Welkom, dit is dus mijn blog.

Ik kwam zelf ter wereld op een vrijdag de 13e. Vandaag is dus een symbolische geboortedatum om mijn blog het levenslicht te laten zien.

Aan deze blog ging heel wat getwijfel vooraf. Als lezer en leerkracht Nederlands groeit mijn liefde voor woorden met de jaren. Ik ben altijd een fervent dagboeken- en brievenschrijver geweest, maar het online gebeuren ligt ver buiten mijn comfortzone. Door een blessure ging ik plots anders naar mezelf als loper kijken. Uiteindelijk wonnen de nieuwsgierigheid en de zin om ermee te beginnen het van de onzekerheid. Zoals wel vaker het geval is, bleek de denker de weg te plaveien voor de doener in mij.

Verwacht hier vooral geen fotografische hoogstandjes, diepgaande wetenschappelijke artikels of uitgekiende trainingsschema’s en recepturen. Er schuilt in mij ook geen poëet, maar ik probeer wel de poëzie in het dagelijks leven te zien. Ik schrijf zoals ik loop: vanuit mijn buikgevoel probeer ik met oog voor detail naar de wereld rondom mij te kijken.

Ik hoop jullie te kunnen verblijden met mijn schrijfsels over mijn leven als loper en alles wat daarbij hoort: gaande van heel praktisch advies tot vreemde hersenspinsels. Op de achtergrond zal de lezer steeds aanwezig zijn. Inspiratie en verwondering: daar draait het om. Als ik daar een klein stukje aan kan bijdragen, dan is dat al heel wat.

Waarom ik loop en schrijf kan je hier uitgebreid lezen. Mijn lopers cv vind je hier terug.

 

 

 

Marathonpraat – Wijsheden #1

Ik heb de wijsheid niet in pacht, maar uit mijn eigen marathonervaring en heel wat advies van anderen heb ik wel de nodige lessen getrokken. Dit zijn mijn persoonlijke marathonwijsheden.

Moeilijke momenten gaan voorbij (of blijken toch niet zo moeilijk te zijn)
Dirk is een ervaren marathonloper en collega van mijn zus. Hij was meteen fan van ons marathonplan en maakte speciaal voor ons een lijstje met enkele nuttige tips en adviezen. “Moeilijke momenten gaan voorbij” was er daar één van. Een prachtig gezegde dat helemaal waar is. Het klinkt misschien als een magere troost, maar het is wel de enige waarheid die wat troost kan bieden op een moment dat je het zwaar hebt. Een moeilijk moment kan op drie manieren voorbij gaan. Ten eerste is een marathon eindig. Op een gegeven moment is het sowieso gedaan. Dit is de meest praktische interpretatie. Ten tweede duurt niet elk moeilijk moment tot aan de finish. Je kan het zwaar hebben, maar dat moment helemaal te boven komen. Met andere woorden: een marathonloper heeft niet alleen een tweede, maar ook een derde, vierde en misschien zelfs vijfde adem. Dit is de meest hoopgevende en optimistische interpretatie. Ten derde kan een moment wat aanvankelijk moeilijk leek, gevolgd worden door een nog moeilijker moment. Vandaar mijn eigen toevoeging aan dit gezegde. Dat klinkt misschien negatief, maar het betekent juist dat je meer aankan dat je soms zelf denkt. Dit is de meest realistische interpretatie.

Jezelf vergelijken met andere lopers werkt alleen maar onrust in de hand
De eerste confrontatie met medemarathonlopers vindt steevast plaats als je je nummer gaat afhalen. Ik zie dan vooral heel veel afgetrainde, extreem gefocuste, ontspannen en vastberaden mensen. Alles wat ik me op dat moment juist niet voel: een eerste moment dat de twijfel toeslaat. Op weg naar de start van een marathon wordt het er doorgaans niet beter op. Iedereen ziet er dan zo verdacht rustig uit. Ik kan alles op dat moment verontrustend vinden: iemand die meer gels mee heeft dan ik. Oei, ik zal er dan wel te weinig mee hebben. Een andere loper heeft helemaal niets mee. Oei, dan zal ik wel te veel meedragen. Het is een totaal nutteloze denkoefening die vooral de stresslevels de hoogte injaagt. Jezelf met anderen vergelijken heeft geen zin omdat je helemaal niet weet wat de ambitie en ervaring van de loper in kwestie is. Bovendien is ook elk lijf anders. Wat voor de één wel werkt, doet dat voor de ander totaal niet. Als je wel graag vergelijkt, bekijk het dan als een grote modeshow voor loopkleding en -schoenen.

