Het moment – Wat ik leerde in februari

We krijgen vandaag een extra februaridag cadeau. Een schrikkeldag die probeert om in de voetsporen te treden van zijn beduchte voorgangers in deze turbulente weermaand. Behalve een hittegolf werden we geconfronteerd met zowat elk denkbaar klimatologisch element. Voor de actieve buitensporter is het adjectief uitdagend hier dan ook op zijn plaats. Dat nam niet weg dat februari, in tegenstelling tot het slakkengangetje van januari, aan sneltreintempo voorbij raasde. Het was een leerrijke maand op verschillende fronten. Op school verbaasden mijn leerlingen me met hun kennis over het coronavirus en hun pessimistische blik op de toekomst. Ik kan jullie vertellen dat de klimaatbezorgdheid nog steeds leeft onder de jeugd. Daarnaast trainde ik vrolijk verder voor mijn Rotterdam marathon die nu met rasse schreden nadert. Vandaag liep ik een halve marathon en tikte ik in februari zo eventjes 275 loopkilometers af. Er was het afgelopen anderhalf jaar geen maand waarin ik meer kilometers liep. Hier volgen mijn lessen van februari 2020.

10 graden is een ellendige temperatuur
Vorig jaar eindigde februari met temperaturen die verdacht veel op zomer leken. Ik ging in korte broek fietsen in een kurkdroog bos. Natuurlijk zette het weer ons toen vakkundig op een vals spoor. Er volgde nog een winterprik in maart. De afgelopen februarimaand kenmerkt zich door de verraderlijke temperatuur van 10 graden: voor een zweter als ik is dat te warm om je echt winters te kleden, maar ook te koud om het idee te hebben dat het voorjaar wordt. Noch-vlees-noch-vis-temperaturen kortom. Tel daar wat regen en wind bij op en je lijkt op elk moment verkeerd gekleed te zijn.

Sluit je niet op omdat het stormt
Pistolets op zondag werd vervangen door storm op zondag. Elke stormdag heb ik gefietst en gelopen, waardoor ik durf te concluderen dat het uiteindelijk wel meeviel. Op de fiets beperkte ik mijn verplaatsing tot wat praktisch noodzakelijk was. Al lopend legde ik mezelf geen beperkingen op. Ook vandaag werd ik tijdens mijn halve marathon getrakteerd op een scherpe tegenwind tijdens mijn laatste kwart. Mijn ervaring is dat je niet heel veel trager loopt in de wind. Als je alleen loopt, boet je wel wat in aan loopplezier. Toen ik vorige week samen met Roos de wind pal op de neus kreeg langs de Demer kon dat de pret absoluut niet drukken. Wie zijn gezond verstand gebruikt, kan heus de deur wel uit tijdens stormweer.

Sneeuw is niet één en al romantiek
Woensdag begon idyllisch. Ik stapte mijn bed uit, zag sneeuwvlokjes dwarrelen en heel voorzichtig vormde er zich een bescheiden sneeuwtapijtje. Op de radio weerklonk De eerste sneeuw van Jan De Wilde. Ik was helemaal klaar voor twee dagen sneeuwpret. Na de middag stond er een looptraining met versnellingen op het programma. Ik stelde vast dat de sneeuw vooral nattigheid genereerde op de paden en tegen beter weten in hoopte ik dat ik donderdag alsnog door de sneeuw zou kunnen lopen. Wat toen echter uit de lucht viel, was het slechtste van twee werelden: extra natte en ijskoude regen. Ik liet me niet tegenhouden en trok naar het bos voor wat een ontspannen loopje zou moeten worden. Donderdag 27 februari gaat de geschiedenis in als depri-loopje van 2020. Het bos lag er mistroostig bij. Mijn kleding werd al snel nat en zwaar. Ik dacht zelfs dat ik het koud zou gaan krijgen. In plaats van loslopen, leep ik mijn benen juist stijf te lopen. De eerste sneeuw was niet wat ik ervan verwacht had.

Snel lopen zit net zo goed tussen je oren
Ter voorbereiding van mijn marathon loop ik wekelijks intervals op mijn marathontempo. De eerste intervaltrainingen overtroffen mijn verwachtingen ruimschoots. Mijn benen voelden fris en quasi moeiteloos kon ik in drie blokken een stevig tempo aanhouden. Vorige week liep de benenwagen stroever en gooide ik het idee van een intervaltraining aanvankelijk overboord. Ik kwam op die beslissing terug en hield me voor te beginnen met één kilometer te versnellen. Dat ging beter dan verwacht. Uiteindelijk legde ik dezelfde training af als de weken voordien en evenaarde ik de tijden die ik liep met de superbenen van toen. Gisteren voelde mijn benen weer minder fris, maar ook deze keer kon ik nog steeds behoorlijk hard lopen. Dat is geen pleidooi om tekenen van vermoeidheid te negeren, wel dat een eerste gevoel bedrieglijk kan zijn. Als een bepaald tempo eenmaal in je benen zit, heb je niet altijd superbenen nodig om dat van stal te kunnen halen.

Luister eens naar een podcast
Mijn broer Seppe heeft naast een blog ook een podcast met zijn vrienden van De Jogclub. Elke vrijdag verschijnt er een nieuwe aflevering van De Jogclub met een andere gast. De afgelopen week heb ik de tijd genomen om achterstallige podcasts bij te luisteren. Zo heb ik me laten inspireren door de avonturen van onder andere Matthieu Bonne (één van de achttien Belgen die het kanaal overzwom en later ook deelnemer van Kamp Waes), Michel Wuyts (naast wielerverslaggever ook gedreven marathonloper), Olivier Sels (over de 1200 kilometer lange fietsuitdaging Parijs-Brest-Parijs) en Willem Van Schuerbeeck (Belgische topmarathonloper). Warm aanbevolen!

