Loperspraat – Zon, zweet en duurlopen in de maand juli

Juli 2018 zal voor mij de geschiedenis in gaan als een uitermate geslaagde loopmaand. Op 1 juli was het welgeteld 16 weken geleden dat ik me blesseerde. Ik kon 7 weken niet lopen. Aan het begin van deze maand was ik dus 9 weken back in the running game. Tijd om de balans op te maken.

De afgelopen maand liep ik vaak op verplaatsing. Op 5 juli maakte ik mijn debuut als strandloper aan onze Belgische kust. Ik liep ’s ochtends van Westende over het strand tot aan het voormalige casino in Middelkerke en dan terug over de dijk. Langs de kustlijn lopen is ploegen. Het waren 11 zware, maar wel heel mooie kilometers onder de zon.

Op 14 juli waren wij met de familie in Houffalize. Ik liet de trailrun aan mij voorbij gaan om mijn eigen loopschema verder uit te bouwen. Die zaterdag liep ik 20,3 kilometer langs de ravel van Houffalize naar Bastogne. Ook over een geasfalteerde weg staan de Ardennen garant voor hoogtemeters. De eerste helft was zwaar, de terugweg vloog voorbij.

IMG_2223
Zei ik al dat het ongelooflijk mooi lopen is in Dardennen?

Ik legde ook kilometers af op Nederlandse grond, in Rotterdam meer bepaald: de stad waar ik de marathon had willen lopen in april. Vrienden Machteld en Jelle keken niet vreemd op toen ik er op zondagochtend voor het ontbijt op uit trok. Zo leerde ik op 22 juli het Vroesenerpark kennen en leidde mijn spontane improvisaties in de buurt ertoe dat ik de weg terug moest vragen aan een voorbijganger. Gelukkig zijn er op zondagochtend heel wat Rotterdammers op de been om hun hond uit te laten.

Ik eindigde de maand juli met maar liefst drie ochtendlijke loopjes in Parijs. Mijn loopgewoontes aldaar beschreef ik al uitgebreid en ook nu stelde de stad niet teleur. Mijn benen werden met de dag slechter, maar vreemd genoeg had dit een positieve invloed op mijn tempo. Parijs was uiteindelijk goed voor 27 kilometers loopplezier.

Naast mijn buitenlandse runs was de maand juli ook de maand waarin ik opnieuw kon duurlopen. Ik loop marathons omdat ik nu eenmaal graag lang aan een stuk loop. Liefst dan nog op een eentonig en vlak parcours. Op 1 juli liep ik voor het eerst terug langs de Vaart met mijn zus als compagnon op de fiets. Ik legde 15 kilometer af: het begin van een nieuw duurloopverhaal. De week erna werden dat ruim 17 kilometer, in Houffalize overschreed ik de kaap van de 20 kilometer, daags voor onze nationale feestdag liep ik al ruim een halve marathon en vorige week liep ik onder een loden zon 26,6 kilometer. Het geloof in mezelf als marathonloper komt zo stilaan terug.

De maand juli was niet één en al euforie. Zo was het altijd veel te warm om te lopen. Ik hoor lopers steen en been klagen over die onmenselijke looptemperaturen. Voor mij hoeft het ook niet zo warm te zijn, maar ik vind het wel heerlijk dat de zon schijnt. Ik verkies dit weer om mijn vakantie door te brengen boven een wisselvallige 15 graden, het ideale lopersweer. Ik heb dus besloten om mij niet te veel aan te trekken van die zwoele temperaturen. Elke dag om 6 uur ’s ochtends gaan lopen is ook geen optie. Ik zweet er op los en probeer mijn voorzorgen te nemen. Zo drink ik voldoende water voor vertrek en neem ik ook drank mee als ik meer dan 12 kilometer afleg. Voor mijn duurlopen vertrek ik rond 9u. Ik plan mijn route zo dat ik me ergens kan bevoorraden, bij mijn ouders bijvoorbeeld. Vorige week is mijn mama een heel stuk mee gefietst: pure luxe. Haar geheime wapen is de natte handdoek. De truc gaat als volgt: 1. Neem een handdoek van middelmatig formaat en maak die nat. 2. Hang de natte handdoek in je nek. 3. Loop. De temperatuur lijkt meteen 10 graden te dalen en je lichaam stopt met zweten. De meewarige blikken van voorbijgangers vallen onder de noemer jaloezie.

