De race – Paris marathon april 2019

  • De cijfers: marathon nr. 10 werd mijn tweede snelste in 3:22:10
  • De voorbereiding: ik fietste en liep heel wat kilometers en was in vorm, maar ik twijfelde of dat zou volstaan
  • De race: ik liep met een ijzersterke geest en ik kon het hoofd koel houden, ook in killing Bois de Boulogne
  • De herinnering: de totaalervaring met mijn familie in Parijs en helaas ook de Notre-Dame die vuur vatte toen ik terug thuis was

Wat vooraf ging
Ik maak al eens marathonplannen als ik in een dipje zit. Voor deze marathon was mijn inschrijving een feit in april 2018 toen ik geblesseerd – en bijgevolg redelijk depressief – thuis zat. Ik had een groots plan nodig om naar uit te kijken. De marathonloper in mij had echter geen volledig jaar nodig om de rails terug te vinden. In oktober hervond ik mezelf op de marathon in Brussel en in december debuteerde ik met een derde plaats in de Hel van Kasterlee. Voor ik het goed en wel besefte, kon ik beginnen aan mijn marathontrainingen. Die verliepen zonder noemenswaardige problemen, maar waren wel een constante worsteling in de zoektocht naar het juiste evenwicht. Ik wilde er immers alles aan doen om te schitteren in Parijs, zonder dat doel in gevaar te brengen. Twijfel alom dus. In de laatste week voor de marathon was mijn doorgaans onrustige geest verdacht rustig en vertrouwde ik erop dat ik het nodige had gedaan. Die status bleef ongewijzigd tot twee dagen voor de marathon. Zaterdag voelde ik me allesbehalve een marathonloper en stak de twijfel weer de kop op.

IMG_4193

Vlak voor de start
Van nachtrust is geen sprake aangezien ik in een te warme hotelkamer met een onbehaaglijk gevoel en brandende benen in bed lig. Als Roos slaapt, voel ik mijn hart als een gek bonzen. De gedachte dat ik over enkele uren een marathon zal lopen is beangstigend. Om 5u schrik ik op van de wekker. Op automatische piloot werk ik mijn (geïmporteerde) witte boterhammen met honing weg terwijl Roos in een redelijk alerte staat van paraatheid nog wat slaap probeert te vangen. Om 6u30 vertrek ik naar de metrohalte. Het is nog donker en slechts een graad boven het vriespunt. Door de toestand waarin ik anderen aantref op straat, heb ik eerder het idee dat Parijs gaat slapen dan dat het ontwaakt. Gelukkig tref ik ook enkele lopers aan op de metro. Ik voel het vertrouwen groeien hoe dichter ik de start- en finishzone aan Arc de Triomphe nader. In mijn sportkleding voel ik me weer een loper, dankzij de adrenaline voel ik me niet moe. Ik geef Maurice af in de finishzone en na een sanitaire stop vertrek ik richting startvak op de Champs-Elysées. De zon breekt door: dit voelt als een schitterende dag in wording. Ik beleef een eerste primeur als ik word gefouilleerd om de startzone te betreden. In mijn startvak is het nog rustig en ik besluit van de gelegenheid gebruik te maken om een tweede primeur te beleven: ik stap een dixi in en ga dus naar de wc òp de Champs-Elysées. Naarmate het startvak voller wordt, neemt ook de ambiance toe. Ik heb kippenvel over heel mijn lichaam. Niet door de emotie, maar door de frisse temperatuur. Als ik begin te klappertanden, is het gelukkig ook tijd om te vertrekken. Om 8u39 begin ik aan mijn tiende marathon.

IMG_4198b
Team Flat White is ready for take off.

De race
Ik loop: dat is het eerste wat door mijn hoofd schiet. Beter nog: ik loop over de Champs-Elysées, via Place de la Concorde naar Place Vendôme en de Opéra: een nieuwigheid in het parcours. Het valt me op dat het zowel op als langs het parcours druk is. Jammer genoeg merk ik ook dat ik nog eens had moeten gaan plassen vlak voor de start. Ik besteed niet te veel aandacht aan mijn gevulde blaas en zoek de groene lijn: de ideale marathonlijn die precies 42,195 kilometer lang is. Na 5 kilometer kan ik uitkijken naar de eerste ontmoeting met mijn supporters. Het is moeilijk om te beschrijven wat er dan precies door je heen gaat: het doet zoveel deugd om in die enorme anonieme massa plots iets heel vertrouwd te zien. Roos loopt enkele tientallen meters mee. De stress staat op haar gezicht als ze me toe roept dat ze mijn drinkbussen vergeten was, maar dat het in orde is. Ik loop verder over Rue de Rivoli richting Chateau en Bois de Vincennes. De kilometers tikken vlot weg. Mijn vorige marathon liep ik met een gemiddelde van 4’50” per kilometer. Mijn doel is om onder dat gemiddelde te duiken. Aanvankelijk gaat dat vlot: ik loop soepel rond de 4’43”. Na het indrukwekkende Chateau zie ik na 13 kilometer mijn eerste bevoorradingsteam, mama en Marike. Samen met mijn drinkbus krijg ik ook weer de nodige aanmoedigingen en vervolg ik mijn weg.

Ik herinner me nog dat de eerste oplopende stukken zich in Bois de Vincennes bevinden. De benenmolen blijft echter goed draaien. Ik volg braaf het advies dat Roos me gaf en kijk uit naar het halfway point. De eerste frisheid is weg, maar ik blijf onder die 4’50” lopen. Ik geniet van de aanmoedigingen en de ambiance. De tijd vliegt voorbij. Ik zeg nog eens tegen mezelf dat ik nu echt de marathon van Parijs aan het lopen ben. Dat neemt niet weg dat ik ook de inspanning voel. Na 23 kilometer lopen we langs de Seine. Rond kilometer 25 werp ik nog een blik op de Notre-Dame en zoek dan mama en Marike die mijn tweede drinkbus zullen aanreiken. Hoe erg ik er ook naar uitkijk om hen weer te zien, ik walg nu al van de drinkbus die ze me zullen geven. Zoals bij mijn vorige marathon bevalt de sportvoeding me slecht. Mijn buik tekent ernstig protest aan. De gedachte aan nog meer sportdrank maakt me ronduit mottig. Die volle blaas verbetert de situatie niet, integendeel. Als ik dus mijn tweede drinkbus in handen krijg, draait mijn maag meteen om. Ik sluit een deal met mezelf: ik moet nog één sportgel wegwerken en de helft van die drinkbus. Omdat ik water heb gedronken bij elke post zou dat qua hydratatie moeten volstaan. Twee jaar geleden gingen de lichten in mijn hoofd uit na kilometer 25. Ik voel dat ik nu wat minder soepel loop, maar ik voel me nog steeds weerbaar en zelfs strijdlustig. We lopen door een tunnel langs Jardin des Tuileries, komen terug boven aan Musée d’Orsay en lopen verder langs de Seine. Tot drie keer toe lopen we onder een brug en volgt er na een korte afdaling een pittig oplopend stuk. Logischerwijze verlies ik hier wat terrein, maar ik laat me niet uit mijn lood slaan.