 

 

 

Loperspraat – Dilemma’s op dinsdag #1

Toen ik nog een klein Joketje was, deelde ik een stapelbed met mijn broer. Ik was de oudste en mocht dus boven liggen. We sliepen, lazen heel wat boeken en voerden de gekste gesprekken. Onze creativiteit had geen ludieke kaarten of dinsdag nodig om elkaar de meest onmogelijke dilemma’s voor te leggen. Eén van onze dilemma’s luidde als volgt: zou je liever een steen opeten of heel de winter buiten blijven? We hadden het er dan over dat je de steen wel mocht vermalen, maar dat gruis mocht niet gemengd worden met ander eten. Als kind was ik best een koukleum en ik kon me dus iets te levendig voorstellen hoe ik lag te rillen in onze fietsenstalling terwijl iedereen lekker warm binnen rond de tafel zat. De voorkeur ging dan toch uit naar de steen. Ik vind het nog steeds fascinerend dat wij destijds niets viezer te eten konden bedenken dan een steen. Hoe dan ook, het is vandaag dinsdag en ik bedacht vijf loopgerelateerde dilemma’s waar geen steen aan te pas komt. Ik stond mezelf toe om één joker in te zetten.

Lopen of fietsen?
Hoewel ik nu anderhalf jaar loop- en fietstrainingen afwissel, ligt mijn hart toch nog altijd bij het lopen. Tijdens het lopen kan ik soms een alles overweldigend gevoel van geluk en vrijheid ervaren, wat ik op de fiets niet heb. Aan fietsen waardeer ik dat je een tocht maakt en dat je je relatief snel ver van huis kan begeven. Helaas krijg ik ook snel last van een stijve rug als ik langer dan een uur op de fiets zit. Bovendien ben je als fietser veel gevoeliger voor koude, regen en wind: weerselementen waar ik als loper mijn neus eens voor ophaal. Juan is kortom een fantastische mountainbike en compagnon de route, maar de lichamelijke kick die ik krijg als ik aan het lopen ben, krijg ik niet op de fiets.

Alles meten of alles op gevoel?
Ik ga altijd lopen met mijn Garmin Forerunner 235, een tophorloge met niet te veel snufjes en meting van de hartslag via een klassieke borstband. In een dilemma gaan we natuurlijk voor uitersten en zou ik altijd een hypergeavanceerd sporthorloge rond mijn pols dragen. Het lijkt me echt vervelend om altijd te weten hoe hoog of laag mijn hartslag is, laat staan hoe weinig ik heb geslapen. Zulke horloges interpreteren die data ook en gaan je dan zeggen of je al dan niet productief bezig bent. Zelfs als je weet dat er een foutmarge op die cijfers zit, blijft het irritant als de getalletjes niet zeggen wat je zou willen. Langs de andere kant zou ik me ook niet kunnen voorstellen dat ik helemaal niets meer meet. Op trainingen kan ik mijn gevoel wel nog min of meer afstemmen op mijn ervaring. Tijdens een marathon is mijn horloge echter onmisbaar om de race goed in te delen. Daarom wordt het dus toch alles meten.

Altijd alleen of altijd samen gaan lopen?
In eerste instantie zou ik meteen altijd alleen zeggen. Ik ben namelijk nooit het type loper geweest dat sociale druk nodig heeft om de loopschoenen aan te trekken en eerlijk is eerlijk: met momenten kan ik een echte einzelgänger zijn à la Laat me van Ramses Shaffy. Langs de andere kant geeft niets mij zoveel energie als een looprondje met mijn zussen Roos en/of Marike. Ik heb nu al zoveel mooie herinneringen aan de kilometers die we gezapig, snoeihard of iets daartussen aan elkaars zijde doorbrachten. Het zou ondraaglijk zijn om dat nooit meer te mogen meemaken. Ik kies dus voor altijd samen en zou dan elke week een heel strakke planning maken met mijn familie om me van het nodige gezelschap te voorzien.

De marathon van Parijs of de marathon van Brussel?
Ik zet mijn joker in omdat ik weiger te kiezen tussen mijn twee darlings. De marathon van Parijs liep ik al twee keer, die van Brussel drie keer. Ik liep ook mijn snelste tijden in die steden. Het zijn allebei marathons met hoogtemeters, een triomfboog, groene omkadering en Grandeur. Brussel is een internationale, maar wel kleinschalige marathon met een beperkt deelnemersveld, waardoor je nog meer op jezelf en je eigen supporters bent aangewezen. Voor mij voelt dat aan als een thuismatch. De rust die daarvan uitgaat, haalt het beste in mij naar boven. In Parijs daarentegen wordt de tweede grootste marathon ter wereld gelopen. Je bevindt je dus altijd onder de mensen, zowel op als langs het parcours. Ook die ambiance doet je boven jezelf uitstijgen. Ik kies dus niet, want kiezen is – zeker in dit geval – verliezen.

Een marathon lopen met blaren of met buikkrampen?
Lees eender welk marathonverslag op mijn blog na en buikkrampen eisen er een rol in op. Slechts één keer eindige ik een marathon met blaren op mijn tenen. Die twee (heel bescheiden) exemplaren kreeg ik in in 2016 tijdens de marathon van Rotterdam. Na ongeveer 25 kilometer voelde ik dat die blaren zich aan het vormen waren. Omdat ik het toen mentaal zwaar had, zag ik alles zwart in. Het bloed zou weldra uit mijn schoenen spuiten. Na de finish zou ik met een brancard weggevoerd worden om de horror aan mijn voeten te laten behandelen. Dat gebeurde dus niet. Mijn passen werden op geen enkele manier belemmerd door de wrijving. Lopen met buikkrampen, geloof me: dat is de hel! Niets is zo vreselijk als lopen met buikpijn waardoor je volledige romp verkrampt. Je kan en wil niet naar de wc gaan en je wil natuurlijk ook niet in je broek doen. Hoe uitzichtloos de situatie soms leek, uiteindelijk herpakte mijn lichaam zich altijd wonderwel vooraleer de echte marathonfinale ingezet werd. Geef mij alsjeblieft dus blaren elke marathon. Met heel veel plezier!