Ik geniet met volle teugen van mijn herwonnen lopersbestaan, maar de onzekerheid over mijn lichamelijke klachten blijft wel knagen. Het is nog steeds niet helemaal duidelijk welke blessure ik juist had aan mijn enkel en er is ook geen eenduidige oorzaak. Ik ben een stuk vertrouwen kwijt in mijn lichaam. Bij elk pijntje gaat er daarom een alarmbel af die in mijn hoofd weerklinkt als een loeiende sirene. Ik betrap mezelf erop dat ik onderweg vaak denk wat ik zou doen als ik op die plaats plots in elkaar stuik en niet meer verder zou kunnen. Het is een sluimerende angst om plots terug bij af te zijn. Ik durf nog niet te hard te genieten van het lopen omdat ik bang ben dat ik afgestraft zal worden als ik geloof dat alles echt achter de rug is. Mijn lichaam moet weer een evenwicht vinden na een periode van blessureleed en inactiviteit. Mijn hoofd moet weer kunnen vertrouwen op dat lichaam. Blessures kan je nooit helemaal uitsluiten, maar je kan de kans wel minimaliseren door doordacht en verantwoord trainingen op te bouwen. Alert zijn voor pijntjes is een goede zaak als de verhoudingen kloppen. Tijd brengt raad en heelt uiteindelijk de meeste wonden. Laat augustus maar komen!

Loperspraat – Lopen in Parijs

Zondagochtend 7 uur. Paris s’éveille zoals Jacques Dutronc zong. Al ben ik volgens hem dan wel 2 uur te laat op de afspraak – il est cinq heures. In ieder geval loop ik nu door de straten van Parijs. Mijn vaste route gaat eerst richting Arc de Triomphe, waar ik altijd eens goed om me heen kijk. Dan verder over de Champs Elysées, een stukje over en langs de Seine naar de Jardin des Tuileries en via Place Vendôme en de Opera terug richting hotel. Een dag die ik al lopend kan beginnen, belooft sowieso een goede dag te worden. In Parijs is dat eens zo bijzonder.

Mijn eerste ochtendrun in Parijs liep ik in januari 2016. Naar mijn idee was het toch een spannend plan om daar op een winterse ochtend een rondje te gaan lopen. Ik lag er zelfs wat van wakker omdat ik geen idee had hoe de stad dan zou zijn en wat – of beter gezegd wie – ik er allemaal zou kunnen aantreffen. Helemaal niets of niemand afwijkend, zo bleek. Net zoals in alle andere steden zijn de reinigingsdiensten druk in de weer, gaan de bakkers en wat bistro’s open en zijn enkele vroege vogels op weg naar hun werk. Bovendien ben ik nooit de enige vroege loper. Vooral Jardin des Tuileries blijkt ook ’s ochtends een geliefde lopersplaats te zijn.

Als mensen spreken over hun favoriete stad, beweren ze vaak “het echte” van die stad te kennen. Wie iet of wat culturele voeling heeft, wil voor een local versleten worden en houdt zich zo ver als mogelijk weg van alles wat naar toerisme ruikt. Een echte kenner wordt geacht bijzondere adresjes te kennen waar de echte Parijzenaars hun koffie drinken. Ik beken: er was een tijd dat ik maar wat graag een parisienne wilde zijn. Deze week zei ik nog met de nodige pretentie “dat ik elke straatsteen in Parijs ken”. Intussen zie ik mezelf als een doorwinterde toerist. Parijs is voor mij het Brussel van Frankrijk. Een geweldige stad, waar ik niet hoef te wonen, maar die gelukkig wel dicht bij mijn woonplaats ligt. Ik kom er telkens een beetje thuis en kan opgaan in de anonimiteit van de metropool. Je zal mij dus niet horen zeggen dat als je ’s ochtends in Parijs gaat lopen, je de echte stad ziet. Het mooiste is juist dat je de stad ziet in al z’n eenvoud. De charme van de groezelige grootstad krijgt meer ruimte. De stad heeft zich nog niet opgemaakt voor zijn talrijke bewoners en toeristen. Parijs wordt wakker en stinkt een beetje uit zijn mond. Dat is het leven.

