij naar het bos trok. Ik zou 5x 1 minuut lopen en tussendoor stappen. De zenuwen gierden door mijn lijf toen ik stond te wachten tot mijn GPS-signaal was opgepikt. Mijn eerste looppassen werden gefilmd, wat meteen weergeeft hoe memorabel dat moment voor mij (ons?) was. Op dat moment voelde ik mij echter geen loper, maar een sukkel. De verzuring in mijn linkerbeen maakte dat mijn kuit meteen als beton aanvoelde. Een tweede adem had ik niet nodig en een eerste adem kon ik niet eens vinden. Het liep kortom voor geen meter en mijn gemiddelde tempo bevestigde dat. Ik zag het pessimistisch in. Anderhalve week later zag ik het zo mogelijk nog zwarter in: ik kon gewoon niet begrijpen waarom mijn lichaam zo moeilijk deed. 10 weken geleden had ik nog 33 kilometer gelopen en nu liep ik met heel veel moeite een mijl in drie fases.

Dat lichaam begon beter mee te werken. Geleidelijk aan verlengde ik de loopblokken. Zo liep ik twee weken later 3x 5 minuten met tussendoor een wandelpauze: goed voor drie volledige loopkilometers. Stilaan groeide het gevoel dat ik echt wel aan het lopen was. Tot mijn grote opluchting merkte ik ook dat mijn conditie niet weg was. Ik vond zowel een eerste als een tweede adem. Sowieso liep ik meer ontspannen omdat ik niet continu op mijn horloge moest kijken om te zien hoe lang ik nog mocht. Zo voelde dat wel: ik mocht weer lopen en ik wilde me daar elke seconde bewust van zijn. Toen ik in mijn derde en vierde herstelweek langer dan een kilometer aan een stuk mocht lopen, voelde ik mij echt de koning te rijk. Ja, dit was lopen.

Die 7 weken dat ik niet mocht lopen, deed ik mijn best om de voordelen van een gedwongen rustperiode te vinden. Ik had in principe meer tijd en moest de deur niet meer uit als het slecht weer was. De restanten van mijn schuurplekken zouden eindelijk eens fatsoenlijk kunnen helen. Ik had beduidend minder wasgoed. Op zondagochtend moest ik bij het ontbijt geen rekening houden met een duurloop. Dit kon het gemis niet compenseren. Ik vond het vreemd om een douche te nemen zonder dat daar een noemenswaardige inspanning aan vooraf gegaan was. Eender welke maaltijd smaakt toch beter na een training. Ik had minder honger en sliep slechter. Alles had wat minder glans. Toen ik begon op te bouwen, begon ik zelf ook weer te blinken. Gek genoeg voelde ik mij weer op en top een loper toen ik omarmde wat ik zogezegd niet gemist had. Zweten! Een bezweet lichaam, rode kop en een tweede zweetuitbraak als ik stop met lopen. Jeuj, ik heb weer een schuurplek op een vertrouwde plaats! Feestje voor de buikkrampen als teken van dehydratatie! Ja, dat is ook lopen.

Toen ik in 2014 op geheel eigen wijze besloot te gaan lopen, deed ik zomaar wat. Ik was me niet bewust van afstand en snelheid, laat staan van de progressie die ik boekte. Het was in mijn ogen vanzelfsprekend dat ik een half uur kon lopen. Daar moest ik mezelf niet voor prijzen. Ik vond het wel bijzonder toen ik voor de eerste keer langer dan een uur liep. De 20 km van Brussel tot een goed eind brengen, voelde toen aan als één groot feest van al die geslaagde trainingen samen. Tijdens dit opbouwproces werd ik herboren als loper. Ik beleefde de verschillende mijlpalen die ik bereikte veel bewuster. Elke kilometer extra die ik kon lopen was een hoera-momentje waard. Dat zal waarschijnlijk niet stoppen tot ik weer eens een marathon heb afgerond. Ook de eerste keer terug op asfalt lopen, voelde als een overwinning. Net zoals deelnemen aan een wedstrijd. Snelheid is nu veel minder een issue. Blessureleed zit in een klein hoekje: dat werd me pijnlijk duidelijk gemaakt en blijft voor ongerustheid zorgen. Het is kortom geen evidentie om zoveel te kunnen lopen. Redenen genoeg om eens zo hard te genieten van al die positieve neveneffecten. Als loper heb ik meer energie, ben ik productiever en kijk ik positiever om me heen. Wie wordt daar nu niet gelukkig van?