Vanaf het 30 kilometerpunt aan de Eiffeltoren begin ik af te tellen naar Roos en Tante Hilde die rond kilometer 36 in Bois de Boulogne staan. Ik hou mezelf voor dat dit mentaal het zwaarste stuk wordt: de route is saai, er zijn oplopende stukken en iedereen krijgt het lastig. Mijn tempo blijft onder controle en dat geeft moed. De eerste stijfheid steekt de kop op: mijn linker quadriceps is stram, maar belemmert me niet in mijn loopbeweging. Ik tel per kilometer af naar die verdomde kilometer 35. Uit ervaring weet ik dat als ik de laatste 7 kilometer met een frisse geest kan aanvatten, het ergste achter de rug is. Roos had me gewaarschuwd voor een stevige helling rond kilometer 34. Wat ik daar voorgeschoteld krijg, is inderdaad niet van de poes. Ik heb echter een doel en laat me niet kennen. Mijn beloning bevindt zich ruim een kilometer verder in de vorm van mijn supporters. Een golf van geluk overvalt me als ik Roos en Tante Hilde zie. Ze roepen me toe, Roos schiet uit de startblokken, loopt een stukje mee en overstelpt me met complimenten. Haar peptalk verricht wonderen, ik krijg een laatste adrenalineshot en dus ook vleugels. Ik loop mijn 37e en 38e kilometer aan een verschroeiend tempo van 4’41”. Waar ik hier twee jaar geleden moest spartelen om niet te verzuipen, voel ik me nu onoverwinnelijk. Ik denk aan een interview met Koen Naert: door de muur gaan! roep ik mezelf toe. De verzuring kan ik mentaal aan. Dit is de marathon. Juist in die finale ligt mijn kracht als loper. Rond kilometer 40 vormt zich een flessenhals omdat ambulances de weg versperren. Dat haalt me wat uit mijn ritme, maar ik ben blij dat ik loop en niet op een brancard lig. Ik probeer me bewust te zijn van de laatste lange bocht naar de finish op Avenue Foch. Met zicht op de finishbogen kijk ik nog eens rond en voel ik het enthousiasme van de talrijke toeschouwers. Ik laat me gewillig mee zuigen naar de finish. Met heel wat moeite probeer ik nog kort mijn handen in de lucht te steken als ik over de groene loper naar de finishlijn loop. Ik heb het gehaald. Dit was mijn tiende marathon. Mijn verbazing is groot als ik 3:22:10 op mijn horloge zie staan. Ik liep gemiddeld 4’45” (12,6 kilometer per uur) en dat is even snel als mijn vorige marathon in Parijs en die van Brussel in 2016. Met een grote glimlach op mijn rode kop ga ik mijn bagage ophalen en haast ik me naar een dixi. Met een nog grotere glimlach stap ik af op mijn supporters.

IMG_4237
We are family! I got all my sisters with me!

De conclusie
De marathon van Parijs is de tweede grootste ter wereld en stelde wederom niet teleur. Het parcours is pittig door de hoogtemeters van verschillende oplopende stukken. Bovendien is ook het wegdek op vele plaatsen lastig beloopbaar: denk aan opgelapte stukken asfalt over hobbelige steentjes of zelfs een kasseistrook in Bois de Boulogne. Ter compensatie was het met een zonnige 10 graden ideaal loopweer. Ten opzichte van twee jaar geleden stonden er 8.000 deelnemers meer aan de start. Die drukte merkte ik ook al op in de finishzone en op dat moment moesten er nog 43.000 lopers aankomen. Door Parijs lopen en langs alle kanten enthousiast toegejuicht worden, is en blijft een unieke ervaring. Bij een kleinere marathon staat het loopplezier voor mij centraal en maakt dat de ervaring uniek. Een massa-evenement heeft nu eenmaal voor- en nadelen.

IMG_4244
Vieren in stijl en klinken op een geslaagde dag.

Enkele weetjes

  • De organisatie raadde aan om een oude trui aan te trekken in het startvak: die kon je achterlaten en zou gerecycleerd worden, wat beter is dan een plastic wegwerpponcho. Ironisch genoeg kreeg elke finisher bij aankomst een groene plastic poncho. Ik snap het niet.
  • Ik dronk niet meer vanaf kilometer 30. Dat gaat in tegen elke marathonregel. Don’t try this at home!
  • Toen ik rond kilometer 32 langs een band liep waarvan de zanger op het parcours stond, schreeuwde hij me toe: Today, You Are a Rock ’n Roll Star!
  • Er is een link tussen mezelf en de Ethiopische winnares Gelete Burka. We zijn allebei 33 jaar en zij finishte in 2:22, net een uur sneller dan ik. Haar gemiddelde snelheid was ruim 17,8 kilometer per uur.
  • Met mijn 231e plaats bij de vrouwen behoor ik tot de snelste 2%. Slechts 30 vrouwen finishten onder de 3 uur.
  • Roos maakte een mooie foto van mij waarop ik in mijn nette pyjama poseer met mijn medaille. Helaas is er op de achtergrond ondergoed te zien en is die foto dus niet geschikt voor publicatie.
  • Onze Parijs-trip stond ook in het teken van mijn metekindje dat zich nu nog in Marikes buik bevindt. We gaven suggesties voor namen en bedachten ook tal van (sportieve) activiteiten die we samen kunnen ondernemen. Dit is hoe dan ook een sterk verhaal om later te vertellen.

IMG_4265

Het moment – Vreugde en vuur in Parijs

Parijs stelt nooit teleur. Het zou uit mijn mond kunnen komen, maar het is een uitspraak van Roos. Helaas krijgt datzelfde Parijs de ene rake klap na de andere te verwerken. Er waren aanslagen, steekpartijen en schietincidenten die niemand onberoerd lieten. De stad lag knock-out op de grond, krabbelde weer recht en hervatte het leven van alledag. Sinds enkele maanden zijn er de gilets jaunes die vernielingen aanrichten in de buurt van de Champs Elysées. Ook de oh zo robuuste Arc de Triomphe moest incasseren. Mijn geliefde stad krijgt het hard te verduren en dat doet pijn. Ondanks al dat geweld blijft het Parijse hart kloppen. Ik bracht vier dagen door in de Franse metropool in gezelschap van mijn zussen, mama en tante. Ik liep zondag mijn tiende marathon. Ik hield me aan mijn plan en genoot ervan met volle teugen. Ik liep een sterke marathon. Ik finishte in 3:22:10. Ik was euforisch. Roos kreeg maar weer eens gelijk: Parijs stelde wederom niet teleur. Na de vreugde kwam het verdriet. Ik was geschokt toen ik gisterenavond thuiskwam en hoorde dat de Notre-Dame in lichterlaaie stond. In de namiddag liep ik met Roos nog langs ons Notje. Vuur dat is verwoesting, maar ook strijdlust en passie. Het was een vurige vierdaagse op meerdere fronten. Een uitgebreid raceverslag volgt snel, maar ik sta graag al even stil bij de waarde van dit marathonverhaal.

Ja, ik genoot dus van de trip én de marathon. Ik trok lessen uit de vorige marathon die ik liep in Parijs. In april 2017 dekte het woord nerveus niet de lading voor de staat waarin ik me bevond. Ik liep de muren op van mijn eigen onrust en ging ook letterlijk tegen de grond anderhalve dag voor ik in Parijs 42,2 kilometer zou lopen. De marathon was een gevecht dat ik maar ternauwernood kon winnen. Ik liet er mijn snelste tijd optekenen, maar bleef met een gevoel van ontevredenheid rondlopen. Lessons learned, dat zou mij dit jaar niet overkomen. Toen ik vrijdagnamiddag mijn startnummer ging ophalen, voelde ik me een heel andere mens dan het stresskonijn van twee jaar geleden. Ik had met redelijk wat vertrouwen toegeleefd naar mijn grote dag en ik voelde me ook mentaal sterker dan ooit tevoren. Dat kan ook moeilijk anders met het geweldige team dat mij omringde. Bij elk van die tien marathons kon ik rekenen op mijn mama en zussen als trouwe bevoorraders en supporters. Die persoonlijke ondersteuning is zonder enige twijfel goud waard. Uiteraard tijdens de marathon, maar misschien nog belangrijker in de aanloop er naartoe. Mijn familie voelt mij perfect aan: ze voelen of ik peptalk, dan wel afleiding nog heb. Ze prijzen me af en toe de hemel in. Ik kan hen alles toevertrouwen. We hebben bovenal heel veel gelachen en plezier gehad vanaf de eerste momenten in Parijs. Het sportieve luik was een onderdeel van een schitterend geheel. Mijn marathon is een kunstwerk dat opvalt omdat het pronkt in een unieke lijst.

IMG_4224
Twee zussen en drie zussen, maar vooral een winning team!

Ik liep tien marathons in vier jaar tijd. De helft daarvan liep ik in Brussel en Parijs. Tien marathons, dat klinkt ook in mijn lopersoren als heel veel. Ik begon vijf jaar geleden te lopen na jaren van inactiviteit. Samen met Roos stoomde ik me klaar om de 20 kilometer van Brussel tot een goed einde te brengen. Het bleek het begin van een heel mooi verhaal te zijn. Wie mij in april 2014 had gezegd dat ik over vijf jaar tien marathons gelopen zou hebben, had ik eens goed uitgelachen. Ik loop omdat ik daar een gelukkigere mens van word: dat kan ik niet genoeg herhalen. De marathon ligt mij. Hoe saai een marathon lopen soms ook is, mijn hart staat in vuur en vlam als ik nog maar denk aan een marathonplan. Ik voel me als herboren na elk marathonavontuur. Lopen was aanvankelijk een fijne hobby die ik deelde met Roos. Ondertussen is het een fundamenteel onderdeel van wie ik ben. Met mijn 3:22 van zondag evenaarde ik mijn snelste tijden van Parijs 2017 en Brussel 2016. Ik liep nu drie marathons aan hetzelfde harde tempo. Waar ik vroeger gebrand was op sneller en beter, besef ik nu als geen ander dat bevestigen net zo straf is. Ik ben daar op dit moment ook schaamteloos trots op. Ik zit weer eens op een roze marathonwolk en Elton John zingt I’m still standing after all this time, looking like a true survivor, feeling like a little kid.