Loperspraat – Klein geluk #2

Vorig jaar deelde ik mijn geluksmomenten toen het bos voorzien was van een royale laag sneeuw. Ik hou van de zon, maar ook van koude en van sneeuw. Omdat de winter tegenwoordig in een identiteitscrisis verkeert, ben ik er niet rouwig om dat ik plots voelde dat (wat moet doorgaan voor) de winter op zijn laatste benen loopt. Ondanks het feit dat zondag duurloopdag de afgelopen weken ook zondag stormdag werd, voelde ik de lente al meermaals de kop op steken. Tijd voor een lijstje van mijn kleine geluksmomenten van de afgelopen weken.

  • na een werkdag gaan lopen zonder ingewikkelde berekeningen te maken om hoe laat je dan het bos uit moet zijn voor de duisternis zijn intrede doet
  • voor je werk gaan lopen, de hele dag met een triomfantelijk gevoel rondlopen en als je thuiskomt van je werk gewoon een koffie drinken
  • het idee dat je de winter ook op sportief gebied hebt overleefd, dat je koppig bent blijven lopen en fietsen, ondanks het donkere en natte weer
  • dat je tijdens de winter een trainingsbodem hebt gelegd en daardoor een voorsprong hebt op de hele wereld
  • mos dat net iets groener lijkt dan anders
  • de geur van bloei en van bloembollen, van lente in de lucht: in de botanische tuin, maar ook in de stad
  • het vrolijke gekwetter van vogels dat ik de laatste maanden enkel hoorde als ik gewekt werd door mijn wake-up light
  • honden die de lente en de wind in hun bol hebben
  • de drie dennenzussen: het botanische evenbeeld van mijn zussen en ik
  • de lucht en wind aan je (veel te witte) blote benen voelen
  • de schittering van de zon op de Vaart die dan oogverblindend is
  • een duurloop met de zon op je kop bij de ideale looptemperatuur
  • mijn gezicht dat nagloeit van de zon
  • de nog grotere verbondenheid die heerst onder lopers en fietsers die de wind trotseren: de knik van samenhorigheid is nog intenser
  • ondanks een fikse tegenwind toch een heel goede duurloop kunnen lopen
  • na stormen Ciara en Dennis in het bos gaan lopen en opgelucht ademhalen dat alle bomen er nog staan
  • twee dagen na elkaar met enkele voorzichtige zonnestralen kunnen gaan lopen als de weersvoorspellingen een grijze wolk met onnoemelijk veel regen aangaven
  • goedgemutst langs chagrijnige autobestuurders lopen
  • mijn muziek van het vorige voorjaar herontdekken, vooral Hozier en Florence stelen de show
  • plannen maken met mezelf en met mijn zussen
  • het marathonseizoen dat nu echt gaat beginnen
  • Eliud Kipchoge en Kenenisa Bekele die allebei de London Marathon zullen lopen op zondag 26 april.
  • aftellen naar mijn volgende marathonavontuur (nog 6 weken en 6 dagen)
  • dagelijks opzoeken of de marathon van Brussel zal doorgaan in het najaar en zo ja: wanneer
  • in mijn agenda schrijven dat ik op 4 oktober 2020 een marathon in Brussel zal lopen met mijn zussen
  • met mijn zussen gaan lopen en dan beseffen dat 45 minuten echt niet lang genoeg is om alles te bespreken
  • met mijn zussen gaan lopen en met z’n drieën synchroon proberen te lopen
  • mijn maatje An, die ook weer aan het lopen is
  • gaan lopen met nieuwe schoenen en het gevoel hebben dat je vliegt
  • gaan lopen met nieuwe schoenen en je route zo uitstippelen dat die schoenen zo proper mogelijk kunnen blijven
  • gaan lopen met afgedragen loopschoenen waar je geen afstand van kan nemen omdat ze zo perfect aan je voeten zitten
  • gaan lopen met modderige schoenen en die dan extra modderig maken

Het portret – Hoera voor mijn dertigjarige zus Marike!

Kleine zusjes worden groot: het is een eenvoudige vaststelling die de opening zou kunnen zijn voor een klaagzang over het feit dat ik zelf dan nog eens zoveel jaren ouder ben. Over imaginaire rimpels en grijze haren. Over hoe verschrikkelijk snel de tijd gaat. Over dat vroeger alles beter was. Niets van dat. We leven in 2020 en vandaag wordt mijn wonderlijke zus Marike 30 jaar. Roos staat nu dus helemaal alleen als twintiger in onze familie. De tijd gaat snel, ja. Ik herinner me nog levendig dat we boerderijen bouwden met Playmobil en samen (in het echt) gingen paardrijden. Ik herinner me nog net iets levendiger hoe we eergisteren tijdens de voorbode van storm Ciara de fikse wind trotseerden en er met z’n drieën op uit trokken voor een eerste zussenlooptraining: een primeur! We hebben geen Playmobil meer nodig om ons te vermaken. We hebben Leah, we hebben elkaar en een schat aan herinneringen. De ene episch, de andere ronduit banaal.