De gedachte – Over topsport als beroep

Ik ben een ambitieuze, maar bovenal recreatieve loper. Marathons lopen is niet mijn werk, het is mijn hobby. Een hobby die weliswaar een belangrijke plaats in mijn leven inneemt. Op sommige momenten mijn leven zelfs een beetje domineert. Soms vraag ik me af wat mij drijft als loper. Waarom kan ik er zo in opgaan en is het zo belangrijk voor mij? Dezelfde vragen kan ik ook stellen over mijn beroep. Het antwoord is dan namelijk niet simpelweg omdat ik er mijn geld mee verdien. Voor het gros van de topatleten zal het financiële aspect ook niet de grootste motivatie zijn om op het hoogste niveau te presteren. Als geld je enige drijfveer is, dan is elke job een zwaar beroep. Mijn broer Seppe is professioneel du- en triatleet, maar hij kan niet leven van zijn sport. Hij heeft dus ook nog een gewone job als vertegenwoordiger. Trainen doet hij met andere woorden in zijn vrije tijd. Het maakt er zijn motivatie niet minder om, integendeel.

Ik heb mezelf ook al de vraag gesteld of ik mijn leven zou willen ruilen voor dat van een betaald topatleet. Begrijp me niet verkeerd: ik heb in de verste verte niet het talent om het te maken als topsporter, ook 15 jaar geleden had ik dat niet. De vraag is dus puur hypothetisch, maar het antwoord erop is telkens volmondig nee. Oké, er zijn al momenten geweest dat ik het lastig vond dat lopen niet mijn core business is. Om praktische redenen bijvoorbeeld: als ik op een warme zondagnamiddag met een marathon in de benen uren in de auto moest zitten, om dan de volgende dag amper uit mijn bed te kunnen, maar dan wel een hele dag op mijn benen te moeten staan in een klaslokaal. Of omdat “niet gaan lopen” niet betekent dat je ook daadwerkelijk rust als je fulltime werkt. Ook toen ik geblesseerd was, dacht ik dat het wel voordeliger zou zijn als ik een andere naam zou hebben. Borlée om maar iets te noemen. Ik zou dan niet ruim een week in onzekerheid hebben moeten leven met allerlei rampscenario’s die zich in mijn hoofd afspeelden, om dan te worden weggestuurd met de boodschap dat ik mijn been moest ontlasten. Met een andere naam kon ik zondagavond nog bij de specialist terecht en zou tot op het bot worden uitgeplozen wat er juist scheelde.

De keerzijde van die praktische voordelen is groot. Topsporters maken immense opofferingen om hun sportieve doelen na te streven. Hun sociale leven lijdt onder de strakke trainings- en voedingsschema’s. Rusten is een noodzaak. Een kerstfeest bij de familie Borlée zal waarschijnlijk minder gezellig zijn dan in een andere niet-topsportende familie. De agenda van een topsporter is tot in de puntjes georkestreerd. Je sport dan niet voor je leven. Je leeft voor je sport. Een blessure kan je inkomen hypothekeren. Je bent niet getroost met een eenvoudige volgende keer beter als een wedstrijd niet uitdraait zoals verhoopt. Een tegenvaller op sportief gebied heeft een grote impact op je hele leven en je kan je gedachten niet verzetten door je op je werk te storten.

Een professionele omkadering betekent ook dat je niet alles zelf kan bepalen. Omringd zijn door specialisten wil zeggen dat je ook naar die mensen moet luisteren. Chris Froome mocht in 2012 de Tour niet winnen omdat zijn bazen Bradley Wiggins hadden betaald om de eindzege binnen te halen. Froome was wellicht sterker, maar mocht zijn eigen kans niet gaan. Afgelopen weekend besliste de coach van onze Belgische turnploeg dat ze de ploegenfinale op het EK niet zouden turnen om de dames te sparen met het oog op het nakende WK. Het zijn rationele beslissingen die gemaakt worden binnen een groter plan, maar die ingaan tegen het instinct van de sporter. Topsport betekent jezelf voor een stuk uit handen geven. Ook aan de media en het publiek. Je wordt dan als persoon gemeengoed en voor je het goed en wel beseft, gaan dingen hun eigen leven leiden. In de afgelopen Tour de France werd gedemonstreerd hoe het publiek zich tegen een ploeg en groep atleten kan keren. Het feest dat sport kan zijn, kreeg plots een grimmige invulling.

Aan mij zou een leven als topsporter dus niet besteed zijn. De eentonigheid van een topsportersbestaan zou mij op lange termijn weinig voldoening schenken. Toen ik geblesseerd thuis zat, werd ik het ongelukkigst van het feit dat ik niet eens kon gaan werken. Naast lopen zijn er veel andere uiteenlopende dingen die mij boeien en bezighouden. Ik kan en wil ook niet kiezen om me op één iets te focussen. Mijn interesses zijn met elkaar verbonden en door te lopen krijg ik ideeën en maak ik plannen. Ik word geprikkeld om eens iets anders te proberen. Een blog beginnen bijvoorbeeld. Laat mij dus maar ver uit de spotlights mijn kilometers lopen. Ik zoek mijn grenzen op binnen de mogelijkheden die ik nu heb en ben mijn eigen coach. Dat is van onschatbare waarde.