Nadat ik de finishzone verlaten had, kreeg ik een dikke pakkerd van mijn supporters. Mijn zweetlucht namen ze er zonder verpinken bij. Voor Tante Hilde was het de eerste keer dat ze een marathon volgde. Het was een voorrecht om erbij te zijn, zei ze. Ik kan hier alleen maar op antwoorden dat het een voorrecht was om jullie marathonloper te zijn. Un grand merci!

Marathonpraat – Waar ik zoal aan denk tijdens een marathon

Vandaag is M-day. Ik mag aan de bak in Parijs. Tijdens trainingen loop ik altijd met muziek, tijdens wedstrijden of marathons nooit. Ik heb die afleiding dan niet nodig en wil juist loskomen van mijn doorwinterde looproutine. Als je uren loopt, dan doe je veel indrukken op en schieten er heel veel verschillende emoties door je hoofd. Na een marathon heb ik doorgaans enkele dagen nodig om die ervaring te verwerken: niet alleen het afzien moet een plaats krijgen, maar ook de losse gedachtesnippers die door mijn hoofd dwarrelen worden gecatalogeerd. Dit is een overzicht van wat er zoal door dat hoofd van mij waait tijdens een marathon.

Fase 1: in het startvak
– ik probeer niet al te veel onder de indruk te zijn van de lopers rond me, maar toch: iedereen ziet er beter voorbereid uit
– ik ben opgelucht dat ik het tot aan de start heb gehaald: het enige wat ik nog moet doen is lopen
– ik probeer een moment van bewustwording te creëren: hier heb ik het voor gedaan, al die kilometers gelopen en gefietst, nu gaat het gebeuren

Fase 2: alles is plezant
– ik kijk rond en vind alles interessant: oh wat een mooi gebouw! oh wat een grappige wolk! oh er zijn toeschouwers!
– ik lijk te vliegen en voel nergens een pijntje met dank aan de adrenaline
– ik probeer om het juiste tempo te vinden, dat is niet evident omdat mijn gevoel en de kilometertijden die ik zie niet overeenstemmen
– ik zeg nog eens tegen mezelf dat ik er echt van moet genieten
– ik ervaar elk moment als zijnde magisch: tikkende loopschoenen op het asfalt zijn de mooiste symfonie die ik al hoorde
– ik versnel automatisch bij alleen nog maar de gedachte dat ik mijn supporters zal zien

Fase 3: de verveling slaat toe
– ik kijk rond en zoek afleiding, ik moet mijn best doen om die te vinden: de gebouwen zien er plots allemaal hetzelfde uit, de wolken en toeschouwers ook
– ik vind afleiding bij andere lopers: ik probeer te achterhalen welke schoenen ze dragen (merk + model)
– ik ga nog een stapje verder en raad hun schoenmaat en leeftijd, ik gok hoeveel marathons ze al gelopen hebben
– ik denk aan de geschiedenis van de marathon en hoe atleten met veel slechter materiaal dezelfde afstand aflegden
– ik probeer me niet te focussen op het tempo dat ik loop, maar op hoe het aanvoelt
– ik visualiseer dat ik enkel nog maar een lichaam ben dat zo uit een anatomieboek lijkt weg te lopen, ik bedenk hoe al die spieren in werking zijn om mij aan het lopen te houden
– ik vraag me af waar mijn mama en zussen zich op het parcours bevinden en ik denk na over wat ik hen in twee seconden kan toeroepen
– ik denk aan al het lekkere eten en drinken waar ik mezelf op zal trakteren na afloop
– ik zoek een geschikte soundtrack die ik opzwepend in mijn hoofd probeer af te spelen
– ik tel af hoeveel gels ik nog moet wegwerken

Fase 4: het wordt zwaar
– ik probeer kilometer per kilometer te denken en vergelijk de afstand die ik nog voor de boeg heb met looptoeren die ik vaak loop of met de mijlen die ik op school loop
– ik probeer de tijd los te laten, maar kan het ook niet laten om rekensommetjes te maken in mijn hoofd
– ik denk aan wat ik zal zeggen tegen mijn familie als ik aangekomen ben
– ik verbeeld me dat ik toeschouwers inspireer om ook een marathon te lopen, ik denk echter dat voor de meeste toeschouwers juist het omgekeerde geldt
– ik denk aan iedereen die achter mij loopt en het net zo zwaar heeft
– ik concentreer me op mijn houding: mijn armen probeer ik zo ontspannen mogelijk te bewegen, ik recht mijn rug en kantel mijn bekken een beetje: meestal hou ik die perfecte houding slechts een halve minuut vol
– ik probeer mijn bochten zo kort mogelijk te nemen en de ideale lijn te volgen, elke centimeter dat ik die kan afsnijden voelt als pure winst
– ik verbied mezelf nog om om mijn kilometertijden te bekijken om het gekmakende rekenen tegen te gaan
– ik ben me ervan bewust dat juist dit een marathon lopen is

 

Het boek – Marathonloper zonder grenzen Abdi Nageeye

Zondag werd de Rotterdam marathon gelopen. Ik bekeek de volledige uitzending en nadien nog twee compilaties omdat ik nu eenmaal graag in hogere marathonsferen word ondergedompeld. Er was in Rotterdam meer dan één reden om te feesten. De Keniaanse winnaar Marius Kipserem liep met 2:04:11 een nieuw parcoursrecord in de boeken. Onze Belgische trots Koen Naert verpulverde zijn persoonlijke record met ruim twee minuten. Hij finishte als zevende in 2:07:39. Het nationale record van Vincent Rousseau ligt nu binnen handbereik. Ook de Nederlandse topper Abdi Nageeye haalde zijn doel en stelde zijn eigen nationaal record scherper tot 2:06:17. Zijn vierde plaats toont aan dat hij de absolute wereldtop op de hielen zit. Zo graag als ik naar lopers kijk, zo graag lees ik er ook over. André van Kats volgde Abdi Nageeye een jaar. Het resultaat is het boek Atleet zonder grenzen, waarin het uitzonderlijke en met momenten beklijvende verhaal van Nageeyes jeugd in Somalië, Nederland, Syrië en Ethiopië beschreven wordt, alsook zijn sportieve belevenissen in een wisselvallig 2018.

Abdi Nageeyes jeugd laat zich niet samenvatten in enkele zinnen. Hij werd geboren in Somalië en belandde als kind in het Nederlandse Den Helder, waar hij snel integreerde. Vervolgens neemt halfbroer Mohammed Abdi met twee broertjes mee naar Syrië om er te gaan strijden. De kleine Abdi krijgt er een heel ander wereldbeeld voorgeschoteld en leert de kracht van propaganda kennen. Na drie jaar in Syrië belandt Abdi in de Somalische hoofdstad Mogadishu, die op dat moment oorlogsgebied is. Hij wordt er geconfronteerd met een uiterst gewelddadige samenleving die wordt gedomineerd door de strijd tussen verschillende stammen. Wapens en gevechten zijn er schering en inslag, eerwraak de normaalste zaak van de wereld. Abdi laat zich hier echter niet door tekenen. Hij hecht veel belang aan onderwijs en gaat trouw naar de moskee. Uiteindelijk neemt hij als tiener zijn toekomst in eigen handen door met een kalasjnikov op zak een gevaarlijke reis te ondernemen naar Addis Abeba, de hoofdstad van Ethiopië. Als bij wonder bereikt hij zijn bestemming ongedeerd. Van daaruit ligt de weg naar Nederland terug open. Nog voor Abdi achttien is, verblijft hij bij een Nederlands gezin in Gelderland. Op z’n achttiende loopt hij zijn eerste wedstrijd. Twee jaar later wordt hij Nederlands kampioen lange cross.