Een marathon is geen feestje van begin tot eind
Ook niet als je zelf de slingers ophangt. Ik ben de eerste om de marathon tot mythische proporties te verheffen. Dit betekent echter niet dat je je Hercules waant van de 1e tot de 43e kilometer. Integendeel, je beseft pas echt wat je hebt gedaan als de taak erop zit. Elke keer opnieuw. Mogelijke pieken van het feestniveau zijn plaatsen waar er:

  • veel supporters zijn, of nog beter: je eigen supporters
  • een goede muzikale ondersteuning is, mijn favoriet: de live dj
  • een interessante bezienswaardigheid is, de Grote Markt in Brussel om maar iets te noemen
  • variatie in het loopparcours komt, bruggen doen het – ondanks hun stijgingspercentage – altijd goed bij mij
  • vanuit het niets toch een vriendelijke mens staat die je bemoedigend toespreekt, vaak de immer plichtbewuste seingever
  • een stuk aflopend vals plat in de eerste helft van de race, je denkt dan dat je over magische krachten beschikt, maar eigenlijk loop je dus bergaf

Mijn trommeltje met marathonwijsheden is nog lang niet uitgeput. Wordt vervolgd…

 

 

Het boek – Murakami over hardlopen

Waarover ik praat als ik over hardlopen praat van de Japanse schrijver Haruki Murakami is een must read voor elke lopende lezer of lezende loper. Murakami is een bruggenbouwer en al lang geen onbekende meer in het literaire landschap. Hij wordt al jaren genoemd als mogelijke Nobelprijswinnaar. In Waarover ik praat als ik over hardlopen praat vind je echter niet de typische intrigerende Murakami-personages en ook de absurde magisch-realistische sfeer blijft achterwege. Het zijn Murakami’s ervaringen als marathonloper (en triatleet) die centraal staan.

In het voorwoord maakt Murakami meteen duidelijk dat hij geen (hand)boek zal schrijven over hoe je fit en gezond moet blijven. Hij schrijft over wat het voor hem betekent om hardloper te zijn, meer bepaald wat de wisselwerking is tussen zijn schrijverschap en hardlopersleven. Het boek verscheen in 2007, maar Murakami twijfelde 10 jaar of hij het zou schrijven. We kunnen hem alleen maar heel dankbaar zijn dat hij het uiteindelijk wel deed.

In verschillende hoofdstukken beschrijft Murakami zijn hardlopers- en schrijversleven vanaf de zomer in 2005 tot de herfst in 2006. Hoewel hij fanatiek met hardlopen bezig is en met veel detail uitlegt waar en hoe hij traint, blijft hij wel een erg menselijke duurloper. Soms heeft hij geen tijd om te lopen of twijfelt hij aan zijn eigen kunnen. Ook dit koppelt hij aan het schrijfproces. Murakami zegt zelf dat hij de metafoor tussen hardlopen en schrijven steeds verder kan uitwerken. Dat is ook wat dit boek zoveel meer maakt dan een opsomming van trainingsgegevens. Door middel van zijn eigen loopervaringen slaagt Murakami erin om beeldend weer te geven wat het loopproces met een mens en zijn denken doet. Tijdens het lopen zijn gedachten namelijk als wolken.

Murakami liep zijn eerste marathon buiten wedstrijdverband toen hij voor een reportage in Griekenland het idee kreeg om de omgekeerde marathon te lopen: van Athene naar Marathon dus. Hij deed dit volledig op eigen houtje onder een loden zon en wist toen nog niet dat de huidige marathonafstand 2,195 kilometer langer is dan de oorspronkelijke afstand tussen beide plaatsen. Het strafste en ook meest beklijvende verhaal is dat van de 100 km wedstrijd waar hij aan deelnam in juni 1996. Tijdens zijn tocht herhaalt hij de hele tijd dit mantra: “Ik ben geen mens. Ik ben een pure machine. Ik ben een machine en dus hoef ik niets te voelen. Ik moet gewoon vooruit”. De machinale ultraloper blijkt net zoals zijn romanpersonages ook over een bevreemdend kantje te beschikken, maar juist dat maakt hem alleen maar menselijker.

Is Waarover ik praat als ik over hardlopen praat een boek dat niet-lopers zal boeien? Wellicht minder. Het is namelijk geen lofzang over een leven als loper of een pleidooi om meer te bewegen. Murakami vertelt in een bijzonder nuchtere stijl over de heroïek van zijn (soms bovenmenselijke) prestaties. Zijn doel is niet om een spannend verhaal te vertellen. Hij slaagt er juist in om de eentonigheid en saaiheid van hardlopen te bezingen. Om die te kunnen begrijpen, moet je de schoonheid daarvan zelf als loper kunnen begrijpen. Voor de doorwinterde Murakami-fans biedt dit boek wel een unieke inkijk in het leven van de schrijver en persoon.

Voor wie meer of iets ander van Murakami wil lezen kan ik Kafka op het strand, Norwegian Wood en Ten zuiden van de grens van harte aanbevelen.

Haruki Murakami – Waarover ik praat als ik over hardlopen praat (Uitgeverij Atlas Contact 2009) – citaat p. 130

 

 

 

 

Loperspraat – Hoe ik op geheel eigen wijze begon te lopen

In februari 2014 werd ik een vrouw met een plan. Een groots sportief plan: ik zou in mei de 20 km van Brussel lopen. Het idee kwam er onder invloed van mijn jongste zus Roos. Samen zouden we onze sportieve grenzen verleggen. Ik was toen 28 jaar en sportiviteit bleef op dat moment in mijn leven beperkt tot fietsen voor praktisch gebruik en af en toe paardrijden. Hoog tijd voor verandering dus.