Inmiddels liep ik al heel wat kilometers op Parijse grond. Ook op onze jaarlijkse schoolreis in april kan ik het niet laten om mijn loopschoenen in alle vroegte aan te trekken. We verblijven dan in een budgethotel aan de rand van de stad. Op voorhand bedenk ik een looproute die ik kan memoriseren en die me langs zoveel mogelijk mooie plaatsen leidt. Dat vraagt wat creativiteit, maar heel moeilijk is het niet. Zelfs vanaf de ring kan je in een lus van zo’n 8 à 10 kilometer behoorlijk wat hotspots van de binnenstad aandoen. Navigeren terug naar het hotel vormt de grootste uitdaging.

Ik romantiseer niet alles. Er zijn zeker ook knelpunten als loper in Parijs. Zo zijn er echt heel. veel. stop.lichten. en in Parijs traverseren we en deux temps. Dat vraagt het nodige geduld, maar je kan die lichten maar beter respecteren. Dan zijn er ook nog de hoogteverschillen. Je hoeft echt niet per se richting Montmartre te lopen om je benen te voelen branden. Die door mij zo goed gekende straatstenen liggen zelden recht en de voetpaden zijn soms behoorlijk smal. Helaas is ook de menselijke ellende prominenter aanwezig als je er ’s ochtends op uit trekt. Volgens de media neemt het aantal daklozen dat noodgedwongen onder bruggen of op metroroosters slaapt ook effectief toe door de vluchtelingencrisis. Een grote keerzijde van het leven in een metropool.

Ik loop ’s ochtends nooit met de beste benen in Parijs. De nacht is eerder kort, er wordt al eens een glaasje (of twee) gedronken en de kilometers die daags voordien te voet werden afgelegd komen als snel in de buurt van een halve marathon. Als ik thuis ’s ochtends ga lopen, gebeurt dat op automatische piloot. Het is een aangename manier om wakker te worden. In Parijs ben ik meteen wakker: ik ben er één van de kleine radertjes die de stad op gang trekken. Ik ben dan net zoveel een stukje van de stad als de Arc de Triomphe.

Tot slot: de toerist in mij kan het niet laten om toch af en toe eens een foto te maken van wat ik al lopend tegenkom.

IMG_0827
Een glimp van de Sacré Coeur en natuurlijk zal het niet verbazen dat het verkeerslicht op rood staat.
IMG_0828
Ook bij de Moulin Rouge wordt er ’s ochtends geleverd.

Loperspraat – Hoe ik op geheel eigen wijze begon te lopen

In februari 2014 werd ik een vrouw met een plan. Een groots sportief plan: ik zou in mei de 20 km van Brussel lopen. Het idee kwam er onder invloed van mijn jongste zus Roos. Samen zouden we onze sportieve grenzen verleggen. Ik was toen 28 jaar en sportiviteit bleef op dat moment in mijn leven beperkt tot fietsen voor praktisch gebruik en af en toe paardrijden. Hoog tijd voor verandering dus.

Ik had nochtans het goede sportieve voorbeeld van thuis meegekregen. Ik herinner me heel goed dat we als kind gingen wandelen en leerden fietsen langs de Vaart. Later fietsten we dan mee als mijn moeder een rondje ging joggen (zoals ze dat zelf noemt). Later begonnen we dan zelf ook dat rondje te lopen (of joggen). Tijdens mijn jeugd stond ik bekend als een goede loper. Op de middelbare school ging ik twijfelen aan mijn sportieve mogelijkheden. Ik kon immers niets met een bal. In tegenstelling tot mijn klasgenoten maakte ik een innerlijk vreugdedansje als er gelopen moest worden. Het was de enige sport waarin ik opmerkelijk beter was dan anderen. Ik ben toen ook beginnen paardrijden en mountainbiken. Rond mijn 16e heb ik samen met mijn broer Seppe bij een atletiekclub gezeten. Toen begon ik ook wat langere afstanden te lopen: een uur, een uur en een kwartier. Ik blonk zeker niet uit in snelheid, maar merkte wel dat ik van nature een groot uithoudingsvermogen leek te hebben. En zelfs als ik niet echt kon volgen, dan was opgeven geen optie.