Het is iets heel apart een zusterband. Altijd als je denkt dat het een vanzelfsprekendheid is, besef je juist dat het allesbehalve evident is dat je hen werkelijk alles kan toevertrouwen en dat je echt altijd op hen kan rekenen. Door de jaren krijgt een broederlijke of zusterlijke band de tijd om uitgebreid te rijpen. Zo ontstaan er extra dimensies en ontdekken we steeds meer onderlinge raakvlakken. De body wordt steviger. De verbondenheid neemt toe. Ook de afdronk is navenant. Met de jaren is onze band kostbaarder geworden. De gelijkenissen tussen Roos en mij zijn altijd meer uitgesproken geweest dan die tussen Marike en mij. We zijn echter onmiskenbaar zussen. Ik denk dat we vooral op elkaar lijken in onze felheid en gedrevenheid die met vlagen de kop kan opsteken. We vullen elkaar ook heel goed aan. Laat Marike niet te veel met taal doen: geef mij woorden en ik maak er zinnen van. Hou mij vooral weg van alles wat medisch en wetenschappelijk is: geef haar een lichaam en zij kneedt het in de juiste vorm. Sinds kort doet ze dat in haar eigen praktijk Kine Odeyn. Check vooral eens de website, al was het maar voor de foto van mijn knappe zus met de mooiste blauwe ogen.

IMG_2100b

Op 20 augustus 2019 heeft Marike een kind op de wereld gezet. En wat voor één: Leah is het geweldigste metekind dat ik me kon wensen. Al van bij haar geboorte was het duidelijk dat ze uitzonderlijk was. Ze gedraagt zich voorbeeldig, slaapt als een prinses en heeft een hoge activiteitsgraad. Als zij lacht, ligt de wereld aan haar voeten. Ze is amper 6 maanden, maar maakt nu al deel uit van ons zussenverbond. Marikes sportieve leven mag dan even op een lager pitje hebben gestaan, haar come-back wordt er eentje om u tegen te zeggen zodat ze haar naam van Sporty Spice alle eer aan kan doen. Eind april zullen we haar wegwijs maken op haar eerste 10 Miles in Antwerpen. In het najaar hopen we met z’n drieën, zij aan zij, voetje voor voetje en als het nodig is arm in arm, een marathon te lopen. Ze wil dat gewoon één keer gedaan hebben, zegt ze. Een gevaarlijke uitspraak voor een Odeyn. Onze plannen zijn groots, het enthousiasme nog groter.

IMG_2096b

Liefste zusje, dertig staat je fantastisch. Ik wens je een prachtige verjaardag toe!

 

Het boek – Toppers volgens mijn leerlingen #3

Het schooljaar is halverwege. Dat betekent dat mijn leerlingen al twee boeken lazen en er nog twee te goed hebben. Ik vertelde al eens wat mijn leerlingen van het vierde jaar zoal weten te waarderen op literair vlak. In het vijfde jaar kiezen leerlingen van een uitgebreide lijst die ruimte biedt aan de volledige wereldliteratuur. Vertalingen uit het Engels en Frans worden echter niet toegelaten. Jaarlijks komen er nieuwe titels bij waarvan ik denk dat ze iets teweeg kunnen brengen bij mijn lezerspubliek. Ik merk dat leerlingen in het vijfde jaar minder klagen over moeten lezen. Vaak ontwikkelen ze hun eigen smaak en ontdekken ze een schrijver wiens stijl ze waarderen. Ze geven elkaar ook vaak tips over wat het lezen waard is. Ik licht er graag drie titels uit die steevast positief onthaald worden.

De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween van de Zweedse auteur Jonas Jonasson wordt steeds weer op gejuich onthaald. Jonassons debuutroman verscheen in 2009 en werd meteen een wereldwijde bestseller. Om jongeren meer dan 300 pagina’s te kunnen boeien, moet een boek wel echt overtuigend zijn. Zeker voor jongens is deze roman telkens weer een schot in de roos. Het absurde levensverhaal en het ontsnappingsverhaal van het honderdjarige hoofdpersonage Allan, die op zijn verjaardag uit het rusthuis ontsnapt, worden in de eerste plaats gewaardeerd omdat heel wat gebeurtenissen uit de wereldgeschiedenis de revue passeren, zoals de Wereldoorlogen dichtbij huis, maar ook minder bekende gebeurtenissen in de Sovjet-Unie en China. Mij kon dit verhaal geenszins overtuigen. Ik stoorde me aan de ongeloofwaardige Allan die een voorliefde heeft voor bommen en explosies en bovendien bij werkelijk elke bepalende gebeurtenis in de wereldgeschiedenis een rol van betekenis heeft gespeeld. Mijn leerlingen zijn het daar duidelijk niet mee eens. Ze prijzen keer op keer de humor en originaliteit van het boek de hemel in. Een jongen zei eens: “Mevrouw, er zal echt nooit een boek zijn dat ook maar in de buurt komt van dit.” De pretlichtjes en gelukzalige glimlach op zijn gezicht zal ik niet snel vergeten.

Uit eigen land scoort Griet Op de Beecks Vele hemels boven de zevende erg goed. Ze krijgt vaak het neerbuigende etiket vrouwenliteratuur opgeplakt. Ik vind dat jammer: literatuur is niet te herleiden tot mannen- en vrouwenboeken, al zal ik niet ontkennen dat enkel meisjes dit boek kiezen en er laaiend enthousiast over zijn. Vooral de manier waarop de personages Eva, Lou en Elsie vorm krijgen. Ze worden beschouwd als bestaande personen, echte mensen van vlees en bloed die tot leven komen op papier. Iemand schreef dat ze het gevoel kreeg dat ze naar een toneelstuk aan het kijken was. De eenzaamheid en droevige gebeurtenissen waar de personages op hun zoektocht naar geluk mee geconfronteerd worden, raken duidelijk een gevoelige snaar bij mijn leerlingen. Daarenboven lees ik vaak dat ze door dit verhaal een ander, menselijker en genuanceerder, beeld hebben gekregen van onderwerpen als vreemdgaan en alcoholisme. Onderwerpen waar ze doorgaans een principiële mening over hebben. Vele hemels boven de zevende deed hen beseffen dat het begrijpelijk is dat mensen soms verkeerde beslissingen maken, dat je soms kiest voor zekerheid in plaats van voor geluk en dat het niet erg is om niet perfect te zijn.