Abdi Nageeye werd vorige maand 30. Hoewel hij zich op en top Nederlander voelt, woont hij momenteel met zijn gezin in Kenia. Samen met onder andere wereldrecordhouder Eliud Kipchoge traint hij in het spartaanse kamp Kaptagat. Weg van de bewoonde wereld, weg van alle luxe. In 2013 maakte hij nogal impulsief de beslissing om zich volledig op de marathon toe te leggen. Met succes: Nageeye is inmiddels de eerste Nederlandse recordhouder op de vijf lange afstanden. In Atleet zonder grenzen staan ook de sportieve gebeurtenissen van 2018 centraal. Een jaar dat niet zonder slag of stoot verliep. Er is de memorabele editie van de Boston Marathon in april, waar Abdi een zevende plaats en een blessure aan overhoudt. Er is ook het ontgoochelende Europees kampioenschap in Berlijn waar hij na 37 kilometer de strijd moet staken en wederom geblesseerd achterblijft. Het boek geeft je een unieke inkijk in het leven van een professionele loper. Zo kom je meer te weten over de periode waarin Kamiel Maasse het Nederlandse marathonlandschap regeerde en hoe een werkweek van trainingsmakker Eliud Kipchoge eruit ziet. Leuk om te weten: de Kip in Keniaanse namen geeft aan dat iets van het mannelijk geslacht is, wat daarop volgt zijn de omstandigheden waarin iemand geboren is. Kipchoge betekent “geboren nabij graanopslag”.

Hoe aangrijpend het verhaal van Abdi’s jeugd ook is: ik was de draad hier en daar serieus kwijt. Dat komt enerzijds door de ingewikkelde familiale situatie waarin hij zich bevindt. Anderzijds springt het verhaal van de hak op de tak omdat het schippert tussen de jeugdervaringen, het leven van de professionele atleet en korte interviews met Abdi. Naarmate ik vorderde in het verhaal, werkte die cocktail wel. Abdi Nageeye is ook in het echt rad van tong en het leek alsof het boek zo uit zijn mond kwam gerold. Er is immers heel veel om over te vertellen. Ik had gerust meer willen lezen over zijn leven als marathonloper, maar de boeiendste stukken vond ik die waarin Abdi de cultuurverschillen bespreekt tussen Somalië en Nederland. Hij neemt daarbij geen blad voor de mond en hekelt onder andere de berustende houding die zijn Somalische familie aanneemt omdat alles bepaald wordt door het lot. Ook zegt hij onomwonden dat als hij in Syrië was gebleven, hij nu wellicht voor IS had gevochten. Abdi is overtuigd moslim, maar deinst er niet voor terug zich kritisch uit te laten over het geloof. Hij vertelt hoe iemand die varkensvlees eet in Somalië als een grotere misdadiger beschouwd wordt dan iemand die een moord pleegt als vergelding ten opzichte van een andere stam. Abdi heeft nog steeds contact met zijn familie, maar zijn moeder lijkt weinig besef te hebben van het beroep dat haar zoon heeft en het leven dat hij leidt. Het knappe is dat Abdi zowel de voor- als de nadelen van beide culturen in beeld weet te brengen.

Hoewel ik geen fan ben van de typografie van het boek, kon het uitzonderlijke verhaal van Abdi Nageeye mij meer dan bekoren. Uit diens turbulente leven blijkt een enorme drive en overtuiging om verantwoordelijkheid op te nemen voor de keuzes waar iedereen mee geconfronteerd wordt: als loper, maar vooral als mens. Hij durft de lat heel hoog te leggen voor zichzelf zonder voeling te verliezen met de realiteit. Atleet zonder grenzen is een leerrijk en geestverruimend boek over de fenomenale atleet en bovenal mooie mens die Abdi Nageeye is.

Marathonpraat – Plan Parijs #2

Slechts tien dagen scheiden mij van een tiende marathonverhaal. Dat voelt dicht genoeg om er echt naar uit te kunnen kijken en ver genoeg om de laatste puntjes op de i te zetten. Ik ben nu dus aan het taperen als een bezetene. Concreet betekent dit dat mijn activiteitengehalte duchtig wordt teruggeschroefd. De focus ligt op ontspanning. Vorige week legde ik nog heel wat loop-, maar vooral fietskilometers af zodat ik ook lichamelijk zou voelen dat rustiger aan doen nu wel echt een meerwaarde is. Rusten op bevel is namelijk niet mijn sterkste kant. Op professioneel vlak doe ik het deze laatste schoolweek voor de paasvakantie allesbehalve kalmer aan, aangezien er heel wat alternatieve activiteiten op het schoolprogramma staan die de nodige voorbereiding vragen. Die afleiding is echter ook van harte welkom. Vanaf morgen is het alle hens aan dek om een kordaat punt op die i te zetten en de inner luilak in mezelf aan te spreken, zodat ik als een ontspannen mens op de trein richting Parijs kan stappen.

In januari had ik dus een strak plan: zo goed voorbereid en fit mogelijk aan de start staan in Parijs. Ik bekende recent dat Plan Parijs moeilijk vorm kreeg in mijn hoofd. Wat is een goede voorbereiding in cijfers? Iets met theorie versus praktijk. Ik heb doorgaans geen problemen om me volop in een project te smijten, maar ik vergeet wel eens dat een dag ook voor mij slechts 24 uur telt en dat lopen mijn werk niet is. De angst voor een blessure hing soms als een zwaard van Damocles boven mijn hoofd. Om me niet te vergalopperen – letterlijk en figuurlijk – hield ik me dus bij twijfel een beetje in. Bijgevolg deed ik minder interval- en tempotrainingen dan ik zou willen. Zo leek het me bijvoorbeeld verstandig om niet als een gek door een besneeuwd bos te sjezen met vermoeide benen. Slim, maar ook saai. Toen ik in de krokusvakantie ook nog eens bijzonder weinig op de fiets kon zitten, kwam de twijfel als een gevaarlijke tijger om de hoek loeren. Ik hoef jullie niet uit te leggen dat mijn zelfvertrouwen soms ver zoek was met dat zwaard boven mijn hoofd en de twijfeltijger die ik recht in de ogen keek.

Op de tonen van Hoziers No Planthere’s no plan, there’s no race to run – besefte ik plots dat ik zo hard wel een plan had. Sterker nog: ik besef nu dat ik zelf de sleutel in handen heb om dat plan ook waar te maken. Deze marathonloper mankte een jaar geleden met een kruk. Ik sleepte bovendien de scherven van mijn stukgeslagen marathondroom als een pijnlijke last achter me aan. Een nieuwe droom werd als een klein wolkje geboren toen ik me inschreef voor de marathon van Parijs editie 2019. Eind april 2018 was ik in Parijs op schoolreis. Tijdens een boottocht over de Seine (aanrader!) zat ik wat te mijmeren. Ik miste Roos die me zo goed hielp met alles (ik ben geen gemakkelijke patiënt) en mijn maatje An, die niet mee kon naar Parijs. Mijn geblesseerde been worstelde met de vele stapkilometers en drukte me met de neus op de feiten. Ik stuurde Roos een sms: Volgend jaar marathon Parijs. Ik ga zo hard genieten. Et voila: eigenlijk was mijn Plan Parijs daar geboren. Ik schudde mezelf afgelopen zondag na een geslaagde Brussels 10 Miles eens goed door elkaar en realiseerde me dat ik over twee weken weer een marathon mag en kan lopen in mijn geliefde stad in het bijzijn van mijn familie. Een scherpe tijd is leuk, maar mag niet het doel van deze missie zijn. Er is zo ontelbaar veel om naar uit te kijken in Parijs.

IMG_4116
Dit is de esssentie van lopen: een frisse neus halen en eens goed zweten in goed gezelschap.