Ik had nochtans het goede sportieve voorbeeld van thuis meegekregen. Ik herinner me heel goed dat we als kind gingen wandelen en leerden fietsen langs de Vaart. Later fietsten we dan mee als mijn moeder een rondje ging joggen (zoals ze dat zelf noemt). Later begonnen we dan zelf ook dat rondje te lopen (of joggen). Tijdens mijn jeugd stond ik bekend als een goede loper. Op de middelbare school ging ik twijfelen aan mijn sportieve mogelijkheden. Ik kon immers niets met een bal. In tegenstelling tot mijn klasgenoten maakte ik een innerlijk vreugdedansje als er gelopen moest worden. Het was de enige sport waarin ik opmerkelijk beter was dan anderen. Ik ben toen ook beginnen paardrijden en mountainbiken. Rond mijn 16e heb ik samen met mijn broer Seppe bij een atletiekclub gezeten. Toen begon ik ook wat langere afstanden te lopen: een uur, een uur en een kwartier. Ik blonk zeker niet uit in snelheid, maar merkte wel dat ik van nature een groot uithoudingsvermogen leek te hebben. En zelfs als ik niet echt kon volgen, dan was opgeven geen optie.

Scanvaart2
Mijn vader en ik aan de Vaart in de jaren 80.

Van mijn 18e tot mijn 28e heb ik nooit regelmatig gelopen. Af en toe kende ik een opflakkering en kwamen mijn loopschoenen weer uit de kast, maar ik haalde er niet voldoende plezier uit om het vol te houden. Vermoedelijk was dat te wijten aan mijn aanpak. Ik ging voor de korte pijn. Niks opbouwen, meteen een half uur lopen. Meer een survival of the fittest in plaats van een runner’s high. Zo herinner ik me ook een periode dat ik met Roos een rondje van 50 minuten ging lopen. Nu weten we dat die ronde zo’n 8 kilometer is. Een pittige afstand voor iemand die jaren niet gelopen heeft. Ik was dan ook uitgeput na zo’n inspanning.

Ben ik voor die 20 km van Brussel dan anders beginnen trainen? Nee, helemaal niet. Zelfs in het pre-Start-to-run-tijdperk was een geleidelijke opbouw niet aan mij besteed. Zo gebeurde het dus dat ik ergens in februari 2014 samen met Roos 5 kilometer op de Finse piste ging lopen. Afzien ja, maar niet kapot gaan. Mijn trainingsaanpak was eenvoudig: ik zou 3 à 4 keer per week gaan lopen. De duur zou ik laten afhangen van het gevoel. Ik had geen GPS-horloge of app om tijd en afstand te meten, maar nam mijn oude Nokia gsm mee om te timen hoe lang ik liep. Naar mijn idee toen al best professioneel. Na een paar weken liep ik vlot een uur. Ik liep vaak samen met mijn zus en we bouwden onze afstand steeds wat uit. Als ultieme test zouden we eens anderhalf uur lopen. Een memorabele training omdat we er niet beter op hadden gevonden dan een route te nemen die we vaak te paard aflegden. Goede wegen voor ruiters zijn zelden goede looppaden. Het mag een wonder heten dat we toen ongeschonden uit de strijd kwamen. De test was geslaagd en wij voelden ons klaar voor het grote doel.

IMG_2190
De Vaart anno 2018. Ondertussen fiets ik zonder zijwieltjes. Ik heb nog steeds een mandje, maar sleep mijn knuffel niet meer overal mee naartoe.

Heb ik dan ongestraft kunnen opbouwen van nooit naar anderhalf uur lopen? Nee, helemaal niet. Na twee maanden trainen kreeg ik last van mijn achillespees. Ik mankte zelfs. Ook hier was mijn aanpak totaal verkeerd. In eerste instantie negeerde ik het trekkerige gevoel in mijn enkel en ik zweeg in alle talen: dat zou wel overwaaien. Niet dus. Gelukkig was daar mijn zus Marike, een kinesitherapeut uit de duizend. Ik moest oefeningen doen en vooral blijven bewegen. Hoewel het er aanvankelijk niet zo rooskleurig uitzag, verbeterde mijn blessure plots zienderogen. Met dank dus aan de gouden handen van mijn zus. Anderhalve week voor de Grote Dag ging ik bij wijze van test 13 km lopen op de Finse piste. Weer zo’n geweldig onverantwoord idee, maar de test was geslaagd.

De 20 km van Brussel liepen Roos en ik uiteindelijk in 1:59:58. We hadden een klopje gekregen tussen 14 en 16 kilometer, maar de laatste kilometers vlogen we de Tervurenlaan op. Zo hard dat we niet beseften dat het daar serieus omhoog gaat. Ik heb me ongeveer een week bovennatuurlijk gevoeld. Het was het begin van een heel mooi loopverhaal. Wie had ooit gedacht dat we een jaar later samen een marathon zouden lopen? Wij toen zeker niet.