De geniale vriendin van de mysterieuze Italiaanse schrijfster Elena Ferrante wordt sinds kort vaak en graag gelezen. Dit boek is het eerste deel van Ferrantes Napolitaanse romans, waarin we kennismaken met Lila en Elena die opgroeien in de harde realiteit van het grauwe Napels in de jaren 50, waar de klassenmaatschappij een feit is. De meisjes worden briljant en ontwapenend genoemd. Door hun kinderogen wordt intens meegeleefd met hun dromen: om een boek te schrijven en rijk te worden bijvoorbeeld. Naarmate de meisjes ouder worden, vervagen hun dromen en leer je hen steeds beter kennen. Je kan echter nooit volledig doorgronden waarom ze doen wat ze doen. Dat je hierdoor alle verwachtingspatronen loslaat en geen idee hebt waar het verhaal naartoe gaat, wordt als een groot pluspunt ervaren. Ik hoorde meermaals dat leerlingen meegesleurd en opgeslorpt werden door het hartverscheurende verhaal, ook al staat dat mijlenver van hun eigen leven. Naast wat Italiaanse geschiedenis leerden ze bovendien dat alles te relativeren valt en dat er niet zoiets bestaat als een absolute waarheid.

Met dank aan Bo, Dante, Lucas en Zacharias wiens inzichten over De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween ik in deze tekst verwerkte. De complimenten over Vele hemels boven de zevende haalde ik bij Josse, Limke, Mira, Robin en Ruth. Voor De geniale vriendin baseerde ik me op de ideeën van Elise, Hermelijn en Jits.

Marathonpraat – Road to Rotterdam

Op 1 januari leek het eventjes alsof alle tellers terug op nul stonden. Een blanco blad keek me uitdagend aan. Maagdelijk wit en onbeschreven. Een schone lei die klaar was om versierd te worden met mijn mooiste lussen, krabbels en bedenksels. Gelukkig ging het leven gewoon door en nam ik alles weer op waar het was blijven liggen in 2019. De eerste dag van het nieuwe jaar beschouwde ik wel als de start van mijn marathonvoorbereiding voor Rotterdam. Ergens klonk dat idee van het onbeschreven blad aantrekkelijk. Soms verlang ik terug naar de naïviteit van mijn beginnersjaren als marathonloper toen ik onbesuisd afstormde op het avontuur. Mijn aanpak was niet de beste, wel de eenvoudigste: veel lopen. Hoe meer, hoe beter. De ervaring gaf me meer grip en zelfinzicht. Kennis leidt echter ook onvermijdelijk tot twijfel.

Over 8 weken en 6 dagen sta ik aan de start van de Rotterdam Marathon. Het lijkt een eeuwigheid geleden dat ik me specifiek voor een marathon klaarstoomde. In het najaar liep ik een onvergetelijke marathon in Brugge in functie van Roos, maar die werd opgeslokt door mijn voorbereidingen van de Hel. Het kostte me die periode veel energie om me telkens weer op te laden voor alle uren trainingsarbeid. Vooral in het fietsen kroop veel tijd. Mijn leven leek on hold te staan: ik ging werken en sporten, voor iets anders was er amper tijd. Na de Hel genoot ik tijdens de kerstvakantie intens van mijn vrije tijd. Halve uurtjes lopen waren voldoende om mijn loophonger te stillen. De afgelopen weken betrapte ik mezelf erop dat ik vol weemoed terugblikte op mijn lange en donkere trainingen van oktober en november. Alsof in het donker langs een steenweg fietsen plots het hoogste sportgenot was. Het is een mij bekend fenomeen: wat ik vervloek, wordt na verloop van tijd geromantiseerd zodat ik het intens ga missen. Het gevolg was dat ik in januari vaak het idee had dat ik me niet voldoende toelegde op mijn marathon omdat ik ook tijd had voor andere dingen. Het was kortom een maand van zoeken naar balans: een goede basis leggen enerzijds, de ontspanning en het plezier laten zegevieren anderzijds.

En hoe is het nu met Juan? hoor ik jullie denken. Wel, mijn Spaanse vriend bracht de jaarwisseling gedemonteerd door voor een broodnodige onderhoudsbeurt na zijn Kastels modderbad. De liefde was eens zo groot toen we eenmaal herenigd waren. Mijn mountainbike maakt dus nog steeds deel uit van mijn trainingen. Ik beleefde zelfs een primeur van formaat: met niemand minder dan Roos sjeesde ik tientallen kilometers langs de Demer. Zij kreeg mama’s oude koersfiets en zo kunnen kunnen we elkaar dus niet alleen op twee benen, maar ook op twee wielen vergezellen. We gingen trouwens best hard (of wat had je gedacht?). Zo werd het een behoorlijk uitdagende training omdat we ook non-stop afwisselend aan het praten waren met de nodige inleving. Op korte termijn staat er nog meer zusterlijks op het trainingsprogramma. Daarover later meer!

De afgelopen weken liep ik ook weer intervals om aan mijn snelheid te werken. Het moet bijna een jaar geleden zijn dat ik me daar nog aan waagde. Ik begin er altijd mee in het bos omdat de verwachtingen dan nog niet al te hoog zijn. Op een rondje van 1,5 kilometer versnel ik twee keer bergop en twee keer bergaf. Dat herhaal ik een keer of drie. Vrijdag besloot ik dat het tijd was om tempo’s op het vlakke (en snelle) asfalt te lopen om eens te kijken wat er nu echt in het vat zat. Mijn snelheid bleek verbazingwekkend hoog te zijn. Ik zag cijfers op mijn horloge die ik voor het laatst zag tijdens de Eindejaarscorrida, toen ik pijlsnel vertrok en me ook vakkundig vergaloppeerde. Ondanks de vele kleine kwaaltjes die mijn benen rijk zijn, loop ik wel met een heel goed gevoel rond.