Ben ik dan helemaal niet zenuwachtig? Natuurlijk wel! Er zijn momenten dat ik de twijfeltijger aai als was hij een schattige kitten, maar even goed verschiet ik me een ongeluk als hij geeuwt en ik zijn scherpe tanden zie. Ik probeer om die spanning te omarmen als een positieve stimulans: een teken dat ik er klaar voor ben en dat het mag gaan gebeuren. Het zou immers vreemd zijn als toeleven naar een marathon mij onberoerd zou laten. Ik denk ook aan mijn mama wiens rikketik ongetwijfeld al ongeziene pieken heeft bereikt bij alleen nog maar de gedachte aan het Bois de Boulogne en hoe zij daar tijdig zal geraken. Naast luieren heb ik de komende week ook nog enkele voorbereidingen te treffen. Het verschil met toen is dat ik al naar de kapper ging en dat ik niet met een schoenendilemma zit. Ik zal de marathon van Parijs lopen in blauwe Nike Zoom Fly’s die ik met enige zin voor dramatiek een jaar geleden huilend uit de verpakking haalde omdat ik er geen voorjaarsmarathon in 2018 mee zou lopen. Ik liep ze al eens warm tijdens mijn langste duurloop in gezelschap van Roos. Volgende week ga ik nog eens langs de kinesitherapeut voor een algemene check-up en wie weet wordt ook mijn Flat White uitzet weer wat groter. Paris, j’arrive!

IMG_1998b

Loperspraat – Marathongrillen en tijdrijden in maart

Maart was de maand waarin de magnolia de show stal door ons te trakteren op een overdadige bloemenweelde. De natuur heeft zin in het voorjaar. Stiekeme viooltjes en madeliefjes komen piepen en het gras wordt weer groener. Jammer genoeg sneuvelden er ook heel wat bomen door het stormachtige weer. Tijdens mijn rondje in het bos telde ik maar liefst acht slachtoffers. Zo triestig om te zien hoe een gigantische boom weerloos tegen de vlakte ligt. Gelukkig waren er ook feestjes in maart: mijn mama is nu een prille zestiger en mijn broer nog steeds een prille dertiger. Enkele dagen na zijn verjaardag won hij in Griekenland zijn eerste wedstrijd van het seizoen. Ander heuglijk nieuws is dat ik in de zomer meter word van het eerste kindje van Marike & Peter. Jeej! Ik beleefde dan ook het nodige sportieve plezier in familiaal gezelschap. Gedeeld loopgeluk, dat kan je immers vermenigvuldigen met factor 10. Mijn sportieve moraal was de afgelopen maand net zo grillig als het weer: er waren momenten dat ik me een sukkelachtige boom in het bos voelde die een stormwind moet trotseren, maar ik beleefde ook schitterende pieken waarbij de duurloper in mij door een rooskleurige magnolia-bril richting marathon keek.

In een pre-marathonmaand staat de duurloop centraal. Ik begon maart met 21 kilometer door guur weer met mama naast mij op de fiets. De week daarna liep ik samen met Roos onze eigen CPC versie. Ik liep nog een 23 kilometer op woensdagnamiddag, maar dat was er eentje om snel te vergeten. Het tempo en de benen waren goed, maar als je twee urgente sanitaire stops moet maken, dan is lopen een beproeving. Mijn langste duurloop liep ik vorig week met Roos als professionele begeleider op de fiets. We vertrokken bij haar thuis, langs de Demer en de veloroute tot in de Kempen bij Marike. Ik voelde de 80 fietskilometers van de dag voordien nog in mijn benen zitten, maar het gezelschap, onze ultieme playlist en het lekkere zonnetje zorgden ervoor dat de kilometers goed weg tikten. Na 30 kilometer smaakten de boterhammen en taart bij Marike eens zo goed. Naast de duurlopen liep ik ook nog heel wat mijltjes met mijn leerlingen. Stuk voor stuk bikkels zijn het – en wie weet ook marathonlopers in spe.

IMG_4068

Ik zat natuurlijk ook op de fiets. Door de wind en regen aan het begin van de maand gebeurde dat echter minder dan ik had gepland. Daarenboven werd mijn geliefde Juan in de krokusvakantie ook nog eens genekt door een lekke achterband. Dat die band aan het eind van zijn Latijn was, mag niet verbazen. Hij ging immers al vijf jaar mee en doorstond al 5x een Hel van Kasterlee. Een jaloersmakend cijfer voor menig wielrenner, maar Juan kon dus op wellness bij de fietsenmaker. De tweede helft van de maand had ik het idee dat ik iets had goed te maken op de fiets. Daags voor mijn langste duurloop trok ik met Peter nog eens naar het mountainbikeparcours in Herentals. Peter is in volle voorbereiding voor de Ronde van Vlaanderen voor wielertoeristen en hij vertrok dus in volle vaart. Het resultaat was 39 kilometer aan een stevig tempo. Na een korte pauze wachtte de terugweg op mij. Aangezien mijn benen al waren warmgedraaid, besloot ik er de pees op te leggen. Ik vertrok zo snel dat ik aanvankelijk dacht dat Juan van een motortje was voorzien. Zoals het een echte tijdrijder betaamt, trok ik me terug in mijn cocon en probeerde ik zo economisch mogelijk rond te draaien. Na elke oversteek trok ik als een echte pro vinnig op om mijn snelheidsverlies te beperken. Ik waande me Tony Martin tijdens een tijdrit in de Tour. Visualisering is een belangrijk mentaal wapen en zo zag ik hoe mijn imaginaire wattage meter op hol sloeg. Na 42 kilometer (oh symboliek) kwam ik thuis aan in 1u29 met een gemiddelde snelheid van 28,1 km/u. Een strakke tijd voor een tijdrit op de mountainbike. Het gekke is dat ik sinds die dag als vanzelf moeiteloos sneller fiets. Wie weet waag ik later in het jaar wel mijn kans om het werelduurrecord scherper te stellen.

IMG_4061b

Samen met Roos beleefde ik looppieken tijdens twee wedstrijden op Brusselse bodem. 17 maart stond er een 10 kilometer wedstrijd in Elsene op het menu. Qua kilometers vond ik dat een beetje weinig voor een zondag, beter gekend als duursportdag. Ik besloot tot daar te fietsen en kreeg Roos zo gek om aan te haken vanaf Tervuren. De heenrit kan samengevat worden als stampen op de pedalen en tegen de wind in beuken. Na 28 kilometer bereikten we uiteindelijk het Flageyplein. Ik had nog wat last van de naweeën van mijn CPC-trauma en stond dus zenuwachtig aan de start. Door de schrille wind waren mijn voeten veranderd in twee ijsklompen en startte ik aan een relatief rustig tempo. Elsene staat garant voor een gevarieerd parcours door de Abdij van Terkameren en de Matongéwijk, die heel wat steile klimmetjes in petto heeft. Na twee kilometer kwam ik onder stoom en wist ik dat het goed zat. Ik finishte als vierde en kon zien hoe dat kleine zusje van mij knap vijfde werd. Team Odeyn fietste dus triomfantelijk naar huis met de wind in de zeilen.

IMG_4065b

Vandaag sloten Roos en ik de maand af in schoonheid op de Brussels 10 Miles: 16 kilometer dus met start en aankomst in het Koning Boudewijnstadion. Volgens de speaker zouden we hierdoor in de voetsporen treden van Usain Bolt. Die blinkt niet meteen uit tijdens kilometerwedstrijden, maar ik schoot wel uit mijn spreekwoordelijke startblokken. Mijn eerste drie kilometers waren belachelijk snel. Vorig jaar moedigde ik Roos aan en zag ik haar meermaals vloeken op het zware parcours. Je loopt namelijk 16 kilometer op een lapje Brussel van enkele kilometers. Dat betekent continu draaien en keren, berg op en af en acht U-bochten. We zagen het Atomium langs zowat elke denkbare kant, kronkelden erop los in het Ossegempark en konden de magnolia’s uitvoerig bewonderen in het Park van Laken. Mijn snelle start bekocht ik wel een beetje bij de steilere stukken bergop, maar ik stortte niet in elkaar. Sterker nog: ik finishte in 1u10 met een gemiddelde pace van 4’32”, oftewel ruim 13 km/u. Het zou flauw zijn om nu te zeggen dat ik mijn trainingen niets hebben opgeleverd. Roos verkeert trouwens ook in bloedvorm en liep 1u14 op de tabellen. Onder het goedkeurend oog van de magnolia’s liepen we het voorjaar zusterlijk in gang. Het smaakt absoluut naar meer.