Scanvaart2
Mijn vader en ik aan de Vaart in de jaren 80.

Van mijn 18e tot mijn 28e heb ik nooit regelmatig gelopen. Af en toe kende ik een opflakkering en kwamen mijn loopschoenen weer uit de kast, maar ik haalde er niet voldoende plezier uit om het vol te houden. Vermoedelijk was dat te wijten aan mijn aanpak. Ik ging voor de korte pijn. Niks opbouwen, meteen een half uur lopen. Meer een survival of the fittest in plaats van een runner’s high. Zo herinner ik me ook een periode dat ik met Roos een rondje van 50 minuten ging lopen. Nu weten we dat die ronde zo’n 8 kilometer is. Een pittige afstand voor iemand die jaren niet gelopen heeft. Ik was dan ook uitgeput na zo’n inspanning.

Ben ik voor die 20 km van Brussel dan anders beginnen trainen? Nee, helemaal niet. Zelfs in het pre-Start-to-run-tijdperk was een geleidelijke opbouw niet aan mij besteed. Zo gebeurde het dus dat ik ergens in februari 2014 samen met Roos 5 kilometer op de Finse piste ging lopen. Afzien ja, maar niet kapot gaan. Mijn trainingsaanpak was eenvoudig: ik zou 3 à 4 keer per week gaan lopen. De duur zou ik laten afhangen van het gevoel. Ik had geen GPS-horloge of app om tijd en afstand te meten, maar nam mijn oude Nokia gsm mee om te timen hoe lang ik liep. Naar mijn idee toen al best professioneel. Na een paar weken liep ik vlot een uur. Ik liep vaak samen met mijn zus en we bouwden onze afstand steeds wat uit. Als ultieme test zouden we eens anderhalf uur lopen. Een memorabele training omdat we er niet beter op hadden gevonden dan een route te nemen die we vaak te paard aflegden. Goede wegen voor ruiters zijn zelden goede looppaden. Het mag een wonder heten dat we toen ongeschonden uit de strijd kwamen. De test was geslaagd en wij voelden ons klaar voor het grote doel.

IMG_2190
De Vaart anno 2018. Ondertussen fiets ik zonder zijwieltjes. Ik heb nog steeds een mandje, maar sleep mijn knuffel niet meer overal mee naartoe.

Heb ik dan ongestraft kunnen opbouwen van nooit naar anderhalf uur lopen? Nee, helemaal niet. Na twee maanden trainen kreeg ik last van mijn achillespees. Ik mankte zelfs. Ook hier was mijn aanpak totaal verkeerd. In eerste instantie negeerde ik het trekkerige gevoel in mijn enkel en ik zweeg in alle talen: dat zou wel overwaaien. Niet dus. Gelukkig was daar mijn zus Marike, een kinesitherapeut uit de duizend. Ik moest oefeningen doen en vooral blijven bewegen. Hoewel het er aanvankelijk niet zo rooskleurig uitzag, verbeterde mijn blessure plots zienderogen. Met dank dus aan de gouden handen van mijn zus. Anderhalve week voor de Grote Dag ging ik bij wijze van test 13 km lopen op de Finse piste. Weer zo’n geweldig onverantwoord idee, maar de test was geslaagd.

De 20 km van Brussel liepen Roos en ik uiteindelijk in 1:59:58. We hadden een klopje gekregen tussen 14 en 16 kilometer, maar de laatste kilometers vlogen we de Tervurenlaan op. Zo hard dat we niet beseften dat het daar serieus omhoog gaat. Ik heb me ongeveer een week bovennatuurlijk gevoeld. Het was het begin van een heel mooi loopverhaal. Wie had ooit gedacht dat we een jaar later samen een marathon zouden lopen? Wij toen zeker niet.