Januari was ook een maand waarin ik veel nadacht. Op zich is dat niets nieuws onder de zon. Soms leidt dat tot verrassend eenvoudige inzichten. Zoals dat ik moest stoppen met mezelf te verwijten dat ik geen 30 kilometer aan een stuk gelopen heb in Kasterlee. Of dat 9 uur sporten per week nog altijd meer dan normaal is. De grootste aha-erlebnis was echter dat ik op 5 april in Rotterdam simpelweg een goede marathon wil lopen: eentje die goed aanvoelt en waarvan ik ook goed herstel. In welke tijd dat zal gebeuren, daar ga ik me nu (nog) niet mee bezighouden. Eigenlijk is het gewoon heel fijn dat we altijd verder borduren op wat voorafging. Als sporter is het fout om te denken dat je altijd verandering nodig hebt. Toen Eliud Kipchoge zijn fenomenale 1:59 liep in Wenen vroeg de wereldpers hem steeds wat hij had veranderd ten opzichte van zijn vorige sub2-poging. Zijn antwoord was simpel: helemaal niets. Hij had gewoon altijd in zichzelf geloofd. Wat een wijsheid.

 

Gelukkige Gedichtendag!

Vandaag laat ik de poëzie spreken. Of beter gezegd Roos Rebergen, ook wel bekend als Roosbeef. Poëtischer kunnen namen niet worden. Zij schreef het gedicht Harde wereld. Denk maar eens na. Laat de woorden en je hoofd hun werk doen (of niet). Ik laat het vandaag aan jullie over of we in een harde en fantasieloze wereld leven (mijn leerlingen vonden van wel).

gedicht

Cheers op de poëzie!

De gedachte – Over mijn lijf en ik

Ik hoor het me hier graag zeggen: draag zorg voor je lichaam, want je hebt er maar één. Als je er ook nog eens veel van vraagt dan wordt dat geen aantekening in de marge, maar een belangrijk deel van het verhaal. Ik slaag er behoorlijk goed in om mijn lichaam van de nodige basiszorg te voorzien. Ook kan ik als geen ander uitleggen wat ik van een complete loper (die ik elke dag probeer te zijn) verwacht. Er is echter een andere kant aan het verhaal. Een gevalletje theorie versus praktijk. Ik kan namelijk bikkelhard zijn voor dat lijf van mij. Ik tolereer niet het kleinste teken van moeheid, de enige weg is die vooruit. Het gaat kortom vaak hard. Ik ben soms boos op mijn lijf. Omdat ik het gevoel heb dat de mankementen eraan zwaarder doorwegen dan de pluspunten. Omdat het er niet altijd uitziet zoals ik zou willen. Omdat het me soms in de weg lijkt te zitten. Tegelijkertijd besef ik dat dit onzin is: mijn geest en lijf zijn geen entiteiten die los staan van elkaar. Ik ben mijn lichaam en erop vloeken leidt helemaal nergens toe. Daarom heb ik één goed voornemen. In 2020 zal ik me liefdevoller opstellen naar mijn dierbare lichaam.

De zussen Narain adviseren in Self-Care for the Real World om je lichaam te behandelen als een goede vriend. Voor vrienden doen we immers ons best, zijn we steeds vriendelijk en altijd bereid om het positieve te zien. Ik doe vaak het tegenovergestelde door het negatieve de bovenhand te laten nemen. Aan het begin van mijn loopcarrière was dat nochtans anders. Doordat ik begon te lopen, zag ik mijn lichaam veranderen. Keer op keer verbaasde het mij door te tonen wat het zoal kon. We waren heel dikke vrienden. Tot er een grens was bereikt. De gewenning deed zijn intrede. Onzekerheden slopen geruisloos binnen. Samen met mijn verwachtingen namen ook mijn complexen toe. Ik zag vooral dat mijn lichaam geen typisch afgetraind en vederlicht atletenlichaam is. Dat sportkleding weinig verhult hielp de zaak ook niet bepaald vooruit. Zoals ik hier vertelde, werd ik niet gelukkig door calorieën te tellen. Ik eet en leef te graag. Ik weiger mezelf uit te hongeren voor een hobby waarvan ik zo graag vertel dat ze me gelukkig maakt. Mijn geluk is geen getal op de weegschaal.

Zowel voor vrouwen als mannen geldt dat geen enkel lichaam hetzelfde is. Uit Stephanie Scheirlyncks Het sportkookboek voor duursporters stak ik een ander waardevol advies op: het heeft geen zin om jouw lichaam te vergelijken met dat van iemand anders. Respecteer je lichaamstype en focus je niet op je gewicht. Ik blijk een combinatie van het meso- en endomorfe lichaamstype te zijn. Dat betekent dat ik krachtig en gespierd ben met een normaal vetpercentage. Niet ideaal voor een marathonloper, maar ik beschik wel over een heel krachtige motor. Waarom klagen over wat vet als het een jaar of 20 geleden is dat ik griep had, ik amper blessureleed heb gekend, ik niet weet hoe het voelt om spierkrampen te hebben en ik er geen flauw benul van heb hoe het is als je hormoonhuishouding het roer overneemt? Stuk voor stuk troeven waar ik mijn sterke gestel dankbaar om mag zijn. Ik zou dat nooit willen inruilen voor een lichtere, maar ook meer kwetsbare versie. Count your blessings, heet dat.