Marathonpraat – Plan Parijs #1

Over welgeteld 40 dagen sta ik aan de start van de Paris Marathon. 42,195 kilometer lopen door de stad waar ik zo graag vertoef. 4 dagen doorbrengen met mijn zussen, mama en tante. Mijn 2e marathon in Parijs, mijn 10e marathon tout court. Tot zover de cijfers. Na mijn succesvolle debuut in de Hel rolde ik dus voor ik het goed en wel besefte in een volgende marathonvoorbereiding. Zoals ik in januari (maand van de trap) al luidkeels verkondigde zou ik die voorbereiding nu eens echt verstandig aanpakken om volop te kunnen genieten van mijn looptocht door Parijs. Ik zou leren van de missers en foutieve inschattingen die ik al beging. Ik zou me niet blindstaren op een snelle tijd. Ik zou de voorbeeldleerling van de marathonklas zijn. Ik zou kortom het ideale voorbereidingstraject afleggen. Tot zover de theorie.

Dat doordachte Plan Parijs laat zich in de realiteit echter minder gewillig vorm geven dan het utopische idee dat in mijn hoofd zit. Pijnpunt nummer 1 is het feit dat ik nog steeds worstel met een evenwicht vinden in mijn trainingen. Tegen mijn leerlingen zeg ik altijd dat het de kwaliteit is die telt en niet de kwantiteit. Ik wil niet dat ze een blad vullen met woorden, maar een goede tekst schrijven. Tot op zekere hoogte gaat dit ook op voor marathonvoorbereidingen: de focus moet liggen op trainingskwaliteit. Om een maximaal effect te hebben van je trainingen moet je ook rust inbouwen. Niet gewoon lopen om te lopen onder het mom van hoe meer, hoe beter. Doordacht trainen houdt ook in dat elke kilometer op de één of andere manier een doel moet hebben. Enter de stress. Bovendien mag de kwantiteit dan wel niet primeren, maar is die ook niet verwaarloosbaar. Ik ben er namelijk ook van overtuigd dat je in voorbereiding van een marathon wel net iets meer kilometers moet afleggen dan wat als normaal geldt.

Dat brengt me bij pijnpunt nummer 2: wat is een normaal aantal kilometers en wat is dan (te) veel kilometers maken? In oktober en november trainde ik tussen de 15 en 20 uren per week. Ik had met andere woorden een halftijdse job aan mijn sportieve inspanningen. Hoe ik eind oktober de marathon van Brussel zou doorkomen, was voor mij een vraagteken. Verbazingwekkend goed, was het antwoord. Het merendeel van mijn trainingstijd bracht ik door op de fiets. Ik liep geen intervals en trainde niet op een bepaald tempo. Naar mijn gevoel liep ik de marathon van Brussel met een bescheiden aantal loopkilometers in de benen en zonder specifieke marathonvoorbereiding. Het was een extraatje om vertrouwen op te doen. Mijn voorbereiding voor Brussel berustte op een stevige basis en kan ik niet als referentie nemen omdat die kaderde binnen een groter geheel. Ik trainde toen immers om een marathon af te leggen met daartussen een mountainbikerace van +100 kilometer. In december voelde ik dat ik progressie had geboekt. Mijn sterke afsluitende loopnummer in de Hel toonde aan dat die honderden uren voorbereidingstijd hun vruchten hadden afgeworpen. Om een goede vorm te bereiken, lijkt die hoeveelheid dus de norm geworden. In mijn hoofd wringt het nu langs alle kanten dat ik minder aan het trainen ben dan wat ik in het najaar deed.

Pijnpunt nummer 3 is mijn CPC-trauma dat een schaduw werpt over mijn trainingen van de laatste weken. Welgeteld één jaar geleden blesseerde ik me namelijk tijdens de CPC Loop (halve marathon in Den Haag). Ik kan me nog levendig voor de geest halen hoe onverschrokken ik vorig jaar op mijn doel afstormde. Ik herinner me nog te goed hoe ik dat plotsklaps allemaal kwijt was toen ik na 3 kilometer in Den Haag niet meer op mijn linkerbeen kon steunen. In al mijn enthousiasme was ik doof en blind voor de knipperlichtjes in mijn dashboard. Het gevolg daarvan is dat ik nu overgevoelig ben voor de mogelijkheid van zo’n alarmsignaal. De schrik zit er soms zo in dat ik niet meer recht voor me door de voorruit kijk, maar me blind staar op wat er mogelijk kan oplichten in dat dashboard. Er gaan dan fantoomlampjes branden. Ik heb serieus al overwogen om de CPC komende zondag aan een gezapig tempo van 10 km/u te lopen en ook om te stappen op het deel waar ik vorig jaar bijna in elkaar zakte. Dit toont meteen aan hoe irrationeel dat gevoel is. Het is een proces waar ik door moet om er weer sterker uit te komen.

Je zou kunnen denken dat ervaring de nodige geruststelling biedt. Dat is ook wel zo. Ook uit de ervaring van wat er zoal (grondig) mis kan lopen, heb ik lessen getrokken. Ik weet wat ik aankan en wat ik mag verwachten. Wat mijn Plan Parijs ook moge wezen, ik kan een marathon lopen. Schreef ik niet dat er niet één juist marathonplan is? Hoog tijd dat ik mijn eigen marathonwijsheden nog eens raadpleeg! Paris, just do it: om het met de woorden van een bekend sportmerk te zeggen.

 

 

Marathonpraat – Wat we kunnen leren van iconische marathonvrouwen

Er was eens een Griek met de poëtische naam Pheidippides. Zo’n 2500 jaar geleden liep hij van Marathon naar Athene, sprak de woorden gegroet, we hebben gewonnen om vervolgens dood neer te vallen. Een sterk verhaal, maar historici zijn het er over eens dat we het met een flinke korrel zout moeten nemen of dat er zelfs helemaal niets van aan is. De afstand tussen Marathon en Athene bedraagt bovendien slechts 35 kilometer. Onze mythische 42,195 kilometer is officieel sinds de Olympische Spelen van Londen in 1908. Toen werd de afstand verlengd naar 26 mijl opdat de lopers voorbij de koninklijke tribune in Windsor Castle zouden passeren. Wat Pheidippides al dan niet presteerde is knap, maar niet grensverleggend. De echte helden van de marathon zijn vrouwen: de Amerikaanse Roberta Bobbi Gibb en Kathrine Switzer drukten hun stempel op de geschiedenis door in de jaren 60 illegaal een marathon te lopen. Een rebelse daad die ons heel wat wijze lessen bijbracht.

Vrouwen mogen ook groots dromen
Zowel Bobbi Gibb als Kathrine Switzer zijn twintigers in de jaren 60. Het pad dat voor hen is uitgestippeld is dat van de onderdanige huisvrouw. In 1964 ziet de avontuurlijke Bobbi Gibb voor het eerst anderen lopen tijdens de Boston Marathon. Dat raakt haar: something deep inside fell in love with it. Een vonk ontspringt, de droom ontstaat. Daags na die ervaring begint ze te trainen voor de marathon. In tijden waarin het niet gebruikelijk is dat je op straat loopt, trekt Bobbi de bergen in. In tijden waarin er amper informatie beschikbaar is over verantwoorde trainingsopbouw, laat staan Start to Run, loopt Bobbi meermaals ruim 40 mijl op training: een heel vette marathon dus. Ze bewijst hiermee tegenover zichzelf dat ze de afstand aan kan en ze laat haar droom niet verwoesten door het feit dat alleen mannen officiële marathons mogen lopen.

Vrouwen kunnen ook een marathon lopen
Twee jaar later schrijft de 23-jarige Bobbi de organisatie van de Boston Marathon aan. Die is onverbiddelijk: vrouwen mogen in wedstrijdverband maximaal 1,5 mijl lopen. De marathonafstand kunnen vrouwen fysiek niet aan. Bobbi krijgt geen startnummer. Dat sterkt haar overtuiging dat ze een statement moet maken voor alle vrouwen die niet hun eigen leven mogen leiden. Op 19 april 1966 verstopt Bobbi zich in een struik aan de start van de Boston Marathon in Hopkinton. Ze draagt een zwart badpak met daarover een veel te grote bermuda en een blauwe sweater van haar broer. Ze glipt mee met de menigte, maar zelfs met een kap over haar hoofd wordt ze na enkele minuten herkend als vrouw. Bobbi vreest dat ze uit de race gezet zal worden. Niets is minder waar: ze wordt aangemoedigd door de mannelijke lopers en die willen haar vooral niet beletten om te finishen. Halverwege de race krijgt ook de pers notie van de vrouwelijke deelnemer.