De gedachte – Over jongeren en sport

Ik ben leerkracht Nederlands in het vierde en vijfde jaar ASO. Hoe langer ik voor de klas sta, hoe meer voldoening ik haal uit mijn werk. Ik ben er trots op om een leerkracht te zijn. Onder de noemer Joke klaagt zou ik gerust een blog kunnen vol pennen over de problemen waar het onderwijs mee te kampen krijgt, maar ik heb geleerd om vooral te kijken naar alle mooie aspecten die bij het leraarschap horen. Als je dat niet meer kan, dan is het tijd voor iets anders. Je moet je eigen vak doodgraag zien en het tegelijkertijd ook kunnen relativeren. De schoolgaande jeugd die voor je neus zit, is net zo belangrijk als dat vak.

De afgelopen jaren werd ik dus steeds een ferventer loper. Aanvankelijk deed ik daar niets mee in de klas. Ik zag er de meerwaarde niet van in. Ik geef geen sport, dus waarom zou ik er over vertellen? Bovendien ligt de interesse van de gemiddelde 16-jarige nu eenmaal niet bij lopen. Gaandeweg besloot ik om mijn passie voor lopen en een actieve levensstijl wel te delen met mijn leerlingen. Ik vertelde al eens dat ik graag liep of dat ik ’s ochtends voor school al was gaan lopen. Ik vertelde over de marathon en mijn sportieve plannen. Ik vertelde over mijn broer, de wereldkampioen duatlon. Het klonk als waanzin in hun oren: vroeger opstaan om te gaan sporten? Uren aan een stuk lopen?? Voor je plezier??? Ze begrepen het niet en waren juist daarom geïnteresseerd in mijn beweegredenen.

Een persoonlijk verhaal doet altijd zijn werk in de klas. Het zou straf zijn om nu te kunnen vertellen dat mijn leerlingen dermate geïnspireerd werden door mijn ervaringen dat ze ook begonnen te lopen. Dat is natuurlijk niet zo. Er was wat meer nodig om hen aan het bewegen te krijgen. Voor een spelletje zijn ze altijd in, maar dat is heel anders dan eentonige fysieke inspanningen leveren. Vorig schooljaar bedacht ik een concreet project toen ik met mijn collega’s voor de leerlingen van het vierde jaar een sportdag organiseerde. Bij wijze van sportieve aanloop zouden de vierdejaars gedurende een week de kans krijgen om voor school onder begeleiding samen een mijl te gaan lopen (gebaseerd op de One Mile Challenge). Geheel vrijblijvend dus. Om hen mee te krijgen in mijn loopverhaal voegde ik er een spelelement aan toe. Het concept was dus een klassencompetitie waarbij vooral veel beloningen te verdienen waren. Dat bleek te werken. Tot mijn eigen verbazing zag ik elke dag een behoorlijke groep leerlingen om 8u verzamelen om samen 1,6 kilometer te lopen langs de ring van Leuven. De voldoening was groot. Afgelopen schooljaar werkte ik het project nog verder uit en er is meer op komst.

Ik heb lang gedacht dat jongeren steeds inactiever worden door de toenemende invloed van sociale media en allerhande games. We hebben al snel de neiging om vroeger te idealiseren: toen moest je je verplaatsen om een sociaal leven te hebben en kinderen speelden meer buiten. Ik denk echter niet dat er in mijn generatie meer jongeren vrijwillig in een sportclub zaten. Het aanbod en de variëteit aan actieve vrijetijdsbestedingen groeit aanzienlijk. Bovendien is het al te gemakkelijk om met de beschuldigende vinger naar jongeren te wijzen als het aankomt op een passieve levensstijl. Luiheid is eigen aan de mens. Als ik om me heen kijk in eender welke omgeving, dan zie ik dat voor de meeste volwassenen geldt dat sport of lichaamsbeweging een opgave is. We spreken liever af met vrienden om een glas te gaan drinken dan dat we samen gaan lopen. Een uur slaap wordt niet ingeruild voor een uur sport. Lichaamsbeweging heeft geen prioriteit in onze agenda. Mooi meegenomen als het kan, tant pis als dat niet zo is.

Net zoals dat we de jeugd verwijten dat ze heel de tijd met hun schermpjes bezig zijn, doen we het zelf niet echt beter. Het is dan ook veel te kort door de bocht om te stellen dat jongeren bij voorbaat geen boodschap hebben aan lichaamsbeweging. Het gegeven dat je een gevoel van ontspanning krijgt na een inspanning is iets wat je moet leren ervaren. Lichaamsbeweging is een gewoonte die je moet leren waarderen. De ene mens zal sneller van dat principe overtuigd zijn dan de andere. Jongeren zijn in mijn ogen dan ook helemaal niet luier of passiever dan de gemiddelde mens. Ze voelen hooguit minder sociale druk om te voldoen aan een bepaald gezondheidsideaal. Alleen als jongeren in hun directe omgeving geprikkeld worden om actiever te zijn, kunnen ze leren dat lichaamsbeweging een meerwaarde is. Op mijn school vond ik gelukkig zonder problemen een draagvlak voor dit sportieve project. Veel fijne collega’s maakten maar al te graag een beetje tijd vrij in hun agenda om het goede sportieve voorbeeld te geven. Practice what you preach heet dat dan.