Ik viel dan ook van mijn stoel toen ik vorig weekend in De Morgen de column van Hans Vandeweghe las. Met een ongekende grofheid haalde hij Kim Clijsters door de mangel die werkt aan een comeback op het hoogste tennisniveau, doch volgens Vandeweghe streng aangesproken moest worden op haar vermeende overgewicht. In zijn optiek is de topsportwereld er één van extremen en kunnen we het maar beter accepteren dat wielrenners aan magerzucht lijden. Of hoe sport gereduceerd wordt tot de wet van de magerste. De recente getuigenis van crossfenomeen en atlete Louise Carton over haar eetprobleem verdiende volgens hem niet zoveel aandacht, aangezien overgewicht een veel groter probleem is voor de volksgezondheid. Als sportliefhebber weiger ik graatmagere atleten als de norm te beschouwen. Het moedige verhaal van Louise Carton toont aan tot welke ongezonde levensstijl (top)sport kan leiden. We kunnen daar niet genoeg aandacht aan besteden.

Ook mijn avontuurlijke dag in Kasterlee droeg bij aan het besef dat ik mijn lichaam met mild- en zachtheid moet behandelen. Mensenlief, wat heb ik op mijn lijf gesakkerd. Niet alleen tijdens 115 pittige mountainbikekilometers, ook tijdens mijn afsluitende loopnummer. Ik had toen echt het gevoel dat mijn lichaam me in de steek liet. Hoe durfde dat lijf na 9 uur sporten met zo weinig kracht in de benen te lopen? Hoe was het in godsnaam mogelijk dat ik af en toe moest stappen om op adem te komen? De waarheid is eenvoudig: mijn lichaam was moe van een volledig dagdeel te strijden tegen zichzelf en de modder, zowel mentaal als fysiek. Ik liep niet mijn beste 30 kilometer van het jaar, wel de meest memorabele. Uiteindelijk was het mijn mama die me na mijn zoveelste gebrom en gemopper lief de mond snoerde: stop nu met jezelf zo onderuit te halen, je bent dat hier geweldig aan het doen. Ze had weer maar eens gelijk.

Marathonpraat – De complete loper

In februari 2014 trok ik na een lange periode van inactiviteit mijn loopschoenen aan die al jaren ongebruikt in een hoek stof lagen te vangen. Ik zocht wat kleren bij elkaar die voor running wear konden doorgaan en de loper was herboren. Uit de hersenpan van Roos komt wel vaker een goed idee naar boven geborreld. Samen zouden wij de 20 kilometer van Brussel lopen in mei. Op drie maanden tijd van helemaal niets naar 20 kilometer: elke betrouwbare bron zal je die opbouw ten stelligste afraden. Terecht. Mijn achillespees tekende ernstig verzet aan, maar kon niet beletten dat Roos en ik op 18 mei 2014 voor het eerst in ons leven 20 kilometer liepen. Dagenlang heb ik me onoverwinnelijk gevoeld. Ik had een persoonlijke grens opgezocht en verlegd. De finish van mijn eerste marathon komt niet in de buurt van de euforie die ik voelde na afloop van die eerste 20 kilometer. Naar mijn gevoel had ik me daar perfect op voorbereid. Ik werd een loper door simpelweg veel te lopen. Zo simpel was dat.

Zes jaar later ben ik erachter gekomen dat je niet alleen een goede (marathon)loper wordt op trainingen, maar ook door wat je daarnaast doet. Een marathon lopen is een zware inspanning waarbij je je lichaam tot het uiterste drijft. Het is onverantwoord om een marathonhuis te bouwen op een onbetrouwbare ondergrond of (nog erger) op lucht. Een gebouw van dat formaat heeft stevige fundamenten nodig. Hier en daar een poutrel, zoals elke Belg met een baksteen in de maag weet. Zo las ik een keer over vier pijlers die een loper compleet maken. Ik zou mezelf niet zijn als ik daar geen eigen invulling aan gegeven zou hebben. De eerste steunpilaar is de meest voor de hand liggende: de carrosserie van elke loper of het buitenwerk van je lichaam. Dat zijn dus je spieren, pezen, botten en gewrichten die niet alleen sterker moeten worden, maar ook zo efficiënt mogelijk moeten kunnen samenwerken. Bovendien moet je die carrosserie onderhouden door te werken aan je stabiliteit om de impact van de eentonige loopbeweging te kunnen opvangen. Overbelasting loert hier telkens om de hoek.

Onder de carrosserie schuilt een motor die ervoor zorgt dat je een inspanning een langere tijd volhouden. Je hart en longen vormen dus de tweede pijler die gericht is op uithouding. Net zoals je lichaamsbouw (en het type spiervezels) is ook die voor een groot deel genetisch bepaald. Uithouding trainen doe je niet alleen door te lopen, ook een stevige wandeling of fietstocht dragen bij aan een verbetering van je conditie. Een actieve levensstijl is het begin van een goede conditie. Om de marathonauto aan het rijden (of het huis staande) te houden speelt ook je immuniteit of weerstand een belangrijke rol. Hoewel ik ervan overtuigd ben dat je door regelmatig te sporten een betere weerstand opbouwt, kan die weerstand ook afnemen als je te weinig herstelt van je inspanningen. Rust en voeding doen hier hun intrede in het verhaal.

Het hoofd vormt de laatste steunpilaar. Mentale weerbaarheid en veerkracht zijn onmisbare eigenschappen van de complete marathonloper. Als je voor de eerste keer een lange afstand loopt, dan weet je niet wat je kan verwachten. Je hebt wel een bepaald doel voor ogen dat je graag wil halen, maar je weet niet hoe het voelt om meer dan twee of drie uur te lopen. Laat staan hoe je daar mentaal op zal reageren. Door vaker lange afstanden te lopen en lastige omstandigheden niet uit de weg te gaan, train je zowel je lichaam als je geest. Daarbij is het ook belangrijk dat je ingesteldheid en intrinsieke motivatie op elkaar zijn afgestemd. Wie enkel doelgericht loopt, zal minder plezier halen uit het proces. Er was een periode dat ik vooral liep vanuit frustratie en boosheid. Op korte termijn doet dat de motor draaien, op lange termijn levert dat helemaal niets op.