In zware omstandigheden kan je boven jezelf uit stijgen
Bobbi finisht uiteindelijk in een verbluffend snelle 3:21:40. Ze dronk onderweg geen druppel water en durfde pas op het einde haar veel te warme trui uit te trekken. Bovendien liep ze nooit eerder lange afstanden op asfalt. Haar veel te stugge schoenen veroorzaken bloedende blaren. Ze wordt onthaald als een heldin en pronkt op de hoofdpagina van de krant. Een jaar later mogen vrouwen echter nog steeds niet deelnemen aan marathons. De 20-jarige Kathrine Switzer schrijft zich in 1967 met een genderneutrale naam in om toch aan de start in Boston te kunnen staan. Een official die haar bedrog tijdens de race opmerkt wil haar hardhandig aan de kant houden, maar Kathrines vriend Tom tackelt hem. Een foto die toont hoe er geduwd en getrokken wordt, maakt van Kathrine een beroemdheid. Ze haalt de finish als eerste officiële vrouw. Ook Bobbi liep dat jaar de Boston Marathon, zij koos weer voor een niet-officiële deelname. Het duurt uiteindelijk tot 1972 tot vrouwen mogen deelnemen aan marathons.

Lopen stimuleert je geest
Zowel Bobbi als Kathrine zijn intelligente vrouwen. Kathrine heeft een diploma journalistiek op zak, schreef in 2007 het boek Marathon Woman (shame on me dat ik het nog niet las) en ze becommentarieert loopwedstrijden op televisie. Bobbi werd na haar marathondebuut met een diploma filosofie en wiskunde geweigerd om een opleiding aan de medische school aan te vatten omdat ze te knap was. Haar aanwezigheid zou de uiteraard mannelijke medestudenten afleiden. Ze haalde uiteindelijk nog een diploma rechten en werkte als advocaat. Inmiddels bouwde ze ook een carrière uit als kunstenares. Het zal niemand verbazen dat ze strijdt om een beeldhouwwerk van een lopende vrouw langs het parcours van de Boston Marathon te krijgen, waar nu enkel mannelijke lopers te zien zijn.

Lopen is voor het leven
In 2017 liep Kathrine opnieuw de Boston Marathon, welgeteld 50 jaar na haar debuut. Jawel, op 70-jarige leeftijd dus. Ze kreeg startnummer 261 toegewezen, dat ze ook droeg bij haar deelname in 1967. De organisatie besliste dat jaar om het nummer 261 in de komende edities niet meer uit te reiken. Ook de 76-jarige Bobbi loopt nog. Misschien wordt niet iedereen als loper geboren. Misschien zijn we wel allemaal lopers. Ik kan alleen maar hopen dat er een beetje Bobbi en Kathrine in mij zit.

Loperspraat – Januari is de maand van de trap

Er gebeurde weinig spectaculairs in januari, maar toch was het een uitdagende maand. In eerste instantie zorgde het winterweer ervoor dat zelfs ik er wel eens minder goedgemutst op uit trok. Ik kreeg het idee dat de weergoden mij genadeloos afstraften voor mijn positiviteit over het winterweer. Werkelijk alles passeerde de revue: regen, wind, sneeuw, koude en als kers op de taart kreeg ik maandag nog een fikse hagelbui over me heen. Een andere uitdaging was om na de drukke voorbereidingsmaanden voor de Hel weer een normaal sportritme te vinden. Het kostte tijd in mijn hoofd om in te zien dat mijn norm van een normaal sportregime wat verstoord was. Ik kon de vrijgekomen tijd dus niet meteen omarmen omdat ik de intensieve trainingen en het gevoel om toe te leven naar een groots doel miste. Inmiddels is mijn sportkompas helemaal afgesteld op de marathon van Parijs die al over 10,5 week op het menu staat.

Toen ik dat eenmaal helder voor ogen had, kwam ik tot de conclusie dat de trap centraal stond in januari. Zowel in letterlijke als figuurlijke zin. Ik zocht en vond namelijk een geschikte trap om de de oefeningen die ik van mijn kinesitherapeut kreeg uit te voeren. Het zit zo: mijn lichaam kent geen geheimen voor kine Kathelijn. Iets camoufleren of verstoppen is onmogelijk. Zij weet als geen ander de zwakke plekken in mijn lijf aan te duiden. Naast mijn rug die af en toe wat aandacht opeist, bleek de sprongkracht en explosiviteit in mijn enkels te wensen over te laten. Lopen is een symmetrische sport, maar mijn linkerbeen bakt er beduidend minder van dan mijn rechter, dat ook al ondermaats presteert. Die scheve situatie moet ik dus zien recht te trekken. Bij de trapoefeningen moet ik vinnig en explosief (alles wat ik dus niet ben) in verschillende tijden de trap op springen: op twee benen of hinkelend. Dat is op z’n zachtst gezegd pittig, maar ik ben een voorbeeldige patiënt en ik neem mijn oefeningen heel serieus. De trap dus: op en af, opnieuw en opnieuw.

Mijn doel is simpelweg om me zo goed mogelijk voor te bereiden op de marathon in Parijs. Ik bekijk het zo: ik sta nu aan de voet van een trap met uitzicht op een sportieve uitdaging. De vraag is hoe ik die best kan op lopen om niet half struikelend, volledig uitgeput en buiten adem boven te komen. In het dagelijks leven heb ik namelijk al eens de neiging om de trap haastig met twee passen tegelijk op te lopen. Ook bij sportieve doelen kwam ik al eens in de verleiding om onbezonnen naar boven te sjezen. Ik miste onderweg al eens een trede, maar dat had niet meteen dramatische gevolgen. Je vergroot wel de kans op een accident de parcours, waarbij je lelijk valt en je flink bezeert. Het is dus verstandiger om met kordate pas beheerst de trap te bestijgen. Uiteraard moet je je niet angstvallig aan de leuning vastklampen, zo lang die wel binnen handbereik is. Ik probeer nu dus op die manier naar Parijs toe te werken. Mijn basisconditie is al meer dan degelijk. Om de houvast te vergroten, voegde ik ook weer stabiliteitsoefeningen toe aan mijn programma. Die doe ik bij voorkeur trouwens in het bos: dat is zoveel aangenamer dan binnen op een matje.

img_3700

Moet het nu dan allemaal veilig? Mag er dan helemaal niks zots meer? Natuurlijk wel! Af en toe moet het hard en roekeloos gaan, onbesuisd naar boven of beneden vlammen: ook dat is training. Op 6 januari liep ik mijn eerste wedstrijd van het jaar: de Naturarun in Holsbeek, goed voor 18 kilometer onvervalst trailplezier. Na mijn overdosis modder in de Hel had ik het op de fiets wel gehad met de nattigheid. Die vlieger gaat echter niet op voor lopen. Het was modderig en ook de hoogtemeters van het Chartreuzebos waren niet van de poes. Een glibberige valpartij in de laatste kilometers konden niet beletten dat ik als vierde eindigde en daar was ik meer dan tevreden mee. Ook Roos doorstond het slijk en de hoogte met glans. In juli lopen we de 36 km La Chouffe trail, dus nu voeren we op regelmatige basis gezamenlijke trailtrainingen in. Afgelopen zondag liepen we ruim anderhalf uur in de regen door datzelfde Chartreuzebos. We improviseerden de route op goed geluk bij elkaar, testten een nieuwe techniek uit om recht te blijven op een schuine modderkant en we genoten van de natuur met volle teugen. Roos is zo’n aangenaam gezelschap dat ze haar geld zou kunnen verdienen als professionele loopcompagnon: de Roos Running (of Running Roos?) bvba. Al zouden haar overgevoelige schenen niet zo gelukkig zijn met die carrièreswitch.

Goed gezelschap vond ik trouwens ook onverwacht op wat de enige zonnige fietsdag van de maand bleek te zijn. Op een zaterdag werd ik geheel toevallig ingehaald door niemand minder dan de duivel van Kasterlee, door mij beter gekend als mijn broer Seppe. Al was het scenario nu anders dan in Kasterlee: we reden langer dan een seconde samen. Het werd een echte fietstocht waarbij Seppe me een prachtige toer voorschotelde. We hadden meer dan genoeg gespreksstof om bij te praten. Ik vertoefde trouwens ook in mooi gezelschap op de marathonlijst van Runner’s World. Mijn 3:24:27 die ik in oktober liep in Brussel was goed voor een 85e plaats bij de Belgische dames. Het viel me op dat er opvallend veel Jokes in die lijst staan. Februari belooft in ieder geval nog meer familiaal sportplezier. Zondag zak ik af naar de Kempen voor een sportieve dag met Marike en Peter. Zij hebben ook een heel mooie trap. Dat opent perspectieven.