Door veel marathons te lopen leerde ik mezelf beter kennen, niet alleen als loper. Van succeservaringen kan je iets leren, van teleurstellingen nog veel meer. Zo is mijn keikop-mentaliteit zowel een vloek als een zegen. Balans is hierbij het codewoord. In tegenstelling tot wat ik zes jaar geleden dacht, word je dus niet alleen een betere loper door veel te lopen en steeds meer kilometers te maken. Je kan ook een loper zijn in de keuzes die je elke dag maakt. Ik word daar zelf niet alleen beter van als loper, maar als mens tout court.

 

 

Het boek – Het lezen zoals het is

Ik lees niet alleen graag boeken, maar ik lees ook graag over boeken en wat bekende en onbekende lezers daar zoal over te zeggen hebben. Omdat Humo wellicht nooit in mij als lezer geïnteresseerd zal zijn en omdat je goede vragen mag pikken, beantwoord ik hier enkele prangende boekenvragen.

In welk boek ben je nu bezig?
Zonder liefde, de nieuwste roman van Stefan Brijs: het keuzeboek van de boekenclub voor mijn leerlingen van het vijfde jaar. Elk schooljaar selecteer ik hiervoor andere boeken die recent verschenen zijn. Leerlingen kunnen dan voor een bespreking in groep kiezen in plaats van een schriftelijke opdracht. Ik ben benieuwd wat ze over dit boeken te zeggen zullen hebben.

Waar lees je het liefst?
In de zomer gaat er echt helemaal niets boven buiten lezen: in de zon als het kan, in de schaduw als het nodig is. In huis geef ik dan weer simpelweg de voorkeur aan mijn zetel. Voor elk moment heb ik een andere houding: gaande van deftig rechtzitten of lomp onderuit gezakt.

Met welke auteur zou je een avondje uit willen?
Met Paulien Cornelisse, cabaretière en auteur van De verwarde cavia (aanrader!). Vorig jaar zag ik haar theatershow Om mij moverende redenen. Ik vind haar één van de grappigste mensen op aarde. Een avond in haar gezelschap doorbrengen zou hoe dan ook onvergetelijk zijn.

Met welk romanpersonage zie je een onenightstand wel zitten?
Met het naamloze hoofdpersonage uit De buitenjongen van Paolo Cognetti omdat het bergen-decor op verschillende vlakken zinnenprikkelend is. Als hij niet thuis zou geven, zou ik wel kunnen vallen voor de charmes van Giovanni uit Ernest Van der Kwasts De ijsmakers die een leven met de poëzie verkiest boven de familietraditie.

Wat is je favoriete gedicht?
In het Engels is dat zonder enige twijfel This Is Just To Say van William Carlos Williams omdat het zo bedrieglijk eenvoudig is. Tijdens mijn studies schreef ik eens een volledige paper over dit gedicht en het onderwerp vergeving. Ik zal jullie die uiteenzetting besparen. In het Nederlands kies ik voor een tijdloze klassieker: Voor een dag van morgen van Hans Andreus.

Welk boek heb je het vaakst cadeau gedaan?
De bijbel voor elke lezer: Pieter Steinz’ Gids voor de wereldliteratuur (vroeger: Lezen Etcetera) omdat het onmisbaar is voor iedereen die op een verfrissende manier wil proeven van de literatuur. Met dank ook aan de prachtige vormgeving.

IMG_2013b

Wat is volgens jou het ideale vakantieboek?
In de vakantie lees ik graag dikke boeken die zich afspelen in de natuur, op een desolate plek of in een hotel. Graag met veel personages. Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer heeft het allemaal.

Welk non-fictieboek zou iedereen gelezen moeten hebben?
Mijn haat krijgen jullie niet van Antoine Leiris, die zijn vrouw verloor bij de aanslag op de Bataclan in Parijs en Maus van Art Spiegelman: verhalen die altijd belangrijk zullen blijven.

Welk kunst- of kijkboek kampeert op je salontafel?
Er liggen heel wat boeken op mijn salontafel: boeken die ik op korte termijn wil lezen, poëziebundels en ook blader- en kijkboeken. Het leukste van Eva (Mouton) en The Flame van Leonard Cohen zijn boeken die ik altijd bij de hand wil hebben. Mijn favoriete kunstboek is van Gregory Crewdson, een Amerikaanse fotograaf die cinematografische beelden schiet waarbij David Lynch nooit ver weg is.

Wat is het laatste boek dat je tranen van ontroering heeft bezorgd?
Ik heb nog nooit echt gehuild met een boek, maar een leeservaring kan me wel helemaal uit mijn lood slaan. Dagenlang loop ik dan rond met een krop in de keel die maar niet is weg te slikken. Onder meer A Farewell to Arms van Ernest Hemingway bezorgde me dat gevoel, maar heel recent ook Het echte leven van Adeline Dieudonné.

Welk boek zou je meteen (her)lezen als je een week leestijd cadeau kreeg?
Ik zou dan eindelijk beginnen in Oorlog en vrede van Leo Tolstoj: één van die klassiekers die me al jarenlang verwijtend aankijkt en die ik als literatuurwetenschapper toch gelezen zou moeten hebben.

Welk boek of oeuvre vind je zwaar overschat?
Schrijven is een vak. Het is niet omdat je enige bekendheid hebt, een hoop volgers en er een leuk verhaal in je hoofd zit dat je ook een goede roman kan schrijven. Ik erger me dus wel eens aan bekende koppen die zichzelf schrijver noemen. Zo vind ik onder andere de boeken van Ish Ait Hamou zowel inhoudelijk als stilistisch zwaar overschat.

Welk romaneinde had je liever anders gehad?
Het einde van Call Me By Your Name bleef te lang door kabbelen. Ik ben benieuwd of Find Me, het recent verschenen vervolg van André Aciman me kan verrassen en of er dus nog verhaal zit in de romance van Elio en Oliver.