Marathonpraat – De Mooiste Marathon van Michel Butter

Vlak voor mijn derde marathon raadde Seppe een documentaire aan over de Nederlandse topatleet en marathonloper Michel Butter. Om alvast in de sfeer te komen, zei hij. Ik verheugde me op euforische beelden en motiverende praatjes over het koningsnummer van de atletiek zodat ik me helemaal klaar zou voelen. Seppe heeft een verfijnde en uitgesproken smaak. Hij durft tegen de stroom in te gaan. Dat is ook wat De Mooiste Marathon (2Doc) typeert. Centraal staat de Amsterdam marathon die Michel Butter liep in oktober 2015. Butter was vastbesloten om zich op die bewuste 18 oktober te kwalificeren voor de Olympische Spelen van 2016. Om dat doel te realiseren mag hij niet trager dan 2:11:00 lopen. In mensentaal: hij moet de marathon van zijn leven lopen.

Het bevreemdende beginbeeld van de documentaire zet meteen de toon: je ziet een zwaar ademende Michel Butter die al zittend voor de camera tegen een witte achtergrond zijn gloriemoment op de Amsterdam marathon in 2012 herbeleeft. Hij liep toen een toptijd van 2:09:58, de derde snelste Nederlandse marathontijd ooit. Niets minder dan sportgeschiedenis. Drie jaar later hoopt Butter zich tijdens diezelfde marathon te kwalificeren voor de Spelen in Rio. Hij heeft dus een minuut speling op zijn recordtijd. Als gewone mens denk je dan dat een heel haalbare kaart is. Butter heeft echter een bewogen jaar van blessureleed achter de rug, waardoor het maar de vraag is of hij fit genoeg zal zijn om in de buurt te komen van zijn record. En voor wie het nog niet wist: de marathon is een verraderlijk ding waarbij 60 seconden over 42,195 kilometer in een vingerknip zijn kwijtgespeeld.

In De Mooiste Marathon wisselt regisseur Geertjan Lassche beelden van die bewuste oktoberdag in 2015 af met fragmenten uit een interview met Michel Butter en diens coach Guido Hartensveld. Ieder afzonderlijk doen ze het relaas van de voorbereiding op en ervaring van die dag. Als kijker lijk je in het hoofd van de atleet te kunnen duiken. Je kruipt mee in de marathontunnel en hyperfocus. Butter is oprecht en neemt zijn tijd om na te denken alvorens vragen te beantwoorden. Die stiltes sneuvelden niet in de montage en juist dat maakt deze docu zo uniek. Het isolement van de topsporter springt er in dit portret uit. Butter bevestigt dat je als topsporter egoïstisch moet zijn. Zijn vriendin Inge is eveneens een atlete. Buiten de sport heeft hij geen vrienden. Dit leventje past hem als een jas om het met de woorden van coach Guido te zeggen. We zien hoe Butter zich op zijn Mooiste Marathon voorbereidt. Hoe hij obsessief de drinktuiten van zijn bidons uittest. Hoe hij tot op de gram zijn ontbijtgranen en yoghurt afmeet. Ook het onvermijdelijke blessureleed komt ter sprake. Butter beschrijft hoe pijnlijk het was om door een stressfractuur aan zijn heup weken niet te kunnen lopen. Hij kan niet doen wat hem intens gelukkig maakt.

We maken ook kennis met de wonderboy in z’n jonge jaren. Ruim 10 jaar geleden maakte hij furore in de veldlopen: een jochie met oorbelletjes, geblondeerde piekjes en vooral heel veel attitude. Volgens zijn coach kan je talent bij een atleet herkennen zonder hen een pas te zien lopen. Een kampioen is een persoonlijkheid die zelfvertrouwen uitademt. Butter geeft onomwonden toe dat hij altijd al de beste wilde zijn in alles. Op de vraag of hij dacht dat hij God was, is het antwoord dat hij dacht onoverwinnelijk te zijn. Waarop hij schamper lacht: dat is nu even anders. De tijden veranderen. Door de jaren heen is de klootzakkerige vedette volwassen en minder stoutmoedig geworden, aldus de coach. Als kijker knap je niet af op het arrogante imago van de jonge Butter. Je kijkt naar een intelligente kampioen van vlees en bloed. Topatleten mogen dan een ras apart zijn, uiteindelijk zijn het ook maar mensen.

In blokken van vijf kilometer zie je hoe Butter aanvankelijk vlot op schema ligt om zijn doel te halen. Coach Guido volgt hem minutieus op via de motor. Het begint te motregenen. De marge wordt steeds krapper. De nervositeit neemt toe. Voor dit soort situaties is het woord bloedstollend bedacht. Nog meer nervositeit. Op drie kilometer voor de finish schreeuwt de coach zijn pupil toe 3 x 3″04′ en we hebben hem! Een verschroeiend tempo dat Butter nét niet kan aanhouden. Zijn laatste kilometer moet hij afleggen in 2″59′. Voor de goede verstaander: dat is 20 kilometer per uur en dat na 2 uur strijd op het allerhoogste niveau. De finish in Amsterdam ligt, net zoals de start, in het Olympisch stadion (oh symboliek!). Butter komt de arena binnengestormd en perst werkelijk alles uit zijn tengere loperslijf. Geen ereronde, maar een lijdensweg. De klok tikt onverbiddelijk verder richting 2:11. Je blijft met elke vezel van je lijf hopen dat hij het wonder boven wonder nét wel gaat halen. Butter finisht in 2:11:08. Acht seconden. Acht seconden weerhouden Butter van Rio. Hij stort in elkaar en weet dat hij te traag was. Acht seconden. De marathon was 45 meter te lang.

De vraag is dan waar en hoe die acht seconden verloren zijn gegaan. Nergens volgens Butter. Hij heeft zichzelf en zijn trainer niets te verwijten, dat zegt hij na de eerste emotie en ontgoocheling. Sterker nog: hij bestempelt deze marathon prompt als zijn Mooiste Marathon. Hij schat zijn comeback-marathon dus hoger in dan zijn snelste en historische tijd uit 2012. Er is meer. ’s Avonds brengt Butter met zijn entourage een toost uit. Hij heeft heuglijk nieuws: in april zal hij vader worden. Of hoe het belang van topsport ook meteen gerelativeerd kan worden. Coach Guido reageert emotioneel. Butter is inmiddels 33 jaar (mooie leeftijd) en leeft nog steeds volop voor zijn sport. Hij volgt trainingsstages in Kenia en hanteert ook in zijn Nederlandse woonplaats Castricum de Keniaanse trainingsprincipes en levensstijl. Zijn Olympische droom is nog levend. Tokyo 2020 is zijn laatste kans. Hij gelooft dat hij nog eens onder de magische grens van 2:10 kan duiken. Dochter Milou is zijn trouwste supporter. Op beelden van de Amsterdam marathon 2018 is te zien hoe ze in een reflex haar papa gaat troosten die uitgeteld aan de finish ligt.

Afgelopen weekend won Seppe voor het derde jaar op rij het combi-klassement in de Nederlandse badplaats Egmond. Hij reed op zaterdag heel hard met de mountainbike over het strand in de beachrace en wist op zondag zijn directe belagers af te houden tijdens een halve marathon met fikse windvlagen. Hoe dat verliep kan je hier lezen. Twee jaar geleden kwam Seppe in Egmond voor het eerst oog in oog te staan met zijn idool Michel Butter. Die is doorgaans nog een stukje sneller dan hij, maar hij rijdt natuurlijk niet met de fiets. Ik weet niet in welke mate er woorden zijn uitgewisseld. In ieder geval liet Seppe me weten dat Butter afgelopen zondag heeft opgegeven. Toen ik in oktober 2017 zelf de Amsterdam marathon liep, kon ik natuurlijk niet anders dan denken aan Butters finish. Het stak voor mij niet op acht seconden meer of minder. Bekijk De Mooiste Marathon eens als je een keer echt tijd hebt om er goed voor te gaan zitten. Als ik iemand de Olympische Spelen van harte toe wens (mijn broer buiten beschouwing gelaten) dan is het Michel Butter wel. Om hem het laatste woord te geven: dit is wie ik ben, dit maakt mijn leven bijzonder.